4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En stromen op het droge.
Jesaja 44:3
Hoe dikwijls gevoelt de ziel, uit God geboren en door God onderwezen, dat zij zelf „deze droge grond” is! Zij zou gaarne vruchtbaar zijn in elk goed woord en werk; zij wenste inwendig versierd te zijn met elke genade des Geestes, en met elke goede en Goddelijke genade des Geestes uitwendig. Dat niemand gelove dat het kind van God zorgeloos is omtrent, of onverschillig voor enige inwendige of uitwendige vrucht. Er is niets te heilig, te hemels, te geestelijk of te genadig, dat het kind der genade niet inwendig zou wensen te ervaren of uitwendig voort te brengen. Maar het gevoelt dat het niet in staat is door eigen werk die vruchten voort te brengen die het verlangt.
Even goed zou een dorre akker veranderd worden in een vruchtbare tuin, zonder door eens mensen hand bebouwd of door de regen des hemels gedrenkt te zijn, als een ziel die haar eigen dorheid kent en gevoelt, door eigen kracht vruchten der gerechtigheid zou kunnen voortbrengen. Maar de Heere, Die de begeerte des harten en deszelfs inwendig treuren over zijn dorheid kent, heeft in de tekst een zoete en genadige belofte gegeven: „Ik zal stromen gieten op het droge.” Een enkele regenbui zou niet genoeg zijn. De droge grond zou spoedig enige weinige droppels van de zomerregen inzwelgen.
Er moeten stromen komen, of van de hemel, of van de stromen dier rivier die de stad Gods verblijdt, om die grote verandering teweeg te brengen. Die „stromen” zijn: de beloften in de ziel; de liefde Gods in het hart uitgestort; de openbaringen van Christus en Zijn zoenbloed; de stroom der genade even overvloedig over de menigte zonden, en het vloeien des vredes als een rivier in de verslagen geest.
Want God, de Heer, zo goed, zo mild,
is ’t alle tijd een zon en schild.
Hij zal genaad’ en ere geven.
Hij zal hun ’t goede niet in nood
onthouden, zelfs niet in de dood,
die in oprechtheid voor Hem leven.
Welzalig, Heer, die op U bouwt
en zich geheel aan U vertrouwt!
Ps. 84:6
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zichzelf als droge grond gevoelt. Zou u gaarne vruchtbaar zijn in elk goed woord en werk, en ziet u in uw hart niets dan dorheid? Een dorre akker wordt geen vruchtbare tuin uit eigen kracht, en zo kunt ook u geen vruchten der gerechtigheid voortbrengen door uw eigen werk. Maar dat u over die dorheid treurt, is geen teken dat God u vergeten heeft; Hij kent juist die begeerte en dat inwendig treuren.
Voor zulken heeft Hij een zoete en genadige belofte gegeven: „Ik zal stromen gieten op het droge.” Geen enkele regenbui, maar stromen: de liefde Gods in het hart uitgestort, de openbaringen van Christus en Zijn zoenbloed, de genade even overvloedig over de menigte zonden. Wacht dan op Hem met een verslagen geest, want Hij zal het goede niet onthouden aan wie in oprechtheid voor Hem leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En stromen op het droge.
Jesaja 44:3
Hoe vaak voelt de ziel die uit God geboren en door God onderwezen is, dat zij zelf „deze droge grond” is! Zij zou graag vruchtbaar zijn in elk goed woord en werk. Zij zou inwendig graag versierd zijn met elke genade van de Geest, en uitwendig met elke goede en Goddelijke genade van de Geest. Laat niemand denken dat het kind van God zorgeloos is over, of onverschillig staat tegenover, enige inwendige of uitwendige vrucht. Er is niets te heilig, te hemels, te geestelijk of te genadig, of het kind van de genade zou het inwendig willen ervaren of uitwendig willen voortbrengen. Maar het voelt dat het niet in staat is door eigen werk de vruchten voort te brengen waarnaar het verlangt.
Een dorre akker zou net zo goed in een vruchtbare tuin veranderen zonder door mensenhanden bewerkt of door de regen van de hemel gedrenkt te zijn, als een ziel die haar eigen dorheid kent en voelt, uit eigen kracht vruchten van gerechtigheid zou kunnen voortbrengen. Maar de Heere, Die de begeerte van het hart kent en het inwendige treuren over zijn dorheid, heeft in de tekst een zoete en genadige belofte gegeven: „Ik zal stromen gieten op het droge.” Eén regenbui zou niet genoeg zijn. De droge grond zou de paar druppels van een zomerbui snel opzuigen.
Er moeten stromen komen, hetzij uit de hemel, hetzij uit de beken van die rivier die de stad van God verblijdt, om die grote verandering teweeg te brengen. Die „stromen” zijn: de beloften in de ziel, de liefde van God in het hart uitgestort, de openbaringen van Christus en Zijn verzoenend bloed, de stroom van de genade die even overvloedig is als de menigte van de zonden, en de vrede die als een rivier in de verslagen geest vloeit.
Want God, de Heer, zo goed, zo mild,
is ’t alle tijd een zon en schild.
Hij zal genaad’ en ere geven.
Hij zal hun ’t goede niet in nood
onthouden, zelfs niet in de dood,
die in oprechtheid voor Hem leven.
Welzalig, Heer, die op U bouwt
en zich geheel aan U vertrouwt!
Ps. 84:6
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zichzelf als droge grond voelt. Zou u graag vruchtbaar zijn in elk goed woord en werk, maar ziet u in uw hart niets dan dorheid? Een dorre akker wordt geen vruchtbare tuin uit eigen kracht, en zo kunt ook u geen vruchten van gerechtigheid voortbrengen door uw eigen werk. Maar dat u over die dorheid treurt, is geen teken dat God u vergeten heeft; Hij kent juist die begeerte en dat inwendige treuren.
Voor zulke mensen heeft Hij een zoete en genadige belofte gegeven: „Ik zal stromen gieten op het droge.” Niet één regenbui, maar stromen: de liefde van God in het hart uitgestort, de openbaringen van Christus en Zijn verzoenend bloed, de genade even overvloedig als de menigte van de zonden. Wacht dan op Hem met een verslagen geest, want Hij zal het goede niet onthouden aan wie in oprechtheid voor Hem leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And floods upon the dry ground.
Isaiah 44:3
How often does the soul, born and taught of God, feel that it is this “dry ground!” It would gladly be fruitful in every good word and work; it would be adorned with every grace of the Spirit within, and with every good and godly fruit without. Let no one think that the child of God is careless or indifferent either as to inward or outward fruit. There is nothing too holy, too heavenly, too spiritual, or too gracious which the child of grace would not desire inwardly to experience and outwardly produce.
But he feels that he cannot by any exertion of his own produce this fruitfulness after which he sighs. As well might a barren field convert itself into a fruitful garden without being tilled by human hand or without rain from the sky, as a soul that feels and knows its own barrenness produce by its own exertions a crop of the fruits of righteousness.
But the Lord that knows the desire of the heart, and its inward mourning over its own barrenness, has given in the text a sweet and gracious promise, “I will pour floods upon the dry ground.” A partial shower would not be enough. The dry ground would soon absorb only a few drops of summer rain. Floods must come, either from the skies or from the streams of that river which makes glad the city of God, to produce this mighty change. These “floods” are the promises poured into the soul, the love of God shed abroad in the heart, the manifestations of Christ and of His atoning blood, the inflowings of grace as super-abounding over all the aboundings of sin, and the flowing of peace as a river into the contrite spirit.
To the reader…
Here is a word for anyone who feels himself to be dry ground. Would you gladly be fruitful in every good word and work, yet see nothing in your heart but barrenness? A barren field does not become a fruitful garden by its own strength, and neither can you bring forth the fruits of righteousness by your own efforts. But that you mourn over this barrenness is no sign that God has forgotten you; He knows that very desire and that inward mourning.
For such as these He has given a sweet and gracious promise: “I will pour floods upon the dry ground.” Not a single shower, but floods: the love of God shed abroad in the heart, the manifestations of Christ and His atoning blood, grace as abundant as the multitude of sins. Wait upon Him, then, with a contrite spirit, for He will withhold no good thing from them that walk uprightly before Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ríos sobre la tierra árida.
Isaías 44:3
¡Cuántas veces siente el alma, nacida y enseñada por Dios, que es esta “tierra árida”! Gustosamente sería fructífera en toda buena palabra y obra; quisiera estar adornada con toda gracia del Espíritu por dentro, y con todo fruto bueno y piadoso por fuera. Nadie piense que el hijo de Dios es descuidado o indiferente en cuanto al fruto interior o exterior. No hay nada demasiado santo, demasiado celestial, demasiado espiritual ni demasiado lleno de gracia que el hijo de la gracia no desee experimentar por dentro y producir por fuera.
Pero siente que no puede, por ningún esfuerzo propio, producir esta fecundidad por la cual suspira. Tanto podría un campo estéril convertirse a sí mismo en un huerto fructífero sin ser labrado por mano humana ni recibir lluvia del cielo, como un alma que siente y conoce su propia esterilidad producir por sus propios esfuerzos una cosecha de frutos de justicia.
Pero el Señor, que conoce el deseo del corazón y su lamento interior por su propia esterilidad, ha dado en el texto una promesa dulce y llena de gracia: “Derramaré ríos sobre la tierra árida.” Un chaparrón parcial no bastaría. La tierra seca pronto absorbería unas pocas gotas de lluvia de verano. Tienen que venir ríos, ya sea de los cielos o de las corrientes de aquel río que alegra la ciudad de Dios, para producir este poderoso cambio. Estos “ríos” son las promesas derramadas en el alma, el amor de Dios derramado en el corazón, las manifestaciones de Cristo y de Su sangre expiatoria, los influjos de la gracia que sobreabunda por encima de toda la abundancia del pecado, y la paz que fluye como un río en el espíritu contrito.
Al lector…
He aquí una palabra para cualquiera que se siente tierra árida. ¿Quisiera usted ser fructífero en toda buena palabra y obra, y sin embargo no ve en su corazón sino esterilidad? Un campo estéril no se convierte en un huerto fructífero por su propia fuerza, y tampoco puede usted producir los frutos de justicia por sus propios esfuerzos. Pero que usted se lamente por esta esterilidad no es señal de que Dios le haya olvidado; Él conoce precisamente ese deseo y ese lamento interior.
Para los tales ha dado una promesa dulce y llena de gracia: “Derramaré ríos sobre la tierra árida.” No un solo chaparrón, sino ríos: el amor de Dios derramado en el corazón, las manifestaciones de Cristo y de Su sangre expiatoria, una gracia tan abundante como la multitud de los pecados. Espere, pues, en Él con espíritu contrito, porque no quitará el bien a los que en integridad andan delante de Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leren wat nut is
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
Als we Gods kinderen zijn, zullen Zijn leringen ons ten goede komen. Soms zal Hij, door ons bezoekingen en verzoekingen te verschaffen, ons leren door middel van onze eigen vijanden, die ons onze fouten laten zien, waar onze vrienden dat niet doen. In alles zullen we worden onderwezen. Dit is nu het grote verschil tussen een kind van God en een kind van de boze. Alles wat een kind van God doormaakt, is tot nut, ten goede van hem, en alles wat een kind van de satan doormaakt, is ten kwade van hem. Door alles wordt de ene met zegeningen overladen, en door alles wordt de andere met vloeken overladen. Wat is het dus een zegen de hoop te hebben dat we op de goede weg zijn, dat de Heere ons onderwijst tot nut van ons!
Ik wil dat u, die God vreest, deze zaak goed in uw hart overweegt. Zeg niet: „Ik weet dit en dat; ik heb vele jaren lang een beginselvaste belijdenis; ik ben zuiver op het punt van de uitverkiezing; ik ben lid van een rechtzinnige kerk; ik luister naar die en die predikant.” Maar kijk eens hiernaar: „Wat heeft mijn godsdienst met me gedaan? Wat heeft mijn belijdenis tot stand gebracht in mijn hart?” Laat me mijn ogen eens op dit ene ding richten; laat ik mijn aandacht van al het andere afhouden en mijn ogen er zo nauwkeurig op richten als een bankbediende op een watermerk: wat heb ik tot nut van mijzelf geleerd? Draag ik Schriftuurlijke tekenen dat ik een van degenen ben die God onderwijst?
Als dit zo is, ben ik één van Gods kinderen, want „al uw kinderen zullen van de Heere geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn” (Jes. 54:13). Maar als we niets van dit profijtelijke onderwijs in ons kunnen ontdekken, moeten we op onze hele belijdenis schrijven: „Tekel; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht bevonden” (Dan. 5:27).
Lezen: Efeze 4:17-32
Aan de lezer…
Herkent u dit? Een stille vraag in het hart: wat heeft uw godsdienst met u gedaan? Het is mogelijk een zuivere belijdenis te hebben, rechtzinnig te zijn in de leer der uitverkiezing en trouw onder een goede prediking te zitten, en toch op de weegschaal te licht bevonden te worden. Zie daarom niet op wat u weet, maar richt uw oog, zo nauwkeurig als een bankbediende op een watermerk, op de vraag wat u van de Heere tot nut van uzelf geleerd hebt.
Ontdekt u dat Hij u ook door bezoekingen en verzoekingen, ja door uw vijanden, uw fouten heeft getoond? Dat is geen teken van verlating, maar van Zijn onderwijs; want een kind van God moet alles tot nut zijn. Bevindt u zich bij dat onderzoek arm en ledig, vlucht dan tot Hem Die belooft: „al uw kinderen zullen van de Heere geleerd zijn.” Bij Hem is vrede, en die vrede zal groot zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
Als we Gods kinderen zijn, zal Zijn onderwijs ons tot nut zijn. Soms zal Hij ons bezoekingen en verzoekingen toezenden, en ons zo onderwijzen door middel van onze eigen vijanden, die ons onze fouten laten zien waar onze vrienden dat niet doen. In alles zullen we onderwezen worden. Dit is nu het grote verschil tussen een kind van God en een kind van de boze. Alles wat een kind van God doormaakt, is hem tot nut en ten goede, en alles wat een kind van satan doormaakt, is hem ten kwade. Door alles wordt de een met zegeningen overladen, en door alles wordt de ander met vloeken overladen. Wat is het dan een zegen de hoop te hebben dat we op de goede weg zijn, en dat de Heere ons onderwijst tot ons nut!
Ik wil dat u die God vreest, deze zaak goed in uw hart overweegt. Zeg niet: „Ik weet dit en dat; ik heb vele jaren lang een beginselvaste belijdenis; ik ben zuiver op het punt van de uitverkiezing; ik ben lid van een rechtzinnige kerk; ik luister naar die en die predikant.” Maar kijk liever hiernaar: „Wat heeft mijn godsdienst met me gedaan? Wat heeft mijn belijdenis tot stand gebracht in mijn hart?” Laat ik mijn ogen eens op dit ene richten. Laat ik mijn aandacht van al het andere afhouden en er zo nauwkeurig naar kijken als een bankbediende naar een watermerk: wat heb ik geleerd tot mijn eigen nut? Draag ik Schriftuurlijke kenmerken dat ik een van hen ben die God onderwijst?
Als dat zo is, ben ik een van Gods kinderen, want „al uw kinderen zullen van de Heere geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn” (Jes. 54:13). Maar als we niets van dit nuttige onderwijs in ons kunnen ontdekken, moeten we op onze hele belijdenis schrijven: „Tekel; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht bevonden” (Dan. 5:27).
Lezen: Efeze 4:17-32
Aan de lezer…
Herkent u dit? Een stille vraag in het hart: wat heeft uw godsdienst met u gedaan? Het is mogelijk een zuivere belijdenis te hebben, rechtzinnig te zijn in de leer van de uitverkiezing en trouw onder een goede prediking te zitten, en toch op de weegschaal te licht bevonden te worden. Zie daarom niet op wat u weet, maar richt uw oog, zo nauwkeurig als een bankbediende op een watermerk, op de vraag wat u van de Heere geleerd hebt tot uw eigen nut.
Ontdekt u dat Hij u ook door bezoekingen en verzoekingen, ja door uw vijanden, uw fouten heeft laten zien? Dat is geen teken dat Hij u verlaten heeft, maar van Zijn onderwijs, want voor een kind van God moet alles tot nut zijn. Merkt u bij dat onderzoek dat u arm en leeg bent, vlucht dan tot Hem Die belooft: „al uw kinderen zullen van de Heere geleerd zijn.” Bij Hem is vrede, en die vrede zal groot zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the LORD, thy Redeemer, the Holy One of Israel; I am the LORD thy God which teacheth thee to profit, which leadeth thee by the way that thou shouldest go.
Isaiah 48:17
If we are God’s children, His teaching will profit us. Sometimes He will send us afflictions and temptations, and so teach us by means of our very enemies, who show us our faults where our friends do not. In everything we shall be taught. Now this is the great difference between a child of God and a child of the wicked one. Everything a child of God passes through is to his profit and for his good, and everything a child of Satan passes through is for his harm. By everything the one is laden with blessings, and by everything the other is laden with curses. What a blessing it is, then, to have the hope that we are in the right way, and that the Lord is teaching us to profit!
I want you who fear God to weigh this matter well in your heart. Do not say, “I know this and that; I have had a consistent profession for many years; I am sound on the point of election; I am a member of an orthodox church; I sit under such and such a minister.” But look rather at this: “What has my religion done for me? What has my profession wrought in my heart?” Let me fix my eyes upon this one thing. Let me keep my attention from everything else and look at it as closely as a bank clerk looks at a watermark: what have I learned to my own profit? Do I bear Scriptural marks that I am one of those whom God teaches?
If so, I am one of God’s children, for “all thy children shall be taught of the LORD; and great shall be the peace of thy children” (Isa. 54:13). But if we can discover nothing of this profitable teaching in us, we must write upon our whole profession, “TEKEL; Thou art weighed in the balances, and art found wanting” (Dan. 5:27).
Reading: Ephesians 4:17-32
To the reader…
Do you recognise this? A quiet question in the heart: what has your religion done for you? It is possible to have a sound profession, to be orthodox in the doctrine of election and to sit faithfully under good preaching, and yet to be found wanting in the balances. Do not look, then, at what you know, but fix your eye, as closely as a bank clerk upon a watermark, on the question of what you have learned of the Lord to your own profit.
Do you find that He has shown you your faults through afflictions and temptations too, yes, even through your enemies? That is no sign that He has forsaken you, but a sign of His teaching, for to a child of God everything must be to profit. If in that searching you find that you are poor and empty, then flee to Him Who promises, “all thy children shall be taught of the LORD.” With Him is peace, and that peace shall be great.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así ha dicho Jehová, Redentor tuyo, el Santo de Israel: Yo Jehová Dios tuyo, que te enseña provechosamente, que te encamina por el camino que andas.
Isaías 48:17
Si somos hijos de Dios, Su enseñanza nos aprovechará. A veces nos enviará aflicciones y tentaciones, y así nos enseñará por medio de nuestros mismos enemigos, que nos muestran nuestras faltas donde nuestros amigos no lo hacen. En todo seremos enseñados. Esta es, pues, la gran diferencia entre un hijo de Dios y un hijo del maligno. Todo lo que pasa un hijo de Dios es para su provecho y para su bien, y todo lo que pasa un hijo de Satanás es para su daño. Por todo, el uno es colmado de bendiciones, y por todo, el otro es colmado de maldiciones. ¡Qué bendición es, pues, tener la esperanza de que estamos en el buen camino, y de que el Señor nos enseña provechosamente!
Quiero que ustedes que temen a Dios pesen bien este asunto en su corazón. No digan: “Sé esto y aquello; he tenido una profesión coherente durante muchos años; soy sano en cuanto a la elección; soy miembro de una iglesia ortodoxa; me siento bajo tal o cual ministro”. Miren más bien esto: “¿Qué ha hecho por mí mi religión? ¿Qué ha obrado mi profesión en mi corazón?”. Fije yo mis ojos en esta sola cosa. Aparte yo mi atención de todo lo demás y mire esto tan atentamente como un empleado de banco mira una marca de agua: ¿qué he aprendido para mi propio provecho? ¿Llevo señales bíblicas de que soy uno de aquellos a quienes Dios enseña?
Si es así, soy uno de los hijos de Dios, porque “todos tus hijos serán enseñados de Jehová; y multiplicará la paz de tus hijos” (Is. 54:13). Pero si no podemos descubrir en nosotros nada de esta enseñanza provechosa, tenemos que escribir sobre toda nuestra profesión: “TEKEL: Pesado has sido en balanza, y fuiste hallado falto” (Dan. 5:27).
Lectura: Efesios 4:17-32
Al lector…
¿Reconoce usted esto? Una pregunta callada en el corazón: ¿qué ha hecho por usted su religión? Es posible tener una profesión sana, ser ortodoxo en la doctrina de la elección y sentarse fielmente bajo buena predicación, y sin embargo ser hallado falto en la balanza. No mire, pues, lo que sabe, sino fije sus ojos, tan atentamente como un empleado de banco en una marca de agua, en la pregunta de qué ha aprendido del Señor para su propio provecho.
¿Halla que Él le ha mostrado sus faltas también por medio de aflicciones y tentaciones, sí, aun por medio de sus enemigos? Eso no es señal de que le haya abandonado, sino señal de Su enseñanza, porque para un hijo de Dios todo ha de ser para provecho. Si en ese examen halla que es pobre y vacío, huya entonces a Aquel que promete: “todos tus hijos serán enseñados de Jehová”. En Él hay paz, y esa paz será grande.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar in alle deze zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.
Romeinen 8:37
Degenen die niets kennen van hun eigen hart, van hun eigen zwakheden, van hun eigen broosheid, van hun eigen in- of uitwendige afwijkingen en afkerigheden, weten niets van het geheim der overvloedige genade, niets van het geheim van het verzoenend bloed, niets van het inwendig getuigenis des Geestes. Zij kunnen dit niet weten. Want naar de verhouding dat wij zijn ontledigd van onszelf in al haar verschillende vormen, worden wij vervuld uit de volheid van Hem, Die alles in allen is.
Nu, misschien is het (ik spreek persoonlijk tot een arm, beproefd kind van God) uw dagelijkse smart, uw gedurige onrust, dat gij zo spoedig overwonnen zijt, dat uw gesteldheid, uw begeerten, uw hoogmoed, uw wereldsgezindheid, uw vleselijk, verdorven hart onophoudelijk de overhand hebben. En daaruit trekt gij soms bittere gevolgtrekkingen. Gij overlegt in het diepst van uw ziel: „Kan ik een kind van God zijn en aldus gesteld? Wat bewijs of merkteken heb ik dat ik in de gunst van God verkeer, daar ik zo gemakkelijk, zo voortdurend overwonnen word?” Nu, ik verzoek u op het einde te letten. Wat zijn de gevolgen van deze nederlagen? Let erop, en het is een vaste waarheid, en één die wij zeer moeilijk leren, dat wij moeten overwonnen worden om te kunnen overwinnen.
Wij hebben geen uitrusting met een zekere sterkte, waaraan dagelijks wordt toegevoegd en die wekelijks vermeerdert, zó dat wij op deze wijze de overwinning zouden behalen door onze eigen overleggingen, door onze eigen sterkte. Zulk een voorgewende heiligheid moge zich vertonen met een Evangeliekleedje, moge een schone vertoning maken, doch dit verbergt maar de verrotheid van het vlees. Doch let erop dat wij, om de overwinning te behalen, onze zwakheid moeten kennen, en deze kunnen wij slechts kennen door deze bevindelijk te ervaren in onze consciëntie. Wij kunnen dit niet van anderen leren; wij moeten dit leren in onze eigen ziel, en dat dikwijls op een smartelijke wijze.
Maar deze smartelijke waarneming in een tedere consciëntie leidt een mens nederig, meer gelovig tot de Heere des levens en der heerlijkheid, om uit Zijn volheid bediend te mogen worden. Dus elke nederlaag leidt tot en verzekert ons op het eind van de overwinning. De apostel zegt: „In alle deze zijn wij meer dan overwinnaars.” Hoe? Door onze besluiten, door onze wijsheid? Neen, door Hem, Die ons heeft liefgehad. Er is dus geen andere weg om te overwinnen dan door de kracht die Jezus in onze zwakheid volbrengt.
Aan de lezer…
Arm, beproefd kind van God, is het uw dagelijkse smart dat u zo spoedig overwonnen wordt? Zegt u in het diepst van uw ziel: „Kan ik een kind van God zijn en aldus gesteld?” Trek daaruit geen bittere gevolgtrekking. Het is een vaste waarheid, die wij zeer moeilijk leren, dat wij moeten overwonnen worden om te kunnen overwinnen. Wie zijn eigen hart en broosheid niet kent, weet ook niets van het geheim der overvloedige genade.
Geen voorgewende heiligheid en geen eigen sterkte zullen u ooit staande houden; maar elke nederlaag die u ontledigt, drijft u nederiger en geloviger tot de Heere des levens, om uit Zijn volheid bediend te worden. Zie dan niet op uw besluiten of uw wijsheid. In alle deze bent u meer dan overwinnaar, niet door uzelf, maar door Hem, Die u liefgehad heeft, en Wiens kracht in uw zwakheid wordt volbracht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar in alle deze zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.
Romeinen 8:37
Wie niets kent van zijn eigen hart, van zijn eigen zwakheden, van zijn eigen broosheid, van zijn eigen inwendige of uitwendige afwijkingen en afkerigheden, weet niets van het geheim van de overvloedige genade. Hij weet niets van het geheim van het verzoenend bloed en niets van het inwendig getuigenis van de Geest. Hij kan dat ook niet weten. Want in dezelfde mate als wij van onszelf ontledigd worden, in al de verschillende vormen daarvan, worden wij vervuld uit de volheid van Hem, Die alles in allen is.
Misschien is het (ik spreek persoonlijk tot een arm, beproefd kind van God) uw dagelijkse smart en uw voortdurende onrust dat u zo snel overwonnen wordt. Uw gesteldheid, uw begeerten, uw hoogmoed, uw wereldsgezindheid, uw vleselijk, verdorven hart krijgen steeds weer de overhand. En daaruit trekt u soms bittere conclusies. U overlegt in het diepst van uw ziel: „Kan ik een kind van God zijn en aldus gesteld? Wat bewijs of merkteken heb ik dat ik in de gunst van God verkeer, daar ik zo gemakkelijk, zo voortdurend overwonnen word?” Ik vraag u nu om op het einde te letten. Wat zijn de gevolgen van deze nederlagen? Let erop, want het is een vaste waarheid, en een die wij heel moeilijk leren: wij moeten overwonnen worden om te kunnen overwinnen.
Wij hebben geen uitrusting met een bepaalde kracht, waaraan dagelijks iets wordt toegevoegd en die wekelijks groeit, zodat wij op die manier de overwinning zouden behalen door ons eigen overleggen en onze eigen kracht. Zo’n voorgewende heiligheid mag zich vertonen in een evangelisch kleedje en mag mooi ogen, maar zij verbergt slechts de verrotheid van het vlees. Let er echter op dat wij, om de overwinning te behalen, onze zwakheid moeten kennen. En die kunnen wij alleen kennen door haar bevindelijk te ervaren in ons geweten. Wij kunnen dat niet van anderen leren; wij moeten het leren in onze eigen ziel, en dat vaak op een smartelijke manier.
Maar dit smartelijk besef in een teder geweten leidt een mens nederig en geloviger naar de Heere van het leven en de heerlijkheid, om uit Zijn volheid bediend te worden. Zo leidt elke nederlaag ten slotte tot de overwinning en verzekert ons daarvan. De apostel zegt: „In alle deze zijn wij meer dan overwinnaars.” Hoe? Door onze besluiten, door onze wijsheid? Nee, door Hem, Die ons heeft liefgehad. Er is dus geen andere weg om te overwinnen dan door de kracht die Jezus in onze zwakheid volbrengt.
Aan de lezer…
Arm, beproefd kind van God, is het uw dagelijkse smart dat u zo snel overwonnen wordt? Zegt u in het diepst van uw ziel: „Kan ik een kind van God zijn als het zo met mij gesteld is?” Trek daaruit geen bittere conclusie. Het is een vaste waarheid, die wij heel moeilijk leren, dat wij overwonnen moeten worden om te kunnen overwinnen. Wie zijn eigen hart en broosheid niet kent, weet ook niets van het geheim van de overvloedige genade.
Geen voorgewende heiligheid en geen eigen kracht zullen u ooit staande houden. Maar elke nederlaag die u ontledigt, drijft u nederiger en geloviger naar de Heere van het leven, om uit Zijn volheid bediend te worden. Zie dan niet op uw besluiten of uw wijsheid. In alle deze bent u meer dan overwinnaar, niet door uzelf, maar door Hem, Die u liefgehad heeft, en Wiens kracht in uw zwakheid volbracht wordt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In all these things we are more than conquerors through Him that loved us.
Romans 8:37
Those who know nothing of their own heart, of their own infirmities, of their own frailties, of their own inward or outward slips and backslidings, know nothing of the secret of super-abounding grace, nothing of the secret of atoning blood, nothing of the secret of the Spirit’s inward testimony. They cannot. Only in proportion as we are emptied of self in all its various forms, are we filled out of the fullness of Him Who fills all in all.
Now you, perhaps, (I address myself personally to some poor, tempted child of God, that in touching one, I may touch others,) are a poor, tempted creature; and your daily sorrow, your continual trouble is, that you are so soon overcome; that your temper, your lusts, your pride, your worldliness, your carnal, corrupt heart are perpetually getting the mastery. And from this you sometimes draw bitter conclusions. You say, in the depth of your heart, “Can I be a child of God, and be thus? What mark and testimony have I of being in favor with God when I am so easily, so continually overcome?”
Now I want you to look to the end. What is the issue of these defeats? Remember, it is a solemn truth, and one that we learn very slowly—that we must be overcome in order to overcome. There is no setting out with a stock of strength, daily adding to it, weekly increasing it, and then gaining the victory by our own resolutions, our own innate strength. Such sham holiness may come under a gospel garb, may wear a fair appearance; but it only more hides the rottenness of the flesh.
Then, remember this—that in order to gain the victory, we must know our weakness; and we can only know our weakness by its being experimentally opened up in our consciences. We cannot learn it from others; we must learn it in our own souls; and that often in a very painful manner. But these painful sensations in a tender conscience lead a man more humbly, more feelingly, more believingly to the Lord of life and glory, to receive out of His fullness. Thus every defeat only leads to and ensures victory at the last. Says the Apostle, “In all these things we are more than conquerors.” How? Through our resolutions, through our wisdom? No; “through Him that loved us.” There is no other way, then, to overcome, but by the “strength of Jesus made perfect in our weakness.”
To the reader…
Poor, tried child of God, is it your daily sorrow that you are so soon overcome? Do you say in the depth of your soul, “Can I be a child of God, when it is like this with me?” Do not draw a bitter conclusion from it. It is a settled truth, which we learn very slowly, that we must be overcome in order to overcome. Whoever does not know his own heart and frailty knows nothing of the secret of super-abounding grace either.
No sham holiness and no strength of your own will ever keep you standing. But every defeat that empties you drives you more humbly and more believingly to the Lord of life, to be served out of His fullness. So do not look to your resolutions or your wisdom. In all these things you are more than a conqueror, not through yourself, but through Him Who loved you, and Whose strength is made perfect in your weakness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Antes, en todas estas cosas hacemos más que vencer por medio de Aquel que nos amó.
Romanos 8:37
Los que nada saben de su propio corazón, de sus propias debilidades, de sus propias flaquezas, de sus propios deslices y apartamientos interiores o exteriores, nada saben del secreto de la gracia sobreabundante, nada del secreto de la sangre expiatoria, nada del secreto del testimonio interior del Espíritu. No pueden saberlo. Solo en la medida en que somos vaciados del yo en todas sus diversas formas, somos llenados de la plenitud de Aquel que lo llena todo en todo.
Ahora bien, usted quizá (me dirijo personalmente a algún pobre y tentado hijo de Dios, para que, tocando a uno, toque a otros) es una pobre criatura tentada; y su dolor diario, su continua aflicción, es que tan pronto es vencido; que su genio, sus concupiscencias, su orgullo, su mundanalidad, su corazón carnal y corrompido están continuamente imponiéndose. Y de esto saca usted a veces conclusiones amargas. Dice en lo profundo de su corazón: “¿Puedo yo ser hijo de Dios, y ser así? ¿Qué señal y testimonio tengo de estar en el favor de Dios, cuando soy vencido tan fácilmente y tan continuamente?”
Ahora quiero que mire usted al fin. ¿Cuál es el resultado de estas derrotas? Recuerde que es una verdad solemne, y una que aprendemos muy lentamente, que tenemos que ser vencidos para poder vencer. No se trata de partir con una provisión de fuerza, añadiéndole cada día, aumentándola cada semana, y ganando luego la victoria por nuestras propias resoluciones, por nuestra propia fuerza innata. Tal santidad fingida puede venir con ropaje evangélico, puede tener una apariencia hermosa; pero no hace más que ocultar mejor la podredumbre de la carne.
Recuerde, pues, esto: que para ganar la victoria tenemos que conocer nuestra debilidad; y solo podemos conocer nuestra debilidad cuando nos es abierta experimentalmente en la conciencia. No podemos aprenderla de otros; tenemos que aprenderla en nuestra propia alma, y eso a menudo de manera muy dolorosa. Pero estas sensaciones dolorosas en una conciencia tierna llevan al hombre más humilde, más sentida y más creyentemente al Señor de la vida y de la gloria, para recibir de Su plenitud. Así, cada derrota solo conduce a la victoria al final y la asegura. Dice el Apóstol: “En todas estas cosas hacemos más que vencer”. ¿Cómo? ¿Por nuestras resoluciones, por nuestra sabiduría? No; “por medio de Aquel que nos amó”. No hay, pues, otro modo de vencer sino por “la potencia de Jesús, que se perfecciona en nuestra flaqueza”.
Al lector…
Pobre y probado hijo de Dios, ¿es su dolor diario que tan pronto es vencido? ¿Dice usted en lo profundo de su alma: “¿Puedo yo ser hijo de Dios, cuando me pasa esto?” No saque de ello una conclusión amarga. Es una verdad firme, que aprendemos muy lentamente, que tenemos que ser vencidos para poder vencer. Quien no conoce su propio corazón y su flaqueza tampoco sabe nada del secreto de la gracia sobreabundante.
Ninguna santidad fingida y ninguna fuerza propia le mantendrán jamás en pie. Pero cada derrota que le vacía le empuja más humilde y más creyentemente al Señor de la vida, para ser servido de Su plenitud. No mire, pues, a sus resoluciones ni a su sabiduría. En todas estas cosas usted hace más que vencer, no por sí mismo, sino por medio de Aquel que le amó, y cuya potencia se perfecciona en su flaqueza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl