6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Dezelve Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.
Romeinen 8:16
Velen mogen misschien geen duidelijke en vaste verzekerdheid hebben dat zij deel hebben aan Christus; dikwijls moogt gij twijfelen of gij een kind Gods zijt, en toch hebt gij somtijds een liefelijke getuigenis gehad dat de genade in uw hart is uitgestort. Wellicht hebt gij de dienaren Gods de gevoelens uwer ziel zo horen beschrijven, dezelve zo geheel voelen ingaan in uw oefeningen en zulke bewijzen van genade horen bijbrengen, dat gij, ondanks al uw ongeloof, overtuigd waart, indien deze mannen spraken naar de Geest van God, waaraan gij niet kondt twijfelen wegens het gezag waarmede zij spraken, een Zijner kinderen te zijn. En terwijl gij deze inwendige getuige gevoeldet, werd uw hart vertederd en bewogen, en gij kondt u niet weerhouden uw ziel in lof en aanbidding uit te storten voor de God van alle barmhartigheden. Wel mocht gij soms weder zo laag vallen als tevoren; maar zolang dat hemelse gevoel duurde, hadt gij een getuigenis in uw geweten dat gij een kind Gods waart, en kondt gij geloven dat Hij uw Vader en hemelse Vriend was.
Deze tekst snijdt daarom degenen niet af die de volle verzekerdheid des geloofs niet hebben bereikt; hij bedoelt niet, zegt veel minder, dat iedereen zal worden afgesneden en voor eeuwig verloren gaan die niet duidelijk en vrijmoedig kan verklaren dat de Geest getuigt met zijn geest dat hij tot de kinderen Gods behoort. Integendeel, hij opent zijn vriendelijke armen voor een ieder die enigermate en op zekere tijd enige verlossing ondervonden, zekere mate van geestelijke troost gevoeld heeft of met een getuigenis begunstigd is van in de Geliefde te zijn aangenomen. Hij komt niet als een tweesnijdend zwaard om allen te doden die niet de volle verzekerdheid des geloofs genieten, maar toch de kracht der waarheid in hun harten gevoeld hebben. Hij zegt tot de zodanigen niet: „Gij hebt geen deel daaraan.” Veeleer trekt hij zodanigen voort in de beschermende armen der eeuwige barmhartigheid, en moedigt hen aan voort te dringen om meer en meer te kennen van die inwendige getuigenis, die alleen hen kan verkwikken in uren van duisternis en benauwdheid, hen kan ondersteunen op het sterfbed, en stelt hen in staat zonder twijfelmoedigheid en vrees door de donkere vallei der schaduwen des doods te gaan.
Ps. 5:1
Aan de lezer…
Hoe smartelijk is het, eerlijk te moeten zeggen dat u de volle verzekerdheid des geloofs niet hebt! Twijfelt u dikwijls of u wel een kind Gods bent, en durft u niet vrijmoedig te verklaren dat de Geest met uw geest getuigt? Wees dan niet bevreesd dat deze tekst u afsnijdt. Hij komt niet als een tweesnijdend zwaard tot hen die de kracht der waarheid in hun hart gevoeld hebben.
Denk eens terug. Was er niet een uur waarin een dienaar Gods uw ziel zo beschreef, dat u het niet kon tegenspreken? Werd uw hart toen niet vertederd, en kon u zich niet weerhouden de God van alle barmhartigheden te loven? U bent daarna weer laag gevallen, maar dat liefelijke getuigenis was niet vals. Zulken trekt het woord in de armen der eeuwige barmhartigheid, en Hij, Die toen uw Vader en hemelse Vriend was, is het nog.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dezelve Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.
Romeinen 8:16
Velen hebben misschien geen duidelijke en vaste verzekerdheid dat zij deel hebben aan Christus. Misschien twijfelt u vaak of u een kind van God bent, en toch hebt u soms een lieflijk getuigenis gehad dat de genade in uw hart is uitgestort. Misschien hebt u dienaren van God de gevoelens van uw ziel zo horen beschrijven, hebt u hen zo volledig horen ingaan op uw oefeningen en zulke bewijzen van genade horen aanvoeren, dat u ondanks al uw ongeloof overtuigd was dat u, als deze mannen spraken naar de Geest van God (en daaraan kon u niet twijfelen vanwege het gezag waarmee zij spraken), een van Zijn kinderen was. En terwijl u dit inwendig getuigenis voelde, werd uw hart vertederd en bewogen, en kon u zich niet weerhouden uw ziel in lof en aanbidding uit te storten voor de God van alle barmhartigheden. Wel viel u daarna soms weer even laag als tevoren; maar zolang dat hemelse gevoel duurde, had u een getuigenis in uw geweten dat u een kind van God was, en kon u geloven dat Hij uw Vader en hemelse Vriend was.
Deze tekst snijdt daarom hen niet af die de volle verzekerdheid van het geloof niet hebben bereikt. Hij bedoelt niet, en zegt nog veel minder, dat iedereen zal worden afgesneden en voor eeuwig verloren zal gaan die niet duidelijk en vrijmoedig kan verklaren dat de Geest met zijn geest getuigt dat hij tot de kinderen van God behoort. Integendeel, hij opent zijn vriendelijke armen voor ieder die in enige mate en op een bepaald moment iets van verlossing heeft ondervonden, een zekere mate van geestelijke troost heeft gevoeld, of begunstigd is met een getuigenis dat hij in de Geliefde is aangenomen. Hij komt niet als een tweesnijdend zwaard om allen te doden die de volle verzekerdheid van het geloof niet genieten, maar toch de kracht van de waarheid in hun hart gevoeld hebben. Hij zegt tegen zulke mensen niet: „Gij hebt geen deel daaraan.” Veeleer trekt hij hen in de beschermende armen van de eeuwige barmhartigheid, moedigt hij hen aan om door te gaan en steeds meer te leren kennen van dat inwendig getuigenis dat alleen hen kan bemoedigen in uren van duisternis en nood en hen kan ondersteunen op het sterfbed, en maakt hij hen in staat zonder twijfelmoedigheid en vrees door het donkere dal van de schaduw des doods te gaan.
Ps. 5:1
Aan de lezer…
Hoe smartelijk is het eerlijk te moeten zeggen dat u de volle verzekerdheid van het geloof niet hebt! Twijfelt u vaak of u wel een kind van God bent, en durft u niet vrijmoedig te verklaren dat de Geest met uw geest getuigt? Wees dan niet bang dat deze tekst u afsnijdt. Hij komt niet als een tweesnijdend zwaard tot hen die de kracht van de waarheid in hun hart gevoeld hebben.
Denk eens terug. Was er niet een uur waarin een dienaar van God uw ziel zo beschreef dat u het niet kon tegenspreken? Werd uw hart toen niet vertederd, en kon u zich niet weerhouden de God van alle barmhartigheden te loven? U bent daarna weer laag gevallen, maar dat lieflijke getuigenis was niet vals. Zulke mensen trekt dit woord in de armen van de eeuwige barmhartigheid, en Hij Die toen uw Vader en hemelse Vriend was, is dat nog steeds.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The Spirit itself beareth witness with our spirit, that we are the children of God.
Romans 8:16
You may not perhaps, for the most part, enjoy a strong or clear assurance of your interest in Christ; you may be frequently much exercised whether you are a child of God; and yet you may at times have had a sweet testimony that grace is in your heart. You may have heard the servants of God so describe the feelings of your soul, so enter into your exercises, and bring forward such evidences of grace, that, in spite of all your unbelief, you were convinced that if these men spoke agreeably to the mind of God, which you could not well doubt from the power which accompanied it, you were one of His children; and as you felt this inward witness, your heart was softened and moved within you, and you could not help lifting up your soul in praise and adoration to the God of all your mercies. You might sink again almost as low as before; but while that heavenly feeling lasted, you had a testimony in your conscience that you were a child of God, and could then and there believe that He was your Father and heavenly Friend.
This text does not, therefore, cut off those who have not reached the full assurance of faith; it does not imply, much less say, that everybody shall be cut off and sent into everlasting perdition who cannot clearly and boldly declare that the Spirit Himself bears witness with their spirit that they are the children of God. On the contrary, it opens its benevolent arms to every one who has in any degree or at any time received any deliverance, felt any measure of spiritual consolation, or been favored with any testimony of his acceptance in the Beloved.
It does not come as a two-edged sword to kill all who do not enjoy the full assurance of faith, but still have felt the power of the truth in their hearts. It does not say to such, “You have neither part nor lot in the matter.” It would rather draw them forward into the sheltering arms of eternal mercy, and encourage them to press on to know more and more of that inward witness which alone can cheer them in hours of darkness and distress, support them upon a dying bed, and enable them to walk without doubt and fear through the gloomy valley of the shadow of death.
To the reader…
How painful it is to have to say honestly that you do not have the full assurance of faith! Do you often doubt whether you are a child of God, and do you not dare to declare boldly that the Spirit bears witness with your spirit? Then do not be afraid that this text cuts you off. It does not come as a two-edged sword to those who have felt the power of the truth in their hearts.
Think back for a moment. Was there not an hour when a servant of God described your soul in such a way that you could not deny it? Was your heart not softened then, and could you keep yourself from praising the God of all mercies? You sank low again afterwards, but that sweet testimony was not false. Such people this word draws into the arms of eternal mercy, and He Who was then your Father and heavenly Friend is so still.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el mismo Espíritu da testimonio a nuestro espíritu que somos hijos de Dios.
Romanos 8:16
Puede que usted, por lo general, no goce de una seguridad fuerte o clara de su parte en Cristo; puede que a menudo esté muy ejercitado acerca de si es hijo de Dios; y sin embargo puede haber tenido a veces un dulce testimonio de que hay gracia en su corazón. Puede haber oído a los siervos de Dios describir de tal manera los sentimientos de su alma, entrar de tal modo en sus ejercicios y presentar tales evidencias de la gracia, que, a pesar de toda su incredulidad, quedó convencido de que, si estos hombres hablaban conforme a la mente de Dios, de lo cual difícilmente podía dudar por el poder que lo acompañaba, usted era uno de Sus hijos; y al sentir este testimonio interior, su corazón se ablandó y se conmovió dentro de usted, y no pudo menos que elevar su alma en alabanza y adoración al Dios de todas sus misericordias. Puede que volviera a hundirse casi tan bajo como antes; pero mientras duró aquel sentimiento celestial, tuvo un testimonio en su conciencia de que era hijo de Dios, y pudo creer allí mismo que Él era su Padre y su Amigo celestial.
Este texto, por tanto, no excluye a los que no han llegado a la plena seguridad de la fe; no implica, y mucho menos dice, que todo aquel que no pueda declarar clara y osadamente que el Espíritu mismo da testimonio a su espíritu de que es hijo de Dios será cortado y enviado a la perdición eterna. Al contrario, abre sus brazos benévolos a todo aquel que en algún grado o en algún momento ha recibido alguna liberación, ha sentido alguna medida de consolación espiritual o ha sido favorecido con algún testimonio de su aceptación en el Amado.
No viene como espada de dos filos para matar a todos los que no gozan de la plena seguridad de la fe, pero que sin embargo han sentido el poder de la verdad en sus corazones. No les dice a tales: “No tienes tú parte ni suerte en este negocio”. Más bien quisiera atraerlos a los brazos protectores de la misericordia eterna, y animarlos a proseguir en conocer más y más de aquel testimonio interior que es lo único que puede alentarlos en horas de oscuridad y angustia, sostenerlos en el lecho de muerte y capacitarlos para andar sin duda ni temor por el valle sombrío de sombra de muerte.
Al lector…
¡Qué doloroso es tener que decir con sinceridad que no tiene la plena seguridad de la fe! ¿Duda a menudo si es hijo de Dios, y no se atreve a declarar con denuedo que el Espíritu da testimonio a su espíritu? Entonces no tema que este texto le excluya. No viene como espada de dos filos contra los que han sentido el poder de la verdad en sus corazones.
Piense un momento en el pasado. ¿No hubo una hora en que un siervo de Dios describió su alma de tal manera que usted no podía negarlo? ¿No se ablandó entonces su corazón, y pudo contenerse de alabar al Dios de todas las misericordias? Después volvió a hundirse, pero aquel dulce testimonio no era falso. A personas así esta palabra las atrae a los brazos de la misericordia eterna, y Aquel que entonces era su Padre y Amigo celestial lo sigue siendo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Wat is de grote zorg van elke levende ziel? Is dit niet zijn behoudenis? Als zijn ziel wordt behouden, wat kan hem dan nog deren? En als zijn ziel niet wordt behouden, wat kan hem dan baten? „Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel?” (Matth. 16:26). Wat voor beproeving, wat voor verzoeking, wat voor moeilijkheden, wat voor oefeningen me op mijn weg ook belegeren, waarom zouden, als ik uiteindelijk in de hemel kom, al deze moeilijkheden mij met zorg vervullen? Als ik me uiteindelijk baad in rivieren van eindeloze gelukzaligheid, wat stellen alle zorgen, narigheden, moeilijkheden, verwarringen, beproevingen en smarten van dit leven dan voor?
„Behoud mij,” roept de Kerk daarom uit, „zo zal ik behouden worden.” Betekenen de woorden niet dat men de hoop op zelfbehoud heeft opgegeven? Als ik alles kan doen wat maar nodig is om mijn ziel te behouden; als ik door een verlangen, door een gebed, door een wens, door het uitoefenen van mijn eigen vrije wil alles kan doen wat maar mogelijk is om mijn eigen ziel te behouden, kan ik niet eerlijk de woorden van de tekst uitspreken. Maar dat kan ik wel als ik tot dit innerlijke besef ben gekomen: dat wat ik ook doe, wat ik ook wil, ik toch wat de verlossing betreft mijn ziel geen stap dichter bij de hemel kan brengen, en dat ik volkomen hulpeloos ben aangaande alle goddelijke aangelegenheden. Als het de Heere echter belieft mijn ziel tot leven te brengen door de gezegende werkzaamheden van Zijn Geest, dan komt wellicht niet letterlijk, maar in ieder geval het wezen van de tekst voor de dag: „Behoud mij, o Heere, zo zal ik behouden worden!”
Lezen: Jeremia 31:18-25
Aan de lezer…
Wanneer u eens nagaat wat uw grote zorg is, wat vindt u dan? Zijn het de narigheden en moeilijkheden van deze dag, of is het de vraag of uw ziel behouden wordt? Wat zou het u baten, al gewont u de gehele wereld en leed u schade aan uw ziel? En wordt zij behouden, wat kan u dan nog deren? Al wat u nu belegert, is klein naast die ene zaak.
Misschien hebt u al lang geprobeerd uzelf een stap dichter bij de hemel te brengen, met gebeden, wensen en goede voornemens, en bent u moe geworden. Weet dan dat dit hulpeloos worden geen verlies is. Pas als de hoop op zelfbehoud is opgegeven, kunt u eerlijk met de Kerk uitroepen: „Behoud mij, o Heere, zo zal ik behouden worden!” Dat roepen werkt Zijn Geest in een ziel die Hij tot leven brengt; en wie Hij behoudt, die is behouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, Heere! zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Wat is de grote zorg van elke levende ziel? Is dat niet haar behoudenis? Als zijn ziel behouden wordt, wat kan hem dan nog deren? En als zijn ziel niet behouden wordt, wat kan hem dan baten? „Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel?” (Matth. 16:26). Welke beproeving, welke verzoeking, welke moeilijkheden en welke oefeningen mij op mijn weg ook belegeren: als ik uiteindelijk in de hemel kom, waarom zouden al die moeilijkheden mij dan met zorg vervullen? Als ik me uiteindelijk baad in rivieren van eindeloze gelukzaligheid, wat stellen alle zorgen, narigheden, moeilijkheden, verwarringen, beproevingen en smarten van dit leven dan voor?
„Behoud mij,” roept de Kerk daarom uit, „zo zal ik behouden worden.” Betekenen deze woorden niet dat men de hoop op zelfbehoud heeft opgegeven? Als ik alles kan doen wat nodig is om mijn ziel te behouden, als ik door een verlangen, een gebed, een wens of het gebruik van mijn eigen vrije wil alles kan doen wat mogelijk is om mijn eigen ziel te behouden, dan kan ik de woorden van de tekst niet eerlijk uitspreken. Maar dat kan ik wel als ik tot dit innerlijke besef ben gekomen: wat ik ook doe en wat ik ook wil, ik kan mijn ziel wat de verlossing betreft geen stap dichter bij de hemel brengen, en ik ben volkomen hulpeloos in alle goddelijke zaken. Als het de Heere echter behaagt mijn ziel levend te maken door de gezegende werking van Zijn Geest, dan komt misschien niet letterlijk, maar in ieder geval in wezen de tekst naar voren: „Behoud mij, o Heere, zo zal ik behouden worden!”
Lezen: Jeremia 31:18-25
Aan de lezer…
Wanneer u eens nagaat wat uw grote zorg is, wat vindt u dan? Zijn het de narigheden en moeilijkheden van deze dag, of is het de vraag of uw ziel behouden wordt? Wat zou het u baten als u de hele wereld won en schade leed aan uw ziel? En als zij behouden wordt, wat kan u dan nog deren? Alles wat u nu belegert, is klein naast die ene zaak.
Misschien hebt u al lang geprobeerd uzelf een stap dichter bij de hemel te brengen, met gebeden, wensen en goede voornemens, en bent u moe geworden. Weet dan dat dit hulpeloos worden geen verlies is. Pas als de hoop op zelfbehoud is opgegeven, kunt u eerlijk met de Kerk uitroepen: „Behoud mij, o Heere, zo zal ik behouden worden!” Dat roepen werkt Zijn Geest in een ziel die Hij levend maakt; en wie Hij behoudt, die is behouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
What is the great concern of every living soul? Is it not its salvation? If his soul is saved, what can harm him? And if his soul is not saved, what can profit him? “For what is a man profited, if he shall gain the whole world, and lose his own soul? or what shall a man give in exchange for his soul?” (Matt. 16:26). Whatever trial, whatever temptation, whatever difficulties and whatever exercises may beset me on my way: if I get to heaven at last, why should all those difficulties fill me with care? If I am at last to bathe in rivers of endless bliss, what are all the cares, troubles, difficulties, perplexities, trials and sorrows of this life?
“Save me,” therefore cries the Church, “and I shall be saved.” Do not these words imply that the hope of self-salvation has been given up? If I can do all that is needful to save my soul, if by a desire, a prayer, a wish or the exercise of my own free will I can do all that is possible to save my own soul, then I cannot honestly utter the words of the text. But I can if I have come to this inward conviction: whatever I do and whatever I will, I cannot bring my soul one step nearer to heaven as regards salvation, and I am utterly helpless in all divine things. When, however, it pleases the Lord to quicken my soul by the blessed operation of His Spirit, then, perhaps not in the letter, but at any rate in substance, the text comes forth: “Save me, O Lord, and I shall be saved!”
Reading: Jeremiah 31:18-25
To the reader…
When you consider what your great concern is, what do you find? Is it the troubles and difficulties of this day, or is it the question whether your soul will be saved? What would it profit you if you gained the whole world and lost your own soul? And if it is saved, what can harm you? All that besets you now is small beside that one thing.
Perhaps you have long tried to bring yourself one step nearer to heaven, with prayers, wishes and good resolutions, and have grown weary. Then know that becoming helpless in this way is no loss. Only when the hope of self-salvation is given up can you honestly cry out with the Church, “Save me, O Lord, and I shall be saved!” That cry is wrought by His Spirit in a soul which He quickens; and whom He saves is saved indeed.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
¿Cuál es la gran preocupación de toda alma viviente? ¿No es su salvación? Si su alma es salva, ¿qué puede dañarle? Y si su alma no es salva, ¿qué puede aprovecharle? “Porque ¿de qué aprovecha al hombre, si granjeare todo el mundo, y perdiere su alma? ¿O qué recompensa dará el hombre por su alma?” (Mateo 16:26). Cualquier prueba, cualquier tentación, cualesquiera dificultades y cualesquiera ejercicios que me asedien en mi camino: si al fin llego al cielo, ¿por qué habrían de llenarme de cuidado todas esas dificultades? Si al fin he de bañarme en ríos de dicha sin fin, ¿qué son todos los cuidados, aflicciones, dificultades, perplejidades, pruebas y tristezas de esta vida?
“Sálvame”, clama por eso la Iglesia, “y seré salvo”. ¿No implican estas palabras que se ha abandonado la esperanza de salvarse a sí mismo? Si puedo hacer todo lo necesario para salvar mi alma, si por un deseo, una oración, un anhelo o el ejercicio de mi propio libre albedrío puedo hacer todo lo posible para salvar mi propia alma, entonces no puedo pronunciar con sinceridad las palabras del texto. Pero sí puedo si he llegado a esta convicción interior: haga lo que haga y quiera lo que quiera, no puedo acercar mi alma ni un paso al cielo en cuanto a la salvación, y soy del todo impotente en todas las cosas divinas. Cuando, sin embargo, place al Señor vivificar mi alma por la bendita operación de Su Espíritu, entonces, quizá no en la letra, pero en todo caso en sustancia, brota el texto: “¡Sálvame, oh Señor, y seré salvo!”.
Lectura: Jeremías 31:18-25
Al lector…
Cuando considera cuál es su gran preocupación, ¿qué halla? ¿Son las aflicciones y dificultades de este día, o es la pregunta de si su alma será salva? ¿De qué le aprovecharía granjear todo el mundo y perder su propia alma? Y si es salva, ¿qué puede dañarle? Todo lo que ahora lo asedia es pequeño al lado de esa única cosa.
Quizá ha intentado durante mucho tiempo acercarse un paso al cielo, con oraciones, anhelos y buenas resoluciones, y se ha cansado. Sepa entonces que volverse impotente de esta manera no es una pérdida. Solo cuando se abandona la esperanza de salvarse a sí mismo puede clamar con sinceridad con la Iglesia: “¡Sálvame, oh Señor, y seré salvo!”. Ese clamor es obrado por Su Espíritu en un alma que Él vivifica; y a quien Él salva, es salvo de verdad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlesen hart geven.
Ezechiël 36:26
Deze „nieuwe geest” is een verbroken geest, een zachtmoedige, tedere geest, en wordt derhalve genaamd een vlesen hart; het tegenovergestelde van een stenen hart, het rotsachtige, verstokte, ongevoelige, onboetvaardige hart van iemand die dood in de zonden of dood in de belijdenis is. En hoe wordt dit zachtmoedig, berouwhebbend hart medegedeeld? „Ik zal Mijn Geest geven binnen in u.” Dezelfde Goddelijke waarheid wordt voorgesteld in de dierbare belofte: „En over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.”
Maar wat is het onmiddellijk gevolg van de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden? Een opzien tot Hem, Die zij doorstoken hebben; een rouwklagen over Hem, gelijk men rouwklaagt over een enige zoon; een bitterlijk kermen, gelijk men kermt over een eerstgeborene. Dit is Evangelisch berouw, onderscheiden van een wettisch berouw; een Goddelijke droefheid, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt, onderscheiden van de droefheid der wereld, die de dood werkt. Deze twee soorten van berouw moeten zorgvuldig van elkander onderscheiden worden, ofschoon zij dikwijls treurig worden verward.
Kaïn, Ezau, Saul, Achab en Judas hadden allen berouw, doch hun berouw was de knaging van een natuurlijke consciëntie en niet de Goddelijke droefheid van een verbroken hart en een verslagen geest. Zij sidderden voor God als een vertoornd Rechter en smolten niet in droefheid voor Hem als een vergevend Vader. Zij haatten hun zonden niet, noch verlieten ze; zij beminden de heiligheid niet, noch zochten die. Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren; Ezau beraamde Jakobs dood; Saul raadpleegde de toveres van Endor; Achab zette de brave Micha in de gevangenis; en Judas verhing zichzelf. Hoe verschilt dit valse berouw van een verworpeling van het berouw van een kind van God; van de ware droefheid over de zonde, het Goddelijk berouw, het heilig rouwklagen, die vloeien uit de werkingen van de gezegende Geest!
Dit rouwklagen ontspringt niet uit een gevoel van de toorn Gods, geopenbaard in een verbroken wet, maar vindt zijn oorsprong in Zijn genade in een gezegend Evangelie, in een geloofsgezicht van Christus’ lijden in de hof en aan het kruis, in een openbaring van vergevende liefde. En het gaat altijd vergezeld van een walgen en verfoeien van zichzelf, een ongedwongen belijdenis van zonden en een verzaken van dezelve, met hartelijke, oprechte en ernstige smekingen om voor alle kwaad te mogen worden bewaard, en met een heilig verlangen om te leven tot prijs en heerlijkheid Gods.
Aan de lezer…
Dat woord van een nieuw hart doet u wellicht vragen of uw berouw over uw zonden wel het rechte is. Het is een ernstige vraag, want er is een berouw dat niet meer is dan de knaging van een natuurlijke consciëntie, een sidderen voor God als een vertoornd Rechter. Velen hadden zulk berouw en gingen toch uit van het aangezicht des Heeren. Onderzoek uzelf daarom eerlijk, maar onderzoek ook waar uw droefheid vandaan komt.
Het ware rouwklagen ontspringt aan het opzien tot Hem, Die doorstoken is. Smelt uw hart soms, niet uit vrees voor de wet, maar bij een gezicht van Christus’ lijden in de hof en aan het kruis, en van Zijn vergevende liefde? Walgt u dan van uzelf, en verlangt u bewaard te worden voor alle kwaad en te leven tot Gods eer? Dat is geen stenen hart meer. Dat is het vlesen hart dat Hij beloofd heeft te geven, en het werk van Zijn Geest binnen in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlesen hart geven.
Ezechiël 36:26
Deze „nieuwe geest” is een verbroken geest, een zachtmoedige, tedere geest, en wordt daarom een vlesen hart genoemd. Het is het tegenovergestelde van een stenen hart: het rotsachtige, verstokte, ongevoelige, onboetvaardige hart van iemand die dood is in de zonden of dood in de belijdenis. En hoe wordt dit zachtmoedige, berouwvolle hart geschonken? „Ik zal Mijn Geest geven binnen in u.” Dezelfde Goddelijke waarheid wordt voorgesteld in de dierbare belofte: „En over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.”
Maar wat is het directe gevolg van de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden? Een opzien naar Hem, Die zij doorstoken hebben; een rouwklagen over Hem, zoals men rouwklaagt over een enige zoon; een bitter kermen, zoals men kermt over een eerstgeborene. Dit is evangelisch berouw, dat onderscheiden is van wettisch berouw; een Goddelijke droefheid, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt, onderscheiden van de droefheid van de wereld, die de dood werkt. Deze twee soorten berouw moeten zorgvuldig van elkaar onderscheiden worden, hoewel zij helaas vaak worden verward.
Kaïn, Ezau, Saul, Achab en Judas hadden allemaal berouw, maar hun berouw was het knagen van een natuurlijk geweten en niet de Goddelijke droefheid van een verbroken hart en een verslagen geest. Zij sidderden voor God als een vertoornde Rechter en smolten niet in droefheid voor Hem als een vergevende Vader. Zij haatten hun zonden niet en verlieten ze niet; zij hadden de heiligheid niet lief en zochten haar niet. Kaïn ging uit van het aangezicht van de Heere; Ezau beraamde Jakobs dood; Saul raadpleegde de waarzegster van Endor; Achab zette de brave Micha in de gevangenis; en Judas verhing zichzelf. Hoe verschilt dit valse berouw van een verworpene van het berouw van een kind van God: van de ware droefheid over de zonde, het Goddelijk berouw en het heilig rouwklagen, die voortvloeien uit de werkingen van de gezegende Geest!
Dit rouwklagen ontspringt niet aan een besef van de toorn van God, geopenbaard in een gebroken wet, maar vindt zijn oorsprong in Zijn genade in een gezegend Evangelie: in een geloofsgezicht op het lijden van Christus in de hof en aan het kruis, in een openbaring van vergevende liefde. En het gaat altijd samen met walging en afkeer van zichzelf, een vrijmoedige belijdenis van de zonden en het verzaken ervan, met hartelijke, oprechte en ernstige smekingen om voor alle kwaad bewaard te mogen worden, en met een heilig verlangen om te leven tot lof en heerlijkheid van God.
Aan de lezer…
Dat woord over een nieuw hart doet u misschien vragen of uw berouw over uw zonden wel het juiste is. Het is een ernstige vraag, want er is een berouw dat niet meer is dan het knagen van een natuurlijk geweten, een sidderen voor God als een vertoornde Rechter. Velen hadden zulk berouw en gingen toch uit van het aangezicht van de Heere. Onderzoek uzelf daarom eerlijk, maar onderzoek ook waar uw droefheid vandaan komt.
Het ware rouwklagen ontspringt aan het opzien naar Hem, Die doorstoken is. Smelt uw hart soms, niet uit vrees voor de wet, maar bij een gezicht op het lijden van Christus in de hof en aan het kruis, en op Zijn vergevende liefde? Walgt u dan van uzelf, en verlangt u bewaard te worden voor alle kwaad en te leven tot Gods eer? Dat is geen stenen hart meer. Dat is het vlesen hart dat Hij beloofd heeft te geven, en het werk van Zijn Geest binnen in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“A new heart also will I give you, and a new spirit will I put within you: and I will take away the stony heart out of your flesh, and I will give you an heart of flesh.”
Ezekiel 36:26
This “new spirit” is a broken spirit, a soft, tender spirit, and is therefore called “a heart of flesh,” as opposed to “the heart of stone,” the rocky, obdurate, unfeeling, impenitent heart of one dead in sin, or dead in a profession. And how is this soft, penitent heart communicated? “I will put My Spirit within you.” The same divine truth is set forth in the gracious promise—“And I will pour upon the house of David, and upon the inhabitants of Jerusalem, the spirit of grace and of supplications; and they shall look upon Me Whom they have pierced, and they shall mourn for Him, as one mourns for his only son, and shall be in bitterness for Him, as one that is in bitterness for his firstborn.”
But what is the immediate effect of the pouring out of the spirit of grace and of supplications? A looking to Him Whom they have pierced, a mourning for Him as one mourns for an only son, and a being in bitterness for Him as one that is in bitterness for his firstborn. This is evangelical repentance, as distinguished from legal; godly sorrow working repentance to salvation not to be repented of, as distinct from the sorrow of the world which works death.
These two kinds of repentance are to be carefully distinguished from each other, though they are often sadly confounded. Cain, Esau, Saul, Ahab, Judas, all repented; but their repentance was the remorse of natural conscience, not the godly sorrow of a broken heart and a contrite spirit. They trembled before God as an angry Judge, were not melted into contrition before Him as a forgiving Father. They neither hated their sins nor forsook them, loved holiness nor sought it. Cain went out from the presence of the Lord; Esau plotted Jacob’s death; Saul consulted the witch of Endor; Ahab put honest Micaiah into prison; and Judas hanged himself.
How different from this forced and false repentance of a reprobate is the repentance of a child of God—that true repentance for sin, that godly sorrow, that holy mourning which flows from the Spirit’s gracious operations. This does not spring from a sense of the wrath of God in a broken law, but of His mercy in a blessed gospel; from a view by faith of the sufferings of Christ in the garden and on the cross; from a manifestation of pardoning love; and is always attended with self-loathing and self-abhorrence, with deep and unreserved confession of sin and forsaking it, with most hearty, sincere, and earnest petitions to be kept from all evil, and a holy longing to live to the praise and glory of God.
To the reader…
This word about a new heart may make you ask whether your sorrow over your sins is the right kind. It is a serious question, for there is a repentance that is no more than the gnawing of a natural conscience, a trembling before God as an angry Judge. Many had such repentance and yet went out from the presence of the Lord. Examine yourself honestly, therefore, but examine also where your sorrow comes from.
True mourning springs from looking upon Him Whom they have pierced. Does your heart sometimes melt, not from fear of the law, but at a sight of the sufferings of Christ in the garden and on the cross, and of His pardoning love? Do you then loathe yourself, and long to be kept from all evil and to live to the glory of God? That is no longer a heart of stone. That is the heart of flesh He promised to give, and the work of His Spirit within you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y os daré corazón nuevo, y pondré espíritu nuevo dentro de vosotros; y quitaré de vuestra carne el corazón de piedra, y os daré corazón de carne.
Ezequiel 36:26
Este “espíritu nuevo” es un espíritu quebrantado, un espíritu blando y tierno, y por eso se le llama “corazón de carne”, en oposición al “corazón de piedra”, el corazón duro como la roca, obstinado, insensible e impenitente de quien está muerto en el pecado o muerto en una mera profesión. ¿Y cómo se comunica este corazón blando y penitente? “Y pondré dentro de vosotros Mi Espíritu.” La misma verdad divina se expone en la promesa llena de gracia: “Y derramaré sobre la casa de David, y sobre los moradores de Jerusalén, espíritu de gracia y de oración; y mirarán a Mí, a quien traspasaron, y harán llanto sobre Él como llanto sobre unigénito, afligiéndose sobre Él como quien se aflige sobre primogénito.”
Pero ¿cuál es el efecto inmediato del derramamiento del espíritu de gracia y de oración? Un mirar a Aquel a quien traspasaron, un llorar por Él como se llora por un hijo unigénito, y un afligirse por Él como quien se aflige por su primogénito. Esto es arrepentimiento evangélico, a diferencia del legal; la tristeza que es según Dios, que obra arrepentimiento saludable, de que no hay que arrepentirse, a diferencia de la tristeza del mundo, que obra muerte.
Estas dos clases de arrepentimiento deben distinguirse cuidadosamente la una de la otra, aunque a menudo se confunden tristemente. Caín, Esaú, Saúl, Acab, Judas, todos se arrepintieron; pero su arrepentimiento fue el remordimiento de la conciencia natural, no la tristeza según Dios de un corazón quebrantado y un espíritu contrito. Temblaron ante Dios como ante un Juez airado; no fueron derretidos en contrición delante de Él como ante un Padre perdonador. Ni aborrecieron sus pecados ni los dejaron; ni amaron la santidad ni la buscaron. Caín salió de delante de Jehová; Esaú tramó la muerte de Jacob; Saúl consultó a la adivina de Endor; Acab metió en la cárcel al honrado Micaías; y Judas se ahorcó.
¡Cuán diferente de este arrepentimiento forzado y falso de un réprobo es el arrepentimiento de un hijo de Dios: ese verdadero arrepentimiento por el pecado, esa tristeza según Dios, ese santo llanto que fluye de las operaciones llenas de gracia del Espíritu! Este no brota de un sentido de la ira de Dios en una ley quebrantada, sino de Su misericordia en un bendito evangelio; de una visión por la fe de los sufrimientos de Cristo en el huerto y en la cruz; de una manifestación de amor perdonador; y va siempre acompañado de aborrecimiento y abominación de sí mismo, de una confesión profunda y sin reservas del pecado y del abandono de él, de peticiones muy cordiales, sinceras y fervientes para ser guardado de todo mal, y de un santo anhelo de vivir para alabanza y gloria de Dios.
Al lector…
Esta palabra sobre un corazón nuevo puede hacerle preguntar si su tristeza por sus pecados es de la clase correcta. Es una pregunta seria, porque hay un arrepentimiento que no es más que el roer de una conciencia natural, un temblar ante Dios como ante un Juez airado. Muchos tuvieron tal arrepentimiento y, aun así, salieron de delante de Jehová. Examínese, por tanto, con sinceridad, pero examine también de dónde viene su tristeza.
El verdadero llanto brota de mirar a Aquel a quien traspasaron. ¿Se derrite a veces su corazón, no por temor a la ley, sino al ver los sufrimientos de Cristo en el huerto y en la cruz, y Su amor perdonador? ¿Se aborrece entonces a sí mismo, y anhela ser guardado de todo mal y vivir para la gloria de Dios? Eso ya no es un corazón de piedra. Es el corazón de carne que Él prometió dar, y la obra de Su Espíritu en usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl