6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
Lukas 11:9
Waar oprecht bidden is, daar is vrijmoedigheid. Waar de Heere beproevingen brengt over de ziel, daar stort Hij ook de Geest der genade en der smeking uit. Hij bemoedigt de ziel en stelt haar in staat vrijmoedig met Hem te zijn. De zegeningen en voordelen der volharding en der vrijmoedigheid in het gebed heeft de Heere ons duidelijk in twee gelijkenissen voorgesteld; de een is van de man, die met zijn kinderen in de slaapkamer was en niet wilde opstaan om zijn vriend te helpen, maar toch door diens onbeschaamdheid overwonnen werd; de andere van een vrouw die een rechtszaak had en tot de rechter ging, die God niet vreesde en geen mens ontzag; doch door telkens tot hem te gaan en hem moeilijk te vallen, deed hij haar eindelijk recht (Lukas 11:5-8; 18:1-7). Dus maken vrijmoedigheid en volharding de grondtrek uit van het ware bidden.
Indien het kind van God een last heeft — als hij zucht onder een ernstige verzoeking, als zijn ziel door beproeving in het nauw is gebracht — is zij niet tevreden met tot de troon te gaan en terug te keren. Er is bij zulke tijden en gelegenheden, als de Heere het geeft, werkelijke vrijmoedigheid; er is een heilig worstelen, er is een vurig verlangen; er zijn onophoudelijke zuchten; er is een streven om tot rust te komen; er is een worstelen om verlossing; er is een roepen tot de Heere, tot Hij komt en Zich aan de ziel openbaart.
Maar ’t vrome volk, in U verheugd,
zal huppelen van zielevreugd,
daar zij hun wens verkrijgen.
Hun blijdschap zal dan onbepaald
door ’t licht dat van zijn aanzicht straalt
ten hoogsten toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan,
verhoogt, verhoogt voor Hem de baan,
laat al wat leeft Hem eren!
Ps. 68:2
Aan de lezer…
Bent u moe geworden van bidden, lezer? Hebt u geklopt en is de deur nog niet opengegaan, zodat u half besloten hebt het maar op te geven? Denk dan aan de man die bij nacht bij zijn vriend aanklopte en niet ophield, en aan de weduwe die telkens weer tot de rechter ging. De Heere heeft die gelijkenissen niet voor niets gegeven: Hij wil dat Zijn volk volhoudt.
Wanneer Hij een last op u legt, stort Hij ook de Geest der genade en der smeking uit. Daar komt dat heilig worstelen vandaan, die zuchten die niet ophouden, dat roepen tot Hij komt. U moet niet tevreden zijn met eenmaal tot de troon te gaan en dan weer weg te lopen. Klop dan opnieuw, met vrijmoedigheid, niet omdat u het verdient, maar omdat Hij het beloofd heeft: bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
Lukas 11:9
Waar oprecht gebeden wordt, daar is vrijmoedigheid. Waar de Heere beproevingen over de ziel brengt, daar stort Hij ook de Geest van de genade en van de smekingen uit. Hij bemoedigt de ziel en stelt haar in staat vrijmoedig met Hem om te gaan. De Heere heeft ons de zegeningen en voordelen van volharding en vrijmoedigheid in het gebed duidelijk voorgesteld in twee gelijkenissen. De ene gaat over de man die met zijn kinderen in de slaapkamer was en niet wilde opstaan om zijn vriend te helpen, maar toch door diens onbeschaamdheid overwonnen werd. De andere gaat over een vrouw die een rechtszaak had en naar de rechter ging, die God niet vreesde en geen mens ontzag; maar doordat zij telkens weer naar hem toe ging en hem lastigviel, deed hij haar eindelijk recht (Lukas 11:5-8; 18:1-7). Zo vormen vrijmoedigheid en volharding de grondtrek van het ware bidden.
Wanneer het kind van God een last heeft, wanneer hij zucht onder een zware verzoeking, wanneer zijn ziel door beproeving in het nauw gebracht is, dan is zij er niet tevreden mee om tot de troon te gaan en weer terug te keren. Op zulke tijden en bij zulke gelegenheden is er, als de Heere het geeft, werkelijke vrijmoedigheid. Er is een heilig worstelen, er is een vurig verlangen, er zijn onophoudelijke zuchten. Er is een streven om tot rust te komen, een worstelen om verlossing, een roepen tot de Heere, totdat Hij komt en Zich aan de ziel openbaart.
Maar ’t vrome volk, in U verheugd,
zal huppelen van zielevreugd,
daar zij hun wens verkrijgen.
Hun blijdschap zal dan onbepaald
door ’t licht dat van zijn aanzicht straalt
ten hoogsten toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan,
verhoogt, verhoogt voor Hem de baan,
laat al wat leeft Hem eren!
Ps. 68:2
Aan de lezer…
Bent u moe geworden van het bidden, lezer? Hebt u geklopt en is de deur nog niet opengegaan, zodat u half besloten hebt het maar op te geven? Denk dan aan de man die ’s nachts bij zijn vriend aanklopte en niet ophield, en aan de weduwe die telkens weer naar de rechter ging. De Heere heeft die gelijkenissen niet voor niets gegeven: Hij wil dat Zijn volk volhoudt.
Wanneer Hij een last op u legt, stort Hij ook de Geest van de genade en van de smekingen uit. Daar komt dat heilig worstelen vandaan, die zuchten die niet ophouden, dat roepen totdat Hij komt. U hoeft niet tevreden te zijn met één keer tot de troon te gaan en dan weer weg te lopen. Klop dan opnieuw, met vrijmoedigheid, niet omdat u het verdient, maar omdat Hij het beloofd heeft: bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en u zal opengedaan worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I say unto you, Ask, and it shall be given you; seek, and ye shall find; knock, and it shall be opened unto you.
Luke 11:9
Wherever there is true prayer, there is importunity. Wherever the Lord brings trials upon the soul, He pours out upon it the spirit of grace and supplications. He thus encourages and enables the soul to be importunate with Him. The blessings and benefits of perseverance and importunity in prayer the Lord has brought prominently before us in two parables–one, of the man in bed with his children, who would not get up and relieve his friend, but yet was overcome by his importunity. And the other, of the woman, who had a legal issue, and went before the judge, who feared not God, neither regarded man; yet by her continual going to him, overcame him at last by her importunity (Luke 11:5-8; 18:1-7).
Thus importunity and perseverance form the very character of true prayer. If the child of God has a burden–if he is laboring under a strong temptation–if his soul is passing through some pressing trial–he is not satisfied with merely going to a throne of grace and coming away. There is at such times and seasons, as the Lord enables, real importunity; there is a holy wrestling; there are fervent desires; there are unceasing groans; there is a laboring to enter into rest; there is a struggling after deliverance; there is a crying unto the Lord, until He appears and manifests Himself in the soul.
To the reader…
Have you grown weary of praying? Have you knocked, and the door has not yet opened, so that you have half made up your mind to give it up? Then think of the man who knocked at his friend’s door at midnight and would not stop, and of the widow who went to the judge again and again. The Lord did not give those parables for nothing: He wants His people to persevere.
When He lays a burden upon you, He also pours out the Spirit of grace and of supplications. That is where the holy wrestling comes from, the groans that do not cease, the crying until He comes. You need not be content with going once to the throne and then walking away again. Knock again, then, with holy boldness, not because you deserve it, but because He has promised it: ask, and it shall be given you; seek, and ye shall find; knock, and it shall be opened unto you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y yo os digo: Pedid, y se os dará; buscad, y hallaréis; tocad, y se os abrirá.
Lucas 11:9
Dondequiera que hay verdadera oración, hay importunidad. Dondequiera que el Señor trae pruebas sobre el alma, derrama sobre ella el espíritu de gracia y de oración. Así anima y capacita al alma para ser importuna con Él. Las bendiciones y beneficios de la perseverancia y la importunidad en la oración el Señor nos los ha puesto de relieve en dos parábolas: una, la del hombre que estaba en la cama con sus niños, que no quería levantarse a socorrer a su amigo, y sin embargo fue vencido por su importunidad; y la otra, la de la mujer que tenía un pleito y acudió al juez que ni temía a Dios ni respetaba a hombre; y sin embargo, por su continuo acudir a él, le venció al fin con su importunidad (Lucas 11:5-8; 18:1-7).
Así, la importunidad y la perseverancia forman el carácter mismo de la verdadera oración. Si el hijo de Dios tiene una carga, si está trabajando bajo una fuerte tentación, si su alma está pasando por alguna prueba apremiante, no se contenta con ir meramente al trono de la gracia y volverse. Hay en tales tiempos y estaciones, según el Señor capacita, verdadera importunidad; hay una santa lucha; hay deseos fervientes; hay gemidos incesantes; hay un procurar entrar en el reposo; hay un esforzarse por la liberación; hay un clamar al Señor hasta que Él aparece y se manifiesta en el alma.
Al lector…
¿Se ha cansado usted de orar? ¿Ha llamado, y la puerta todavía no se ha abierto, de modo que casi ha decidido dejarlo? Entonces piense en el hombre que llamó a la puerta de su amigo a medianoche y no quiso parar, y en la viuda que acudió al juez una y otra vez. El Señor no dio esas parábolas en vano: quiere que Su pueblo persevere.
Cuando Él pone una carga sobre usted, derrama también el Espíritu de gracia y de oración. De ahí viene la santa lucha, los gemidos que no cesan, el clamar hasta que Él viene. No tiene que contentarse con ir una vez al trono y luego alejarse otra vez. Llame, pues, de nuevo, con santa confianza, no porque lo merezca, sino porque Él lo ha prometido: pedid, y se os dará; buscad, y hallaréis; tocad, y se os abrirá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Handelingen 16:30
Ik neem aan dat u zich met religie bezighoudt; dat de ernstige realiteit van de eeuwigheid in meer of mindere mate op uw geweten drukt, en dat uw ogen zijn geopend voor het kwaad van de zonde en uw eigen kwaad als zondaar. Ik spreek niet tegen stokken en stenen; ik spreek tot u die God wilt vrezen en met een zuiver hart voor Zijn aangezicht wilt komen. Als u niets gelegen is aan de verlossing van uw ziel, houdt u van veel dingen die buiten het bereik van de onbeperkte genade vallen. Geld, kleding, vermaak, de genoegens die zich overal aandienen, ofschoon zo hol als het graf en zo leeg als het plezier van een dronken man, betoveren uw geest en nemen uw gedachten in beslag, zodat er geen plaats voor Christus en het evangelie in uw geweten is.
Maar als u zich enigszins bekommert om uw eeuwige toestand, en ertoe komt uit te roepen: „Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” (vs. 30), dan vraag ik u: wat kunt u in de plaats van onbeperkte genade stellen? U bent vast niet zo dwaas dat u uw eigen werken in haar plaats stelt. U bent vast niet zo onwetend over uw vervallen staat tegenover God, en over wat er in de Schrift wordt onthuld over de weg tot verlossing door het verzoenende bloed van Jezus, dat u de woorden en werken van de mens in de plaats van de woorden en de werken van de God-mens stelt. U twijfelt wellicht aan uw eigen recht op Zijn verzoenende bloed, maar u betwijfelt niet dat de verlossing geheel uit de genade voortkomt, en dat uw ziel alleen door de genade kan worden verlost.
En waarom zou u niet worden verlost? De genade heeft toch reeds talloze trofeeën aan de voeten van de Verlosser gelegd! Menigten verdorven stakkers, zielen die op geen andere wijze meer konden worden geholpen, heeft de onbeperkte genade opgezocht, hen gered van hun vernietiging, geplukt uit de kaken van de hel, en verlost uit de hand van degene die sterker was dan zij, zodat ze zijn gekomen en hebben gejuicht op de hoogte van Sion, en zijn toegevloeid tot des Heeren goed! (Jer. 31:12).
Lezen: Handelingen 16:16-34
Aan de lezer…
Is deze vraag ook uw vraag geworden: „Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” Dan is er iets gebeurd wat geen mens bewerken kan. De wereld met haar holle vermaken heeft haar glans voor u verloren, en de eeuwigheid drukt op uw geweten. U ziet uw zonde, en u weet dat uw eigen werken u niet kunnen redden. Misschien twijfelt u zelfs of u wel recht hebt op het verzoenende bloed van Jezus.
Maar waarom zou u niet verlost worden? De genade heeft reeds talloze verloren zielen opgezocht, zielen die op geen andere wijze meer konden worden geholpen, en ze uit de hand van de sterke gerukt. Die genade is niet beperkt, en zij is niet uitgeput. Ziet dan niet op uw onwaardigheid, maar op Hem van Wie zij komt. Wie zo om zaligheid roept, roept niet tevergeefs tot een God Die rijk is in barmhartigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Handelingen 16:30
Ik neem aan dat u met de godsdienst bezig bent: dat de ernstige werkelijkheid van de eeuwigheid in meer of mindere mate op uw geweten drukt, en dat uw ogen geopend zijn voor het kwaad van de zonde en voor uw eigen kwaad als zondaar. Ik spreek niet tot stokken en stenen; ik spreek tot u die God wilt vrezen en met een zuiver hart voor Zijn aangezicht wilt komen. Als de verlossing van uw ziel u niets kan schelen, houdt u van veel dingen die buiten het bereik van de onbeperkte genade liggen. Geld, kleding, vermaak en de genoegens die zich overal aandienen, hoewel ze zo hol zijn als het graf en zo leeg als het plezier van een dronken man, betoveren uw geest en nemen uw gedachten in beslag. Zo is er in uw geweten geen plaats voor Christus en het evangelie.
Maar als u zich enigszins zorgen maakt over uw eeuwige toestand en ertoe komt uit te roepen: „Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” (vs. 30), dan vraag ik u: wat kunt u in de plaats van onbeperkte genade stellen? U bent toch niet zo dwaas dat u uw eigen werken in haar plaats stelt? U bent toch niet zo onwetend over uw vervallen staat tegenover God, en over wat de Schrift onthult over de weg van verlossing door het verzoenende bloed van Jezus, dat u de woorden en werken van de mens in de plaats stelt van de woorden en werken van de God-mens? Misschien twijfelt u aan uw eigen recht op Zijn verzoenende bloed, maar u twijfelt er niet aan dat de verlossing geheel uit genade voortkomt, en dat uw ziel alleen door genade verlost kan worden.
En waarom zou u niet verlost worden? De genade heeft toch al talloze trofeeën aan de voeten van de Verlosser gelegd! Menigten verdorven stakkers, zielen die op geen enkele andere manier meer geholpen konden worden, heeft de onbeperkte genade opgezocht. Zij heeft hen gered van hun vernietiging, uit de kaken van de hel gerukt en verlost uit de hand van hem die sterker was dan zij. Zo zijn ze gekomen en hebben ze gejuicht op de hoogte van Sion, en zijn ze toegevloeid tot des Heeren goed! (Jer. 31:12).
Lezen: Handelingen 16:16-34
Aan de lezer…
Is deze vraag ook uw vraag geworden: „Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” Dan is er iets gebeurd wat geen mens kan bewerken. De wereld met haar holle vermaak heeft haar glans voor u verloren, en de eeuwigheid drukt op uw geweten. U ziet uw zonde, en u weet dat uw eigen werken u niet kunnen redden. Misschien twijfelt u zelfs of u wel recht hebt op het verzoenende bloed van Jezus.
Maar waarom zou u niet verlost worden? De genade heeft al talloze verloren zielen opgezocht, zielen die op geen andere manier meer geholpen konden worden, en ze uit de hand van de sterke gerukt. Die genade is niet beperkt, en zij is niet uitgeput. Kijk dan niet naar uw onwaardigheid, maar naar Hem van Wie zij komt. Wie zo om zaligheid roept, roept niet tevergeefs tot een God Die rijk is in barmhartigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
What must I do to be saved?
Acts 16:30
I take it for granted that you are concerned about religion: that the solemn reality of eternity lies, in a greater or lesser degree, upon your conscience, and that your eyes have been opened to see the evil of sin and your own evil as a sinner. I am not speaking to sticks and stones; I am speaking to you who desire to fear God and to come before His face with a pure heart. If the salvation of your soul is nothing to you, you love many things that lie outside the reach of sovereign grace. Money, dress, amusement and the pleasures that present themselves on every side, though they are as hollow as the grave and as empty as the mirth of a drunken man, bewitch your mind and fill your thoughts. So there is no room in your conscience for Christ and the gospel.
But if you are in some measure concerned about your eternal state, and are brought to cry out, “What must I do to be saved?” (verse 30), then I ask you: what can you put in the place of sovereign grace? Surely you are not so foolish as to put your own works in its place? Surely you are not so ignorant of your fallen state before God, and of what the Scripture reveals of the way of salvation through the atoning blood of Jesus, that you would put the words and works of man in the place of the words and works of the God-Man? Perhaps you doubt your own interest in His atoning blood, but you do not doubt that salvation is wholly of grace, and that your soul can be saved by grace alone.
And why should you not be saved? Has not grace already laid countless trophies at the Redeemer’s feet! Multitudes of vile wretches, souls that could be helped in no other way, sovereign grace has sought out. It has rescued them from their destruction, plucked them out of the jaws of hell, and redeemed them from the hand of him that was stronger than they. So they have come and sung in the height of Zion, and have flowed together to the goodness of the Lord! (Jer. 31:12).
Reading: Acts 16:16-34
To the reader…
Has this question become your question too: “What must I do to be saved?” Then something has happened that no man can bring about. The world with its hollow amusements has lost its glitter for you, and eternity presses upon your conscience. You see your sin, and you know that your own works cannot save you. Perhaps you even doubt whether you have any right to the atoning blood of Jesus.
But why should you not be saved? Grace has already sought out countless lost souls, souls that could be helped in no other way, and plucked them out of the hand of the strong. That grace is not limited, and it is not exhausted. Do not look, then, at your unworthiness, but at Him from Whom it comes. Whoever cries for salvation in this way does not cry in vain to a God Who is rich in mercy.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Qué es menester que yo haga para ser salvo?
Hechos 16:30
Doy por sentado que a usted le preocupa la religión: que la solemne realidad de la eternidad pesa, en mayor o menor grado, sobre su conciencia, y que sus ojos han sido abiertos para ver la maldad del pecado y su propia maldad como pecador. No hablo a palos y piedras; le hablo a usted, que desea temer a Dios y presentarse delante de Su rostro con un corazón puro. Si la salvación de su alma no significa nada para usted, ama muchas cosas que están fuera del alcance de la gracia soberana. El dinero, la vestimenta, las diversiones y los placeres que se ofrecen por todas partes, aunque son tan huecos como el sepulcro y tan vacíos como la alegría de un borracho, hechizan su mente y llenan sus pensamientos. Así no hay lugar en su conciencia para Cristo y el evangelio.
Pero si en alguna medida le preocupa su estado eterno, y ha sido llevado a clamar: “¿Qué es menester que yo haga para ser salvo?” (versículo 30), entonces le pregunto: ¿qué puede poner usted en lugar de la gracia soberana? ¿No será tan necio como para poner sus propias obras en su lugar? ¿No ignorará tanto su estado caído delante de Dios, y lo que la Escritura revela del camino de salvación por la sangre expiatoria de Jesús, como para poner las palabras y obras del hombre en lugar de las palabras y obras del Dios-Hombre? Quizá dude de su propia parte en Su sangre expiatoria, pero no duda de que la salvación es enteramente por gracia, y de que su alma solo puede ser salvada por gracia.
¿Y por qué no habría de ser salvo? ¡Acaso no ha puesto ya la gracia innumerables trofeos a los pies del Redentor! A multitudes de miserables viles, almas que de ningún otro modo podían ser socorridas, la gracia soberana las ha buscado. Las ha rescatado de su destrucción, las ha arrebatado de las fauces del infierno y las ha redimido de mano del más fuerte que ellas. ¡Así han venido y han hecho alabanzas en lo alto de Sion, y han corrido al bien de Jehová! (Jer. 31:12).
Lectura: Hechos 16:16-34
Al lector…
¿Se ha convertido también en su pregunta: “¿Qué es menester que yo haga para ser salvo?” Entonces ha sucedido algo que ningún hombre puede producir. El mundo con sus diversiones huecas ha perdido para usted su brillo, y la eternidad pesa sobre su conciencia. Ve su pecado, y sabe que sus propias obras no pueden salvarle. Quizá incluso dude de si tiene algún derecho a la sangre expiatoria de Jesús.
Pero ¿por qué no habría de ser salvo? La gracia ya ha buscado innumerables almas perdidas, almas que de ningún otro modo podían ser socorridas, y las ha arrebatado de la mano del fuerte. Esa gracia no tiene límites ni se agota. No mire, pues, a su indignidad, sino a Aquel de quien procede. Quien clama así por salvación no clama en vano a un Dios que es rico en misericordia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Waarom Hij in alles de broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.
Hebreeën 2:17
God gaf de personen van de uitverkorenen in handen van Zijn beminde Zoon. Gelijk Jacob Benjamin aan Juda toevertrouwde, zo aanvaardde Christus de kerk en nam het op Zich haar tot God te brengen, daar Hij bij gebreke daarvan voor eeuwig de schande dragen zou. Doch hoe zeer is deze getrouwheid beproefd geworden! Door mensen, door duivels, ja door God Zelf; maar zij heeft dit roemrijk doorstaan. En toch, wat zware lasten werden op Hem gelegd! Wat wankelden Jezus’ knieën, om zo te spreken, onder deze lasten!
Het is zoals Hart zegt: Hij had „kracht genoeg en niets over!” Hij moest de vloek der wet ondergaan en de last der zonde moest Hem toegerekend worden. Hij moest een hel van inwendige bestrijdingen doorstaan. Hij had met de dood te worstelen wat Zijn lichaam betrof en meer nog in de ziel. Wat een bloedig zweet in de hof, wat een tranen, wat een angst en zware strijd, wat een droefheid tot de dood toe; wat een smart in het lichaam op het kruis! En dit alles verdroeg het heilig Lam in getrouwheid aan God!
Hij had slechts behoeven te bidden, en Zijn Vader had Hem meer dan twaalf legioenen engelen bijgezet. Hij had maar behoeven te spreken en Hij had Zich hemelwaarts kunnen verheffen en het kruis en deszelfs schande en het lijden kunnen achterlaten. Maar Hij was getrouw aan God en aan de arbeid, die Hij op Zich genomen had. Zes moeilijke uren hing Hij aan het kruis. Zes moeilijke uren doorstond Hij de toorn Gods, en het ergste van alles, als de bitterste drop in de lijdensbeker tot het laatste bewaard, was de verberging van Zijns Vaders aangezicht, hetwelk de bittere klacht, een klacht, die nooit voorheen op aarde gehoord was, Hem uit de borst perste: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” En niet dan nadat Hij het werk voleindigd had, gaf Hij de geest.
Zo was Hij getrouw in alle dingen ten opzichte van God. En Hij is ook getrouw geweest in alle dingen met betrekking tot de mensen. Hij kon tot de Vader zeggen: „Van allen, die Gij Mij gegeven hebt” — uitgenomen de zoon des verderfs, Judas; het was Hem niet opgedragen hem van dood en hel te verlossen — doch van alle anderen, die Hij als een gift van de Vader ontvangen had, kon Hij zeggen: „heb Ik niemand verloren.” Alzo was Hij getrouw toen Hij op de wereld was.
En hoe getrouw is Hij nog! De hogepriester onder de wet had twee bedieningen te vervullen; hij moest een offerande offeren voor het volk, en met gebed en bemiddeling daarvoor optreden. Het eerste heeft Jezus op aarde vervuld; in de hemel vervult Hij het tweede, alwaar Hij uit kracht van Zijn tegenwoordigheid voortdurend voor ons tussentreedt.
Aan de lezer…
Hier wordt ons een wonderlijke getrouwheid getoond! Christus nam de Zijnen op Zich zoals Juda zich borg stelde voor Benjamin, en Hij liet hen niet los, al wankelden Zijn knieën onder de last. Hij had slechts behoeven te bidden, en legioenen engelen waren gekomen; maar Hij bleef zes moeilijke uren aan het kruis, totdat Hij het werk voleindigd had. Zou zulk een Borg nu een arme ziel loslaten die zich aan Hem heeft overgegeven?
Misschien voelt u uzelf zo zwak en wankel, dat u vreest eens toch verloren te gaan. Hoor dan wat Hij tot de Vader zegt: „Van allen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.” Uw getrouwheid is broos, maar de Zijne heeft de beproeving door mensen, duivels en God Zelf doorstaan. En Hij is nog getrouw: in de hemel treedt Hij voortdurend voor de Zijnen tussen. Leg uw zaak dan bij die barmhartige en getrouwe Hogepriester neer; bij Hem is zij in veilige handen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waarom Hij in alles de broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.
Hebreeën 2:17
God gaf de uitverkorenen in de handen van Zijn geliefde Zoon. Zoals Jakob Benjamin aan Juda toevertrouwde, zo aanvaardde Christus de kerk en nam Hij op Zich haar tot God te brengen, omdat Hij anders voor eeuwig de schande zou dragen. Maar hoe zwaar is deze trouw op de proef gesteld! Door mensen, door duivels, ja, door God Zelf; maar zij heeft dit roemrijk doorstaan. En toch, wat werden er zware lasten op Hem gelegd! Hoe wankelden de knieën van Jezus, als het ware, onder die lasten!
Het is zoals Hart zegt: Hij had „kracht genoeg en niets over!” Hij moest de vloek van de wet ondergaan, en de last van de zonde moest Hem worden toegerekend. Hij moest een hel van innerlijke aanvechtingen doorstaan. Hij moest met de dood worstelen, naar Zijn lichaam en nog meer in Zijn ziel. Wat een bloedig zweet in de hof, wat een tranen, wat een angst en zware strijd, wat een droefheid tot de dood toe; wat een pijn in het lichaam aan het kruis! En dit alles verdroeg het heilige Lam in trouw aan God!
Hij had alleen maar hoeven bidden, en Zijn Vader zou Hem meer dan twaalf legioenen engelen hebben gezonden. Hij had maar hoeven spreken, en Hij had Zich naar de hemel kunnen verheffen en het kruis met zijn schande en het lijden achter Zich kunnen laten. Maar Hij was trouw aan God en aan het werk dat Hij op Zich genomen had. Zes zware uren hing Hij aan het kruis. Zes zware uren doorstond Hij de toorn van God. En het ergste van alles, als de bitterste druppel in de lijdensbeker tot het laatst bewaard, was dat Zijn Vader Zijn aangezicht verborg. Dat perste Hem de bittere klacht uit de borst, een klacht die nooit eerder op aarde was gehoord: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” En pas nadat Hij het werk voleindigd had, gaf Hij de geest.
Zo was Hij in alle dingen trouw ten opzichte van God. En Hij is ook trouw geweest in alle dingen met betrekking tot de mensen. Hij kon tot de Vader zeggen: „Van allen, die Gij Mij gegeven hebt” — met uitzondering van de zoon des verderfs, Judas; het was Hem niet opgedragen hem van dood en hel te verlossen — maar van alle anderen die Hij als een gave van de Vader ontvangen had, kon Hij zeggen: „heb Ik niemand verloren.” Zo was Hij trouw toen Hij op de wereld was.
En hoe trouw is Hij nog steeds! De hogepriester onder de wet had twee taken te vervullen: hij moest een offer brengen voor het volk, en met gebed en bemiddeling voor het volk optreden. Het eerste heeft Jezus op aarde vervuld; het tweede vervult Hij in de hemel, waar Hij door de kracht van Zijn tegenwoordigheid voortdurend voor ons pleit.
Aan de lezer…
Hier wordt ons een wonderlijke trouw getoond! Christus nam de Zijnen op Zich zoals Juda zich borg stelde voor Benjamin, en Hij liet hen niet los, al wankelden Zijn knieën onder de last. Hij had alleen maar hoeven bidden, en legioenen engelen waren gekomen; maar Hij bleef zes zware uren aan het kruis, totdat Hij het werk voleindigd had. Zou zo’n Borg nu een arme ziel loslaten die zich aan Hem heeft overgegeven?
Misschien voelt u zich zo zwak en wankel dat u vreest toch nog verloren te gaan. Hoor dan wat Hij tot de Vader zegt: „Van allen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.” Uw trouw is broos, maar de Zijne heeft de beproeving door mensen, duivels en God Zelf doorstaan. En Hij is nog steeds trouw: in de hemel pleit Hij voortdurend voor de Zijnen. Leg uw zaak dan neer bij die barmhartige en getrouwe Hogepriester; bij Hem is zij in veilige handen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore in all things it behoved Him to be made like unto His brethren, that He might be a merciful and faithful High Priest in things pertaining to God, to make reconciliation for the sins of the people.
Hebrews 2:17
God gave the persons of the elect into the hands of His dear Son, as Jacob committed Benjamin into the hands of Judah; and as Judah accepted Benjamin, so Christ accepted the Church and undertook to bring it unto God, or He Himself would bear the blame forever. But how this faithfulness was tried! Men tried it; devils tried it; God tried it; but it came gloriously through all. Yet what loads were laid upon it! How the very knees of Jesus, so to speak, staggered beneath it! How, as Hart says, He had—“Strength enough, and none to spare!”
How He had to sustain the curse of the law and the load of imputed sin! How He had to drink up a very hell of inward torment! How He had to be agonized in body, and more than agonized in soul! What bloody sweat in the garden, what tears, what sore amazement, what heaviness of spirit, what sorrowfulness even unto death; what pangs of body upon the cross, what grief of mind, what distress of soul, did the Holy Lamb endure in being faithful unto God! How He might have prayed, and His Father would have sent Him twelve legions of angels! He had but to speak, and He might have soared to heaven and left the cross and all its shame and suffering behind.
But He was faithful to God and to the work which He had undertaken. Six weary hours He hung upon the cross. Six weary hours He endured the wrath of God, and that most cutting stroke of all, reserved to the last as the bitterest drop in the whole cup, the hiding of His Father’s countenance, which wrung from His bosom that cry, such as neither earth nor heaven had heard before—“My God, my God, why have you forsaken me?” And yet not until He had finished the work did He give up His spirit. So He was faithful “in all things pertaining to God.”
And He is faithful, also, in all things pertaining to man. He could say to the Father, “Of all whom you have given me”—except the son of perdition, Judas; He had no charge to save him from death and hell; but of all the others whom He had received as His Father’s gift, He could say, “I have lost none.” Thus He was faithful while He was on earth.
And how faithful He is now! The high priest under the law had two offices to execute; he had to OFFER SACRIFICE for the people, and to offer prayer and INTERCESSION for them. Upon earth Jesus fulfilled the first; in heaven He fulfils the second, as there making by virtue of His presence continual intercession for us.
To the reader…
What wonderful faithfulness is shown to us here! Christ took His own upon Himself, as Judah became surety for Benjamin, and He did not let them go, though His knees staggered beneath the load. He had only to pray, and legions of angels would have come; yet He stayed six weary hours upon the cross, until He had finished the work. Would such a Surety now let go of a poor soul who has given itself up to Him?
Perhaps you feel so weak and unsteady that you fear you will be lost after all. Then hear what He says to the Father: “Of them which thou gavest me have I lost none.” Your faithfulness is frail, but His has stood the test of men, devils and God Himself. And He is faithful still: in heaven He pleads without ceasing for His own. Lay your case, then, before that merciful and faithful High Priest; with Him it is in safe hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por lo cual, debía ser en todo semejante a los hermanos, para que fuese misericordioso y fiel Pontífice en lo que es para con Dios, para expiar los pecados del pueblo.
Hebreos 2:17
Dios entregó las personas de los escogidos en las manos de Su amado Hijo, como Jacob encomendó a Benjamín en las manos de Judá; y así como Judá aceptó a Benjamín, así Cristo aceptó a la Iglesia y se comprometió a llevarla a Dios, o de lo contrario Él mismo llevaría la culpa para siempre. ¡Pero cómo fue probada esta fidelidad! Los hombres la probaron; los demonios la probaron; Dios la probó; pero salió gloriosamente de todo. ¡Y, sin embargo, qué cargas fueron puestas sobre ella! ¡Cómo las mismas rodillas de Jesús, por así decirlo, vacilaron bajo ellas! ¡Cómo, según dice Hart, tuvo “fuerza suficiente, y ninguna de sobra”!
¡Cómo tuvo que sostener la maldición de la ley y la carga del pecado imputado! ¡Cómo tuvo que beber todo un infierno de tormento interior! ¡Cómo tuvo que ser atormentado en el cuerpo, y más que atormentado en el alma! ¡Qué sudor de sangre en el huerto, qué lágrimas, qué profundo pavor, qué angustia de espíritu, qué tristeza hasta la muerte; qué dolores del cuerpo en la cruz, qué pesar de la mente, qué aflicción del alma soportó el santo Cordero al ser fiel a Dios! ¡Cómo podría haber orado, y Su Padre le habría enviado doce legiones de ángeles! No tenía más que hablar, y podría haberse elevado al cielo y haber dejado atrás la cruz con toda su vergüenza y su sufrimiento.
Pero Él fue fiel a Dios y a la obra que había emprendido. Seis horas penosas estuvo colgado en la cruz. Seis horas penosas soportó la ira de Dios, y aquel golpe más cortante de todos, reservado para el final como la gota más amarga de toda la copa: el ocultamiento del rostro de Su Padre, que arrancó de Su pecho aquel clamor como ni la tierra ni el cielo habían oído antes: “Dios Mío, Dios Mío, ¿por qué Me has desamparado?” Y, sin embargo, no entregó Su espíritu hasta haber acabado la obra. Así fue fiel “en lo que es para con Dios”.
Y es fiel también en todo lo que toca al hombre. Pudo decir al Padre: “De los que Me diste”, excepto el hijo de perdición, Judas, pues no tenía encargo de salvarlo de la muerte y del infierno; pero de todos los demás que había recibido como don de Su Padre, pudo decir: “Ninguno de ellos perdí.” Así fue fiel mientras estuvo en la tierra.
¡Y cuán fiel es ahora! El sumo sacerdote bajo la ley tenía dos oficios que cumplir: tenía que OFRECER SACRIFICIO por el pueblo, y ofrecer oración e INTERCESIÓN por ellos. En la tierra Jesús cumplió el primero; en el cielo cumple el segundo, haciendo allí, en virtud de Su presencia, continua intercesión por nosotros.
Al lector…
¡Qué fidelidad tan maravillosa se nos muestra aquí! Cristo tomó a los Suyos sobre Sí, como Judá salió fiador por Benjamín, y no los soltó, aunque Sus rodillas vacilaron bajo la carga. No tenía más que orar, y habrían venido legiones de ángeles; sin embargo, permaneció seis horas penosas en la cruz, hasta haber acabado la obra. ¿Soltaría ahora tal Fiador a una pobre alma que se ha entregado a Él?
Quizá se siente usted tan débil e inestable que teme perderse a pesar de todo. Oiga entonces lo que Él dice al Padre: “De los que Me diste, ninguno de ellos perdí.” Su fidelidad es frágil, pero la de Él ha resistido la prueba de los hombres, de los demonios y de Dios mismo. Y Él sigue siendo fiel: en el cielo intercede sin cesar por los Suyos. Ponga, pues, su caso delante de ese misericordioso y fiel Sumo Sacerdote; con Él está en buenas manos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl