13 de agosto
En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlesen hart geven.
Ezechiël 36:26
Deze „nieuwe geest” is een verbroken geest, een zachtmoedige, tedere geest, en wordt derhalve genaamd een vlesen hart; het tegenovergestelde van een stenen hart, het rotsachtige, verstokte, ongevoelige, onboetvaardige hart van iemand die dood in de zonden of dood in de belijdenis is. En hoe wordt dit zachtmoedig, berouwhebbend hart medegedeeld? „Ik zal Mijn Geest geven binnen in u.” Dezelfde Goddelijke waarheid wordt voorgesteld in de dierbare belofte: „En over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.”
Maar wat is het onmiddellijk gevolg van de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden? Een opzien tot Hem, Die zij doorstoken hebben; een rouwklagen over Hem, gelijk men rouwklaagt over een enige zoon; een bitterlijk kermen, gelijk men kermt over een eerstgeborene. Dit is Evangelisch berouw, onderscheiden van een wettisch berouw; een Goddelijke droefheid, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt, onderscheiden van de droefheid der wereld, die de dood werkt. Deze twee soorten van berouw moeten zorgvuldig van elkander onderscheiden worden, ofschoon zij dikwijls treurig worden verward.
Kaïn, Ezau, Saul, Achab en Judas hadden allen berouw, doch hun berouw was de knaging van een natuurlijke consciëntie en niet de Goddelijke droefheid van een verbroken hart en een verslagen geest. Zij sidderden voor God als een vertoornd Rechter en smolten niet in droefheid voor Hem als een vergevend Vader. Zij haatten hun zonden niet, noch verlieten ze; zij beminden de heiligheid niet, noch zochten die. Kaïn ging uit van het aangezicht des Heeren; Ezau beraamde Jakobs dood; Saul raadpleegde de toveres van Endor; Achab zette de brave Micha in de gevangenis; en Judas verhing zichzelf. Hoe verschilt dit valse berouw van een verworpeling van het berouw van een kind van God; van de ware droefheid over de zonde, het Goddelijk berouw, het heilig rouwklagen, die vloeien uit de werkingen van de gezegende Geest!
Dit rouwklagen ontspringt niet uit een gevoel van de toorn Gods, geopenbaard in een verbroken wet, maar vindt zijn oorsprong in Zijn genade in een gezegend Evangelie, in een geloofsgezicht van Christus’ lijden in de hof en aan het kruis, in een openbaring van vergevende liefde. En het gaat altijd vergezeld van een walgen en verfoeien van zichzelf, een ongedwongen belijdenis van zonden en een verzaken van dezelve, met hartelijke, oprechte en ernstige smekingen om voor alle kwaad te mogen worden bewaard, en met een heilig verlangen om te leven tot prijs en heerlijkheid Gods.
Aan de lezer…
Dat woord van een nieuw hart doet u wellicht vragen of uw berouw over uw zonden wel het rechte is. Het is een ernstige vraag, want er is een berouw dat niet meer is dan de knaging van een natuurlijke consciëntie, een sidderen voor God als een vertoornd Rechter. Velen hadden zulk berouw en gingen toch uit van het aangezicht des Heeren. Onderzoek uzelf daarom eerlijk, maar onderzoek ook waar uw droefheid vandaan komt.
Het ware rouwklagen ontspringt aan het opzien tot Hem, Die doorstoken is. Smelt uw hart soms, niet uit vrees voor de wet, maar bij een gezicht van Christus’ lijden in de hof en aan het kruis, en van Zijn vergevende liefde? Walgt u dan van uzelf, en verlangt u bewaard te worden voor alle kwaad en te leven tot Gods eer? Dat is geen stenen hart meer. Dat is het vlesen hart dat Hij beloofd heeft te geven, en het werk van Zijn Geest binnen in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen en zal u een vlesen hart geven.
Ezechiël 36:26
Deze „nieuwe geest” is een verbroken geest, een zachtmoedige, tedere geest, en wordt daarom een vlesen hart genoemd. Het is het tegenovergestelde van een stenen hart: het rotsachtige, verstokte, ongevoelige, onboetvaardige hart van iemand die dood is in de zonden of dood in de belijdenis. En hoe wordt dit zachtmoedige, berouwvolle hart geschonken? „Ik zal Mijn Geest geven binnen in u.” Dezelfde Goddelijke waarheid wordt voorgesteld in de dierbare belofte: „En over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden, en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.”
Maar wat is het directe gevolg van de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden? Een opzien naar Hem, Die zij doorstoken hebben; een rouwklagen over Hem, zoals men rouwklaagt over een enige zoon; een bitter kermen, zoals men kermt over een eerstgeborene. Dit is evangelisch berouw, dat onderscheiden is van wettisch berouw; een Goddelijke droefheid, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt, onderscheiden van de droefheid van de wereld, die de dood werkt. Deze twee soorten berouw moeten zorgvuldig van elkaar onderscheiden worden, hoewel zij helaas vaak worden verward.
Kaïn, Ezau, Saul, Achab en Judas hadden allemaal berouw, maar hun berouw was het knagen van een natuurlijk geweten en niet de Goddelijke droefheid van een verbroken hart en een verslagen geest. Zij sidderden voor God als een vertoornde Rechter en smolten niet in droefheid voor Hem als een vergevende Vader. Zij haatten hun zonden niet en verlieten ze niet; zij hadden de heiligheid niet lief en zochten haar niet. Kaïn ging uit van het aangezicht van de Heere; Ezau beraamde Jakobs dood; Saul raadpleegde de waarzegster van Endor; Achab zette de brave Micha in de gevangenis; en Judas verhing zichzelf. Hoe verschilt dit valse berouw van een verworpene van het berouw van een kind van God: van de ware droefheid over de zonde, het Goddelijk berouw en het heilig rouwklagen, die voortvloeien uit de werkingen van de gezegende Geest!
Dit rouwklagen ontspringt niet aan een besef van de toorn van God, geopenbaard in een gebroken wet, maar vindt zijn oorsprong in Zijn genade in een gezegend Evangelie: in een geloofsgezicht op het lijden van Christus in de hof en aan het kruis, in een openbaring van vergevende liefde. En het gaat altijd samen met walging en afkeer van zichzelf, een vrijmoedige belijdenis van de zonden en het verzaken ervan, met hartelijke, oprechte en ernstige smekingen om voor alle kwaad bewaard te mogen worden, en met een heilig verlangen om te leven tot lof en heerlijkheid van God.
Aan de lezer…
Dat woord over een nieuw hart doet u misschien vragen of uw berouw over uw zonden wel het juiste is. Het is een ernstige vraag, want er is een berouw dat niet meer is dan het knagen van een natuurlijk geweten, een sidderen voor God als een vertoornde Rechter. Velen hadden zulk berouw en gingen toch uit van het aangezicht van de Heere. Onderzoek uzelf daarom eerlijk, maar onderzoek ook waar uw droefheid vandaan komt.
Het ware rouwklagen ontspringt aan het opzien naar Hem, Die doorstoken is. Smelt uw hart soms, niet uit vrees voor de wet, maar bij een gezicht op het lijden van Christus in de hof en aan het kruis, en op Zijn vergevende liefde? Walgt u dan van uzelf, en verlangt u bewaard te worden voor alle kwaad en te leven tot Gods eer? Dat is geen stenen hart meer. Dat is het vlesen hart dat Hij beloofd heeft te geven, en het werk van Zijn Geest binnen in u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“A new heart also will I give you, and a new spirit will I put within you: and I will take away the stony heart out of your flesh, and I will give you an heart of flesh.”
Ezekiel 36:26
This “new spirit” is a broken spirit, a soft, tender spirit, and is therefore called “a heart of flesh,” as opposed to “the heart of stone,” the rocky, obdurate, unfeeling, impenitent heart of one dead in sin, or dead in a profession. And how is this soft, penitent heart communicated? “I will put My Spirit within you.” The same divine truth is set forth in the gracious promise—“And I will pour upon the house of David, and upon the inhabitants of Jerusalem, the spirit of grace and of supplications; and they shall look upon Me Whom they have pierced, and they shall mourn for Him, as one mourns for his only son, and shall be in bitterness for Him, as one that is in bitterness for his firstborn.”
But what is the immediate effect of the pouring out of the spirit of grace and of supplications? A looking to Him Whom they have pierced, a mourning for Him as one mourns for an only son, and a being in bitterness for Him as one that is in bitterness for his firstborn. This is evangelical repentance, as distinguished from legal; godly sorrow working repentance to salvation not to be repented of, as distinct from the sorrow of the world which works death.
These two kinds of repentance are to be carefully distinguished from each other, though they are often sadly confounded. Cain, Esau, Saul, Ahab, Judas, all repented; but their repentance was the remorse of natural conscience, not the godly sorrow of a broken heart and a contrite spirit. They trembled before God as an angry Judge, were not melted into contrition before Him as a forgiving Father. They neither hated their sins nor forsook them, loved holiness nor sought it. Cain went out from the presence of the Lord; Esau plotted Jacob’s death; Saul consulted the witch of Endor; Ahab put honest Micaiah into prison; and Judas hanged himself.
How different from this forced and false repentance of a reprobate is the repentance of a child of God—that true repentance for sin, that godly sorrow, that holy mourning which flows from the Spirit’s gracious operations. This does not spring from a sense of the wrath of God in a broken law, but of His mercy in a blessed gospel; from a view by faith of the sufferings of Christ in the garden and on the cross; from a manifestation of pardoning love; and is always attended with self-loathing and self-abhorrence, with deep and unreserved confession of sin and forsaking it, with most hearty, sincere, and earnest petitions to be kept from all evil, and a holy longing to live to the praise and glory of God.
To the reader…
This word about a new heart may make you ask whether your sorrow over your sins is the right kind. It is a serious question, for there is a repentance that is no more than the gnawing of a natural conscience, a trembling before God as an angry Judge. Many had such repentance and yet went out from the presence of the Lord. Examine yourself honestly, therefore, but examine also where your sorrow comes from.
True mourning springs from looking upon Him Whom they have pierced. Does your heart sometimes melt, not from fear of the law, but at a sight of the sufferings of Christ in the garden and on the cross, and of His pardoning love? Do you then loathe yourself, and long to be kept from all evil and to live to the glory of God? That is no longer a heart of stone. That is the heart of flesh He promised to give, and the work of His Spirit within you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y os daré corazón nuevo, y pondré espíritu nuevo dentro de vosotros; y quitaré de vuestra carne el corazón de piedra, y os daré corazón de carne.
Ezequiel 36:26
Este “espíritu nuevo” es un espíritu quebrantado, un espíritu blando y tierno, y por eso se le llama “corazón de carne”, en oposición al “corazón de piedra”, el corazón duro como la roca, obstinado, insensible e impenitente de quien está muerto en el pecado o muerto en una mera profesión. ¿Y cómo se comunica este corazón blando y penitente? “Y pondré dentro de vosotros Mi Espíritu.” La misma verdad divina se expone en la promesa llena de gracia: “Y derramaré sobre la casa de David, y sobre los moradores de Jerusalén, espíritu de gracia y de oración; y mirarán a Mí, a quien traspasaron, y harán llanto sobre Él como llanto sobre unigénito, afligiéndose sobre Él como quien se aflige sobre primogénito.”
Pero ¿cuál es el efecto inmediato del derramamiento del espíritu de gracia y de oración? Un mirar a Aquel a quien traspasaron, un llorar por Él como se llora por un hijo unigénito, y un afligirse por Él como quien se aflige por su primogénito. Esto es arrepentimiento evangélico, a diferencia del legal; la tristeza que es según Dios, que obra arrepentimiento saludable, de que no hay que arrepentirse, a diferencia de la tristeza del mundo, que obra muerte.
Estas dos clases de arrepentimiento deben distinguirse cuidadosamente la una de la otra, aunque a menudo se confunden tristemente. Caín, Esaú, Saúl, Acab, Judas, todos se arrepintieron; pero su arrepentimiento fue el remordimiento de la conciencia natural, no la tristeza según Dios de un corazón quebrantado y un espíritu contrito. Temblaron ante Dios como ante un Juez airado; no fueron derretidos en contrición delante de Él como ante un Padre perdonador. Ni aborrecieron sus pecados ni los dejaron; ni amaron la santidad ni la buscaron. Caín salió de delante de Jehová; Esaú tramó la muerte de Jacob; Saúl consultó a la adivina de Endor; Acab metió en la cárcel al honrado Micaías; y Judas se ahorcó.
¡Cuán diferente de este arrepentimiento forzado y falso de un réprobo es el arrepentimiento de un hijo de Dios: ese verdadero arrepentimiento por el pecado, esa tristeza según Dios, ese santo llanto que fluye de las operaciones llenas de gracia del Espíritu! Este no brota de un sentido de la ira de Dios en una ley quebrantada, sino de Su misericordia en un bendito evangelio; de una visión por la fe de los sufrimientos de Cristo en el huerto y en la cruz; de una manifestación de amor perdonador; y va siempre acompañado de aborrecimiento y abominación de sí mismo, de una confesión profunda y sin reservas del pecado y del abandono de él, de peticiones muy cordiales, sinceras y fervientes para ser guardado de todo mal, y de un santo anhelo de vivir para alabanza y gloria de Dios.
Al lector…
Esta palabra sobre un corazón nuevo puede hacerle preguntar si su tristeza por sus pecados es de la clase correcta. Es una pregunta seria, porque hay un arrepentimiento que no es más que el roer de una conciencia natural, un temblar ante Dios como ante un Juez airado. Muchos tuvieron tal arrepentimiento y, aun así, salieron de delante de Jehová. Examínese, por tanto, con sinceridad, pero examine también de dónde viene su tristeza.
El verdadero llanto brota de mirar a Aquel a quien traspasaron. ¿Se derrite a veces su corazón, no por temor a la ley, sino al ver los sufrimientos de Cristo en el huerto y en la cruz, y Su amor perdonador? ¿Se aborrece entonces a sí mismo, y anhela ser guardado de todo mal y vivir para la gloria de Dios? Eso ya no es un corazón de piedra. Es el corazón de carne que Él prometió dar, y la obra de Su Espíritu en usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl