5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, en verlaat ons niet.
Jeremia 14:9
Als de Heere ooit in onze ziel is geweest, om daar een gevoel van Zijn goedheid en barmhartigheid te openbaren, kunnen we deze woorden ter verdediging aanhalen: „Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere!” Als Hij ooit uw gebeden heeft verhoord, is Hij met u; als Hij u ooit een belofte heeft gedaan, is Hij met u; als Hij ooit met Zijn vinger uw hart heeft aangeraakt, is Hij met u; als Hij u ooit met een glimlach heeft begunstigd, is Hij met u.
En als u dan het verloop van uw ervaringen nagaat, en u vindt Hem soms een vreemdeling in het land, een reiziger die een andere weg neemt om een nacht te blijven, of zelfs dat Hij u niet schijnt te kennen — een sterke man kan niet gered worden — toch spoort elk teken ten goede u aan om u aan Hem vast te klampen, Hem te omvatten, Zijn voeten te grijpen, zoals de Sunamietische de voeten van Elisa aangreep en niet afgewezen wilde worden. Maar met alles wat u bent en bent geweest, kan het niet anders of u voelt dat u Hem innig liefhebt. En u hebt een goede hoop, zo niet een goed getuigenis, dat Hij u liefheeft.
Kunt u niet soms naar Hem opkijken, kan ik zeggen, Hem in het aangezicht aanschouwen en zeggen: „Heere! Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik U liefheb. En hoewel mijn afschuwelijke zonden U soms een vreemdeling voor mij gemaakt hebben, toch weet U dat ik in het binnenste van mijn hart, in het diepste mijner ziel U liefheb”? En als u de Heere durft aan te kijken en Zijn oog dat de harten doorzoekt durft aan te roepen, als u kunt zeggen dat u Hem liefhebt, wees er dan van verzekerd dat Hij u liefheeft, want het Woord der Waarheid verklaart: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.”
’t Is trouw, al wat Hij ooit beval.
Het staat op recht en waarheid pal
als op onwrikb’re steunpilaren.
Hij is het Die verlossing zond
aan al Zijn volk. Hij zal ’t verbond
met hen in eeuwigheid bewaren.
Psalm 111:5
Aan de lezer…
U die de Heere soms als een vreemdeling ervaart, als een reiziger die maar een nacht blijft, of alsof Hij u niet schijnt te kennen: ik ken die ervaring. Maar zie eens terug: heeft de Heere ooit uw gebed verhoord, u een belofte gegeven, uw hart met Zijn vinger aangeraakt? Dan is Hij met u geweest, en dan mag u pleiten: „Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere! verlaat ons niet.”
Elk teken ten goede is een aansporing om u aan Hem vast te klampen en niet los te laten. En kunt u, met al uw zonden, toch tot Hem opzien en zeggen: „Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb”? Wees dan niet bang dat die liefde uit uzelf is opgekomen. Het Woord der waarheid verklaart: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.” Uw liefde tot Hem is het spoor van Zijn liefde tot u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, en verlaat ons niet.
Jeremia 14:9
Als de Heere ooit in onze ziel is geweest om daar iets van Zijn goedheid en barmhartigheid te laten ervaren, dan kunnen wij ons op deze woorden beroepen: „Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere!” Als Hij ooit uw gebeden heeft verhoord, is Hij met u. Als Hij u ooit een belofte heeft gegeven, is Hij met u. Als Hij ooit met Zijn vinger uw hart heeft aangeraakt, is Hij met u. Als Hij u ooit met een glimlach heeft begunstigd, is Hij met u.
Misschien vindt u, wanneer u de loop van uw ervaringen nagaat, dat Hij soms als een vreemdeling in het land is, als een reiziger die afslaat om er een nacht te blijven, of zelfs als iemand die u niet schijnt te kennen, als een sterke man die niet kan verlossen. Toch spoort elk teken ten goede u aan om u aan Hem vast te klampen, Hem te omvatten en Zijn voeten te grijpen, zoals de Sunamitische de voeten van Elisa vastgreep en zich niet liet wegsturen. Want met alles wat u bent en geweest bent, kunt u niet anders dan voelen dat u Hem innig liefhebt. En u hebt een goede hoop, zo niet een goed getuigenis, dat Hij u liefheeft.
Kunt u, zou ik willen vragen, niet soms naar Hem opzien, Hem in het aangezicht zien en zeggen: „Heere! Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik U liefheb. En hoewel mijn afschuwelijke zonden U soms een vreemdeling voor mij gemaakt hebben, toch weet U dat ik in het binnenste van mijn hart, in het diepste mijner ziel U liefheb”? Als u de Heere zo durft aan te zien en Zijn oog, dat de harten doorzoekt, durft aan te roepen, en als u kunt zeggen dat u Hem liefhebt, wees er dan van verzekerd dat Hij u liefheeft. Want het Woord der waarheid verklaart: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.”
’t Is trouw, al wat Hij ooit beval.
Het staat op recht en waarheid pal
als op onwrikb’re steunpilaren.
Hij is het Die verlossing zond
aan al Zijn volk. Hij zal ’t verbond
met hen in eeuwigheid bewaren.
Psalm 111:5
Aan de lezer…
U die de Heere soms ervaart als een vreemdeling, als een reiziger die maar een nacht blijft, of alsof Hij u niet schijnt te kennen: ik ken die ervaring. Maar kijk eens terug. Heeft de Heere ooit uw gebed verhoord, u een belofte gegeven, uw hart met Zijn vinger aangeraakt? Dan is Hij met u geweest, en dan mag u pleiten: „Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere! verlaat ons niet.”
Elk teken ten goede is een aansporing om u aan Hem vast te klampen en niet los te laten. En kunt u, met al uw zonden, toch tot Hem opzien en zeggen: „Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb”? Wees dan niet bang dat die liefde uit uzelf is opgekomen. Het Woord der waarheid verklaart: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.” Uw liefde tot Hem is het spoor van Zijn liefde tot u.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Yet Thou, O LORD, art in the midst of us, and we are called by Thy Name.
Jeremiah 14:9
If the Lord has ever been in our soul to manifest there a sense of His goodness and mercy, we can then make use of this as our plea, “Yet you, O Lord, are in the midst of us.” If He has ever heard your prayer He is with you; if He has ever given you a promise He is with you; if He has ever touched your heart with His finger He is with you; if He has ever favored you with a smile He is with you.
And though taking the general run of your experience He may be a stranger in the land, and as a wayfaring man that turns aside to tarry for a night, or though even as it may seem, as if He were astonished at what you are—a mighty man that cannot save, still every token for good encourages you to cling, to cleave, to hang round Him, to catch hold of His feet as the Shunamite caught Elisha by the feet, and would not be thrust away; for you cannot but feel that, with all that you are and have been, you dearly love Him, and have a good hope, if not a clear testimony, that He loves you.
Can you not sometimes look up to Him, may I not say almost look at Him in the face and say, “Lord, you know all things, you know that I love you? And though my abominable sins have often made you a stranger to me, yet in my heart of hearts, in the very depths of my soul you know that I love you.” And if you can look at the Lord in the face, and appeal to His heart-searching eye that you do love Him, depend upon it He loves you, for the Word of truth declares, “We love Him because He first loved us.”
To the reader…
You who sometimes experience the Lord as a stranger, as a traveller who stays only for a night, or as if He does not seem to know you: I know that experience. But look back for a moment. Has the Lord ever heard your prayer, given you a promise, touched your heart with His finger? Then He has been with you, and then you may plead: “Yet Thou, O LORD, art in the midst of us … leave us not.”
Every token for good is an encouragement to cling to Him and not let go. And can you, with all your sins, still look up to Him and say, “Lord, Thou knowest all things; Thou knowest that I love Thee”? Then do not be afraid that this love has sprung from yourself. The Word of truth declares, “We love Him, because He first loved us.” Your love to Him is the trace of His love to you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Tú empero estás entre nosotros, oh Jehová, y sobre nosotros es invocado Tu Nombre.
Jeremías 14:9
Si el Señor ha estado alguna vez en nuestra alma para manifestar allí un sentido de Su bondad y misericordia, podemos entonces usar esto como nuestro alegato: “Tú empero estás entre nosotros, oh Jehová”. Si Él ha oído alguna vez su oración, está con usted; si le ha dado alguna vez una promesa, está con usted; si ha tocado alguna vez su corazón con Su dedo, está con usted; si le ha favorecido alguna vez con una sonrisa, está con usted.
Y aunque, tomando el curso general de su experiencia, Él sea como peregrino en la tierra, y como caminante que se aparta para pasar la noche, o aunque incluso parezca como si estuviera atónito de lo que usted es, como valiente que no puede librar, aun así toda señal para bien le anima a asirse, a allegarse, a quedarse junto a Él, a abrazarse a Sus pies como la sunamita se asió de los pies de Eliseo y no quiso ser apartada; porque no puede sino sentir que, con todo lo que usted es y ha sido, le ama entrañablemente, y tiene una buena esperanza, si no un testimonio claro, de que Él le ama.
¿No puede usted a veces alzar los ojos a Él, y aun, me atrevería a decir, mirarle casi cara a cara y decir: “Señor, Tú sabes todas las cosas; Tú sabes que te amo. Y aunque mis abominables pecados te han hecho muchas veces un extraño para mí, en lo más íntimo de mi corazón, en lo más profundo de mi alma, Tú sabes que te amo”? Y si puede mirar al Señor cara a cara y apelar a Su ojo que escudriña los corazones de que verdaderamente le ama, esté seguro de que Él le ama, porque la Palabra de verdad declara: “Nosotros le amamos a Él, porque Él nos amó primero”.
Al lector…
Usted que a veces experimenta al Señor como un extraño, como un caminante que solo se queda una noche, o como si no pareciera conocerle: conozco esa experiencia. Pero mire atrás un momento. ¿Ha oído alguna vez el Señor su oración, le ha dado una promesa, ha tocado su corazón con Su dedo? Entonces Él ha estado con usted, y entonces puede alegar: “Tú empero estás entre nosotros, oh Jehová … no nos desampares”.
Toda señal para bien es un estímulo para asirse de Él y no soltarle. ¿Y puede usted, con todos sus pecados, todavía alzar los ojos a Él y decir: “Señor, Tú sabes todas las cosas; Tú sabes que te amo”? Entonces no tema que ese amor haya brotado de usted mismo. La Palabra de verdad declara: “Nosotros le amamos a Él, porque Él nos amó primero”. Su amor a Él es la huella de Su amor a usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gebed van Salomo
Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben, hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden Uwer knechten en van Uw volk Israël.
2 Kronieken 6:26-27
De ergste staat waarin we kunnen verkeren, is dor te zijn en het niet te voelen; droog, verslapt, verdord te zijn en zich er geen zorgen over te maken; niet te kreunen, niet te zuchten, hoewel de hemel afgesloten is; geen brandende verlangens te koesteren, hoewel dauw en regen worden tegengehouden. Zo’n zielstoestand als deze is „nabij de dood” (Fil. 2:30). De eerste stap naar herstel is daarom de droogte te ervaren.
Zo is het in de schepping. Hoezeer voelt alles dat leven heeft het opschorten van regen en dauw! Wat kijken plant en bloem, de gehele bezielde natuur hemelwaarts in afwachting van de regenbuien! Zelfs de ruwe aarde, de redeloze kluiten, lijken naar de flessen van de hemel te dorsten. Veel meer nog waar er leven in de ziel is, waar de genade Gods woont.
Om deze verdorde toestand te doorbreken, moeten we om te beginnen belijden, bidden, smeken, zoeken en verlangen. Zoals Salomo zegt: „En als zij in deze plaats bidden”, dat wil zeggen: in de tempel, het model en symbool van de Heere Jezus Christus, „en Uw Naam belijden” (1 Kon. 8:35); Uw rechtvaardigheid en gerechtigheid belijden dat Gij de regen achterhoudt; „en van hun zonden zich bekeren”, hun afgodsbeelden afwijzen, hun rechteroog uitrukken, hun rechterarm afhakken, en zich afkeren van hun zonden, en ze verachten en verafschuwen omdat ze verfoeilijk zijn in Gods ogen; „als Gij hen geplaagd zult hebben”; „dan”, als Gij hen zover hebt gebracht en dit door Uw genade in hun ziel hebt bewerkstelligd, „hoor Gij dan uit de hemel”.
Hiermee wordt door deze ijzeren poorten heen gebroken; „en vergeef de zonden Uwer knechten”, die de afsluiting van de hemel hadden teweeggebracht, die de oorzaak van het achterhouden van regen en dauw zijn geweest. „Als Gij hun zult geleerd hebben de goeden weg”, de enige weg van gehoorzaamheid, „in dewelke zij wandelen zullen”; als Gij in hun ziel deze genadige vruchten hebt voortgebracht, „geef” dan, in Uw tedere barmhartigheid, „regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt”; bedauw en bewater hun ziel dan en overgiet hen met de overvloedige regen van Uw genade.
Lezen: Leviticus 26:27-46
Aan de lezer…
Misschien zegt u, lezer: „Ik ben zo dor, en ik voel het zelfs nauwelijks meer.” Weet dan dat juist dit besef al een begin van herstel kan zijn. De ergste staat is dor te zijn en het niet te voelen, niet te zuchten, niet te kreunen. Maar als u met plant en bloem hemelwaarts kijkt en naar de regen dorst, dan is er leven, hoe zwak ook.
Laat dat dorsten u dan op de knieën brengen. Belijd Zijn rechtvaardigheid dat Hij de regen achterhoudt; keer u af van wat in Zijn ogen verfoeilijk is; en bid in de tempel, dat is: zie alleen op de Heere Jezus Christus. Zo worden ijzeren poorten doorbroken. Hij Die u leert de goede weg te wandelen, belooft ook regen op Zijn land. Wacht dan op Hem, totdat Hij uw verdorde ziel bedauwt en overgiet met de overvloedige regen van Zijn genade.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben, hoor Gij dan uit de hemel, en vergeef de zonden Uwer knechten en van Uw volk Israël.
2 Kronieken 6:26-27
De ergste staat waarin we kunnen verkeren, is dor te zijn en het niet te voelen: droog, slap en verdord te zijn en ons daar geen zorgen over te maken; niet te kreunen en niet te zuchten, hoewel de hemel gesloten is; geen brandend verlangen te hebben, hoewel dauw en regen worden tegengehouden. Zo’n toestand van de ziel is „nabij de dood” (Fil. 2:30). De eerste stap naar herstel is daarom dat we de droogte voelen.
Zo is het in de schepping. Hoe voelt alles wat leeft het uitblijven van regen en dauw! Hoe kijken plant en bloem, ja, de hele levende natuur, hemelwaarts in afwachting van de regenbuien! Zelfs de ruwe aarde, de levenloze kluiten, lijken te dorsten naar de flessen van de hemel. Hoeveel te meer waar er leven in de ziel is, waar de genade van God woont.
Om deze verdorde toestand te doorbreken moeten we om te beginnen belijden, bidden, smeken, zoeken en verlangen. Zoals Salomo zegt: „En als zij in deze plaats bidden”, dat is: in de tempel, het voorbeeld en zinnebeeld van de Heere Jezus Christus, „en Uw Naam belijden” (1 Kon. 8:35); dat wil zeggen: Uw recht en Uw gerechtigheid belijden, dat U de regen achterhoudt; „en van hun zonden zich bekeren”: hun afgoden verwerpen, hun rechteroog uitrukken, hun rechterarm afhakken, zich afkeren van hun zonden en die verachten en verafschuwen omdat ze verfoeilijk zijn in Gods ogen; „als Gij hen geplaagd zult hebben”; „dan”, wanneer U hen zover gebracht en dit door Uw genade in hun ziel gewerkt hebt, „hoor Gij dan uit de hemel”.
Hiermee wordt door deze ijzeren poorten heen gebroken. „En vergeef de zonden Uwer knechten”, die de hemel gesloten hadden, die de oorzaak waren dat regen en dauw werden achtergehouden. „Als Gij hun zult geleerd hebben de goeden weg”, de enige weg van gehoorzaamheid, „in dewelke zij wandelen zullen”; wanneer U deze genadige vruchten in hun ziel hebt voortgebracht, „geef” dan in Uw tedere barmhartigheid „regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt”. Bedauw en bevochtig dan hun ziel en overgiet haar met de overvloedige regen van Uw genade.
Lezen: Leviticus 26:27-46
Aan de lezer…
Misschien zegt u, lezer: „Ik ben zo dor, en ik voel het zelfs nauwelijks meer.” Weet dan dat juist dit besef al een begin van herstel kan zijn. De ergste staat is dor te zijn en het niet te voelen, niet te zuchten, niet te kreunen. Maar als u met plant en bloem hemelwaarts kijkt en naar de regen dorst, dan is er leven, hoe zwak ook.
Laat dat dorsten u dan op de knieën brengen. Belijd Zijn gerechtigheid, dat Hij de regen achterhoudt; keer u af van wat in Zijn ogen verfoeilijk is; en bid in de tempel, dat is: zie alleen op de Heere Jezus Christus. Zo worden ijzeren poorten doorbroken. Hij Die u de goede weg leert, belooft ook regen op Zijn land. Wacht dan op Hem, totdat Hij uw verdorde ziel bedauwt en overgiet met de overvloedige regen van Zijn genade.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
When the heaven is shut up, and there is no rain, because they have sinned against Thee; yet if they pray toward this place, and confess Thy Name, and turn from their sin, when Thou dost afflict them; then hear Thou from heaven, and forgive the sin of Thy servants, and of Thy people Israel.
2 Chronicles 6:26-27
The worst state we can be in is to be barren and not to feel it: to be dry, drooping and withered and not to be troubled about it; not to groan and not to sigh, though the heaven is shut up; to have no burning desire, though dew and rain are withheld. Such a state of soul is “nigh unto death” (Phil. 2:30). The first step towards recovery is therefore that we feel the drought.
So it is in creation. How everything that lives feels the absence of rain and dew! How plant and flower, yes, the whole of living nature, look heavenward in expectation of the showers! Even the rough earth, the lifeless clods, seem to thirst for the bottles of heaven. How much more where there is life in the soul, where the grace of God dwells.
To break through this withered state we must, to begin with, confess, pray, supplicate, seek and desire. As Solomon says: “If they pray toward this place,” that is, toward the temple, the type and figure of the Lord Jesus Christ, “and confess Thy Name” (1 Kings 8:35); that is, confess Thy justice and Thy righteousness in withholding the rain; “and turn from their sin”: cast away their idols, pluck out their right eye, cut off their right arm, turn away from their sins and despise and abhor them because they are abominable in God’s sight; “when Thou dost afflict them”; “then,” when Thou hast brought them so far and wrought this in their souls by Thy grace, “hear Thou from heaven.”
By this these iron gates are broken through. “And forgive the sin of Thy servants,” who had shut up the heaven, who were the cause of the rain and the dew being withheld. “When Thou hast taught them the good way,” the only way of obedience, “wherein they should walk”; when Thou hast brought forth these gracious fruits in their souls, then in Thy tender mercy “send rain upon Thy land, which Thou hast given unto Thy people for an inheritance.” Then bedew and moisten their souls and pour upon them the abundant rain of Thy grace.
Reading: Leviticus 26:27-46
To the reader…
Perhaps you say, reader, “I am so barren, and I hardly even feel it any more.” Then know that this very awareness may already be a beginning of recovery. The worst state is to be barren and not to feel it, not to sigh, not to groan. But if, with plant and flower, you look heavenward and thirst for the rain, then there is life, however weak.
Let that thirst, then, bring you to your knees. Confess His righteousness in withholding the rain; turn away from what is abominable in His sight; and pray toward the temple, that is, look only to the Lord Jesus Christ. So iron gates are broken through. He Who teaches you the good way also promises rain upon His land. Wait for Him, then, until He bedews your withered soul and pours upon it the abundant rain of His grace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si los cielos se cerraren, que no haya lluvias por haber pecado contra Ti, si oraren a Ti en este lugar, y confesaren Tu Nombre, y se convirtieren de sus pecados, cuando los afligieres, Tú los oirás en los cielos, y perdonarás el pecado de Tus siervos y de Tu pueblo Israel.
2 Crónicas 6:26-27
El peor estado en que podemos estar es ser estériles y no sentirlo: estar secos, doblados y marchitos y no preocuparnos por ello; no gemir ni suspirar, aunque el cielo esté cerrado; no tener ningún deseo ardiente, aunque el rocío y la lluvia sean retenidos. Tal estado del alma está “cercano a la muerte” (Fil. 2:30). El primer paso hacia la recuperación es, por tanto, que sintamos la sequía.
Así es en la creación. ¡Cómo siente todo lo que vive la falta de lluvia y de rocío! ¡Cómo la planta y la flor, sí, toda la naturaleza viviente, miran al cielo esperando los aguaceros! Aun la tierra áspera, los terrones sin vida, parecen tener sed de los odres de los cielos. Cuánto más donde hay vida en el alma, donde mora la gracia de Dios.
Para romper este estado marchito hemos, para comenzar, de confesar, orar, suplicar, buscar y desear. Como dice Salomón: “Si oraren a Ti en este lugar”, es decir, hacia el templo, el tipo y la figura del Señor Jesucristo, “y confesaren Tu Nombre” (1 Reyes 8:35); es decir, confesaren Tu justicia y Tu rectitud al retener la lluvia; “y se convirtieren de sus pecados”: desecharen sus ídolos, se sacaren el ojo derecho, se cortaren el brazo derecho, se apartaren de sus pecados y los despreciaren y aborrecieren porque son abominables a los ojos de Dios; “cuando los afligieres”; entonces, cuando los hayas llevado hasta ahí y hayas obrado esto en sus almas por Tu gracia, “Tú los oirás en los cielos”.
Por esto son quebradas estas puertas de hierro. “Y perdonarás el pecado de Tus siervos”, que habían cerrado el cielo, que eran la causa de que la lluvia y el rocío fueran retenidos. “Y les enseñarás el buen camino”, el único camino de obediencia, “para que anden en él”; cuando hayas producido estos frutos de gracia en sus almas, entonces, en Tu tierna misericordia, “darás lluvia sobre Tu tierra, la cual diste por heredad a Tu pueblo”. Entonces rocía y humedece sus almas y derrama sobre ellas la lluvia abundante de Tu gracia.
Lectura: Levítico 26:27-46
Al lector…
Quizá dice usted, lector: “Soy tan estéril, y ya casi ni lo siento.” Sepa entonces que esa misma conciencia puede ser ya un comienzo de recuperación. El peor estado es ser estéril y no sentirlo, no suspirar, no gemir. Pero si, con la planta y la flor, mira al cielo y tiene sed de la lluvia, entonces hay vida, por débil que sea.
Deje, pues, que esa sed le ponga de rodillas. Confiese Su justicia al retener la lluvia; apártese de lo que es abominable a Sus ojos; y ore hacia el templo, es decir, mire solo al Señor Jesucristo. Así son quebradas las puertas de hierro. Aquel que le enseña el buen camino promete también lluvia sobre Su tierra. Espérele, pues, hasta que rocíe su alma marchita y derrame sobre ella la lluvia abundante de Su gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Die in duisternis en schaduw des doods zaten.
Psalm 107:10
Welk een kostelijke zaak is het licht, het licht des levens, het licht van Gods vriendelijk aangezicht, van het heerlijk Evangelie, van Jezus’ aangezicht! Waarlijk, het licht is zoet en het is de ogen goed de zon te aanschouwen. Maar voor wie? Voor degenen die zitten in duisternis en schaduw des doods. Hoe begroeten dezulken de eerste stralen van het licht!
Stel u voor dat ge schipbreuk geleden hadt en bij nacht op een rots waart geworpen: wat zoudt gij de eerste stralen van het morgenlicht verwelkomen, die u konden aantonen waar gij waart; en wat een hoop zou het in u verwekken op een uiteindelijke verlossing! Bij vergelijking is het ook zo wanneer een ziel in gevaar en daarbij ook nog in duisternis verkeert; hoe begroet zo’n schipbreuklijdende ziel de eerste lichtstraal, waarbij zij mag zien de weg van ontkoming van de hel naar de hemel. Hoe zoet is het haar enig Goddelijk licht in haar gemoed gewaar te worden, door enig invallend licht te mogen blikken in de goedheid en barmhartigheid, genade en heerlijkheid van de dierbare Jezus. Hoe meer wij van de duisternis kennen, hoe meer wij het licht zullen prijzen.
Vele hoge belijders verachten dit alles en merken erbij op dat wij een gebouw oprichten, steunende op gevoel en gemoedsgestalten, en derhalve van onze bevinding een Christus maken. Arme mensen! Hun licht is geen duit waard en het is te vrezen dat het maar een vlam is van hun eigen vuur, een licht dat hen nooit ten hemel brengen zal. Maar waarom verachten zij het? Omdat zij nooit zitten in duisternis of schaduw des doods. Wat is derhalve van hun licht naar waarheid te oordelen? Een dwaallichtje, een gaslamp, een meteoor, een vallende ster, iets en alles, behalve de dageraad van omhoog of de Zon der gerechtigheid.
Maar het volk des Heeren kan het niet doen met gaslamp of dwaallichtje. Zij moeten Jezus hebben. Zij moeten Zijn bloed gesprengd hebben op hun consciëntie, Zijn genade in hun hart, Zijn tegenwoordigheid in hun ziel. Zoete ontdekkingen van Zijn Persoon en werk, de influisteringen van Zijn liefde, het aanraken van Zijn vinger, de toelachingen Zijns aangezichts. Zij moeten Jezus voor zichzelf hebben. „Geef mij Jezus, of ik sterf!” is hun gevoel.
Doch wat doet hen voor de dag komen met hun ernstige zuchten en smekingen? Zij zijn in duisternis en schaduw des doods. Waren zij daarin niet, zij zouden tevreden zijn te blijven zoals ze van nature waren, dat is onwetend en dood. Maar hun staat beseffende, doet het hen uitzien naar de stralen des lichts, en wanneer die in hun ziel doorbreken, dan kunnen zij het prijzen, omdat het van God komt en tot God leidt.
Aan de lezer…
Soms zit u in duisternis en schaduw des doods, en schijnt het of er geen ster meer aan uw hemel staat. Dan bent u juist degene voor wie het licht zo kostelijk is. Wie nooit in het donker zat, kan het licht verachten en tevreden zijn met een dwaallichtje of een vlam van eigen vuur. Maar u ziet, als een schipbreukeling op de rots in de nacht, uit naar de eerste straal van de morgen, die u de weg van ontkoming wijst.
Schaam u dan niet over uw zuchten en smekingen. Het is juist uw duisternis die u doet uitroepen: „Geef mij Jezus, of ik sterf!” Geen gaslamp kan u helpen; u moet Zijn bloed op uw consciëntie hebben, Zijn genade in uw hart, de toelachingen van Zijn aangezicht. Hoe meer u van de duisternis kent, hoe meer u het licht zult prijzen wanneer het doorbreekt. Want dat licht komt van God en leidt tot God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die in duisternis en schaduw des doods zaten.
Psalm 107:10
Wat is het licht toch kostbaar: het licht van het leven, het licht van Gods vriendelijk aangezicht, van het heerlijk Evangelie, van het aangezicht van Jezus! Waarlijk, het licht is zoet en het is goed voor de ogen de zon te zien. Maar voor wie? Voor hen die in duisternis en schaduw des doods zitten. Hoe begroeten zulke mensen de eerste stralen van het licht!
Stel u voor dat u schipbreuk had geleden en ’s nachts op een rots was geworpen. Wat zou u de eerste stralen van het morgenlicht verwelkomen, die u konden laten zien waar u was; en wat een hoop op uiteindelijke verlossing zouden ze in u wekken! Zo is het ook, bij vergelijking, wanneer een ziel in gevaar verkeert en daarbij ook nog in duisternis. Hoe begroet zo’n schipbreukelinge de eerste lichtstraal, waarin zij de weg mag zien om te ontkomen van de hel naar de hemel. Hoe zoet is het haar enig goddelijk licht in haar gemoed te ervaren, en door een invallende lichtstraal te mogen zien in de goedheid en barmhartigheid, genade en heerlijkheid van de dierbare Jezus. Hoe meer wij van de duisternis kennen, hoe meer wij het licht zullen prijzen.
Veel hoge belijders verachten dit alles en merken erbij op dat wij een gebouw optrekken dat steunt op gevoelens en gemoedsgestalten, en dat wij daarom van onze bevinding een Christus maken. Arme mensen! Hun licht is geen duit waard, en het is te vrezen dat het maar een vlam van hun eigen vuur is, een licht dat hen nooit in de hemel zal brengen. Maar waarom verachten zij het? Omdat zij nooit in duisternis of schaduw des doods zitten. Wat moeten wij dan naar waarheid van hun licht denken? Het is een dwaallichtje, een gaslamp, een meteoor, een vallende ster, wat dan ook, behalve de Opgang uit de hoogte of de Zon der gerechtigheid.
Maar het volk van de Heere kan het niet doen met een gaslamp of een dwaallichtje. Zij moeten Jezus hebben. Zij moeten Zijn bloed op hun consciëntie gesprengd hebben, Zijn genade in hun hart, Zijn tegenwoordigheid in hun ziel. Zij moeten zoete ontdekkingen hebben van Zijn Persoon en werk, de influisteringen van Zijn liefde, de aanraking van Zijn vinger, het lachen van Zijn aangezicht. Zij moeten Jezus voor zichzelf hebben. „Geef mij Jezus, of ik sterf!” is wat zij voelen.
Maar wat drijft hen ertoe met hun ernstige zuchten en smekingen voor de dag te komen? Zij zijn in duisternis en schaduw des doods. Waren zij daar niet in, dan zouden zij tevreden zijn te blijven zoals ze van nature waren, dat is: onwetend en dood. Maar omdat zij hun staat beseffen, zien zij uit naar de stralen van het licht. En wanneer die in hun ziel doorbreken, dan kunnen zij het prijzen, omdat het van God komt en tot God leidt.
Aan de lezer…
Soms zit u in duisternis en schaduw des doods, en lijkt het of er geen ster meer aan uw hemel staat. Dan bent u juist degene voor wie het licht zo kostbaar is. Wie nooit in het donker zat, kan het licht verachten en tevreden zijn met een dwaallichtje of een vlam van eigen vuur. Maar u ziet, als een schipbreukeling die ’s nachts op de rots ligt, uit naar de eerste straal van de morgen, die u de weg wijst om te ontkomen.
Schaam u dan niet voor uw zuchten en smekingen. Het is juist uw duisternis die u doet uitroepen: „Geef mij Jezus, of ik sterf!” Geen gaslamp kan u helpen; u moet Zijn bloed op uw consciëntie hebben, Zijn genade in uw hart, het lachen van Zijn aangezicht. Hoe meer u van de duisternis kent, hoe meer u het licht zult prijzen wanneer het doorbreekt. Want dat licht komt van God en leidt tot God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Such as sit in darkness and in the shadow of death.”
Psalm 107:10
What a blessed thing is light, the light of life, the light of God’s countenance, of the glorious gospel, of Jesus’ face! “Truly light is sweet, and a pleasant thing it is for the eyes to behold the sun.” But to whom? To those who sit in darkness and the shadow of death. How such hail the first rays of light! If you were shipwrecked, cast by night upon a desert rock, how you would hail the first beams of the morning light to show you where you were, and what hopes there were of final escape.
So, similarly, how a sense of danger, magnified by the darkness, makes the shipwrecked soul hail the first beam of light, that it may see the way of escape from hell to heaven. How sweet to such it is to have any divine light dawn upon the mind, to have any breaking in of the goodness and mercy, grace and glory, of the blessed Jesus.
The more we sit in darkness, the more we prize light. Many high professors despise all this, and run out against it as a building upon frames and feelings, and making a Christ of our experience. Poor things! Their light is not worth having; and their religion, it is to be feared, is but a fire of their own kindling, the light of which will never light them to heaven. But why do they despise it? Because they never sit in darkness and the shadow of death.
Therefore, really and truly, what is their light? A will-o’-the-wisp, a gas-lamp, a meteor, a falling star, anything, everything but the dayspring from on high, or the Sun of righteousness. But the Lord’s people cannot be put off with a gas-lamp, a will-o’-the-wisp. They must have Jesus. They must have His blood upon their consciences, His grace in their hearts, His presence in their souls; sweet discoveries of His Person and work, the whispers of His love, the touch of His finger, the smiles of His face. They must have Jesus for themselves. “Give me Christ, or else I die,” is their feeling.
But what makes them break forth with these earnest sighs and cries? They are in darkness and in the shadow of death. Were they otherwise, they would be content to remain as they naturally are; dark and dead. But feeling their state, it makes them long for the beams of light; and when it breaks in upon their soul, they can bless it because it comes from and leads to God.
To the reader…
At times you sit in darkness and the shadow of death, and it seems as if not a single star is left in your sky. Then you are just the one to whom the light is so precious. Whoever has never sat in the dark can despise the light and be content with a will-o’-the-wisp or a flame of his own fire. But you, like a shipwrecked man lying on the rock by night, look out for the first ray of morning that shows you the way of escape.
Do not be ashamed, then, of your sighs and pleadings. It is your very darkness that makes you cry out, “Give me Jesus, or I die!” No gas-lamp can help you; you must have His blood on your conscience, His grace in your heart, the smile of His face. The more you know of the darkness, the more you will prize the light when it breaks through. For that light comes from God and leads to God.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Los que moraban en tinieblas y sombra de muerte.”
Salmo 107:10
¡Qué cosa bendita es la luz, la luz de la vida, la luz del rostro de Dios, del glorioso evangelio, del rostro de Jesús! “Suave ciertamente es la luz, y agradable a los ojos ver el sol.” Pero ¿para quién? Para los que moran en tinieblas y sombra de muerte. ¡Cómo saludan estos los primeros rayos de luz! Si usted naufragara y fuera arrojado de noche sobre una roca desierta, ¡cómo saludaría los primeros rayos de la luz de la mañana que le mostraran dónde estaba y qué esperanzas había de escapar al fin!
Así, de modo semejante, ¡cómo el sentir del peligro, agrandado por la oscuridad, hace que el alma náufraga salude el primer rayo de luz, para que vea el camino de escape del infierno al cielo! ¡Qué dulce es para los tales que amanezca en su mente alguna luz divina, que irrumpa algo de la bondad y la misericordia, la gracia y la gloria del bendito Jesús!
Cuanto más moramos en tinieblas, más apreciamos la luz. Muchos de alta profesión desprecian todo esto y arremeten contra ello como si fuera edificar sobre estados de ánimo y sentimientos y hacer de nuestra experiencia un Cristo. ¡Pobres! Su luz no vale la pena tenerla; y su religión, es de temer, no es sino un fuego encendido por ellos mismos, cuya luz nunca los alumbrará hasta el cielo. Pero ¿por qué lo desprecian? Porque nunca moran en tinieblas y sombra de muerte.
Por tanto, real y verdaderamente, ¿qué es su luz? Un fuego fatuo, una lámpara de gas, un meteoro, una estrella fugaz, cualquier cosa, todo menos el Oriente de lo alto o el Sol de justicia. Pero al pueblo del Señor no se le puede despachar con una lámpara de gas o un fuego fatuo. Han de tener a Jesús. Han de tener Su sangre sobre su conciencia, Su gracia en su corazón, Su presencia en su alma; dulces descubrimientos de Su Persona y obra, los susurros de Su amor, el toque de Su dedo, las sonrisas de Su rostro. Han de tener a Jesús para sí mismos. “Dadme a Cristo, o muero”, es lo que sienten.
Pero ¿qué les hace prorrumpir en estos fervientes suspiros y clamores? Están en tinieblas y en sombra de muerte. Si fuera de otro modo, se contentarían con quedarse como son por naturaleza: oscuros y muertos. Pero el sentir su estado les hace anhelar los rayos de luz; y cuando esta irrumpe en su alma, pueden bendecirla, porque viene de Dios y conduce a Dios.
Al lector…
A veces usted mora en tinieblas y sombra de muerte, y parece como si no quedara una sola estrella en su cielo. Entonces es usted precisamente aquel para quien la luz es tan preciosa. Quien nunca ha estado en la oscuridad puede despreciar la luz y contentarse con un fuego fatuo o con la llama de su propio fuego. Pero usted, como un náufrago que yace de noche sobre la roca, aguarda el primer rayo de la mañana que le muestre el camino de escape.
No se avergüence, pues, de sus suspiros y súplicas. Es precisamente su oscuridad la que le hace clamar: “¡Dadme a Jesús, o muero!” Ninguna lámpara de gas puede ayudarle; ha de tener Su sangre sobre su conciencia, Su gracia en su corazón, la sonrisa de Su rostro. Cuanto más conozca de la oscuridad, más apreciará la luz cuando irrumpa. Porque esa luz viene de Dios y conduce a Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl