5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
In Dewelke wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden.
Kolossenzen 1:14
Van alle geestelijke zegeningen die door de macht Gods aan de ziel worden kenbaar gemaakt, is de wetenschap van redding door de vergeving der zonden het moeilijkst te verkrijgen, en, eenmaal verkregen zijnde, het meest te waarderen. Hoeveel arme beproefde, geprangde, benauwde zielen zuchten en roepen op dit ogenblik om de openbaring van deze éne zegen. Deze weten het wel, en sommige door de droevige ervaring van vele jaren slavernij en arbeid, hoe moeilijk het is de vergiffenis aan het hart bezegeld te zien.
Niet dat het van Gods zijde waarlijk moeilijk is nu te vergeven, dat is in een kennelijke openbaring; want het is reeds geschied aan en voor al de uitverkorenen Gods: „En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende” (Kolossenzen 2:13); en wederom: „In Wie wij hebben” (niet „zullen hebben”, maar „hebben”, dat is nu hebben) „de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de zonden.”
Ofschoon hij niet in staat is haar voor zichzelf te begrijpen, haar zich toe te eigenen als een persoonlijke zegen, en in zijn hart en geweten verzekerd te zijn van de vergeving van al zijn zonden, toch zijn aan iedere levendgemaakte ziel al haar overtredingen, vroegere, tegenwoordige en toekomende, vergeven. Het is een van de geestelijke zegeningen waarmee hij gezegend is, reeds gezegend is in hemelse plaatsen, in Jezus Christus.
Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,
die van de straf voor eeuwig is ontheven,
wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.
Welzalig is de mens, wie ’t mag gebeuren
dat God, naar recht, hem niet wil schuldig keuren
en die in ’t vroom en ongeveinsd gemoed
geen snood bedrog, maar blank’ oprechtheid voedt.
Ps. 32:1
Aan de lezer…
Hier is een woord voor wie al lang zucht om die ene zegen: de vergeving van de zonden aan het hart bezegeld. Misschien zijn het jaren van slavernij en arbeid geweest, van roepen zonder antwoord, en vreest u soms dat het voor u nooit zal komen. Ik weet hoe moeilijk deze zegen te verkrijgen is en hoe kostbaar hij is wanneer hij komt. Hij spreekt u niet naar de mond, maar hij wijst u wel op een kostelijk woord.
Want er staat niet: in Wie wij zullen hebben, maar: in Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed, de vergeving der zonden. Het moeilijke ligt niet aan Gods zijde; bij Hem is het geschied. Kunt u het u nog niet toe-eigenen, dan is de zaak zelf daarom niet minder waar voor iedere levendgemaakte ziel. Blijf dan zuchten en roepen, maar met deze hoop: Hij heeft verlossing teweeggebracht door Zijn bloed, en Hij zal het in Zijn tijd ook aan uw geweten bekendmaken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In Dewelke wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden.
Kolossenzen 1:14
Van alle geestelijke zegeningen die door de kracht van God aan de ziel bekendgemaakt worden, is de zekerheid van verlossing door de vergeving van de zonden het moeilijkst te verkrijgen, en, als zij eenmaal verkregen is, het meest te waarderen. Hoeveel arme, beproefde, bekommerde en benauwde zielen zuchten en roepen op dit ogenblik om de openbaring van deze ene zegen! Zij weten het wel, sommigen door de droevige ervaring van vele jaren van slavernij en zwoegen, hoe moeilijk het is om de vergeving aan het hart bezegeld te krijgen.
Niet dat het voor God werkelijk moeilijk is om nu te vergeven, dat wil zeggen in een merkbare openbaring. Want het is al gebeurd aan en voor alle uitverkorenen van God: „En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende” (Kolossenzen 2:13). En opnieuw: „In Wie wij hebben” (niet „zullen hebben”, maar „hebben”, dat is: nu hebben) „de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de zonden.”
Ook al is iemand niet in staat die vergeving voor zichzelf te begrijpen, haar zich toe te eigenen als een persoonlijke zegen, en in zijn hart en geweten verzekerd te zijn van de vergeving van al zijn zonden, toch zijn aan iedere levendgemaakte ziel al haar overtredingen vergeven: de vroegere, de tegenwoordige en de toekomstige. Het is een van de geestelijke zegeningen waarmee hij gezegend is, al gezegend is in de hemelse plaatsen, in Jezus Christus.
Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,
die van de straf voor eeuwig is ontheven,
wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.
Welzalig is de mens, wie ’t mag gebeuren
dat God, naar recht, hem niet wil schuldig keuren
en die in ’t vroom en ongeveinsd gemoed
geen snood bedrog, maar blank’ oprechtheid voedt.
Ps. 32:1
Aan de lezer…
Hier is een woord voor wie al lang zucht om die ene zegen: de vergeving van de zonden aan het hart bezegeld. Misschien zijn het jaren van slavernij en zwoegen geweest, van roepen zonder antwoord, en vreest u soms dat het voor u nooit zal komen. Ik weet hoe moeilijk deze zegen te verkrijgen is en hoe kostbaar hij is wanneer hij komt. Dit woord spreekt u niet naar de mond, maar wijst u wel op een kostbare tekst.
Want er staat niet: in Wie wij zullen hebben, maar: in Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de zonden. Het moeilijke ligt niet aan Gods kant; bij Hem is het gebeurd. Kunt u het zich nog niet toe-eigenen, dan is de zaak zelf daarom niet minder waar voor iedere levendgemaakte ziel. Blijf dan zuchten en roepen, maar met deze hoop: Hij heeft verlossing teweeggebracht door Zijn bloed, en Hij zal het op Zijn tijd ook aan uw geweten bekendmaken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In Whom we have redemption through His blood, even the forgiveness of sins.
Colossians 1:14
Of all spiritual blessings made known to the soul by the power of God “a knowledge of salvation by the remission of sins” is the hardest to be obtained, and most prized when acquired. How many poor tried, exercised, distressed souls are at this very moment sighing and crying for the manifestation of this one blessing. These well know, and some of them by the painful experience of many years’ hard bondage and travail, how hard it is to get forgiveness sealed on their heart.
Not that it is really hard on the part of God now to forgive, that is, in experimental manifestation; for it is already done to and for all the elect of God—“And you, being dead in your sins and the uncircumcision of your flesh, hath He quickened together with Him, having forgiven you all trespasses” (Colossians 2:13); and again, “In Whom we have” (not “shall have,” but “have,” that is, now have) “redemption through His blood, the forgiveness of sins.”
Though he may not be able to lay hold of it for himself, appropriate it as a personal blessing, and feel sweetly and blessedly assured, in his own heart and conscience, of the forgiveness of all his sins; yet every quickened soul is really forgiven all his trespasses, past, present, and to come. It is one of the spiritual blessings with which he has been blessed, already blessed, in heavenly places in Christ Jesus.
To the reader…
Here is a word for those who have long been sighing for that one blessing: the forgiveness of sins sealed upon the heart. Perhaps there have been years of bondage and travail, of crying without an answer, and you sometimes fear it will never come for you. I know how hard this blessing is to obtain and how precious it is when it comes. This word does not flatter you, but it does point you to a precious text.
For it does not say: in Whom we shall have, but: in Whom we have redemption through His blood, the forgiveness of sins. The difficulty does not lie on God’s side; with Him it has been done. If you cannot yet appropriate it for yourself, the thing itself is no less true for every quickened soul. Go on sighing and crying, then, but with this hope: He has accomplished redemption through His blood, and in His time He will make it known to your conscience as well.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En el cual tenemos redención por Su sangre, la remisión de pecados.
Colosenses 1:14
De todas las bendiciones espirituales dadas a conocer al alma por el poder de Dios, “el conocimiento de salud para remisión de pecados” es la más difícil de obtener y la más apreciada cuando se alcanza. ¡Cuántas pobres almas probadas, ejercitadas y angustiadas están en este mismo momento suspirando y clamando por la manifestación de esta única bendición! Estas saben bien, y algunas de ellas por la dolorosa experiencia de muchos años de dura servidumbre y trabajo, cuán difícil es obtener el perdón sellado en su corazón.
No que sea realmente difícil de parte de Dios perdonar ahora, es decir, en manifestación experimental; porque ya está hecho a favor de todos los escogidos de Dios: “Y a vosotros, estando muertos en pecados y en la incircuncisión de vuestra carne, os vivificó juntamente con Él, perdonándoos todos los pecados” (Colosenses 2:13); y otra vez: “En el cual tenemos” (no “tendremos”, sino “tenemos”, es decir, tenemos ahora) “redención por Su sangre, la remisión de pecados”.
Aunque quizá no pueda echar mano de ello para sí mismo, apropiárselo como bendición personal, y sentirse dulce y bienaventuradamente seguro, en su propio corazón y conciencia, del perdón de todos sus pecados, con todo, toda alma vivificada tiene realmente perdonadas todas sus transgresiones, pasadas, presentes y futuras. Es una de las bendiciones espirituales con que ha sido bendecida, ya bendecida, en lugares celestiales en Cristo Jesús.
Al lector…
He aquí una palabra para los que llevan mucho tiempo suspirando por esa única bendición: el perdón de los pecados sellado en el corazón. Quizá hayan sido años de servidumbre y trabajo, de clamar sin respuesta, y a veces teme usted que para usted nunca llegará. Sé cuán difícil es obtener esta bendición y cuán preciosa es cuando llega. Esta palabra no le adula, pero sí le señala un texto precioso.
Porque no dice: en el cual tendremos, sino: en el cual tenemos redención por Su sangre, la remisión de pecados. La dificultad no está del lado de Dios; con Él ya está hecho. Si usted todavía no puede apropiárselo, la cosa en sí no es menos cierta para toda alma vivificada. Siga, pues, suspirando y clamando, pero con esta esperanza: Él ha consumado la redención por Su sangre, y a Su tiempo la dará a conocer también a su conciencia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De Doorbreker
De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken. En hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de Heere in hun spits.
Micha 2:13
We lezen dat de Heere „een deur der hoop in het dal Achor” zal openen, dat wil zeggen: Hij opent de poort, en als Hij hem opent, gaan zij erdoor. Maar wat is de betekenis van „door de poort gaan”, geestelijk gezien? Als de Heere bijvoorbeeld niet aan de ziel verschijnt, dan is de poort gesloten; het geloof gaat niet uit naar de Heere, en er komt geen antwoord van Hem; er is geen blik op Zijn heerlijkheid zoals Jakob in Bethel had toen hij zei: „Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels” (Gen. 28:17).
Wat deed hem inzien dat dit de poort des hemels was? Omdat hij in zijn droom, toen hij van stenen zijn hoofdkussen had gemaakt, een ladder zag en engelen die erlangs op en neer klommen. En hij keek omhoog en zag waar de ladder was vastgemaakt. Toen zag hij de hemel opengaan.
Dit was ook wat Stefanus zag toen het woedende volk op hem toe rende en hem stenigde. Hij zei: „Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods” (Hand. 7:56). Hij kreeg in zijn ziel een blik op de hemel en de heerlijkheid en gelukzaligheid ervan. Terwijl zijn ogen omhoogkeken, zag hij het, en de liefde van zijn hart stroomde ernaar uit.
Net zo is het met Gods volk; deze poort is vaak dicht; ze kunnen niet opkijken, of als ze het doen, zien ze niets dat hen kan troosten. Maar als het God belieft hen voor te gaan en de poort des hemels te ontsluiten, dan kijken ze op en zien dingen die het God belieft in hun zielen te openbaren. Dan „gaan ze door de poort”. En de moeilijkheden, beproevingen, verzoekingen en oefeningen die op hun pad hebben gelegen, worden, als gesloten poorten, verwijderd als de Doorbreker voor hen verschijnt.
Lezen: Genesis 28:1-17
Aan de lezer…
Herkent u dit? De hemel lijkt voor u als gesloten. Gaat uw geloof niet uit, komt er geen antwoord, en ziet u, als u al opkijkt, niets dat u troosten kan? U bent niet de eerste. Gods volk kent vaak zulke dagen, waarin de poort dicht lijkt en hun ogen nergens heen kunnen dan naar de grond.
Maar denk aan de man die zijn hoofd op een steen legde en toch de ladder zag die tot de hemel reikte. Denk aan de getuige die, terwijl de stenen vielen, zei: „Ziet, ik zie de hemelen geopend.” Het is de Heere Die de poort ontsluit, en Hij kan het doen in een woestijn, in een nacht, in de bitterste nood. Belooft Hij niet zelfs een deur der hoop in het dal Achor? Wacht dan op Hem; als Hij voorgaat, gaat u door de poort.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken. En hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan; en de Heere in hun spits.
Micha 2:13
We lezen dat de Heere „een deur der hoop in het dal Achor” zal openen; dat wil zeggen: Hij opent de poort, en als Hij die opent, gaan zij erdoor. Maar wat betekent „door de poort gaan” in geestelijke zin? Als de Heere bijvoorbeeld niet aan de ziel verschijnt, is de poort gesloten. Het geloof gaat dan niet uit naar de Heere, en er komt geen antwoord van Hem. Er is dan geen blik op Zijn heerlijkheid, zoals Jakob die in Bethel had toen hij zei: „Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels” (Gen. 28:17).
Waardoor zag hij dat dit de poort van de hemel was? Doordat hij in zijn droom, toen hij stenen tot hoofdkussen had genomen, een ladder zag met engelen die erlangs op- en neerklommen. Hij keek omhoog en zag waar de ladder was vastgemaakt. Toen zag hij de hemel opengaan.
Dat zag ook Stefanus toen het woedende volk op hem afstormde en hem stenigde. Hij zei: „Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods” (Hand. 7:56). Hij kreeg in zijn ziel een blik op de hemel, op de heerlijkheid en zaligheid ervan. Terwijl zijn ogen omhoogkeken, zag hij het, en de liefde van zijn hart ging ernaar uit.
Zo is het ook met Gods volk. Deze poort is vaak dicht; ze kunnen niet opzien, of als ze het doen, zien ze niets wat hen kan troosten. Maar wanneer het God behaagt hen voor te gaan en de poort van de hemel te openen, zien ze op en zien ze wat God in hun ziel wil openbaren. Dan „gaan ze door de poort”. En de moeilijkheden, beproevingen, verzoekingen en oefeningen die als gesloten poorten op hun pad lagen, worden weggenomen wanneer de Doorbreker voor hen verschijnt.
Lezen: Genesis 28:1-17
Aan de lezer…
Herkent u dit? De hemel lijkt voor u gesloten. Gaat uw geloof niet uit, komt er geen antwoord, en ziet u, als u al opkijkt, niets wat u kan troosten? U bent niet de eerste. Gods volk kent vaak zulke dagen, waarin de poort dicht lijkt en hun ogen nergens anders heen kunnen dan naar de grond.
Maar denk aan de man die zijn hoofd op een steen legde en toch de ladder zag die tot de hemel reikte. Denk aan de getuige die, terwijl de stenen vielen, zei: „Ziet, ik zie de hemelen geopend.” Het is de Heere Die de poort opent, en Hij kan het doen in een woestijn, in een nacht, in de bitterste nood. Belooft Hij niet zelfs een deur der hoop in het dal Achor? Wacht dan op Hem; als Hij voorgaat, gaat u door de poort.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The breaker is come up before them: they have broken up, and have passed through the gate, and are gone out by it: and their King shall pass before them, and the LORD on the head of them.
Micah 2:13
We read that the Lord will give “the valley of Achor for a door of hope”; that is, He opens the gate, and when He opens it, they pass through. But what does “passing through the gate” mean in a spiritual sense? If, for example, the Lord does not appear to the soul, the gate is shut. Faith then does not go out to the Lord, and no answer comes from Him. There is then no view of His glory, such as Jacob had at Bethel when he said, “This is none other but the house of God, and this is the gate of heaven” (Genesis 28:17).
How did he see that this was the gate of heaven? Because in his dream, when he had taken stones for his pillow, he saw a ladder with angels ascending and descending on it. He looked up and saw where the ladder was fastened. Then he saw heaven opened.
Stephen saw this too, when the furious people rushed upon him and stoned him. He said, “Behold, I see the heavens opened, and the Son of man standing on the right hand of God” (Acts 7:56). He was given in his soul a view of heaven, of its glory and blessedness. As his eyes looked upward, he saw it, and the love of his heart went out to it.
So it is with the people of God. This gate is often shut; they cannot look up, or if they do, they see nothing that can comfort them. But when it pleases God to go before them and to open the gate of heaven, they look up and see what God is pleased to reveal in their soul. Then “they pass through the gate.” And the difficulties, trials, temptations and exercises that lay like shut gates in their path are taken away when the Breaker appears before them.
Reading: Genesis 28:1-17
To the reader…
Do you recognise this? Heaven seems shut to you. Does your faith not go out, does no answer come, and when you do look up, do you see nothing that can comfort you? You are not the first. God’s people often know such days, when the gate seems shut and their eyes can go nowhere but to the ground.
But think of the man who laid his head on a stone and yet saw the ladder that reached to heaven. Think of the witness who, while the stones were falling, said, “Behold, I see the heavens opened.” It is the Lord Who opens the gate, and He can do it in a wilderness, in a night, in the bitterest distress. Does He not even promise a door of hope in the valley of Achor? Wait for Him, then; when He goes before, you will pass through the gate.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Subirá rompedor delante de ellos; romperán y pasarán la puerta, y saldrán por ella: y su rey pasará delante de ellos, y a la cabeza de ellos Jehová.
Miqueas 2:13
Leemos que el Señor dará “el valle de Achôr por puerta de esperanza”; es decir, Él abre la puerta, y cuando la abre, ellos la pasan. Pero ¿qué significa “pasar la puerta” en sentido espiritual? Si, por ejemplo, el Señor no se manifiesta al alma, la puerta está cerrada. La fe entonces no sale hacia el Señor, y no viene respuesta de Él. No hay entonces visión de Su gloria, como la que tuvo Jacob en Bet-el cuando dijo: “No es otra cosa que casa de Dios, y puerta del cielo” (Génesis 28:17).
¿Cómo vio que aquella era la puerta del cielo? Porque en su sueño, cuando había tomado piedras por cabecera, vio una escalera con ángeles que subían y descendían por ella. Miró hacia arriba y vio dónde estaba fijada la escalera. Entonces vio el cielo abierto.
Esteban también lo vio, cuando el pueblo enfurecido arremetió contra él y lo apedreó. Dijo: “He aquí, veo los cielos abiertos, y al Hijo del hombre que está a la diestra de Dios” (Hechos 7:56). Se le concedió en su alma una visión del cielo, de su gloria y bienaventuranza. Al levantar sus ojos, lo vio, y el amor de su corazón salió hacia él.
Así es con el pueblo de Dios. Esta puerta está a menudo cerrada; no pueden mirar hacia arriba, o si lo hacen, no ven nada que pueda consolarles. Pero cuando a Dios le place ir delante de ellos y abrir la puerta del cielo, miran hacia arriba y ven lo que Dios tiene a bien revelar en su alma. Entonces “pasan la puerta”. Y las dificultades, pruebas, tentaciones y ejercicios que yacían como puertas cerradas en su senda son quitados cuando el Rompedor aparece delante de ellos.
Lectura: Génesis 28:1-17
Al lector…
¿Reconoce usted esto? El cielo le parece cerrado. ¿No sale su fe, no viene respuesta, y cuando sí mira hacia arriba, no ve nada que pueda consolarle? Usted no es el primero. El pueblo de Dios conoce a menudo tales días, en que la puerta parece cerrada y los ojos no pueden ir a ninguna parte sino al suelo.
Pero piense en el hombre que reclinó su cabeza sobre una piedra y, aun así, vio la escalera que llegaba al cielo. Piense en el testigo que, mientras caían las piedras, dijo: “He aquí, veo los cielos abiertos.” Es el Señor Quien abre la puerta, y puede hacerlo en un desierto, en una noche, en la angustia más amarga. ¿No promete incluso una puerta de esperanza en el valle de Achôr? Espérele, pues; cuando Él vaya delante, usted pasará la puerta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ik trok hen met mensenzelen, met touwen der liefde.
Hosea 11:4
Wanneer God Zijn volk tot Zich trekt, gebeurt dit niet op een mechanische wijze. Zij worden getrokken, niet met ijzeren koorden, maar met mensenzelen. Dit denkbeeld grondt zich op „een gewaar worden met gevoel”; op iets menselijks, iets teders, op een zachte, vriendelijke aanraking. Dus niet alsof God een ijzeren arm om Zijn volk sloeg om hen tot Zijn borst te trekken, of ze wilden komen of niet. Dit zou geen genade zijn, noch het werk van de Geest op het hart.
God handelt niet zo als door mechanische kracht. Daarom lezen wij: „Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht” (Psalm 110:3). Hij raakt met Zijn genadevinger het hart aan, gelijk die mannen van het heir die met Saul gingen, welker hart God geroerd had (1 Sam. 10:26). Hij deelt aan hun ziel beide geloof en gevoel mede. Hij doet het hart smelten, maakt het teder en vernedert het door het besef van Zijn goedertierenheid en genade; want het is Zijn goedheid, die bevindelijk wordt beseft en ontwaard en die leidt tot bekering.
Indien gij ooit enige verborgen en geheiligde trekking ten hemel in uw ziel hebt waargenomen, dan was het niet door dwang of geweld, of door een mechanische noodzaak; maar een arm van medelijden en barmhartigheid was het, die uw hart omving, die uw binnenste aanraakte en tot Gods boezem trok. Het was met die Goddelijke aanraking waarvan in het Hooglied van Salomo gesproken wordt: „Mijn Liefste stak Zijn hand in het gat der deur en mijn ingewand werd beroerd om Zijnentwil.” Het was enig gezicht van Zijn goedertierenheid, barmhartigheid en liefde in het aangezicht van de Middelaar, met enige nederdrupping in uw geest van Zijn medelijden en ontferming jegens u, dat uw hart week maakte, verbrak en smelten deed. Gij werdt niet voortgedreven met zweep en geselroede, maar zachtkens getrokken met mensenzelen, dat een tedere gewaarwording in u teweegbracht en in de diepte uwer ziel indrong.
En waarom dit? Omdat onze gezegende Heere en Middelaar mens is, de Man Jezus Christus, de Man Die in de hof steunde en zuchtte; de Man Die aan het kruis hing; de Man Die in het graf lag; Die nu is de Man aan de rechterhand Gods des Vaders, de Godmens. Want het is door Zijn mens-zijn dat wij tot God getrokken worden. Gelijk Zijn bloed het bloed der mensheid was, Zijn lijden het lijden van de mensheid, Zijn offerande de offerande van de mensheid, Zijn dood de dood van de mensheid. Als deze met Goddelijke kracht ontsloten worden, vormen zij, om zo te spreken, een middel waardoor wij tot God getrokken worden, zonder schrik, zonder ontsteltenis, omdat God in Christus Zich openbaart als geheel en al liefde.
Aan de lezer…
Hebt u ooit een zachte trekking in uw ziel gevoeld, die u naar de Heere uitdreef? Dan was het geen dwang of ijzeren arm, maar een arm van medelijden en barmhartigheid die uw hart omving. „Ik trok hen met mensenzelen, met touwen der liefde.” Zo werkt de Heere: Hij raakt het hart aan met Zijn genadevinger, doet het smelten en week worden door een besef van Zijn goedertierenheid, en zo wordt de ziel gewillig.
Misschien voelt u zich nu koud en ver weg, en durft u nauwelijks te hopen dat Hij u nog zal trekken. Zie dan op de Man Jezus Christus, Die in de hof zuchtte, aan het kruis hing en in het graf lag, en Die nu aan de rechterhand Gods is. Door Zijn mens-zijn mag een zondaar tot God naderen zonder schrik, want God openbaart Zich in Hem als geheel en al liefde. Vraag Hem dan dat Hij u opnieuw met touwen der liefde tot Zich trekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik trok hen met mensenzelen, met touwen der liefde.
Hosea 11:4
Wanneer God Zijn volk tot Zich trekt, gebeurt dat niet op een mechanische manier. Zij worden getrokken, niet met ijzeren koorden, maar met mensenzelen. Deze gedachte rust op „gewaarworden met gevoel”: op iets menselijks, iets teders, op een zachte, vriendelijke aanraking. Het is dus niet alsof God een ijzeren arm om Zijn volk sloeg om hen naar Zijn borst te trekken, of zij nu wilden komen of niet. Dat zou geen genade zijn, en ook geen werk van de Geest aan het hart.
God handelt niet zo, als door mechanische kracht. Daarom lezen wij: „Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht” (Psalm 110:3). Hij raakt met Zijn genadevinger het hart aan, zoals bij de mannen van het leger die met Saul meegingen, wier hart God had aangeraakt (1 Sam. 10:26). Hij deelt hun ziel zowel geloof als gevoel mee. Hij doet het hart smelten, maakt het teder en vernedert het door het besef van Zijn goedertierenheid en genade; want het is Zijn goedheid, bevindelijk beseft en ervaren, die tot bekering leidt.
Als u ooit een verborgen en geheiligde trekking naar de hemel in uw ziel hebt opgemerkt, dan kwam die niet door dwang of geweld, of door een mechanische noodzaak. Het was een arm van medelijden en barmhartigheid die uw hart omving, uw binnenste aanraakte en u naar Gods boezem trok. Het was die Goddelijke aanraking waarover in het Hooglied van Salomo gesproken wordt: „Mijn Liefste stak Zijn hand in het gat der deur en mijn ingewand werd beroerd om Zijnentwil.” Het was een blik op Zijn goedertierenheid, barmhartigheid en liefde in het aangezicht van de Middelaar, met iets van Zijn medelijden en ontferming jegens u dat in uw geest neerdruppelde, wat uw hart week maakte, verbrak en deed smelten. U werd niet voortgedreven met zweep en gesel, maar zacht getrokken met mensenzelen, die een tedere gewaarwording in u teweegbrachten en diep in uw ziel doordrongen.
En waarom zo? Omdat onze gezegende Heere en Middelaar mens is, de Mens Christus Jezus: de Man Die in de hof kreunde en zuchtte, de Man Die aan het kruis hing, de Man Die in het graf lag, en Die nu de Man is aan de rechterhand van God de Vader, de Godmens. Want het is door Zijn mens-zijn dat wij tot God getrokken worden. Zijn bloed was het bloed van de mensheid, Zijn lijden het lijden van de mensheid, Zijn offer het offer van de mensheid, Zijn dood de dood van de mensheid. Wanneer deze dingen met Goddelijke kracht ontsloten worden, vormen zij om zo te zeggen een middel waardoor wij tot God getrokken worden, zonder schrik en zonder ontsteltenis, omdat God Zich in Christus openbaart als geheel en al liefde.
Aan de lezer…
Hebt u ooit een zachte trekking in uw ziel gevoeld, die u naar de Heere uitdreef? Dan was het geen dwang of ijzeren arm, maar een arm van medelijden en barmhartigheid die uw hart omving. „Ik trok hen met mensenzelen, met touwen der liefde.” Zo werkt de Heere: Hij raakt het hart aan met Zijn genadevinger, doet het smelten en week worden door een besef van Zijn goedertierenheid, en zo wordt de ziel gewillig.
Misschien voelt u zich nu koud en ver weg, en durft u nauwelijks te hopen dat Hij u nog zal trekken. Zie dan op de Man Jezus Christus, Die in de hof zuchtte, aan het kruis hing en in het graf lag, en Die nu aan de rechterhand van God is. Door Zijn mens-zijn mag een zondaar tot God naderen zonder schrik, want God openbaart Zich in Hem als geheel en al liefde. Vraag Hem dan of Hij u opnieuw met touwen der liefde tot Zich wil trekken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I drew them with cords of a man, with bands of love.
Hosea 11:4
When God draws His people near unto Himself, it is not done in a mechanical way. They are drawn, not with cords of iron, but with the cords of a man; the idea being of something feeling, human, tender, touching; not as if God laid an iron arm upon His people to drag them to Himself, whether they wished to come or not. This would not be grace nor the work of the Spirit upon the heart. God does not so act in a way of mechanical force.
We therefore read, “Your people shall be willing in the day of your power” (Psalm 110:3). He touches their heart with His gracious finger, like the band of men whom He thus inclined to follow Saul (1 Sam. 10:26); He communicates to their soul both faith and feeling; He melts, softens, and humbles their heart by a sense of His goodness and mercy; for it is His goodness, as experimentally felt and realized, which leads to repentance.
If you have ever felt any secret and sacred drawing of your soul upward to heaven, it was not compulsion, not violence, not a mechanical constraint, but an arm of pity and compassion let down into your very heart, which, touching your inmost spirit, drew it up into the bosom of God. It was some such gracious touch as that spoken of in the Song of Solomon, “My Beloved put in His hand by the hole of the door, and my affections were moved for Him.” It was some view of His goodness, mercy, and love in the face of a Mediator, with some dropping into your spirit of His pity and compassion towards you, which softened, broke, and melted your heart. You were not driven onward by being flogged and scourged, but blessedly drawn with the cords of a man, which seemed to touch every tender feeling and enter into the very depths of your soul.
And why is this? Because it is as man that our blessed Lord is the Mediator; it is the man Christ Jesus, the man Who groaned and sighed in the garden, the man that hung upon the cross, the man Who lay in the sepulcher, Who is now the man at the right hand of the Father, and yet God-man; for it is through His humanity that we draw near unto God. As His blood, which was the blood of humanity; and as His sufferings, which were the sufferings of humanity; and as His sacrifice, which was the sacrifice of the humanity; and as His death, which was the death of the humanity; as these are opened up with divine power, they form, so to speak, a medium whereby we may draw near unto God, without terror, without alarm, because God in Christ manifests Himself as altogether love.
To the reader…
Have you ever felt a gentle drawing in your soul that drove you out towards the Lord? Then it was no compulsion or iron arm, but an arm of pity and compassion that embraced your heart. “I drew them with cords of a man, with bands of love.” This is how the Lord works: He touches the heart with His gracious finger, makes it melt and soften by a sense of His goodness, and so the soul is made willing.
Perhaps you now feel cold and far away, and scarcely dare to hope that He will draw you still. Look, then, to the man Christ Jesus, Who sighed in the garden, hung upon the cross and lay in the grave, and Who is now at the right hand of God. Through His humanity a sinner may draw near to God without terror, for God in Him reveals Himself as altogether love. Ask Him, then, to draw you to Himself once more with bands of love.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Con cuerdas humanas los traje, con cuerdas de amor.
Oseas 11:4
Cuando Dios atrae a Su pueblo hacia Sí, no lo hace de una manera mecánica. Son atraídos, no con cuerdas de hierro, sino con cuerdas humanas; la idea es la de algo sensible, humano, tierno, conmovedor; no como si Dios pusiera un brazo de hierro sobre Su pueblo para arrastrarlo hacia Sí, quisieran venir o no. Eso no sería gracia ni obra del Espíritu en el corazón. Dios no obra así, a modo de fuerza mecánica.
Por eso leemos: “Tu pueblo serálo de buena voluntad en el día de Tu poder” (Salmo 110:3). Él toca su corazón con Su dedo lleno de gracia, como al grupo de hombres a quienes así inclinó a seguir a Saúl (1 Sam. 10:26); comunica a su alma tanto fe como sentimiento; derrite, ablanda y humilla su corazón por el sentir de Su bondad y misericordia; porque es Su bondad, sentida y experimentada en el alma, la que guía al arrepentimiento.
Si usted ha sentido alguna vez una atracción secreta y sagrada de su alma hacia arriba, hacia el cielo, no fue compulsión, ni violencia, ni coacción mecánica, sino un brazo de piedad y compasión que descendió hasta lo más hondo de su corazón y que, tocando su espíritu más íntimo, lo atrajo al seno de Dios. Fue algún toque lleno de gracia como aquel del que se habla en el Cantar de los Cantares: “Mi Amado metió Su mano por el agujero, y mis entrañas se conmovieron dentro de mí.” Fue alguna visión de Su bondad, misericordia y amor en el rostro de un Mediador, con algún destilar en su espíritu de Su piedad y compasión hacia usted, lo que ablandó, quebrantó y derritió su corazón. No fue empujado hacia adelante a golpes y azotes, sino benditamente atraído con cuerdas humanas, que parecían tocar todo sentimiento tierno y entrar hasta lo más profundo de su alma.
¿Y por qué es así? Porque es como hombre que nuestro bendito Señor es el Mediador; es el hombre Cristo Jesús, el hombre que gimió y suspiró en el huerto, el hombre que colgó de la cruz, el hombre que yació en el sepulcro, el que ahora es el hombre a la diestra del Padre, y sin embargo Dios-hombre; porque es por medio de Su humanidad que nos acercamos a Dios. Su sangre, que fue la sangre de la humanidad; Sus sufrimientos, que fueron los sufrimientos de la humanidad; Su sacrificio, que fue el sacrificio de la humanidad; y Su muerte, que fue la muerte de la humanidad: al ser abiertos con poder divino, forman, por así decirlo, un medio por el cual podemos acercarnos a Dios sin terror, sin espanto, porque Dios en Cristo se manifiesta como todo amor.
Al lector…
¿Ha sentido usted alguna vez en su alma una suave atracción que le impulsaba hacia el Señor? Entonces no fue una compulsión ni un brazo de hierro, sino un brazo de piedad y compasión que abrazó su corazón. “Con cuerdas humanas los traje, con cuerdas de amor.” Así obra el Señor: toca el corazón con Su dedo lleno de gracia, lo derrite y lo ablanda por el sentir de Su bondad, y así el alma es hecha dispuesta.
Quizá ahora se sienta frío y lejano, y apenas se atreva a esperar que Él todavía le atraiga. Mire, entonces, al hombre Cristo Jesús, que suspiró en el huerto, colgó de la cruz y yació en el sepulcro, y que ahora está a la diestra de Dios. Por medio de Su humanidad, un pecador puede acercarse a Dios sin terror, porque Dios en Él se revela como todo amor. Pídale, pues, que le atraiga otra vez hacia Sí con cuerdas de amor.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl