5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden: en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens. Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.
1 Korinthe 15:20, 21, 22
De verrezen Christus is de eersteling van die onoverzienbare oogst van gestorvenen en begravenen, wier overschot nog rust in het stille stof, en die nog gevolgd zullen worden van allen die in Hem sterven, totdat allen in de grote morgen der opstanding zullen opgewekt worden. Het beeld is dat van de garve der eerstelingen, die voor het aangezicht des Heeren werd bewogen vóór de oogst mocht ingezameld worden (Leviticus 23:10, 11). Dit offeren van de bewogen garve was de opdracht van de gehele oogst aan de Heere, zowel als het duidelijkst onderpand dat de oogst geheel rijp was voor de sikkel des maaiers.
De eersteling stelt voor de gehele oogst, gelijk Christus de Vertegenwoordiger is van Zijn heiligen; het offeren ervan heiligde al wat nog niet geoogst was, evenals Christus aan God de nog niet binnengehaalde oogst der begraven doden heiligde en wijdde; en het brengen der garve in de tabernakel was het eerste binnenbrengen van de oogst daarin, evenals Christus, Die als eersteling van de oogst de hemel binnengaande, daardoor de ingang verzekert van de lichamen der heiligen in de woningen welke hun bereid waren van vóór de grondlegging der wereld. Dus bood Christus, van de doden opstaande, Zich voor de Heere aan als de eerste vrucht van de nog niet binnengehaalde grote oogst, en daardoor wijdde en droeg Hij die ganse oogst aan God op. Evenals Hij toen van de doden opstond, zullen al de slapende heiligen op de jongste dag opstaan, want Zijn opstanding is de eersteling, het onderpand en de verzekering der hunne.
Dit is de dag, de roem der dagen,
die Isrels God geheiligd heeft.
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, die ons blijdschap geeft.
Ps. 118:12
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor wie wel eens aan een graf gestaan heeft en gevoeld heeft hoe zwaar het stille stof op het hart kan liggen. Misschien kent u dat ook. De dood is door een mens gekomen, en wij dragen allen dat vonnis in Adam met ons mee. Daar valt niets aan te verbloemen. Maar zie op die ene garve, voor het aangezicht des Heeren bewogen: Christus is opgewekt uit de doden, en Hij is niet alleen opgestaan.
Zijn opstanding is het onderpand dat de ganse oogst eenmaal binnengehaald zal worden. Wie in Hem ontslapen zijn, liggen niet vergeten; zij zijn aan God gewijd en wachten op de grote morgen. En voor u, die nog strijdt en vreest, is dit de vraag: bent u in Hem? Hebt u uw hoop alleen op Hem gesteld, Die als de Eersteling de hemel is binnengegaan? Dan is de woning ook voor u bereid, en zal de dood het laatste woord niet hebben. Verheug u dan, al is het met tranen, in Hem Die leeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden: en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens. Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.
1 Korinthe 15:20, 21, 22
De opgestane Christus is de eersteling van die onafzienbare oogst van gestorvenen en begravenen, van wie het stoffelijk overschot nog rust in het stille stof. Hij zal nog gevolgd worden door allen die in Hem sterven, totdat allen in de grote morgen van de opstanding opgewekt zullen worden. Het beeld is dat van de garve van de eerstelingen, die voor het aangezicht van de Heere werd bewogen voordat de oogst mocht worden binnengehaald (Leviticus 23:10, 11). Het offeren van deze beweegschoof was de toewijding van de hele oogst aan de Heere, en tegelijk het duidelijkste onderpand dat de oogst helemaal rijp was voor de sikkel van de maaier.
De eersteling vertegenwoordigt de hele oogst, zoals Christus de Vertegenwoordiger is van Zijn heiligen. Het offeren ervan heiligde alles wat nog niet geoogst was, zoals Christus de nog niet binnengehaalde oogst van de begraven doden aan God heiligde en wijdde. En het brengen van de garve in de tabernakel was het eerste binnenbrengen van de oogst daarin, zoals Christus, Die als eersteling van de oogst de hemel binnenging, daardoor de toegang verzekert van de lichamen van de heiligen tot de woningen die voor hen bereid waren vóór de grondlegging van de wereld.
Zo bood Christus, toen Hij uit de doden opstond, Zichzelf aan de Heere aan als de eerste vrucht van de grote oogst die nog niet was binnengehaald. Daardoor wijdde Hij die hele oogst aan God en droeg Hij haar aan Hem op. Zoals Hij toen uit de doden opstond, zo zullen alle ontslapen heiligen op de jongste dag opstaan, want Zijn opstanding is de eersteling, het onderpand en de verzekering van de hunne.
Dit is de dag, de roem der dagen,
die Isrels God geheiligd heeft.
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, die ons blijdschap geeft.
Ps. 118:12
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor wie wel eens aan een graf gestaan heeft en gevoeld heeft hoe zwaar het stille stof op het hart kan liggen. Misschien kent u dat ook. De dood is door een mens gekomen, en wij dragen allen dat vonnis in Adam met ons mee. Daar valt niets aan te verbloemen. Maar zie op die ene garve, voor het aangezicht van de Heere bewogen: Christus is opgewekt uit de doden, en Hij is niet alleen opgestaan.
Zijn opstanding is het onderpand dat de hele oogst eens binnengehaald zal worden. Wie in Hem ontslapen zijn, liggen niet vergeten; zij zijn aan God gewijd en wachten op de grote morgen. En voor u, die nog strijdt en vreest, is dit de vraag: bent u in Hem? Hebt u uw hoop alleen gesteld op Hem, Die als de Eersteling de hemel is binnengegaan? Dan is de woning ook voor u bereid, en zal de dood niet het laatste woord hebben. Verheug u dan, al is het met tranen, in Hem Die leeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But now is Christ risen from the dead, and become the firstfruits of them that slept. For since by man came death, by man came also the resurrection of the dead. For as in Adam all die, even so in Christ shall all be made alive.
1 Corinthians 15:20-22
Christ risen is the firstfruits of that mighty crop of buried dead whose remains still sleep in the silent dust, and who will be joined by successive ranks of those who die in Him, until all are together wakened up in the resurrection morn. The figure is that of the sheaf of the firstfruits which was waved before the Lord before the harvest was allowed to be reaped (Lev. 23:10, 11). This offering of the wave sheaf was the consecration and dedication of the whole crop in the field to the Lord, as well as the manifest pledge that the harvest was fully ripe for the reaper’s sickle.
The firstfruits represented the whole of the crop, as Christ is the representative of His saints; the offering of them sanctified what was still unreaped in the field, as Christ sanctified or consecrated unto God the yet unreaped harvest of the buried dead; and the carrying them into the tabernacle was the first introduction therein of the crop, as Christ entering heaven as the firstfruits secures thereby the entrance of the bodies of the saints into the mansions prepared for them before the foundation of the world.
Thus Christ rising from the dead presented Himself before the Lord as the firstfruits of the grand harvest of the resurrection yet unreaped, and by doing so consecrated and dedicated the whole crop unto God. As, then, He rose from the dead, so shall all the sleeping saints rise from the dead at the last day, for His resurrection is the firstfruits, the pledge, and the earnest of theirs.
To the reader…
These words are for those who have stood at a grave and felt how heavily the silent dust can lie upon the heart. Perhaps you know that too. Death came by man, and we all carry that sentence in Adam with us. There is nothing to gloss over there. But look at that one sheaf, waved before the Lord: Christ is risen from the dead, and He did not rise alone.
His resurrection is the pledge that the whole harvest will one day be gathered in. Those who have fallen asleep in Him do not lie forgotten; they are consecrated to God and wait for the great morning. And for you, who are still fighting and fearing, this is the question: are you in Him? Have you placed your hope in Him alone, Who as the Firstfruits has entered heaven? Then the mansion is prepared for you too, and death will not have the last word. Rejoice, then, even if it is with tears, in Him Who lives.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas ahora Cristo ha resucitado de los muertos; primicias de los que durmieron es hecho. Porque por cuanto la muerte entró por un hombre, también por un hombre la resurrección de los muertos. Porque así como en Adam todos mueren, así también en Cristo todos serán vivificados.
1 Corintios 15:20-22
Cristo resucitado es las primicias de aquella inmensa cosecha de muertos sepultados cuyos restos duermen todavía en el polvo silencioso, y a los cuales se unirán las sucesivas filas de los que mueren en Él, hasta que todos sean despertados juntos en la mañana de la resurrección. La figura es la de la gavilla de las primicias que se mecía delante del Señor antes de que se permitiera segar la mies (Levítico 23:10, 11). Esta ofrenda de la gavilla mecida era la consagración y dedicación al Señor de toda la cosecha del campo, así como la prenda manifiesta de que la mies estaba plenamente madura para la hoz del segador.
Las primicias representaban toda la cosecha, así como Cristo es el representante de Sus santos; la ofrenda de ellas santificaba lo que aún quedaba sin segar en el campo, así como Cristo santificó o consagró a Dios la cosecha aún no segada de los muertos sepultados; y el llevarlas al tabernáculo era la primera entrada de la cosecha en él, así como Cristo, al entrar en el cielo como las primicias, asegura con ello la entrada de los cuerpos de los santos en las moradas preparadas para ellos antes de la fundación del mundo.
Así Cristo, al resucitar de los muertos, se presentó delante del Señor como las primicias de la gran cosecha de la resurrección aún no segada, y con ello consagró y dedicó toda la cosecha a Dios. Así pues, como Él resucitó de los muertos, así resucitarán de los muertos todos los santos que duermen en el día postrero, porque Su resurrección es las primicias, la prenda y las arras de la de ellos.
Al lector…
Estas palabras son para quienes han estado junto a una tumba y han sentido cuán pesadamente puede pesar el polvo silencioso sobre el corazón. Quizá usted también lo conoce. La muerte entró por un hombre, y todos llevamos con nosotros esa sentencia en Adam. No hay nada que disimular en ello. Pero mire esa única gavilla, mecida delante del Señor: Cristo ha resucitado de los muertos, y no resucitó solo.
Su resurrección es la prenda de que toda la cosecha será un día recogida. Los que se han dormido en Él no yacen olvidados; están consagrados a Dios y esperan la gran mañana. Y para usted, que todavía lucha y teme, esta es la pregunta: ¿está usted en Él? ¿Ha puesto su esperanza solo en Él, Quien como las Primicias ha entrado en el cielo? Entonces la morada está preparada también para usted, y la muerte no tendrá la última palabra. Regocíjese, pues, aunque sea con lágrimas, en Aquel Que vive.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ opstanding
Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding.
Filippensen 3:10
Wat een levend kind van God graag wil ondervinden, is de kracht van de opstanding, zodat hij, aangezien hij samen met Christus verborgen en feitelijk levend is gemaakt bij en in Zijn opwekking uit de doden, de geestelijke kracht van die opwekking in zijn eigen ziel kan ervaren, waardoor het hem mogelijk wordt op te staan uit de banden van de dood, die hem zo vaak stevig en strak vasthouden. Deze uitoefening van de kracht van Christus om de ziel tot leven te wekken, te vernieuwen en te bevrijden is zo uitzonderlijk groot, dat zij door de apostel wordt vergeleken met de betoning van die almachtige kracht die God aanwendde om Jezus uit de doden op te wekken.
Want hoewel de gelovige praktisch en werkelijk samen met Christus tot leven was gewekt toen Hij opstond uit de doden, en al uit het graf van dood en zonde is opgestaan door deze kracht, die hem doet herleven en hem voor God levend maakt, zinkt hij vaak terug in het duistere graf van vleselijkheid en doodsheid. Hij wil daarom dat er grote kracht in zijn ziel wordt uitgeoefend, de kracht van Christus’ opstanding, want hij heeft dezelfde almachtige kracht nodig die Jezus uit de doden opwekte, om hem nogmaals op te wekken tot geloof, hoop en liefde. De opstanding van Jezus, en zijn belang erin als een levend gemaakt lid van Zijn lichaam, is de verzekering dat hij weer zal worden gezegend met deze vernieuwende, opwekkende genade.
Maar o, de kracht die hij af en toe innerlijk in de ziel voelt komen, zoals de kracht van God in het graf van Christus kwam en Hem uit de doden opwekte; en door de ervaring van die kracht met Christus op te staan naar het licht, het leven, de vrijheid en de liefde, dat is wat het betekent om het koninkrijk Gods te hebben, dat niet alleen gelegen is „in kracht”, maar in „rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest” (1 Kor. 4:20; Rom. 14:17).
Lezen: Filippensen 3:1-16
Aan de lezer…
Is het ook uw verlangen, lezer, wat deze bede uitspreekt: „Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding”? Niet slechts van Hem te weten, maar Hem te kennen; niet alleen de leer van de opstanding te belijden, maar haar kracht in uw eigen ziel te ervaren. Wie dat begeert, heeft al iets van het leven ontvangen. Een dode ziel verlangt niet naar de kracht van een opgestane Heiland.
Voelt u zich vaak gebonden, koud en dof, alsof de banden des doods u weer strak vasthouden? Wanhoop dan niet. Hij Die uit het graf opstond, kan ook in uw graf komen, zoals de kracht van God in Zijn graf kwam en Hem opwekte. En wanneer Hij dat doet, al is het maar af en toe, dan leert u wat het koninkrijk Gods is: niet een zaak van woorden, maar van kracht, van rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest. Blijf daarom om die kracht vragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding.
Filippensen 3:10
Wat een levend kind van God graag wil ondervinden, is de kracht van de opstanding. Hij is in het verborgene en werkelijk samen met Christus levend gemaakt bij en in Zijn opwekking uit de doden. Nu verlangt hij de geestelijke kracht van die opwekking in zijn eigen ziel te ervaren, zodat hij kan opstaan uit de banden van de dood, die hem zo vaak stevig en strak vasthouden. Deze uitoefening van de kracht van Christus, die de ziel levend maakt, vernieuwt en bevrijdt, is zo buitengewoon groot dat de apostel haar vergelijkt met de almachtige kracht die God aanwendde om Jezus uit de doden op te wekken.
Want hoewel de gelovige werkelijk en wezenlijk samen met Christus levend werd gemaakt toen Hij uit de doden opstond, en al uit het graf van dood en zonde is opgestaan door deze kracht die hem doet herleven en voor God levend maakt, zinkt hij toch vaak terug in het duistere graf van vleselijkheid en doodsheid. Daarom verlangt hij dat er grote kracht in zijn ziel wordt uitgeoefend, de kracht van Christus’ opstanding. Want hij heeft dezelfde almachtige kracht nodig die Jezus uit de doden opwekte, om hem opnieuw op te wekken tot geloof, hoop en liefde. De opstanding van Jezus, en zijn deel daaraan als een levend gemaakt lid van Zijn lichaam, is de verzekering dat hij weer gezegend zal worden met deze vernieuwende, opwekkende genade.
Maar o, die kracht die hij af en toe in zijn binnenste in de ziel voelt komen, zoals de kracht van God in het graf van Christus kwam en Hem uit de doden opwekte! En door het ervaren van die kracht met Christus op te staan tot het licht, het leven, de vrijheid en de liefde: dat is wat het betekent het Koninkrijk van God te bezitten, dat niet alleen gelegen is „in kracht”, maar in „rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest” (1 Kor. 4:20; Rom. 14:17).
Lezen: Filippensen 3:1-16
Aan de lezer…
Is het ook uw verlangen, lezer, wat deze bede uitspreekt: „Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding”? Niet alleen van Hem te weten, maar Hem te kennen; niet alleen de leer van de opstanding te belijden, maar haar kracht in uw eigen ziel te ervaren. Wie dat begeert, heeft al iets van het leven ontvangen. Een dode ziel verlangt niet naar de kracht van een opgestane Heiland.
Voelt u zich vaak gebonden, koud en dof, alsof de banden van de dood u weer strak vasthouden? Wanhoop dan niet. Hij Die uit het graf opstond, kan ook in uw graf komen, zoals de kracht van God in Zijn graf kwam en Hem opwekte. En wanneer Hij dat doet, al is het maar af en toe, dan leert u wat het Koninkrijk van God is: geen zaak van woorden, maar van kracht, van rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest. Blijf daarom om die kracht vragen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That I may know Him, and the power of His resurrection.
Philippians 3:10
What a living child of God longs to experience is the power of the resurrection. He has been secretly and really quickened together with Christ at and in His resurrection from the dead. Now he longs to feel the spiritual power of that resurrection in his own soul, that he may rise out of the bands of death, which so often hold him fast and tight. This putting forth of the power of Christ, which quickens, renews and delivers the soul, is so exceedingly great that the apostle compares it with the almighty power which God exerted to raise Jesus from the dead.
For although the believer was really and truly quickened together with Christ when He rose from the dead, and has already risen out of the grave of death and sin by this power which revives him and makes him alive unto God, yet he often sinks back into the dark grave of carnality and deadness. Therefore he longs that great power may be put forth in his soul, the power of Christ’s resurrection. For he needs the same almighty power which raised Jesus from the dead to raise him up afresh to faith, hope and love. The resurrection of Jesus, and his interest in it as a quickened member of His body, is the assurance that he will again be blessed with this renewing, reviving grace.
But O that power which he from time to time feels coming into his soul within, as the power of God came into the tomb of Christ and raised Him from the dead! And by the experience of that power to rise with Christ to light, life, liberty and love: that is what it means to possess the kingdom of God, which is “not in word, but in power,” and is “righteousness, and peace, and joy in the Holy Ghost” (1 Corinthians 4:20; Romans 14:17).
Reading: Philippians 3:1-16
To the reader…
Is it your desire too, dear reader, what this prayer expresses: “That I may know Him, and the power of His resurrection”? Not only to know about Him, but to know Him; not only to profess the doctrine of the resurrection, but to feel its power in your own soul. Whoever desires that has already received something of life. A dead soul does not long for the power of a risen Saviour.
Do you often feel bound, cold and dull, as if the bands of death were holding you tight again? Then do not despair. He Who rose from the grave can also come into your grave, as the power of God came into His tomb and raised Him. And when He does that, even if only now and then, you learn what the kingdom of God is: not a matter of words, but of power, of righteousness, peace and joy in the Holy Ghost. Keep asking, therefore, for that power.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A fin de conocerle, y la virtud de Su resurrección.
Filipenses 3:10
Lo que un hijo de Dios viviente anhela experimentar es el poder de la resurrección. Ha sido secreta y realmente vivificado juntamente con Cristo en y por Su resurrección de los muertos. Ahora anhela sentir en su propia alma el poder espiritual de esa resurrección, para levantarse de las ligaduras de la muerte, que tantas veces le tienen sujeto y bien atado. Este despliegue del poder de Cristo, que vivifica, renueva y libra al alma, es tan extraordinariamente grande, que el apóstol lo compara con el poder omnipotente que Dios ejerció para resucitar a Jesús de los muertos.
Porque aunque el creyente fue real y verdaderamente vivificado juntamente con Cristo cuando Él resucitó de los muertos, y ya se ha levantado del sepulcro de la muerte y del pecado por este poder que le reaviva y le hace vivo para Dios, sin embargo a menudo vuelve a hundirse en el oscuro sepulcro de la carnalidad y la muerte espiritual. Por eso anhela que se despliegue en su alma un gran poder, el poder de la resurrección de Cristo. Porque necesita el mismo poder omnipotente que resucitó a Jesús de los muertos para levantarle de nuevo a la fe, la esperanza y el amor. La resurrección de Jesús, y su parte en ella como miembro vivificado de Su cuerpo, es la seguridad de que volverá a ser bendecido con esta gracia renovadora y reavivadora.
¡Pero oh, ese poder que de tiempo en tiempo siente entrar en su alma, por dentro, como el poder de Dios entró en el sepulcro de Cristo y le resucitó de los muertos! Y por la experiencia de ese poder, resucitar con Cristo a la luz, la vida, la libertad y el amor: eso es poseer el reino de Dios, que “no consiste en palabras, sino en virtud”, y es “justicia y paz y gozo por el Espíritu Santo” (1 Corintios 4:20; Romanos 14:17).
Lectura: Filipenses 3:1-16
Al lector…
¿Es también su deseo, querido lector, lo que expresa esta oración: “A fin de conocerle, y la virtud de Su resurrección”? No solo saber acerca de Él, sino conocerle; no solo confesar la doctrina de la resurrección, sino sentir su poder en su propia alma. El que desea eso ya ha recibido algo de vida. Un alma muerta no anhela el poder de un Salvador resucitado.
¿Se siente a menudo atado, frío y torpe, como si las ligaduras de la muerte volvieran a tenerle bien sujeto? Entonces no desespere. El que resucitó del sepulcro puede también entrar en su sepulcro, como el poder de Dios entró en Su tumba y le resucitó. Y cuando lo hace, aunque sea solo de vez en cuando, aprende usted lo que es el reino de Dios: no cosa de palabras, sino de poder, de justicia, paz y gozo por el Espíritu Santo. Siga pidiendo, pues, ese poder.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar de dwazen sterven door gebrek aan verstand.
Spreuken 10:21
Er is zulk een nauw verband tussen de ware wijsheid, genaamd „de wetenschap der heiligen” (Spreuken 30:3), en de vreze des Heeren, en een nauw verband tussen de zonde en de vervreemding van God, dat Gods kinderen genoemd worden wijzen, en de zondaren dwazen. En dit niet slechts in het Oude Testament, gelijk dit gedurig voorkomt in het Spreukenboek, maar ook in het Nieuwe Testament.
Velen van Gods kinderen hebben enig wantrouwen ten opzichte van de kennis, omdat zij niet zien het grote onderscheid tussen de geestelijke, bevindelijke kennis waarvoor zij strijden, en de kennis die men noemt hoofdkennis. Zij verstaan dat iemand kan hebben een welgevuld hoofd, doch daarbij een ledig hart. Er kan zijn een weten van alle verborgenheden en alle wetenschap, en toch niets zijn (1 Cor. 13:2). Er zijn sommigen van deze veelwetende belijders die de laagste karakters hebben, die de ware kerk beroeren kunnen; waarom ook degenen die de Heere in waarheid vrezen, niet alleen in twijfel staan ten opzichte van hun persoon, maar ook over al de wetenschap die zij voortbrengen.
Maar vraag het volk van God eens of zij vreemd zijn van Goddelijk onderwijs. Zij hebben de zalving van de Heilige, waardoor zij alle dingen weten (1 Joh. 2:20). Zij kennen de waarheid voor zichzelf, en de waarheid maakt hen vrij (Joh. 8:32). Vraag hun eens of zij niet alle dingen schade en drek achten om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, onze Heere, en of zij geen uitgaande begeerten des harten hebben om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens; of er niet is een kennis der zaligheid door de vergeving der zonden (Lukas 1:77); een kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Cor. 4:6); een vervuld zijn met de kennis van Zijn wil (Col. 1:9); een wassen in de kennis van God (Col. 1:10); een opwassen in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr. 3:18). Vraag het Gods kinderen of er niet een zodanige kennis als deze is, en of deze kennis niet het pit en merg, de inhoud van de wezenlijke godzaligheid is; en zij zullen uit één mond zeggen: „Zo is het.”
Aan de lezer…
Bent u misschien bevreesd voor kennis, lezer, omdat u gezien hebt hoe iemand een welgevuld hoofd kan hebben en toch een ledig hart? Die vrees is niet zonder grond, want men kan alle verborgenheden en alle wetenschap weten en toch niets zijn. Maar laat die vrees u niet afhouden van de kennis waar het werkelijk om gaat: de kennis van Christus Jezus, de Heere, door de zalving van de Heilige.
Vraag uw eigen hart eens: is er in u een uitgaande begeerte om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding? Hebt u iets geleerd van de kennis der zaligheid door de vergeving der zonden? Dat is geen hoofdkennis; dat is het pit en merg van de wezenlijke godzaligheid. Een dwaas sterft door gebrek aan verstand, maar wie zo onderwezen wordt, kent de waarheid voor zichzelf, en de waarheid maakt hem vrij. Bid dan om op te wassen in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar de dwazen sterven door gebrek aan verstand.
Spreuken 10:21
Er is zo’n nauw verband tussen de ware wijsheid, die „de wetenschap der heiligen” wordt genoemd (Spreuken 30:3), en de vreze des Heeren, en zo’n nauw verband tussen de zonde en de vervreemding van God, dat Gods kinderen wijzen worden genoemd en de zondaren dwazen. En dat niet alleen in het Oude Testament, waar dit in het boek Spreuken telkens voorkomt, maar ook in het Nieuwe Testament.
Veel kinderen van God staan wat wantrouwig tegenover kennis, omdat zij het grote onderscheid niet zien tussen de geestelijke, bevindelijke kennis waarvoor zij opkomen, en de kennis die men hoofdkennis noemt. Zij begrijpen dat iemand een goedgevuld hoofd kan hebben, maar daarbij een leeg hart. Iemand kan alle verborgenheden en alle wetenschap weten, en toch niets zijn (1 Cor. 13:2). Sommigen van deze belijders die zoveel weten, hebben het laagste karakter en kunnen de ware kerk in beroering brengen. Daarom staan zij die de Heere in waarheid vrezen, niet alleen wantrouwig tegenover hun persoon, maar ook tegenover alle kennis die zij naar voren brengen.
Maar vraag het volk van God eens of zij vreemd zijn aan Goddelijk onderwijs. Zij hebben de zalving van de Heilige, waardoor zij alle dingen weten (1 Joh. 2:20). Zij kennen de waarheid voor zichzelf, en de waarheid maakt hen vrij (Joh. 8:32). Vraag hun eens of zij niet alle dingen schade en drek achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, onze Heere, en of hun hart niet begerig naar Hem uitgaat om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap van Zijn lijden.
Vraag hun of er niet een kennis van de zaligheid is door de vergeving van de zonden (Lukas 1:77); een kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus (2 Cor. 4:6); een vervuld worden met de kennis van Zijn wil (Col. 1:9); een wassen in de kennis van God (Col. 1:10); een opwassen in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr. 3:18). Vraag de kinderen van God of er niet zo’n kennis bestaat, en of deze kennis niet de kern en het merg, de inhoud van de wezenlijke godzaligheid is; en zij zullen als uit één mond zeggen: „Zo is het.”
Aan de lezer…
Bent u misschien bang voor kennis, omdat u gezien hebt hoe iemand een goedgevuld hoofd kan hebben en toch een leeg hart? Die vrees is niet zonder grond, want men kan alle verborgenheden en alle wetenschap weten en toch niets zijn. Maar laat die vrees u niet afhouden van de kennis waar het werkelijk om gaat: de kennis van Christus Jezus, de Heere, door de zalving van de Heilige.
Vraag uw eigen hart eens: gaat er in u een begeerte uit om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding? Hebt u iets geleerd van de kennis van de zaligheid door de vergeving van de zonden? Dat is geen hoofdkennis; dat is de kern en het merg van de wezenlijke godzaligheid. Een dwaas sterft door gebrek aan verstand, maar wie zo onderwezen wordt, kent de waarheid voor zichzelf, en de waarheid maakt hem vrij. Bid dan om op te wassen in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Fools die for want of wisdom.”
Proverbs 10:21
There is such a connection between true wisdom, which is “a knowledge of the holy” (Prov. 30:3), and the fear of the Lord; and such a connection between ignorance of the Lord and sin, that saved saints are called “wise,” and lost sinners are called “fools,” not only in the Old Testament, as continually in the Proverbs, but in the New. Many of the Lord’s people look with suspicion upon knowledge, from not seeing clearly the vast distinction between the spiritual, experimental knowledge for which we are now contending, and what is called “head knowledge.”
They see that a man may have a well-furnished head and a graceless heart, that he may understand “all mysteries and all knowledge,” and yet be “nothing” (1 Cor. 13:2); and as some of these all-knowing professors are the basest characters that can infest the churches of truth, those who really fear the Lord stand not only in doubt of them, but of all the knowledge possessed by them.
But put it in a different form; ask the people of God whether there is not such a divine reality, such a heavenly blessing, as being “taught of God” (John 6:45); having “an unction from the Holy One, whereby we know all things” (1 John 2:20)—knowing the truth for oneself, and finding it makes free (John 8:32); whether there is not a “counting of all things but loss for the excellency of the knowledge of Christ Jesus our Lord,” and a stretching forth of the desires of the soul to “know Him, and the power of His resurrection, and the fellowship of His sufferings;” whether there is not “a knowledge of salvation by the remission of sins” (Luke 1:77); “a knowledge of the glory of God in the face of Jesus Christ” (2 Cor. 4:6); a being “filled with the knowledge of His will” (Col. 1:9); an “increasing in the knowledge of God” (Col. 1:10); “a growing in grace and in the knowledge of the Lord and Savior Jesus Christ” (2 Pet. 3:18);—ask the living family of God whether there be not such a knowledge as this, and if this knowledge is not the very pith and marrow, the very sum and substance of vital godliness, and they will with one voice say, “It is!”
To the reader…
Are you perhaps afraid of knowledge, because you have seen how someone can have a well-furnished head and yet an empty heart? That fear is not without ground, for one can understand all mysteries and all knowledge and yet be nothing. But do not let that fear keep you from the knowledge that really matters: the knowledge of Christ Jesus the Lord, through the unction from the Holy One.
Ask your own heart: is there a longing in you to know Him and the power of His resurrection? Have you learned something of the knowledge of salvation by the remission of sins? That is not head knowledge; that is the pith and marrow of vital godliness. Fools die for want of wisdom, but whoever is taught in this way knows the truth for himself, and the truth makes him free. Pray, then, to grow in grace and in the knowledge of our Lord and Savior.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los necios por falta de entendimiento mueren.
Proverbios 10:21
Hay tal conexión entre la verdadera sabiduría, que es “la ciencia del Santo” (Proverbios 30:3), y el temor del Señor; y tal conexión entre la ignorancia del Señor y el pecado, que a los santos salvados se les llama “sabios”, y a los pecadores perdidos se les llama “necios”, no solo en el Antiguo Testamento, como continuamente en los Proverbios, sino también en el Nuevo. Muchos del pueblo del Señor miran el conocimiento con recelo, por no ver con claridad la enorme diferencia entre el conocimiento espiritual y experimental por el cual estamos ahora contendiendo, y lo que se llama “conocimiento de cabeza”.
Ven que un hombre puede tener una cabeza bien provista y un corazón sin gracia, que puede entender “todos los misterios y toda ciencia” y, sin embargo, ser “nada” (1 Corintios 13:2); y como algunos de estos profesantes que todo lo saben son los caracteres más viles que pueden infestar las iglesias de la verdad, los que de veras temen al Señor no solo desconfían de ellos, sino de todo el conocimiento que ellos poseen.
Pero póngalo de otra forma; pregunte al pueblo de Dios si no hay tal realidad divina, tal bendición celestial, como ser “enseñados de Dios” (Juan 6:45); tener “la unción del Santo, y conocer todas las cosas” (1 Juan 2:20); conocer la verdad por uno mismo, y hallar que hace libre (Juan 8:32); si no hay un “reputar todas las cosas pérdida por el eminente conocimiento de Cristo Jesús, nuestro Señor”, y un extenderse de los deseos del alma a “conocerle, y la virtud de Su resurrección, y la participación de Sus padecimientos”; si no hay un “conocimiento de salud, para remisión de los pecados” (Lucas 1:77); “el conocimiento de la gloria de Dios en la faz de Jesucristo” (2 Corintios 4:6); un ser “llenos del conocimiento de Su voluntad” (Colosenses 1:9); un “crecer en el conocimiento de Dios” (Colosenses 1:10); un “crecer en la gracia y conocimiento de nuestro Señor y Salvador Jesucristo” (2 Pedro 3:18); pregunte a la familia viva de Dios si no hay un conocimiento como este, y si este conocimiento no es la médula y la sustancia misma, la suma y el meollo mismo de la piedad vital, y dirán a una voz: “¡Lo es!”
Al lector…
¿Tiene usted quizá miedo del conocimiento, porque ha visto cómo alguien puede tener una cabeza bien provista y, sin embargo, un corazón vacío? Ese temor no carece de fundamento, porque uno puede entender todos los misterios y toda ciencia y, aun así, no ser nada. Pero no deje que ese temor le aparte del conocimiento que realmente importa: el conocimiento de Cristo Jesús el Señor, por la unción del Santo.
Pregunte a su propio corazón: ¿hay en usted un anhelo de conocerle a Él y la virtud de Su resurrección? ¿Ha aprendido algo del conocimiento de salud para remisión de los pecados? Eso no es conocimiento de cabeza; es la médula y la sustancia de la piedad vital. Los necios mueren por falta de entendimiento, pero quien es enseñado de esta manera conoce la verdad por sí mismo, y la verdad le hace libre. Ore, pues, para crecer en la gracia y en el conocimiento de nuestro Señor y Salvador.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl