5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting, en goede hope in genade, vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goede woorden en werken.
2 Thessalonicenzen 2:16-17
Wanneer het de Heere behaagt een belofte te geven, een woord van bemoediging in te storten, een nodiging tot het hart te richten, dan geeft Hij daarbij vertroosting. Het vertroost het neergeslagen hart; het spreekt van vrede tot een schuldig geweten. En deze troost is een „eeuwige vertroosting.” Want zij vloeit uit niets minder dan uit zulk een bron als de eeuwige liefde van God. Zij mondt altijd uit in een eeuwige oceaan van oneindige vreugde. Elke mededeling van het toebehoren aan het verbond van Gods eeuwige liefde is een onschatbare zegen, want de Heere geeft zo’n mededeling alleen als een zeker onderpand, als een voorsmaak van de eeuwige zaligheid. Hij kan niet teleurstellen of misleiden. Eens gezegend, voor altijd gezegend.
Het is waar, wij kunnen voor een lange tijd achtereen de vertroosting missen, en zelfs in de diepste diepte van duisternis en beschaming vallen, zodat wij bijna al onze getuigenissen verliezen, maar het fundament Gods staat vast: „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” De rivier van de eeuwige liefde lijkt soms voorbij te stromen en onze borst niet te bereiken, want de oevers zijn zo hoog en buiten het zicht van de stroom. Maar als zij ooit onze zielen heeft besproeid, zal zij eens „wateren zijn van eeuwige vreugde, om in te baden.”
Geen vader sloeg met groter mededogen
op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,
dan Isrels Heer op ieder die Hem vreest.
Hij weet wat van zijn maaksel zij te wachten,
hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten
en dat wij stof van jongs af zijn geweest.
Ps. 103:7
Aan de lezer…
Kent u een woord van de Heere dat ooit uw neergeslagen hart opbeurde en vrede sprak tot uw schuldig geweten? En lijkt het nu alsof die troost ver weg is, alsof de rivier van Zijn liefde aan u voorbijstroomt zonder u te bereiken? Ik verzwijg niet dat wij lang de vertroosting kunnen missen en in diepe duisternis kunnen vallen, zodat wij bijna al onze getuigenissen kwijt lijken te zijn.
Maar de troost die God geeft, heet een „eeuwige vertroosting”, omdat zij vloeit uit Zijn eeuwige liefde. Hij kan niet teleurstellen of misleiden; wat Hij geeft, geeft Hij als een onderpand van de zaligheid. Het fundament Gods staat vast: „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” Als die stroom uw ziel ooit heeft besproeid, dan zal hij u eens tot wateren van eeuwige vreugde worden. Hij weet hoe zwak wij zijn; houd daarom vast aan wat Hij u gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting, en goede hope in genade, vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goede woorden en werken.
2 Thessalonicenzen 2:16-17
Wanneer het de Heere behaagt een belofte te geven, een woord van bemoediging in het hart te storten of een nodiging tot het hart te richten, dan geeft Hij daarbij vertroosting. Het troost het neergeslagen hart; het spreekt vrede tot een schuldig geweten. En deze troost is een „eeuwige vertroosting.” Want zij vloeit uit geen mindere bron dan de eeuwige liefde van God. Zij mondt altijd uit in een eeuwige oceaan van oneindige vreugde. Elke bekendmaking dat wij horen bij het verbond van Gods eeuwige liefde, is een onschatbare zegen, want de Heere geeft zo’n bekendmaking alleen als een zeker onderpand, als een voorsmaak van de eeuwige zaligheid. Hij kan niet teleurstellen of misleiden. Eens gezegend, voor altijd gezegend.
Het is waar: wij kunnen lange tijd achtereen de vertroosting missen, en zelfs in de diepste diepte van duisternis en beschaming vallen, zodat wij bijna al onze getuigenissen verliezen. Maar het fundament van God staat vast: „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” De rivier van de eeuwige liefde lijkt soms voorbij te stromen zonder ons hart te bereiken, omdat de oevers zo hoog zijn en de stroom buiten het zicht ligt. Maar als zij ooit onze zielen besproeid heeft, zal zij eens „wateren zijn van eeuwige vreugde, om in te baden.”
Geen vader sloeg met groter mededogen
op teder kroost ooit zijn ontfermend’ ogen,
dan Isrels Heer op ieder die Hem vreest.
Hij weet wat van zijn maaksel zij te wachten,
hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten
en dat wij stof van jongs af zijn geweest.
Ps. 103:7
Aan de lezer…
Kent u een woord van de Heere dat ooit uw neergeslagen hart opbeurde en vrede sprak tot uw schuldig geweten? En lijkt het nu alsof die troost ver weg is, alsof de rivier van Zijn liefde aan u voorbijstroomt zonder u te bereiken? Ik verzwijg niet dat wij lang de vertroosting kunnen missen en in diepe duisternis kunnen vallen, zodat wij bijna al onze getuigenissen kwijt lijken te zijn.
Maar de troost die God geeft, heet een „eeuwige vertroosting”, omdat zij voortvloeit uit Zijn eeuwige liefde. Hij kan niet teleurstellen of misleiden; wat Hij geeft, geeft Hij als een onderpand van de zaligheid. Het fundament van God staat vast: „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.” Als die stroom uw ziel ooit heeft besproeid, dan zal hij voor u eens worden tot wateren van eeuwige vreugde. Hij weet hoe zwak wij zijn; houd daarom vast aan wat Hij u gegeven heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Now our Lord Jesus Christ Himself, and God, even our Father, which hath loved us, and hath given us everlasting consolation and good hope through grace, comfort your hearts, and stablish you in every good word and work.
2 Thessalonians 2:16-17
When the Lord is pleased to apply a promise, drop in a word of encouragement, speak home an invitation with power, He administers consolation thereby. It comforts the drooping heart; it speaks peace to a guilty conscience. And this consolation is “everlasting consolation;” for it flows from nothing less than such a source, that is, the eternal love of God; and flows onward to an everlasting ocean of infinite delight. Any intimation of a saving interest in the everlasting love of God is a blessing beyond all price; for the Lord never gives any such intimation but as a certain pledge and foretaste of immortal bliss. He can neither disappoint nor deceive. Once blest, blest forever.
We may indeed for a long time together cease to enjoy the comfort, and even may fall into the greatest depths of darkness and confusion, so as to lose sight of almost all our evidences; but the foundation of God stands sure—“The Lord knows those who are His.” The river of eternal love may seem to flow by and not reach our breast, so high are the banks and hidden out of sight the stream. Still if ever it has watered our soul, it will be one day “waters to swim in” of eternal delight.
To the reader…
Do you know a word from the Lord that once lifted up your downcast heart and spoke peace to your guilty conscience? And does it now seem as if that comfort is far away, as if the river of His love flows past you without reaching you? I will not hide it from you: we may go without consolation for a long time and fall into deep darkness, so that we seem to have lost almost all our evidences.
But the comfort God gives is called “everlasting consolation,” because it flows from His eternal love. He cannot disappoint or deceive; what He gives, He gives as a pledge of eternal bliss. The foundation of God stands sure: “The Lord knoweth them that are His.” If that stream has ever watered your soul, it will one day become for you waters of everlasting joy. He knows how weak we are; so hold fast to what He has given you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y el mismo Señor nuestro Jesucristo, y Dios y Padre nuestro, el cual nos amó, y nos dio consolación eterna, y buena esperanza por gracia, consuele vuestros corazones, y os confirme en toda buena palabra y obra.
2 Tesalonicenses 2:16-17
Cuando al Señor le place aplicar una promesa, dejar caer una palabra de aliento o hacer llegar al corazón una invitación con poder, administra por ello consolación. Consuela al corazón abatido; habla paz a una conciencia culpable. Y esta consolación es “consolación eterna”, porque mana de una fuente nada menor que esa, es decir, el amor eterno de Dios, y fluye hacia un océano eterno de deleite infinito. Cualquier indicio de una parte salvadora en el amor eterno de Dios es una bendición que no tiene precio; porque el Señor nunca da tal indicio sino como prenda segura y anticipo de la dicha inmortal. Él no puede defraudar ni engañar. Una vez bendecido, bendecido para siempre.
Podemos, en verdad, dejar de gozar del consuelo durante largo tiempo, y aun caer en las mayores profundidades de oscuridad y confusión, de modo que perdamos de vista casi todas nuestras evidencias; pero el fundamento de Dios está firme: “Conoce el Señor a los que son Suyos”. El río del amor eterno puede parecer pasar de largo sin llegar a nuestro pecho, tan altas son las orillas y tan oculta a la vista la corriente. Con todo, si alguna vez ha regado nuestra alma, será un día “aguas de nadar” de deleite eterno.
Al lector…
¿Conoce usted una palabra del Señor que una vez levantó su corazón abatido y habló paz a su conciencia culpable? ¿Y le parece ahora que ese consuelo está lejos, como si el río de Su amor pasara de largo sin alcanzarle? No se lo ocultaré: podemos estar mucho tiempo sin consuelo y caer en profunda oscuridad, de modo que parezca que hemos perdido casi todas nuestras evidencias.
Pero el consuelo que Dios da se llama “consolación eterna”, porque mana de Su amor eterno. Él no puede defraudar ni engañar; lo que da, lo da como prenda de la dicha eterna. El fundamento de Dios está firme: “Conoce el Señor a los que son Suyos”. Si esa corriente ha regado alguna vez su alma, un día llegará a ser para usted aguas de gozo eterno. Él sabe cuán débiles somos; aférrese, pues, a lo que Él le ha dado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zaligmaken dat verloren was
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
We zien het Farizeïsme volledig ten uitvoer gebracht in het Nieuwe Testament, en wel door enkele van de laagste schepsels die ooit hebben geleefd, duivels in vijandschap tegen de geliefde Zoon van God. Deze haat is tijdens het leven van de Heere vaak losgebarsten, voordat hij zichzelf in Zijn bloed uitdoofde. En wat deed die vijandschap vooral naar buiten komen? Het was het zien van de genade en barmhartigheid doordat een zondaar werd verlost.
Toen de genadige en gezegende Heere Zacheüs, de grootste tollenaar, uit de boom naar beneden riep waarin hij veilig dacht te zitten, en Zichzelf uitnodigde zijn gast te zijn, wat rakelde dit de vijandschap op in het Farizeïsche hart! „O,” riepen ze, met alle hoogmoed van hun schijnheiligheid, „Hij heeft Zichzelf uitgenodigd — heb je ooit zoiets meegemaakt?” En toch, ondanks al hun gemopper, liet Zacheüs zien wat de kracht van God kan doen, en dat de genade in het hart van een zondaar ten slotte in één ogenblik duizendmaal meer tot stand kon brengen dan al hun Farizeïsme in jaren had bewerkstelligd. Neem al deze Farizeeërs bij elkaar. Was er één die ooit de helft had gedaan of had willen doen van wat Zacheüs door de genade Gods kon doen?
„Zie,” zegt hij, „de helft van mijn goederen, Heere, geef ik de armen” (Farizeeërs gaven nog geen tiende of honderdste deel); „en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb” (en ongetwijfeld had hij veel van zijn vermogen zo vergaard), „dat geef ik vierdubbel weder.” Doordrongen en overweldigd door de overvloedige genade van de Heere zou hij zich tot op het bot hebben uitgekleed. Het genadige antwoord van de gezegende Verlosser was: „Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze” — die verachte tollenaar, deze verafschuwde zondaar — „een zoon van Abraham is,” een kind van God, dat aandeel heeft aan het eeuwigdurende verbond. Toen openbaarde Hij, Die de sleutel van David had (Openb. 3:7), de sleutel die het slotwerk van dit ingewikkelde maar hemelse slot opent: „Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.”
Lezen: Lukas 19:1-10
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich een verachte zondaar, iemand bij wie niemand zou verwachten dat de Heere er binnen wilde gaan. Denk dan aan die tollenaar in de boom. Hij werd geroepen, en de Heere nodigde Zichzelf bij hem uit, tot ergernis van wie zich beter achtten. Genade gaat niet naar wie het verdient, maar naar wie verloren is.
En zie wat die genade in één ogenblik deed: wat jaren van uiterlijke vroomheid niet konden, deed de liefde van Christus in een hart dat overweldigd werd. Laat u daarom niet terughouden door wat anderen van u denken, of door wat u van uzelf weet. Hier ligt de sleutel die het slot openmaakt: „Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.” Bent u verloren, dan bent u juist zo iemand die Hij zoekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Lukas 19:10
In het Nieuwe Testament zien we het farizeïsme in volle omvang aan het werk, en wel in enkele van de laagste schepsels die ooit geleefd hebben, duivels in hun vijandschap tegen de geliefde Zoon van God. Deze haat is tijdens het leven van de Heere vaak losgebarsten, voordat hij zichzelf in Zijn bloed uitdoofde. En wat bracht die vijandschap vooral naar buiten? Het zien van genade en barmhartigheid, wanneer een zondaar verlost werd.
Toen de genadige en gezegende Heere Zacheüs, de oversteste van de tollenaars, naar beneden riep uit de boom waarin hij dacht veilig te zitten, en Zichzelf bij hem te gast nodigde, wat wakkerde dat de vijandschap aan in het farizese hart! „O,” riepen ze, met alle hoogmoed van hun schijnheiligheid, „Hij heeft Zichzelf uitgenodigd — heb je ooit zoiets meegemaakt?” En toch liet Zacheüs, ondanks al hun gemor, zien wat de kracht van God kan doen. Hij liet zien dat de genade in het hart van een zondaar uiteindelijk in één ogenblik duizendmaal meer tot stand kon brengen dan al hun farizeïsme in jaren had bewerkt. Neem al deze Farizeeërs samen: was er één die ooit de helft had gedaan, of had willen doen, van wat Zacheüs door de genade van God kon doen?
„Zie,” zegt hij, „de helft van mijn goederen, Heere, geef ik de armen” (Farizeeërs gaven nog geen tiende of honderdste deel); „en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb” (en ongetwijfeld had hij veel van zijn vermogen zo verkregen), „dat geef ik vierdubbel weder.” Doordrongen en overweldigd door de overvloedige genade van de Heere zou hij zich tot op het bot hebben uitgekleed. Het genadige antwoord van de gezegende Verlosser was: „Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze” — die verachte tollenaar, die verafschuwde zondaar — „een zoon van Abraham is,” een kind van God, dat deel heeft aan het eeuwige verbond. Toen openbaarde Hij, Die de sleutel van David heeft (Openb. 3:7), de sleutel die het mechaniek van dit ingewikkelde maar hemelse slot opent: „Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.”
Lezen: Lukas 19:1-10
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich een verachte zondaar, iemand bij wie niemand zou verwachten dat de Heere er binnen wilde gaan. Denk dan aan die tollenaar in de boom. Hij werd geroepen, en de Heere nodigde Zichzelf bij hem uit, tot ergernis van wie zich beter achtten. Genade gaat niet naar wie het verdient, maar naar wie verloren is.
En zie wat die genade in één ogenblik deed: wat jaren van uiterlijke vroomheid niet konden, deed de liefde van Christus in een hart dat overweldigd werd. Laat u daarom niet tegenhouden door wat anderen van u denken, of door wat u van uzelf weet. Hier ligt de sleutel die het slot openmaakt: „Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.” Bent u verloren, dan bent u juist iemand die Hij zoekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.
Luke 19:10
In the New Testament we see Pharisaism at work in its full extent, and that in some of the vilest creatures that ever lived, devils in their enmity against the beloved Son of God. This hatred often broke out during the life of the Lord, before it spent itself in His blood. And what chiefly drew that enmity forth? The sight of grace and mercy when a sinner was saved.
When the gracious and blessed Lord called Zacchaeus, the chief among the publicans, down from the tree in which he thought himself safely hidden, and invited Himself to be his guest, how it stirred up the enmity of the Pharisaic heart! “Oh,” they cried, with all the pride of their hypocrisy, “He has invited Himself — did you ever see such a thing?” And yet Zacchaeus, in spite of all their murmuring, showed what the power of God can do. He showed that grace in a sinner’s heart could accomplish in one moment a thousand times more than all their Pharisaism had wrought in years. Take all these Pharisees together: was there one who had ever done, or would ever have done, half of what Zacchaeus could do by the grace of God?
“Behold,” says he, “Lord, the half of my goods I give to the poor” (the Pharisees gave not a tenth or a hundredth part); “and if I have taken any thing from any man by false accusation” (and no doubt he had gained much of his wealth in that way), “I restore him fourfold.” Melted and overwhelmed by the abounding grace of the Lord, he would have stripped himself to the bone. The gracious answer of the blessed Redeemer was: “This day is salvation come to this house, forsomuch as he also” — that despised publican, that abhorred sinner — “is a son of Abraham,” a child of God, who has a part in the everlasting covenant. Then He Who has the key of David (Rev. 3:7) revealed the key that opens the wards of this intricate but heavenly lock: “For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.”
Reading: Luke 19:1-10
To the reader…
Do you know what this is like? You feel yourself a despised sinner, someone into whose house no one would expect the Lord to wish to enter. Then think of that publican in the tree. He was called, and the Lord invited Himself to his house, to the offence of those who thought themselves better. Grace does not go to those who deserve it, but to those who are lost.
And see what that grace did in a single moment: what years of outward piety could not do, the love of Christ did in a heart that was overwhelmed. So do not let yourself be held back by what others think of you, or by what you know of yourself. Here lies the key that opens the lock: “For the Son of man is come to seek and to save that which was lost.” If you are lost, you are the very one He is seeking.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el Hijo del hombre vino a buscar y salvar lo que se había perdido.
Lucas 19:10
En el Nuevo Testamento vemos el fariseísmo obrando en toda su extensión, y eso en algunas de las criaturas más viles que jamás vivieron, demonios en su enemistad contra el amado Hijo de Dios. Este odio estalló a menudo durante la vida del Señor, antes de agotarse en Su sangre. ¿Y qué era lo que principalmente provocaba esa enemistad? La vista de la gracia y la misericordia cuando un pecador era salvado.
Cuando el Señor lleno de gracia y bendito llamó a Zaqueo, el principal de los publicanos, a bajar del árbol en el que se creía bien escondido, y se invitó a Sí mismo a ser su huésped, ¡cómo despertó esto la enemistad del corazón farisaico! “¡Oh!”, clamaban con todo el orgullo de su hipocresía, “se ha invitado a Sí mismo; ¿se ha visto jamás cosa semejante?” Y sin embargo Zaqueo, a pesar de todas sus murmuraciones, mostró lo que puede hacer el poder de Dios. Mostró que la gracia en el corazón de un pecador podía lograr en un momento mil veces más de lo que todo su fariseísmo había obrado en años. Tome a todos estos fariseos juntos: ¿hubo uno que jamás hubiera hecho, o que jamás hubiera llegado a hacer, la mitad de lo que Zaqueo pudo hacer por la gracia de Dios?
“He aquí”, dice él, “Señor, la mitad de mis bienes doy a los pobres” (los fariseos no daban ni una décima ni una centésima parte); “y si en algo he defraudado a alguno” (y sin duda había ganado mucha de su riqueza de ese modo), “lo vuelvo con el cuatro tanto.” Derretido y abrumado por la gracia abundante del Señor, se habría despojado hasta los huesos. La respuesta llena de gracia del bendito Redentor fue: “Hoy ha venido la salvación a esta casa; por cuanto él también” —aquel publicano despreciado, aquel pecador aborrecido— “es hijo de Abraham”, un hijo de Dios, que tiene parte en el pacto eterno. Entonces Aquel que tiene la llave de David (Ap. 3:7) reveló la llave que abre los resortes de esta cerradura intrincada pero celestial: “Porque el Hijo del hombre vino a buscar y salvar lo que se había perdido.”
Lectura: Lucas 19:1-10
Al lector…
¿Sabe usted lo que es esto? Se siente un pecador despreciado, alguien en cuya casa nadie esperaría que el Señor quisiera entrar. Piense entonces en aquel publicano en el árbol. Fue llamado, y el Señor se invitó a Sí mismo a su casa, para escándalo de los que se creían mejores. La gracia no va a los que la merecen, sino a los que están perdidos.
Y vea lo que esa gracia hizo en un solo momento: lo que años de piedad exterior no pudieron hacer, lo hizo el amor de Cristo en un corazón que fue abrumado. Así que no se deje detener por lo que otros piensen de usted, ni por lo que usted sabe de sí mismo. Aquí está la llave que abre la cerradura: “Porque el Hijo del hombre vino a buscar y salvar lo que se había perdido.” Si usted está perdido, es precisamente a usted a quien Él busca.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De gemeente Gods, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
Handelingen 20:28
Verzoening voor de zonden staat of valt met de Godheid van Christus. Als wij Zijn Godheid verloochenen, moeten wij de verzoening verloochenen, want welke waarde kan er zijn in het bloed van een bloot mens, dat God om diens wil zonden zou vergeven? Dit zien de Socinianen duidelijk in en daarom loochenen zij de verzoening geheel. Maar als er geen verzoening, geen offerande, geen zoenoffer voor de zonde is, waar moeten wij dan heen zien voor vergeving en vrede? Waarhenen wij ook onze ogen wenden, daar is vertwijfeling, en wij mogen wel de taal van de gevallen engel de onze maken:
Ik ellendige, waarheen zal ik vlièn?
Oneindige toorn en wanhoop, mitsdien
De hel, is mijn deel; ’k ben mijzelf een hel.
En in deez’ ellend’ dreigt mij daarbij nog wel
Een zwaarder en dieper; dan is deze nog klein
En schijnt deze hel mij een hemel te zijn.
Doch wanneer wij door het oog des geloofs de Zoon van God de wet zien gehoorzamen, en Hem door Zijn doen en sterven, door Zijn arbeid en lijden, de geschonden gerechtigheid des Allerhoogsten een offerande voor de zonde zien opofferen, dan zien wij zulk een heerlijkheid en zulk een waarde in iedere gedachte, woord en daad van Zijn lijdende mensheid doorstralen, dat wij Hem omhelzen. En wij omhelzen Hem in alles wat Hij is en heeft, met elke begeerte en genegenheid van onze wedergeboren ziel. Hier ligt onze gehele godsdienst; geheel ons geloof en hoop en liefde stromen hierheen en zijn als het ware gericht en gevestigd op Jezus Christus en Die gekruisigd.
En zonder een zeker deel daarvan in ons hart en in onze consciëntie hebben wij geen godsdienst die die naam waard is. Niets dat ons redt of heiligt, niets dat ontslaat van de schuld, onreinheid, liefde en kracht en van de praktijk der zonde, niets dat ondersteunt in het leven, of vertroost in ons sterven, of dat gelden kan voor de eeuwigheid, dan deze offerande.
De weg dan waardoor wij komen tot de kennis van en het geloof in de Godheid van Christus, is allereerst door een behoefte te gevoelen aan al wat Hij is als Zaligmaker, en wel een volkomen Zaligmaker. En dan een openbaring van Hem te verkrijgen door de gezegende Geest in onze ziel. Wanneer Hij aldus geopenbaard en nabij gebracht is, zien wij door het oog des geloofs Zijn zuivere en volkomen mensheid en Zijn eeuwige Godheid; en wij zien deze twee onderscheiden naturen verenigd, maar niet vermengd, in onze heerlijke Persoon, Immanuël, God met ons. Totdat wij aldus begunstigd worden, kunnen wij wel de Godheid van Christus in de Schrift zien en in zoverre erin geloven, maar wij hebben niet het toe-eigenend geloof waardoor wij met Thomas kunnen zeggen: „Mijn Heere en mijn God!”
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar u heen ziet voor vergeving en vrede. Als het bloed van Christus het bloed van een bloot mens was, zou er voor een schuldige ziel nergens hoop zijn, en waar u ook uw ogen wendde, zou u slechts vertwijfeling vinden. Maar de gemeente is verkregen door Gods eigen bloed. Daarom heeft die offerande zulk een waarde dat zij geen enkele zonde te zwaar laat zijn.
Hoe komt een ziel tot die kennis? Eerst door te voelen dat zij een volkomen Zaligmaker nodig heeft, en dan doordat de Geest Hem in het hart openbaart. Voelt u dat gebrek? Dan bent u op de weg. Bid dat de Heere Zichzelf zo nabij brengt dat u niet slechts in de Schrift leest dat Hij God is, maar met Thomas mag uitroepen: „Mijn Heere en mijn God!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De gemeente Gods, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
Handelingen 20:28
De verzoening voor de zonden staat of valt met de Godheid van Christus. Als wij Zijn Godheid loochenen, moeten wij de verzoening loochenen. Want welke waarde kan er liggen in het bloed van een gewoon mens, zodat God omwille daarvan zonden zou vergeven? Dat zien de socinianen duidelijk in, en daarom loochenen zij de verzoening helemaal. Maar als er geen verzoening is, geen offer, geen zoenoffer voor de zonde, waar moeten wij dan heen zien voor vergeving en vrede? Waar wij onze ogen ook heen wenden, daar is vertwijfeling, en wij mogen dan wel de taal van de gevallen engel tot de onze maken:
Ik ellendige, waarheen zal ik vlièn?
Oneindige toorn en wanhoop, mitsdien
De hel, is mijn deel; ’k ben mijzelf een hel.
En in deez’ ellend’ dreigt mij daarbij nog wel
Een zwaarder en dieper; dan is deze nog klein
En schijnt deze hel mij een hemel te zijn.
Maar wanneer wij met het oog van het geloof de Zoon van God de wet zien gehoorzamen, en zien hoe Hij door Zijn doen en sterven, door Zijn arbeid en lijden, aan de geschonden gerechtigheid van de Allerhoogste een offer voor de zonde opoffert, dan zien wij zo’n heerlijkheid en zo’n waarde doorstralen in iedere gedachte, ieder woord en iedere daad van Zijn lijdende mensheid, dat wij Hem omhelzen. En wij omhelzen Hem in alles wat Hij is en heeft, met elke begeerte en genegenheid van onze wedergeboren ziel. Hier ligt heel onze godsdienst; heel ons geloof, onze hoop en onze liefde stromen hierheen en zijn als het ware gericht en gevestigd op Jezus Christus, en Die gekruisigd.
En zonder een zeker deel daaraan in ons hart en in ons geweten hebben wij geen godsdienst die die naam waard is. Er is niets wat ons redt of heiligt, niets wat ons bevrijdt van de schuld, de onreinheid, de liefde, de kracht en de praktijk van de zonde, niets wat ons ondersteunt in het leven of vertroost in het sterven, of wat geldt voor de eeuwigheid, dan dit offer.
De weg waarlangs wij komen tot de kennis van en het geloof in de Godheid van Christus, is dan allereerst dat wij behoefte voelen aan alles wat Hij is als Zaligmaker, en wel als een volkomen Zaligmaker. En daarna dat wij door de gezegende Geest een openbaring van Hem in onze ziel ontvangen. Wanneer Hij zo geopenbaard en nabijgebracht is, zien wij met het oog van het geloof Zijn zuivere en volkomen mensheid en Zijn eeuwige Godheid; en wij zien deze twee onderscheiden naturen verenigd, maar niet vermengd, in onze heerlijke Persoon, Immanuël, God met ons. Totdat wij zo begunstigd worden, kunnen wij de Godheid van Christus wel in de Schrift zien en er in zoverre in geloven, maar wij hebben niet het toe-eigenend geloof waardoor wij met Thomas kunnen zeggen: „Mijn Heere en mijn God!”
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd waar u heen ziet voor vergeving en vrede. Als het bloed van Christus het bloed van een gewoon mens was, zou er voor een schuldige ziel nergens hoop zijn, en waar u uw ogen ook heen wendde, zou u alleen vertwijfeling vinden. Maar de gemeente is verkregen door Gods eigen bloed. Daarom heeft dat offer zo’n waarde dat het geen enkele zonde te zwaar laat zijn.
Hoe komt een ziel tot die kennis? Eerst door te voelen dat zij een volkomen Zaligmaker nodig heeft, en dan doordat de Geest Hem in het hart openbaart. Voelt u dat gebrek? Dan bent u op de weg. Bid dat de Heere Zichzelf zo nabijbrengt dat u niet alleen in de Schrift leest dat Hij God is, maar met Thomas mag uitroepen: „Mijn Heere en mijn God!”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The church of God, which He hath purchased with His own blood.”
Acts 20:28
Atonement for sin stands or falls with the Deity of Christ. If we deny His Deity, we must deny the atonement, for what value or merit can there be in the blood of a mere man that God, for its sake, should pardon millions of sins? This the Socinians clearly see, and therefore deny the atonement altogether. But if there be no atonement, no sacrifice, no atoning sacrifice for sin, where can we look for pardon and peace? Whichever way we turn our eyes there is despair.
But when by the eye of faith we see the Son of God obeying the law, rendering, by doing and dying, acting and suffering, a satisfaction to the violated justice of the Most High and offering a sacrifice for sin, then we see such a glory and such a value breathing through every thought, word, and action of His suffering humanity, that we embrace Him and all that He is and has, with every desire and affection of our regenerated soul. All our religion lies here; all our faith, hope, and love flow unto, and are, as it were, fixed and concentrated in Jesus Christ, and Him crucified; and without a measure of this in our heart and conscience, we have no religion worth the name, nothing that either saves or sanctifies—nothing that delivers from the guilt, filth, love, power, and practice of sin—nothing that supports in life, comforts in death, or fits for eternity.
The way, then, whereby we come to a knowledge of, and a faith in, the Deity of Christ is first by feeling a need of all that He is as a Savior, and a great one, and then having a manifestation of Him by the blessed Spirit to our soul. When He is thus revealed and brought near, we see, by the eye of faith, His pure and perfect humanity and His eternal Deity; and these two distinct natures we see combined, but not intermingled, in one glorious Person, Immanuel, God with us. Until thus favored we may see the Deity of Christ in the Scriptures, and have so far a belief in it, but we have not that personal appropriating faith whereby, with Thomas, we can say, “My Lord and my God.”
To the reader…
Today you are asked where you look for pardon and peace. If the blood of Christ were the blood of a mere man, there would be no hope anywhere for a guilty soul, and wherever you turned your eyes you would find only despair. But the church has been purchased with God’s own blood. That is why the sacrifice has such worth that no sin is too heavy for it.
How does a soul come to this knowledge? First by feeling that it needs a full and complete Savior, and then by the Spirit revealing Him in the heart. Do you feel that need? Then you are on the way. Pray that the Lord may bring Himself so near that you not only read in Scripture that He is God, but may cry out with Thomas, “My Lord and my God!”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“La iglesia del Señor, la cual ganó por Su sangre.”
Hechos 20:28
La expiación del pecado se sostiene o cae con la Deidad de Cristo. Si negamos Su Deidad, hemos de negar la expiación, pues ¿qué valor o mérito puede haber en la sangre de un mero hombre para que Dios, por causa de ella, perdone millones de pecados? Esto lo ven claramente los socinianos, y por eso niegan del todo la expiación. Pero si no hay expiación, ni sacrificio, ni sacrificio expiatorio por el pecado, ¿adónde podemos mirar en busca de perdón y paz? Dondequiera que volvamos los ojos, hay desesperación.
Pero cuando con el ojo de la fe vemos al Hijo de Dios obedeciendo la ley, rindiendo, en el hacer y en el morir, en el obrar y en el padecer, una satisfacción a la justicia violada del Altísimo y ofreciendo un sacrificio por el pecado, entonces vemos tal gloria y tal valor respirando en cada pensamiento, palabra y acción de Su humanidad sufriente, que Le abrazamos a Él y todo lo que Él es y tiene, con todo deseo y afecto de nuestra alma regenerada. Toda nuestra religión está aquí; toda nuestra fe, esperanza y amor fluyen hacia Jesucristo, y a Este crucificado, y quedan, por así decirlo, fijados y concentrados en Él; y sin una medida de esto en nuestro corazón y conciencia, no tenemos religión digna de tal nombre, nada que salve ni santifique; nada que libre de la culpa, la inmundicia, el amor, el poder y la práctica del pecado; nada que sostenga en la vida, consuele en la muerte o prepare para la eternidad.
El camino, pues, por el cual llegamos a un conocimiento de la Deidad de Cristo y a una fe en ella es, primero, sentir necesidad de todo lo que Él es como Salvador, y un gran Salvador, y luego tener una manifestación de Él al alma por el bendito Espíritu. Cuando Él es así revelado y acercado, vemos, con el ojo de la fe, Su pura y perfecta humanidad y Su eterna Deidad; y estas dos naturalezas distintas las vemos unidas, pero no mezcladas, en una gloriosa Persona, Emmanuel, Dios con nosotros. Hasta que somos así favorecidos, podemos ver la Deidad de Cristo en las Escrituras y tener hasta cierto punto una creencia en ella, pero no tenemos esa fe personal y apropiadora por la cual, con Tomás, podemos decir: “¡Señor mío, y Dios mío!”
Al lector…
Hoy se le pregunta a usted dónde busca perdón y paz. Si la sangre de Cristo fuera la sangre de un mero hombre, no habría esperanza en ninguna parte para un alma culpable, y dondequiera que volviera los ojos solo hallaría desesperación. Pero la iglesia ha sido comprada con la propia sangre de Dios. Por eso el sacrificio tiene tal valor que ningún pecado es demasiado pesado para él.
¿Cómo llega un alma a este conocimiento? Primero sintiendo que necesita un Salvador pleno y completo, y luego por el Espíritu que Le revela en el corazón. ¿Siente usted esa necesidad? Entonces está en el camino. Ore para que el Señor Se acerque tanto a usted que no solo lea en la Escritura que Él es Dios, sino que pueda exclamar con Tomás: “¡Señor mío, y Dios mío!”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl