gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden.
Hebreeën 5:9
Door Zijn lijden in de hof en aan het kruis werd de Heere Jezus geheiligd. Maar welke heiliging was dit? Het is zeer duidelijk dat dit niet betekent dat onze Heere door dat lijden in de hof en aan het kruis geheiligd werd als de Zone Gods, en ook niet als de Zoon des mensen, want Hij was tevoren reeds geheiligd, daar Hij volmaakt heilig was in Zijn eeuwige Godheid, en ook begaafd met alle mogelijke heiligheid waartoe Zijn geheiligde mensheid in staat was. Er behoefde aan Zijn Godheid geen heiliging te worden toegevoegd; zij was er niet vatbaar voor. Er behoefde geen heiliging aan Zijn mensheid toegevoegd te worden; zij was „iets heiligs” in vereniging met de eeuwige Godheid.
Maar Hij moest als Hogepriester geheiligd worden. Door Zijn lijden werd Hij op bijzondere wijze tot het Priesterschap gewijd, want dit komt overeen met Zijn eigen woorden: „En Ik heilig Mijzelf voor hen” (Joh. 17:19); dat is: „Ik wijd Mijzelf om hun Hogepriester te zijn.” De twee voornaamste diensten van de Hogepriester waren: offeranden te brengen en Voorspraak te zijn. De offerande was het eerst, en het lijden van onze Heere in de hof en aan het kruis was een deel van dit offer. Daarom werd Hij „door lijden geheiligd”, dat is: door Zijn lijden, Zijn bloedstortingen en Zijn dood was Hij gewijd om dat andere gedeelte van de priesterlijke dienst, die Hij nu volbrengt, te vervullen.
Evenals Aäron gewijd werd door het offer van een stier of ram, welks bloed niet alleen aan de voet van het altaar geplengd en erop gesprengd, maar ook aan zijn rechteroor en hand en voet gebracht werd, zo werd zijn grote en heerlijke Tegenhanger gewijd door Zijn eigen offerande en bloedstorting aan het kruis; en aldus geheiligd zijnde, werd Hij de oorzaak van de eeuwige zaligheid voor allen die Hem gehoorzamen.
Looft, looft de Heer, gij zijne legerscharen,
wier lust het is, op zijne wenk te staren!
Dat hemel, aard’ en zee en berg en dal,
hoe ver men ook zijn schepter ziet regeren,
nu zijne naam en grote deugden eren,
en gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal!
Psalm 103:11
Aan de lezer…
Soms is het goed stil te staan bij de weg die de Heere Jezus moest gaan om uw Hogepriester te zijn. Hij was volmaakt heilig, in Zijn Godheid en in Zijn mensheid; daaraan behoefde niets te worden toegevoegd. En toch werd Hij door lijden geheiligd, gewijd door Zijn eigen offerande en bloedstorting aan het kruis, opdat Hij voor Zijn volk zou kunnen staan.
Ziet u uzelf onrein en onwaardig om voor God te verschijnen? Dan is dit een woord voor u. U behoeft geen offer mee te brengen, want het offer is gebracht en het bloed is gestort. Hij Die eens in de hof en aan het kruis leed, volbrengt nu het andere deel van Zijn dienst als Voorspraak. Zo is Hij de oorzaak der eeuwige zaligheid geworden voor allen die Hem gehoorzaam zijn. Zie dan op Hem, en loof Hem bovenal.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden.
Hebreeën 5:9
Door Zijn lijden in de hof en aan het kruis werd de Heere Jezus geheiligd. Maar wat voor heiliging was dit? Het is heel duidelijk dat dit niet betekent dat onze Heere door dat lijden in de hof en aan het kruis geheiligd werd als de Zoon van God, en ook niet als de Zoon des mensen. Hij was immers al eerder geheiligd, omdat Hij volmaakt heilig was in Zijn eeuwige Godheid en ook bekleed was met alle heiligheid waartoe Zijn geheiligde mensheid in staat was. Aan Zijn Godheid hoefde geen heiliging te worden toegevoegd; daar was zij niet vatbaar voor. Ook aan Zijn mensheid hoefde geen heiliging te worden toegevoegd; zij was „iets heiligs” in vereniging met de eeuwige Godheid.
Maar Hij moest als Hogepriester geheiligd worden. Door Zijn lijden werd Hij op bijzondere wijze tot het Priesterschap gewijd. Dat komt overeen met Zijn eigen woorden: „En Ik heilig Mijzelf voor hen” (Joh. 17:19); dat is: „Ik wijd Mijzelf om hun Hogepriester te zijn.” De twee voornaamste taken van de Hogepriester waren: offers brengen en Voorspraak zijn. Het offer kwam eerst, en het lijden van onze Heere in de hof en aan het kruis was een deel van dit offer. Daarom werd Hij „door lijden geheiligd”. Dat wil zeggen: door Zijn lijden, het vergieten van Zijn bloed en Zijn dood werd Hij gewijd om het andere deel van de priesterlijke dienst te vervullen, dat Hij nu volbrengt.
Aäron werd gewijd door het offer van een stier of een ram, waarvan het bloed niet alleen aan de voet van het altaar werd uitgegoten en erop gesprenkeld, maar ook aan zijn rechteroor, zijn hand en zijn voet werd gebracht. Zo werd ook zijn grote en heerlijke Tegenbeeld gewijd door Zijn eigen offer en het vergieten van Zijn bloed aan het kruis. En zo geheiligd werd Hij de oorzaak van de eeuwige zaligheid voor allen die Hem gehoorzamen.
Looft, looft de Heer, gij zijne legerscharen,
wier lust het is, op zijne wenk te staren!
Dat hemel, aard’ en zee en berg en dal,
hoe ver men ook zijn schepter ziet regeren,
nu zijne naam en grote deugden eren,
en gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal!
Psalm 103:11
Aan de lezer…
Soms is het goed stil te staan bij de weg die de Heere Jezus moest gaan om uw Hogepriester te zijn. Hij was volmaakt heilig, in Zijn Godheid en in Zijn mensheid; daaraan hoefde niets te worden toegevoegd. En toch werd Hij door lijden geheiligd, gewijd door Zijn eigen offer en het vergieten van Zijn bloed aan het kruis, opdat Hij voor Zijn volk zou kunnen staan.
Ziet u uzelf als onrein en onwaardig om voor God te verschijnen? Dan is dit een woord voor u. U hoeft geen offer mee te brengen, want het offer is gebracht en het bloed is vergoten. Hij Die eens in de hof en aan het kruis leed, volbrengt nu het andere deel van Zijn dienst als Voorspraak. Zo is Hij de oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden voor allen die Hem gehoorzaam zijn. Zie dan op Hem, en loof Hem bovenal.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And being made perfect, He became the author of eternal salvation unto all them that obey Him.
Hebrews 5:9
By His sufferings in the garden and upon the cross the Lord Jesus was made perfect. But what perfection was this? It clearly does not mean that by these sufferings in the garden and upon the cross our Lord was made perfect as the Son of God, nor perfect as the Son of man, for He was perfect before as possessing infinite perfection in His eternal Godhead, and was endued also with every possible perfection of which His sacred humanity was capable. He needed no perfection to be added to His Godhead; it was not susceptible of it; no perfection to be added to His manhood, for it was “the holy one” in union with eternal Deity.
But He needed to be made perfect as a High Priest. It was through His sufferings that He was consecrated or dedicated in an especial manner to the priesthood, for this corresponds with His own words—“And for their sakes I sanctify myself” (John 17:19); that is, I consecrate or dedicate myself to be their High Priest. The two main offices of the high priest were to offer sacrifice and make intercession. Sacrifice came first; and the sufferings of our Lord in the garden and upon the cross were a part of this sacrifice. He was therefore “made perfect through suffering,” that is, through His sufferings, blood-shedding, and death He was consecrated to perform that other branch of the priestly office which He now executes.
Thus as Aaron was consecrated by the sacrifice of a bullock and a ram, of which the blood was not only poured out at the bottom of the altar and sprinkled upon it, but put also on his right ear and hand and foot, so was his great and glorious Anti-type consecrated through His own sacrifice and blood-shedding on the cross; and thus being made perfect, or rather, as the word literally means, being perfected, He became the author of eternal salvation unto all those who obey Him.
To the reader…
Sometimes it is good to pause at the way the Lord Jesus had to go to be your High Priest. He was perfectly holy, in His Godhead and in His manhood; nothing needed to be added to that. And yet He was made perfect through suffering, consecrated by His own sacrifice and the shedding of His blood on the cross, so that He might stand for His people.
Do you see yourself as unclean and unworthy to appear before God? Then this is a word for you. You do not need to bring a sacrifice, for the sacrifice has been offered and the blood has been shed. He Who once suffered in the garden and on the cross now carries out the other part of His office as Advocate. So He has become the author of eternal salvation unto all them that obey Him. Look to Him, then, and above all praise Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y consumado, vino a ser causa de eterna salud a todos los que Le obedecen.
Hebreos 5:9
Por Sus sufrimientos en el huerto y sobre la cruz el Señor Jesús fue hecho perfecto. Pero ¿qué perfección era esta? Es claro que no significa que por estos sufrimientos en el huerto y sobre la cruz nuestro Señor fuera hecho perfecto como Hijo de Dios, ni perfecto como Hijo del Hombre, pues ya era perfecto antes, por poseer una perfección infinita en Su Deidad eterna, y estaba dotado además de toda perfección posible de la que Su sagrada humanidad era capaz. No necesitaba que se añadiera perfección alguna a Su Deidad; esta no era susceptible de ello; ni perfección alguna que añadir a Su humanidad, pues era “el Santo” en unión con la Deidad eterna.
Pero necesitaba ser hecho perfecto como Sumo Sacerdote. Fue por medio de Sus sufrimientos que fue consagrado o dedicado de manera especial al sacerdocio, pues esto corresponde con Sus propias palabras: “Y por ellos Yo me santifico a Mí mismo” (Juan 17:19); es decir, Me consagro o Me dedico a ser su Sumo Sacerdote. Los dos oficios principales del sumo sacerdote eran ofrecer sacrificio e interceder. El sacrificio venía primero; y los sufrimientos de nuestro Señor en el huerto y sobre la cruz eran parte de este sacrificio. Por eso fue “consumado por aflicciones”, es decir, por Sus sufrimientos, el derramamiento de Su sangre y Su muerte fue consagrado para ejercer esa otra rama del oficio sacerdotal que ahora desempeña.
Así, como Aarón fue consagrado por el sacrificio de un becerro y un carnero, cuya sangre no solo fue derramada al pie del altar y rociada sobre él, sino puesta también sobre su oreja, su mano y su pie derechos, así fue consagrado su grande y glorioso Antitipo por medio de Su propio sacrificio y derramamiento de sangre en la cruz; y así, habiendo sido hecho perfecto, o más bien, como significa literalmente la palabra, habiendo sido perfeccionado, vino a ser causa de eterna salud a todos los que Le obedecen.
Al lector…
A veces es bueno detenerse ante el camino que el Señor Jesús tuvo que recorrer para ser su Sumo Sacerdote. Era perfectamente santo, en Su Deidad y en Su humanidad; nada había que añadir a eso. Y, sin embargo, fue hecho perfecto por medio de aflicciones, consagrado por Su propio sacrificio y por el derramamiento de Su sangre en la cruz, para poder estar en lugar de Su pueblo.
¿Se ve usted inmundo e indigno de comparecer delante de Dios? Entonces esta es una palabra para usted. No necesita traer un sacrificio, porque el sacrificio ha sido ofrecido y la sangre ha sido derramada. Aquel que una vez sufrió en el huerto y en la cruz desempeña ahora la otra parte de Su oficio como Abogado. Así ha venido a ser causa de eterna salud a todos los que Le obedecen. Mírele, pues, a Él, y sobre todo alábele.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Gerechtigheden en sterkte
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Waarom komen we tot de Heere Jezus Christus? Omdat de gezegende Geest in ons werkt zoals het Hem behaagt; Hij maakt het ons mogelijk te komen, onder Zijn gezegend onderwijs, leiding en handelen. In welke hoedanigheid komen we? Alsof we zelf enige goedheid, gerechtigheid of heiligheid bezitten? Als we met onze eigen goedheid, heiligheid, vroomheid of godsdienst komen, komen we niet op de juiste manier. De Heere zal dit van ons niet ontvangen, het niet aanzien of aanvaarden.
We moeten zonder onze eigen gerechtigheid komen; al onze gerechtigheid moet voor ons zijn blootgelegd en als vuile vodden op ons geweten zijn gelegd. We moeten schuldig komen, met de last van de schuld, die we niet kunnen verwijderen, op ons geweten; genoeg schuld om onze ziel in de hel te laten verdwijnen. We moeten komen de last van onze overtredingen voelend: dat we ons te buiten zijn gegaan, dat onze zonden zo talrijk als de sterren aan de hemel zijn, dat ze van dien aard zijn dat niets dan alleen Gods genade zulke stakkers kan vergeven. We moeten overtuigd komen, in het besef dat niets anders in de hemel en op aarde onze ziel kan baten.
We moeten komen zoals Esther, toen ze naar de koning ging: „Wanneer ik dan omkom, zo kom ik om” (Est. 4:16). Ik moet naar Hem toegaan, al sterf ik. Dit is de toestand waarin degenen verkeren die komen, die niets hebben om voor Hem neer te leggen; ze komen om uit Zijn volheid datgene te ontvangen wat Hij wil schenken.
Gods kinderen komen tot Hem, in verzoeking gebracht door duizend angsten en twijfels of ze wel door Hem zullen worden aanvaard, of de heilige, rechtvaardige en gezegende Jezus hen wel een medelijdende blik kan schenken. Ze geloven dat als ze beter en heiliger waren, of hun leven zouden beteren en iets konden aanbieden dat Zijn aanvaarding waard is, ze dan wellicht zouden worden ontvangen. Om echter naar Hem toe te gaan, vol met alles wat in Zijn heilige en zuivere ogen verfoeilijk is, daarvan lijkt hun natuur te walgen. En toch zijn zij er noodzakelijkerwijs toe gedwongen, aangezien ze nergens anders heen kunnen en er niemand anders voor hen is om op te zien.
Lezen: Esther 4
Aan de lezer…
Arme zondaar, houdt u zich terug van Christus, omdat u meent eerst beter en heiliger te moeten worden? Denkt u dat Hij u zal ontvangen zodra u iets kunt aanbieden dat Zijn aanvaarding waard is? Zo denken velen van Gods kinderen, maar het is een strik. Wie met zijn eigen goedheid of vroomheid komt, komt niet op de juiste manier.
Kom dan zoals u bent: schuldig, met de last op uw geweten die u niet kunt verwijderen, met al uw gerechtigheid als vuile vodden. Kom zoals Esther tot de koning ging: „Wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.” Walgt uw natuur ervan om zo te komen, en hebt u toch nergens anders heen te gaan en niemand anders om op te zien? Dan is dat geen teken dat u verworpen bent, maar dat de gezegende Geest u leert komen, om uit Zijn volheid te ontvangen wat Hij wil schenken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in de HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen.
Jesaja 45:24
Waarom komen we tot de Heere Jezus Christus? Omdat de gezegende Geest in ons werkt zoals het Hem behaagt. Hij maakt het ons mogelijk om te komen, onder Zijn gezegend onderwijs, Zijn leiding en Zijn werken. Hoe komen we? Alsof we zelf enige goedheid, gerechtigheid of heiligheid bezitten? Als we komen met onze eigen goedheid, heiligheid, vroomheid of godsdienst, komen we niet op de juiste manier. De Heere zal dat niet van ons ontvangen, het niet aanzien en niet aanvaarden.
We moeten komen zonder onze eigen gerechtigheid; al onze gerechtigheid moet voor ons blootgelegd zijn en als vuile vodden op ons geweten gelegd. We moeten schuldig komen, met een last van schuld op ons geweten die we niet kunnen wegnemen, genoeg schuld om onze ziel in de hel te doen verzinken. We moeten komen terwijl we de last van onze overtredingen voelen: dat we ons te buiten zijn gegaan, dat onze zonden zo talrijk zijn als de sterren aan de hemel, en dat ze zo zijn dat niets dan alleen Gods genade zulke stakkers kan vergeven. We moeten overtuigd komen, in het besef dat niets anders in de hemel of op aarde onze ziel kan baten.
We moeten komen zoals Esther, toen ze naar de koning ging: „Wanneer ik dan omkom, zo kom ik om” (Est. 4:16). Ik moet naar Hem toe gaan, al sterf ik. Dit is de toestand van hen die komen: ze hebben niets om voor Hem neer te leggen, en ze komen om uit Zijn volheid te ontvangen wat Hij wil schenken.
Gods kinderen komen tot Hem, aangevochten door duizend angsten en twijfels of ze wel door Hem aanvaard zullen worden, of de heilige, rechtvaardige en gezegende Jezus hun wel een medelijdende blik kan schenken. Ze denken dat ze misschien wel ontvangen zouden worden als ze beter en heiliger waren, of hun leven zouden beteren en iets konden aanbieden dat Zijn aanvaarding waard is. Maar naar Hem toe gaan, vol met alles wat in Zijn heilige en zuivere ogen verfoeilijk is, daar lijkt hun natuur van te walgen. En toch worden zij er noodzakelijk toe gedwongen, omdat ze nergens anders heen kunnen en er niemand anders is op wie ze kunnen zien.
Lezen: Esther 4
Aan de lezer…
Arme zondaar, houdt u zich terug van Christus, omdat u meent eerst beter en heiliger te moeten worden? Denkt u dat Hij u zal ontvangen zodra u iets kunt aanbieden dat Zijn aanvaarding waard is? Zo denken velen van Gods kinderen, maar het is een strik. Wie met zijn eigen goedheid of vroomheid komt, komt niet op de juiste manier.
Kom dan zoals u bent: schuldig, met een last op uw geweten die u niet kunt wegnemen, met al uw gerechtigheid als vuile vodden. Kom zoals Esther naar de koning ging: „Wanneer ik dan omkom, zo kom ik om.” Walgt uw natuur ervan om zo te komen, en hebt u toch nergens anders heen te gaan en niemand anders om op te zien? Dan is dat geen teken dat u verworpen bent, maar dat de gezegende Geest u leert komen, om uit Zijn volheid te ontvangen wat Hij wil schenken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Surely, shall one say, in the LORD have I righteousness and strength: even to Him shall men come.
Isaiah 45:24
Why do we come to the Lord Jesus Christ? Because the blessed Spirit works in us as it pleases Him. He enables us to come, under His blessed teaching, His leading and His operations. How do we come? As though we ourselves possessed any goodness, righteousness or holiness? If we come with our own goodness, holiness, piety or religion, we do not come in the right way. The Lord will not receive it from us, will not look upon it and will not accept it.
We must come without our own righteousness; all our righteousness must have been laid bare before us and laid upon our conscience as filthy rags. We must come guilty, with a load of guilt upon our conscience that we cannot remove, guilt enough to sink our souls into hell. We must come feeling the burden of our transgressions: that we have exceedingly transgressed, that our sins are as numerous as the stars of heaven, and that they are such that nothing but the grace of God alone can pardon such wretches. We must come convinced, knowing that nothing else in heaven or on earth can profit our souls.
We must come as Esther did when she went in to the king: “If I perish, I perish” (Esther 4:16). I must go to Him, though I die. This is the state of those who come: they have nothing to lay down before Him, and they come to receive out of His fulness what He is pleased to bestow.
God’s children come to Him assailed by a thousand fears and doubts whether they will be accepted by Him, whether the holy, righteous and blessed Jesus can grant them a look of compassion. They think that perhaps they would be received if they were better and holier, or if they amended their lives and could offer something worthy of His acceptance. But to go to Him full of everything that is abominable in His holy and pure eyes, at that their nature seems to revolt. And yet they are compelled to it of necessity, because they can go nowhere else and there is no one else to whom they can look.
Reading: Esther 4
To the reader…
Poor sinner, are you holding back from Christ because you think you must first become better and holier? Do you think He will receive you as soon as you can offer something worthy of His acceptance? Many of God’s children think so, but it is a snare. Whoever comes with his own goodness or piety does not come in the right way.
Come, then, just as you are: guilty, with a load upon your conscience that you cannot remove, with all your righteousness as filthy rags. Come as Esther went in to the king: “If I perish, I perish.” Does your nature revolt at coming like this, and yet you have nowhere else to go and no one else to look to? Then that is no sign that you are rejected, but that the blessed Spirit is teaching you to come, to receive out of His fulness what He is pleased to bestow.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y diráse de Mí: Ciertamente en Jehová está la justicia y la fuerza: a Él vendrán.
Isaías 45:24
¿Por qué venimos al Señor Jesucristo? Porque el bendito Espíritu obra en nosotros como a Él le place. Él nos capacita para venir, bajo Su bendita enseñanza, Su guía y Sus operaciones. ¿Cómo venimos? ¿Como si nosotros mismos poseyéramos alguna bondad, justicia o santidad? Si venimos con nuestra propia bondad, santidad, piedad o religión, no venimos de la manera debida. El Señor no la recibirá de nosotros, no la mirará y no la aceptará.
Debemos venir sin nuestra propia justicia; toda nuestra justicia ha de haber quedado al descubierto delante de nosotros y puesta sobre nuestra conciencia como trapo de inmundicia. Debemos venir culpables, con una carga de culpa sobre nuestra conciencia que no podemos quitar, culpa suficiente para hundir nuestras almas en el infierno. Debemos venir sintiendo el peso de nuestras transgresiones: que hemos transgredido en gran manera, que nuestros pecados son tan numerosos como las estrellas del cielo, y que son tales que nada sino la gracia de Dios solamente puede perdonar a tales miserables. Debemos venir convencidos, sabiendo que ninguna otra cosa en el cielo ni en la tierra puede aprovechar a nuestras almas.
Debemos venir como Ester cuando entró al rey: “Y si perezco, que perezca” (Ester 4:16). Debo ir a Él, aunque muera. Este es el estado de los que vienen: no tienen nada que depositar delante de Él, y vienen para recibir de Su plenitud lo que a Él le place otorgar.
Los hijos de Dios vienen a Él asaltados por mil temores y dudas de si serán aceptados por Él, de si el santo, justo y bendito Jesús puede concederles una mirada de compasión. Piensan que quizás serían recibidos si fueran mejores y más santos, o si enmendaran sus vidas y pudieran ofrecer algo digno de Su aceptación. Pero ir a Él llenos de todo lo que es abominable a Sus ojos santos y puros, ante eso su naturaleza parece rebelarse. Y sin embargo se ven forzados a ello por necesidad, porque no pueden ir a ninguna otra parte y no hay nadie más a quien puedan mirar.
Lectura: Ester 4
Al lector…
Pobre pecador, ¿se retiene usted de Cristo porque piensa que primero tiene que hacerse mejor y más santo? ¿Piensa que Él le recibirá tan pronto como pueda ofrecer algo digno de Su aceptación? Muchos hijos de Dios lo piensan así, pero es un lazo. Quien viene con su propia bondad o piedad no viene de la manera debida.
Venga, pues, tal como está: culpable, con una carga sobre su conciencia que no puede quitar, con toda su justicia como trapo de inmundicia. Venga como Ester entró al rey: “Y si perezco, que perezca”. ¿Se rebela su naturaleza ante venir así, y sin embargo no tiene otro lugar adonde ir ni a nadie más a quien mirar? Entonces eso no es señal de que es rechazado, sino de que el bendito Espíritu le está enseñando a venir, para recibir de Su plenitud lo que a Él le place otorgar.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Daarna toonde hij mij Jozua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel des Heeren; en de satan stond aan zijn rechterhand om hem te wederstaan.
Zacharia 3:1
Het is satans doel om degenen gerust te houden die veilig in zijn handen zijn; ook acht de Heere het niet gepast hun rust te verstoren. Maar aan de andere zijde: waar de satan bemerkt dat er een werk der genade is aangevangen, waar hij somtijds de ogen gevuld ziet met tranen, waar hij de zuchtingen hoort opstijgen uit het berouwvolle hart, waar hij bemerkt dat de knieën in het verborgen gebogen worden, waar zijn opmerkzaam oor menigmaal de smartelijke belijdenis hoort van zonden, zwakheden en afkeringen voor Gods aangezicht — want uit deze opmerkingen hebben wij reden om te geloven dat satan nog in kundigheid toeneemt — waar hij dit verborgen werk bemerkt dat in de ziel gaande is, daar lucht hij zijn helse nijd, razend van toorn en vervuld van boosheid, tegen de voorwerpen van Gods liefde.
Somtijds probeert hij hen te verstrikken in de zonde, somtijds komt hij bij hen met verzoekingen; somtijds hitst hij hun ellendig hart op tot een vreselijke opstand; somtijds werkt hij op hun natuurlijk ongeloof, en somtijds plaagt hij hen met grenzeloze twijfelingen en vrezen wat betreft hun waarheid en oprechtheid tegenover het hartdoorzoekend oog van God. Zodat zij die geen genadewerk in hun hart hebben, in vrede gelaten worden en vrij zijn van twijfel en vrees; en zij in wie God werkt, worden geoefend en bemoeilijkt in hun gemoed, en kunnen dikwijls niet geloven dat zij het volk zijn waarin God een welbehagen heeft.
De diepten van ’s mensen schijnheiligheid, de schromelijke lengte waartoe de belijdenis kan genaken, het bedrog van het vleselijk gemoed, de strikken die voor de onbedachtzame voet worden uitgespreid, het vreselijk gevaar van op het laatst nog bedrogen uit te komen: al deze dingen zijn geen voorwerpen van bekommering voor degenen die dood zijn in de zonden. Zo zij de natuurlijke consciëntie kunnen bevredigen en iets kunnen doen om enige vluchtige overtuiging tot bedaren te brengen, zijn zij blijde bedrogen te worden.
Maar aan de andere zijde: hij die een tedere consciëntie heeft in de vreze Gods, weet wat een ontzaggelijke zaak het is als een schijnheilige voor God te zijn, een leugen in zijn rechterhand te hebben en door de vorst der duisternis bedrogen te worden, totdat het God belieft door Zijn mond met kracht in de ziel te spreken en hem te vergewissen van zijn aandeel in Christus, door Zijn liefde in zijn hart uit te storten. Hij moet beproefd en geoefend worden in zijn gemoed; hij moet dikwijls heen en weer geschud worden, om de eenvoudige reden dat hij niet vergenoegd rusten kan dan alleen in de persoonlijke bekendmakingen van de genade Gods.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u heen en weer geschud wordt door twijfelingen en vrezen of het met u wel waarachtig is. Kunt u dikwijls niet geloven dat u behoort tot het volk waarin God een welbehagen heeft? Zie dan eens om u heen: zij die dood zijn in de zonden, worden met rust gelaten en zijn blijde bedrogen te worden. Dat u zo bestreden wordt, kan juist zijn omdat de vijand bemerkt dat er in u een werk der genade is aangevangen.
Uw tranen in het verborgen, uw zuchtingen, uw smartelijke belijdenis voor Gods aangezicht zijn hem niet ontgaan, maar zij zijn ook de Heere niet ontgaan. U kunt niet vergenoegd rusten in een vluchtige gerustheid; u moet het uit Zijn eigen mond horen. Wacht dan op Hem, totdat het Hem belieft met kracht in uw ziel te spreken, u te vergewissen van uw aandeel in Christus en Zijn liefde in uw hart uit te storten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarna toonde hij mij Jozua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel des Heeren; en de satan stond aan zijn rechterhand om hem te wederstaan.
Zacharia 3:1
Het is het doel van satan om hen die veilig in zijn handen zijn, gerust te houden; en ook de Heere vindt het niet gepast hun rust te verstoren. Maar aan de andere kant: waar satan merkt dat er een werk van de genade begonnen is, waar hij soms de ogen met tranen gevuld ziet, waar hij de zuchten hoort opstijgen uit het berouwvolle hart, waar hij merkt dat de knieën in het verborgen gebogen worden, waar zijn oplettende oor vaak de smartelijke belijdenis hoort van zonden, zwakheden en afdwalingen voor Gods aangezicht — want uit deze waarnemingen hebben wij reden om te geloven dat satan nog in bekwaamheid toeneemt — waar hij dit verborgen werk in de ziel bemerkt, daar koelt hij zijn helse nijd, razend van toorn en vervuld van boosheid, op de voorwerpen van Gods liefde.
Soms probeert hij hen in de zonde te verstrikken, soms komt hij met verzoekingen bij hen; soms hitst hij hun ellendige hart op tot een vreselijke opstand; soms werkt hij op hun natuurlijke ongeloof, en soms plaagt hij hen met grenzeloze twijfels en vrezen over de vraag of zij wel waarachtig en oprecht zijn voor het hartdoorzoekende oog van God. Zo worden zij die geen werk van de genade in hun hart hebben, met vrede gelaten en zijn zij vrij van twijfel en vrees. Maar zij in wie God werkt, worden geoefend en bemoeilijkt in hun gemoed, en kunnen vaak niet geloven dat zij het volk zijn waarin God een welbehagen heeft.
De diepten van de schijnheiligheid van de mens, de ontstellende afstand die een belijdenis kan afleggen, het bedrog van het vleselijke gemoed, de strikken die voor de onbedachtzame voet worden uitgespreid, het vreselijke gevaar om op het laatst toch bedrogen uit te komen: al deze dingen bezorgen hen die dood zijn in de zonden geen zorg. Als zij hun natuurlijke geweten kunnen bevredigen en iets kunnen doen om een vluchtige overtuiging tot bedaren te brengen, zijn zij blij bedrogen te worden.
Maar aan de andere kant: wie in de vreze Gods een teder geweten heeft, weet wat een ontzaglijke zaak het is om als een schijnheilige voor God te staan, een leugen in zijn rechterhand te hebben en door de vorst van de duisternis bedrogen te worden. Daarom moet hij beproefd en geoefend worden in zijn gemoed, totdat het God behaagt met kracht door Zijn mond in de ziel te spreken en hem zeker te maken van zijn deel aan Christus, door Zijn liefde in zijn hart uit te storten. Hij moet vaak heen en weer geschud worden, om de eenvoudige reden dat hij nergens tevreden in kan rusten dan alleen in de persoonlijke bekendmakingen van de genade van God.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u heen en weer geschud wordt door twijfels en vrezen of het met u wel waarachtig is. Kunt u vaak niet geloven dat u behoort tot het volk waarin God een welbehagen heeft? Kijk dan eens om u heen: wie dood is in de zonden, wordt met rust gelaten en is blij bedrogen te worden. Dat u zo bestreden wordt, kan juist zijn omdat de vijand merkt dat er in u een werk van de genade begonnen is.
Uw tranen in het verborgen, uw zuchten, uw smartelijke belijdenis voor Gods aangezicht zijn hem niet ontgaan, maar zij zijn ook de Heere niet ontgaan. U kunt niet tevreden rusten in een vluchtige gerustheid; u moet het uit Zijn eigen mond horen. Wacht dan op Hem, totdat het Hem behaagt met kracht in uw ziel te spreken, u zeker te maken van uw deel aan Christus en Zijn liefde in uw hart uit te storten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And he shewed me Joshua the high priest standing before the angel of the LORD, and Satan standing at his right hand to resist him.”
Zechariah 3:1
It is the object of Satan to keep those secure who are safe in his hands; nor does God see fit to disturb their quiet. But on the other hand, where Satan perceives a work of grace going on, where he sees the eyes sometimes filled with tears, where he hears the sobs heaving from the contrite heart, where he observes the knees often bent in secret prayer, where his listening ear often hears the poor penitent confess his sins, weaknesses, and backslidings before God, (for by these observations we have reason to believe Satan gains his intelligence,) wherever he sees this secret work going on in the soul, mad with wrath and filled with malice, he vents his hellish spleen against the objects of God’s love.
Sometimes he tries to ensnare them into sin, sometimes to harass them with temptation, sometimes to stir up their wicked heart into desperate rebellion, sometimes to work upon their natural infidelity, and sometimes to plague them with many groundless doubts and fears as to their reality and sincerity before a heart-searching God.
So that while those who have no work of grace upon their hearts at all, are left secure, and free from doubt and fear, those in whom God is at work are exercised and troubled in their minds, and often cannot really believe that they are the people in whom God takes delight. The depths of human hypocrisy, the dreadful lengths to which profession may go, the deceit of the carnal heart, the snares spread for the unwary feet, the fearful danger of being deceived at the last—these traps and pitfalls are not objects of anxiety to those dead in sin. As long as they can pacify natural conscience, and do something to soothe any transient conviction, they are glad to be deceived.
But, on the other hand, he that has a conscience tender in God’s fear knows what a dreadful thing it is to be a hypocrite before God, to have “a lie in his right hand,” and be deluded by the prince of darkness; and therefore, until God Himself with His own blessed lips speaks with power to his conscience, and establishes him in a blessed assurance of his saving interest in Christ by “shedding abroad His love in his heart,” he must be tried and exercised in his mind, he must have these various tossings to and fro, for this simple reason—because he cannot rest satisfied except in the personal manifestations of the mercy of God.
To the reader…
It may be that you are tossed to and fro by doubts and fears whether it is really genuine with you. Can you often not believe that you belong to the people in whom God delights? Then look around you for a moment: whoever is dead in sins is left in peace and is glad to be deceived. That you are so assailed may be precisely because the enemy notices that a work of grace has begun in you.
Your tears in secret, your sighs, your sorrowful confession before God’s face have not escaped him, but neither have they escaped the Lord. You cannot rest content in a passing ease; you must hear it from His own mouth. Wait for Him, then, until it pleases Him to speak with power in your soul, to assure you of your interest in Christ and to shed abroad His love in your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y mostrome a Josué, el gran sacerdote, el cual estaba delante del ángel de Jehová; y Satán estaba a su mano derecha para serle adversario.”
Zacarías 3:1
El propósito de Satanás es mantener seguros a aquellos que están a salvo en sus manos; ni le parece bien a Dios turbar su quietud. Pero, por otra parte, donde Satanás percibe que hay una obra de gracia en marcha, donde ve los ojos llenos a veces de lágrimas, donde oye los sollozos que brotan del corazón contrito, donde observa las rodillas dobladas a menudo en oración secreta, donde su oído atento oye a menudo al pobre penitente confesar sus pecados, debilidades y rebeliones delante de Dios (porque tenemos razones para creer que por estas observaciones obtiene Satanás su información), dondequiera que ve esta obra secreta en marcha en el alma, loco de ira y lleno de malicia, descarga su furia infernal contra los objetos del amor de Dios.
A veces procura enredarlos en el pecado, a veces acosarlos con la tentación, a veces incitar su corazón malvado a una rebelión desesperada, a veces obrar sobre su infidelidad natural, y a veces atormentarlos con muchas dudas y temores infundados en cuanto a su realidad y sinceridad delante de un Dios que escudriña el corazón.
De modo que, mientras aquellos que no tienen en absoluto obra de gracia en su corazón son dejados seguros y libres de duda y temor, aquellos en quienes Dios está obrando son ejercitados y turbados en su mente, y a menudo no pueden creer realmente que son el pueblo en quien Dios se complace. Las profundidades de la hipocresía humana, los terribles extremos a que puede llegar la profesión, el engaño del corazón carnal, los lazos tendidos a los pies incautos, el temible peligro de ser engañado al final: estas trampas y fosas no son motivo de inquietud para los que están muertos en el pecado. Con tal de poder apaciguar la conciencia natural y hacer algo para calmar alguna convicción pasajera, se alegran de ser engañados.
Pero, por otra parte, el que tiene una conciencia tierna en el temor de Dios sabe qué cosa tan terrible es ser hipócrita delante de Dios, tener “una mentira a su mano derecha” y ser engañado por el príncipe de las tinieblas; y por tanto, hasta que Dios mismo, con Sus propios benditos labios, hable con poder a su conciencia y le establezca en una bendita seguridad de su parte salvadora en Cristo, “derramando Su amor en su corazón”, tiene que ser probado y ejercitado en su mente, tiene que pasar por estos diversos vaivenes, por esta sencilla razón: porque no puede quedar satisfecho sino con las manifestaciones personales de la misericordia de Dios.
Al lector…
Puede ser que usted sea zarandeado de un lado a otro por dudas y temores sobre si de veras es genuino en su caso. ¿A menudo no puede creer que pertenece al pueblo en quien Dios se complace? Mire entonces un momento a su alrededor: el que está muerto en pecados es dejado en paz y se alegra de ser engañado. Que usted sea tan asaltado puede deberse precisamente a que el enemigo advierte que ha comenzado en usted una obra de gracia.
Sus lágrimas en secreto, sus suspiros, su dolorida confesión delante del rostro de Dios no le han pasado inadvertidos a él, pero tampoco le han pasado inadvertidos al Señor. Usted no puede quedar contento con una tranquilidad pasajera; tiene que oírlo de Su propia boca. Espérele, pues, hasta que le plazca hablar con poder a su alma, asegurarle de su parte en Cristo y derramar Su amor en su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl