Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Jezus, de grote Hogepriester — hoofdstuk 3: Het brandoffer als beeld van het offer van Christus

Philpot toont hoe de Heilige Geest de zondaar bereidt voor het bloed van het kruis en onderzoekt dan de eerste Levitische offers. In het brandoffer ziet hij Christus als vrijwillig offer en als de Zoon Die de Vader geheel verheerlijkt.

De vraag hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? (Job 9:2) is altijd een zaak van diep en angstig onderzoek geweest en zal dat altijd blijven. Dat is zo wanneer het verstand eenmaal verlicht is om te zien en het geweten ontwaakt om te voelen in welke vreselijke staat van verdoemenis wij door de zonde verzonken zijn voor Hem Die in Zijn eeuwige reinheid, vlekkeloze heiligheid en onbuigzame gerechtigheid werkelijk een verterend vuur is.

Maar als het geweten zelfs door natuurlijke overtuigingen als vanzelf en noodzakelijkerwijs beeft onder het gezicht en besef van de zonde voor de grote en heerlijke Majesteit van de hemel, hoeveel te meer voelt het dan de pijnen van schuld en schaamte wanneer de Heilige Geest door Zijn levendmakende werkingen op het hart het gericht stelt naar het richtsnoer en de gerechtigheid naar het paslood. Dan veegt de hagel van Gods geopenbaarde toorn tegen alle overtreding de toevlucht der leugen weg waarin de eigengerechtigheid zich tevergeefs heeft trachten te verschansen. En de stijgende wateren van Zijn gevoelde misnoegen overlopen de schuilplaats van goede werken en goede voornemens waarin de overtuigde zondaar een tijdelijke maar volstrekt nutteloze beschutting zocht!

Wat moet ik doen om Gods toorn te verzoenen, Zijn gerechtigheid te bevredigen, de eisen van Zijn rechtvaardige wet te vervullen, Zijn gunst te winnen, de hel te ontvluchten en de hemel te verwerven? Hoe de beginselen van een genadewerk in de kleinere trekken ook mogen verschillen, zulk ernstig hartonderzoek en zulke gretige en angstige vragen van de lippen horen altijd bij de eerste werkingen van de Geest van God op het geweten.

Want waar vindt de genade ons altijd? In de zonde, zo niet in openlijke dan toch in verborgen overtreding. Als een veroordelende wet ons niet aangrijpt als duidelijk en kennelijk schuldig aan gemene, schandelijke daden van ongerechtigheid, dan treft zij ons toch met haar beschuldigend vonnis als hen die wandelen in de ijdelheid huns gemoeds. Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten. Nu de ontstelde zondaar door de levendmakende werkingen van de Heilige Geest van de zonde overtuigd is, zoekt hij naar een uitweg uit de toekomende toorn, een toevlucht waar zijn schuldige ziel veiligheid en beschutting kan vinden.

Voor zo’n arme, zichzelf veroordelende ellendeling, een schuldige misdadiger, worden het verzoenende bloed en de rechtvaardigende gehoorzaamheid van de Zoon van God, zoals de Heilige Geest die aan zijn hart openbaart, de enige toevlucht van zijn vermoeide ziel.

Zij zijn de enige weg van behoud van de toekomende toorn en de enige deur van hoop die voor hem geopend is in het dal Achor. Wanneer het geloof de blijde klank hoort en aanneemt, is het daarom voor hem een blijde boodschap, goed nieuws over de Heere Jezus: nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande. (Hebreeën 9:26.)

De overtuigende werkingen van de Heilige Geest op zijn geweten zijn die toebereidingen van het hart geweest die van de Heere zijn. Door het hart open te breken geven zij het die diepte van aarde zonder welke er geen goede zaaibedding is waarin het woord van het leven kan ontkiemen en groeien. Want zolang de braakliggende grond van het hart niet is opengebroken door de ploegschaar van de wet, is het louter zaaien tussen de doornen om de blote leer van de verzoening in het verstand op te nemen.

Omdat er in een hart zonder genade geen levend geloof is, kan er geen geestelijk zicht zijn op het bloed van het kruis. Er is dan geen gezicht op de kermende, worstelende Zoon van God, geen verborgen, heilig binnengaan in Zijn smarten, geen heilige gemeenschap aan Zijn lijden en geen innerlijke gelijkvormigheid aan Zijn dood. Maar waar de Heilige Geest de ziel van zonde heeft overtuigd en zo het hart heeft bereid voor de ontvangst van verzoenend bloed en stervende liefde, openbaart Hij vroeg of laat de Zoon van God als de Middelaar, de enige Middelaar tussen God en de mensen. Hij doet dat vooral in Zijn hoedanigheid van het Lam Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld. (Openbaring 13:8.)

Deze gedachtegang voert ons meteen naar het onderwerp van het offer dat aan het kruis door de lijdende Zoon van God is gebracht. Wij hadden voorgesteld om met de hulp en zegen van de Heere de aard van dat offer te tonen en aan te tonen dat het inderdaad een verzoenend offer voor de zonde was. Daarom nemen wij hier de draad van onze overdenkingen over de gezegende Heere als de grote Hogepriester over het huis van God weer op. Onze lezers herinneren zich ongetwijfeld dat wij zorgvuldig onderscheid hebben willen maken tussen het verleden en het heden van het werk van onze grote Hogepriester.

Voordat Hij de geest gaf en zo Zijn leven aflegde als de laatste en bekronende daad van Zijn lijdende gehoorzaamheid, riep onze genadige Heere met luide stem: Het is volbracht! (Mattheüs 27:50; Johannes 19:30.) Het offer was dus volgens Zijn eigen getuigenis voltooid in en door de dood van het heilige Slachtoffer. Zoals de hogepriester op de plechtige verzoendag niet binnen het voorhangsel kon gaan voordat hij het bloed van de geslachte var kon binnendragen, zo kon Zijn Tegenbeeld, de Heere Jezus Christus, niet in de hemelse voorhoven ingaan voordat Hij eerst beneden had gebloed en was gestorven. Om een werkzaam offer te vormen waren verscheidene dingen vereist:

1. Het geheel moest overeenkomstig de soevereine wil van God zijn. Het slachtoffer moest van Zijn keuze zijn en de hele regeling moest geheel aan Zijn hoogste beschikking staan. Dit zien wij het duidelijkst aangeduid in de nauwkeurige aanwijzingen die voor de Levitische offers gegeven zijn. Wij zullen straks gelegenheid hebben daar uitvoeriger naar te verwijzen.

2. Het bloed van het slachtoffer moest vergoten worden, want het bloed is het leven; (Genesis 9:4;) het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen; (Leviticus 17:11;) en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. (Hebreeën 9:22.)

3. Het slachtoffer moest sterven. De dood was de oorspronkelijke straf voor ongehoorzaamheid (want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven, Genesis 2:17). Daarom kan het offer niet voltooid zijn zonder de dood van het slachtoffer. Zo is Jezus gehoorzaam geworden zijnde tot den dood. (Filippenzen 2:8.) Hij heeft Zijn ziel uitgestort in den dood (Jesaja 53:12) en Zijn leven gegeven voor de schapen. (Johannes 10:11.)

4. Het slachtoffer moest ook zonder vlek of gebrek zijn, in de meeste gevallen een mannelijk dier en in één geval, dat van het paaslam, een manneken, een jaar oud. (Exodus 12:5.) Het sterkere geslacht stond voor kracht, de rijpe leeftijd voor volwassenheid en de vrijheid van gebrek voor vlekkeloze reinheid. Deze drie kenmerken kwamen op gezegende wijze samen in de Christus van God. Want als sterke droeg Hij onze zonden in Zijn lichaam op het hout. Als volwassene is Hij door lijden volmaakt gemaakt en als een Lam zonder gebrek en zonder smet was Hij de Heilige Israëls.

Wij hebben reeds gewezen op de offers die onder de wet gebracht werden en te kennen gegeven dat wij die uitvoeriger zouden bekijken wanneer wij dit deel van ons onderwerp bereikten. Dit zullen wij nu met de hulp en zegen van de Heere trachten te doen, in de hoop daarmee enig licht te werpen op het enige ware Offer dat Jezus op het kruis van Golgotha heeft gebracht.

Wij moeten vooral de eerste hoofdstukken van het boek Leviticus opslaan om de offers te onderzoeken die door God zijn ingesteld als voorbeelden en vertegenwoordigers van dit grote, dit alverzoenende Offer.

1. Het eerste offer dat daar voor ogen komt is “het brandoffer”, waarvan wij nu de aard en de zinnebeeldige bedoeling willen overwegen. En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende: Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen. Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN. (Leviticus 1:1-3.)

Ons bestek laat niet toe dat wij aan dit opmerkelijke offer alle aandacht schenken die het belang ervan eist. Wij moeten volstaan met enkele wenken voor de eigen nuttige overpeinzing van onze lezers. Het “brandoffer” was een van de oudste offerwijzen. Het eerste vermelde geval van het offeren ervan was door Noach na de zondvloed:* En Noach bouwde den HEERE een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar. (Genesis 8:20.)

Dit was ongetwijfeld een type van het offer dat de Heere Jezus aan het kruis bracht. Want wij lezen dat de HEERE rook dien liefelijken reuk (of “reuk van rust”, volgens de kanttekening). Is het niet geschreven dat Christus Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk? (Efeze 5:2.) En rust de Vader niet met onuitsprekelijk welbehagen en vreugde op het offer dat zo door Zijn eniggeboren Zoon aan de beledigde Gerechtigheid is gebracht?

*Wij noemen het offer van Habel niet. Van hem is opgetekend dat hij bracht van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. (Genesis 4:4.) De uitdrukkelijke vermelding van “het vet” lijkt erop te wijzen dat alleen het vet en niet het hele slachtoffer op het altaar werd verbrand.

Het volgende geval van deze offerwijze is, naar wij geloven, toen God Abraham gebood: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer. (Genesis 22:2.)

Hoewel het offer van Izak zelf door de stem van de Heere uit de hemel werd gestuit, offerde Abraham de ram die met zijn hoornen in het struikgewas verward zat als brandoffer in de plaats van zijn zoon. Die ram was een type van Jezus, als het ware verward in het struikgewas van onze zonden. Andere gevallen vóór het geven van de wet zijn die bij Job (Job 1:5; Job 42:8) en bij Jethro (Exodus 18:12). Omdat zij geen bijzondere lering bevatten, hoeven wij er hier niet bij stil te staan.

Uit de twee gevallen van Noach en Abraham blijkt voldoende dat het brandoffer al bestond, ongetwijfeld op Gods eigen instelling, vóór de oprichting van de tabernakel in de woestijn. De ceremoniële wet die toen werd ingesteld gaf het alleen een bijzondere en bijkomende bekrachtiging. Zij plaatste het als het ware op een nieuwe grondslag en gaf de offeraar meer bepaalde en nauwkeurige voorschriften, zodat het type voller zou zijn.

Het onderscheidende kenmerk was dat het geheel verbrand werd. Dat was een type van twee dingen. Het eerste was de toorn van God, als een verterend vuur dat het slachtoffer geheel verbrandt, zoals Hij lichaam en ziel in de hel zal verbranden. Het tweede was, zoals wij straks uitvoeriger zullen tonen, de vlammen van zichzelf opofferende liefde. Daarin werden lichaam en ziel van Jezus als het ware geheel verteerd in de toewijding van Zijn hart.

1. Maar omdat wij ons hebben voorgenomen onze aandacht vooral te richten op de eerste hoofdstukken van Leviticus, noemen wij eerst een voorafgaand kenmerk: het was geheel vrijwillig. Er staat: naar zijn welgevallen. Het was niet, zoals het zondoffer of het schuldoffer, een offer dat speciaal voor een bepaalde zonde werd gebracht en als het ware door schuld van geweten uit de man werd geperst. Het werd gewillig gebracht, uit eigen beweging van de man.

Dit bijzondere kenmerk van het brandoffer, dat op dit punt, zoals men zal opmerken, goed overeenstemt met de vrijwillige brandoffers die Job voor zijn zonen bracht (Job 1:5), wijst op het opvallende karakter van het offer dat onze grote Hogepriester bracht: het was van Zijn kant geheel een vrijwillige daad. Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! was de taal van de Zoon van God toen Hij het lichaam aannam dat de Vader Hem had toebereid.

De eeuwige liefde waarmee de Zoon van God de gemeente liefhad voordat Hij Zichzelf voor haar overgaf (Galaten 2:20; Efeze 5:25), Zijn verbondsverplichtingen ten behoeve van haar (Psalm 89:20; Psalm 89:36-37) en het feit dat Hij op de tijd van Zijn menswording vooruitliep door Zijn verschillende verschijningen in menselijke gedaante onder het Oude Testament, waren allemaal tekenen en aanwijzingen van de heilige gretigheid waarmee Hij het werk aanvatte dat de Vader Hem te doen gaf.

Als de Zoon van de Vader in waarheid en liefde, als Degene Die van alle eeuwigheid als Zijn eniggeboren Zoon in Zijn schoot lag, kende Hij de wil van de Vader. Want Hij en de Vader zijn één: één in wezen, één in natuur, één in wil. (2 Johannes 1:3; Johannes 1:18; Johannes 10:30.) De wil van de Vader was dat Hij een lichaam zou aannemen dat de Vader in Zijn oneindige wijsheid en genade voor Hem had toebereid, het als offer zou opdragen en zo de gemeente met Zijn dierbaar bloed zou verlossen en heiligen.

Heel Zijn lijdende en gehoorzame leven was een doen van de wil van God. Hij kon immers altijd zeggen: Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is. (Johannes 8:29.) Maar zoals wij al hebben aangewezen deed Hij de wil van God vooral toen Hij Zichzelf als Hogepriester heiligde of wijdde in Zijn voorbedegebed. (Johannes 17:19.) Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. (Hebreeën 10:14.) Heel Zijn hart hijgde er daarom naar die wil te doen.

Zo lezen wij op Zijn laatste reis, nadat Hij door Jericho was getrokken, dat Hij voor hen heen reisde terwijl zij op weg waren naar Jeruzalem. (Lukas 19:28.) Het was alsof Hij hun dralende stappen wilde bestraffen en voor hen uit wilde gaan, niet alleen om hun de weg naar het kruis te wijzen maar ook om er zelf met alle heilige gretigheid op af te gaan.

In die geest zei Hij bij een eerdere gelegenheid: Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij. (Lukas 12:50.) In de kanttekening staat voor “geperst” het woord “gepijnigd”. Deze doop was de doop van lijden en bloed waarin Hij zou worden ondergedompeld wanneer alle golven en baren van Gods toorn over Hem heen gingen. Maar Zijn heilige ziel werd geperst, of als het ware samengetrokken met de koorden van liefde, en “gepijnigd” door het uitstel. De tijd zelf ging te langzaam voort voor Zijn vurig verlangen om de hele wil van God te doen en te lijden.

Dit vrijwillig aanbieden van Zichzelf om geheel aan God te worden opgeofferd, zoals het brandoffer geheel werd verteerd, is een bijzonder gezegend kenmerk van het offer dat aan het kruis voltooid werd door den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis. (Hebreeën 3:1.) Als Apostel, of gezant van God, die in Zijn hart en handen een boodschap van barmhartigheid bracht, kwam Hij uit de schoot van de Vader voort in zichzelf opofferende liefde. Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden; (Johannes 15:13;) Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft. (Galaten 2:20.)

Hoeveel smart of lijden Hij ook moest doorstaan, Jezus kon toch zeggen: Zie, ik kom; in de rol des boeks (het boek van Gods eeuwige raadsbesluiten en vaste verordeningen) is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. (Psalm 40:8-9.)

Zo geldt van Hem: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. (Jesaja 53:7.) Heel Zijn gehoorzame en lijdende leven was een vrijwillig opdragen van Zichzelf om de wil van God te doen en te lijden. Maar vooral in Zijn laatste daden, waarin Hij Zichzelf als offer opdraagt, zien wij dat openbaar worden.

In die geest trekt Hij, zoals wij al hebben aangewezen, op naar Jeruzalem, want daar moest Hij sterven. Hij zei het Zelf: Doch Ik moet heden, en morgen, en den volgenden dag reizen; want het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. (Lukas 13:33.) In die geest trok Hij Jeruzalem binnen, in zachtmoedige maar heilige zegetocht, zittende op het veulen ener ezelin. (Johannes 12:15.) In die geest ging Hij met Zijn discipelen aan tafel voor het paasmaal, toen Hij tot hen zei: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde. (Lukas 22:15.)

En in dezelfde geest legde Hij vrijwillig Zijn leven af als de laatste daad van Zijn gewillige, lijdende gehoorzaamheid, naar Zijn eigen woorden: Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod (dat wil zeggen dit opgelegde deel van Mijn priesterlijk ambt, want Hij spreekt hier niet over Zijn wezenlijk leven maar over Zijn middelaarsleven) heb Ik van Mijn Vader ontvangen. (Johannes 10:17-18.)

2. Maar laten wij nu nog een ander kenmerk bekijken, eigenlijk het leidende en voornaamste kenmerk van het brandoffer. Het moest geheel verbrand worden: de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE. (Leviticus 1:9.) Bij de andere offers werden alleen het vet (dat is het inwendige vet), de nieren en de lever op het altaar verbrand, want dat was een spijs des vuuroffers, tot een liefelijken reuk, en alle vet zal des HEEREN zijn. (Leviticus 3:16.) Maar het brandoffer werd geheel verbrand.

Het brandoffer stelt dus de opoffering voor van de reine mensheid van Christus, niet alleen in de vlammen van Gods toorn tegen de zonde, zonder welke het helemaal geen offer zou zijn geweest, maar ook in de reine en heilige vlammen van kinderlijke liefde en toewijding aan de wil van de Vader.

Het stelde dus niet zozeer de verzoening voor die door het offer van Christus voor de zonde is gedaan in haar aspect naar de mens toe, want dat werd vollediger afgebeeld in de zondoffers en schuldoffers en vooral in het offer van de var en de bok op de grote verzoendag. Het stelde de verzoening voor in haar aspect naar God toe. Er waren zekere werkingen van onuitsprekelijke liefde tussen de Vader en de Zoon toen Jezus de wil van God op aarde deed en leed, waarvan wij in het woord van de waarheid slechts flauwe glimpen opvangen. Maar deze werkingen hingen op een geheimzinnige en ondoorgrondelijke wijze samen met de gehoorzaamheid tot de dood van de Zoon van God.

Zo zei de Heere Zelf: Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. (Johannes 10:17.) Hier is de liefde van de Vader verbonden met de gehoorzaamheid van de Zoon. Het is een liefde die niet los staat van en niet onafhankelijk is van de eeuwige liefde waarmee de Vader Hem altijd liefhad als Zijn eniggeboren Zoon. Het is een liefde tot Hem als de Godmens-Middelaar. Het is een behagen in Zijn gehoorzaamheid als Zijn eigen gezonden knecht: Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene. Hij is het uitverkoren Hoofd van de gemeente: in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft. (Jesaja 42:1.)

De lijdzaamheid, de zachtmoedigheid, de onderwerping, de overgave, het geloof, de hoop en de liefde, de nederigheid, de gebrokenheid van hart en de reine en heilige, onwankelbare, onverschrokken gehoorzaamheid van Jezus in Zijn heilige mensheid vervulden Zijn goedkeurende en aanvaardende God en Vader met onuitsprekelijk behagen. Zijn eeuwige liefde tot Hem als Zijn eniggeboren Zoon, het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, werd zo als het ware in een nieuwe stroom van onuitsprekelijk welbehagen en verrukking geleid.

Zoals de eeuwige Vader met onuitsprekelijk behagen en welgevallen neerzag op de Zoon van Zijn eeuwige liefde toen Hij in de Jordaan werd gedoopt en zo alle gerechtigheid vervulde, (Mattheüs 3:15,) en in type en beeld Zijn toekomstige doop van lijden en bloed toonde, zo was het ook een offer van liefelijke reuk voor Zijn hemelse Vader toen Jezus aan het kruis hing. De Vader had dat behagen hoorbaar uitgesproken met een stem uit de hemel: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! (Mattheüs 3:17.) Aan het kruis hing Hij, verteerd in de vlammen van Zijn eigen zichzelf opofferende gehoorzaamheid en liefde.

Niet dat de Vader in zichzelf behagen schepte in de smarten en het lijden van Zijn medegelijke, mede-eeuwige Zoon, maar Hij schepte behagen in Hem omdat Hij Zijn wil deed en Hem zo verheerlijkte.

Hoe plechtig zijn de woorden toen Jezus Zichzelf als Hogepriester wijdde in het begin van Zijn voorbedegebed, en welk een heilig en gewijd licht werpen zij op die handelingen tussen de Vader en de Zoon waarop wij de aandacht van onze lezers hebben gevestigd! Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. (Johannes 17:1.) Het brandoffer stelt dus eerder voor wat Jezus aan het kruis voor Zijn hemelse Vader was dan wat Hij voor de mens en tot de mens was.

Het kruis van onze gezegende en lijdende Heere heeft zo als het ware twee kanten, een naar God gekeerd en een naar de mens gekeerd. Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is; (Johannes 8:29;) Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken; (Johannes 12:28;) Steek uw zwaard in de schede. Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken? (Johannes 18:11.)

Deze uitspraken geven ons als het ware een blik in die diepe en geheimzinnige maar gezegende handelingen tussen de Vader en de Zoon. Daarin en daardoor verheerlijkte de Zoon de Vader doordat Hij gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. (Filippenzen 2:8.) En de Vader verheerlijkte de Zoon: eerst door Zijn gehoorzaamheid ten behoeve van de gemeente te aanvaarden en daarna door Hem uit de doden op te wekken, als verklaring van Zijn goddelijk Zoonschap (Romeinen 1:4) en opdat Hij deel zou hebben aan Zijn troon (Openbaring 3:21). Zo heeft God Hem uitermate verhoogd tot Zijn eigen rechterhand en Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is. (Filippenzen 2:9.)

Zo stelde het brandoffer twee dingen voor: 1, het offer van Jezus voor de zonde in de vlammen van de goddelijke toorn; 2, het offer van Zijn gehoorzame lichaam en ziel in de vlammen van zichzelf opofferende toewijding aan de wil van de Vader. Dit laatste aspect van het kruis wordt, naar wij menen, door het volk van God onvoldoende in gedachten gehouden. Wij zien het offer van Jezus, het verzoenende bloed en het voleindigde werk van de Zoon van God aan het kruis, van nature meer met het oog op onze eigen persoonlijke zaligheid dan met het oog op de eer en heerlijkheid van God.

Maar er is in het kruis van de Heere Jezus Christus iets veel diepers en hogers dan alleen de redding van de gemeente uit de puinhopen van de val. Het staat in de meest volkomen en gezegende harmonie met elke goddelijke volmaaktheid van Jehova. Het bergt niet alleen rijkdom Zijner genade in zich, maar ook oneindige diepten van veelvuldige wijsheid. (Efeze 1:7; Efeze 3:10.) Toch was de zaligheid van de gemeente in Gods gedachten ondergeschikt aan de openbaring van Zijn eigen heerlijkheid. Dat moet altijd het hoogste en uiteindelijke doel zijn van al Zijn raadsplannen en voornemens, van al Zijn wegen en werken.

Ere zij God in de hoogste hemelen was de eerste toon in het lied van de engelen en ging vooraf aan vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. (Lukas 2:14.) Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden! (Numeri 14:21.) Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade; (Efeze 1:6;) Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. (Romeinen 11:36.) Zo spreekt de Heilige Geest in het woord van de waarheid.

De zonde brak in op de oorspronkelijke heerlijkheid van God, zoals die geopenbaard was in de schepping van de mens naar Zijn beeld, naar Zijn gelijkenis. ziet, het was zeer goed (Genesis 1:31) was Gods eigen getuigenis van Zijn heerlijkheid in de schepping. Maar de intrede van de zonde bedierf en ontsierde die door het beeld van God in de mens te bederven en te ontsieren. Zo werd door de intrede van de zonde Gods gerechtigheid geschonden, Zijn werk ontsierd, Zijn gebod met voeten getreden en Zijn heiligheid beledigd. Het Paradijs, Zijn eigen tuin waar vrede en geluk, reinheid en onschuld woonden, werd bezoedeld door het gif van de slang.

De Zoon van God nam in de plechtige raadsbesluiten van de eeuwigheid op Zich om als lijdende Borg, door Zijn eigen gehoorzaamheid tot de dood, de eer van Zijn Vader te handhaven, Zijn geschonden wet te vervullen en Zijn gerechtigheid te verheerlijken. Tegelijk en op dezelfde weg zou Hij Zijn barmhartigheid tonen en Zijn genade openbaren. Dat zijn eigenschappen van Jehova die tot dan toe voor engelenverstanden onontdekt waren. (1 Petrus 1:12.) De heerlijkheid van God was daarbij Zijn hoofddoel en bedoeling.

Dit kon echter alleen door het kruis geschieden, want dat is de wijsheid Gods en tegelijk de kracht Gods. (1 Korinthe 1:24.) Alleen daardoor konden alle heerlijke volmaaktheden van Jehova, zoals Zijn gerechtigheid en Zijn barmhartigheid, Zijn heiligheid en Zijn genade, volkomen met elkaar in overeenstemming worden gebracht. (Psalm 85:11-12; Romeinen 3:26.)

Toen de lijdende Zoon van God Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, deed Hij dat in de vlammen van de hevigste liefde en toewijding aan de wil van Zijn hemelse Vader. Hij zocht Zijn heerlijkheid en niet de Zijne. Hij deed het op het moment van en door Zijn eigen diepste en laagste vernedering, zelfs toen Hij brandde in de vlammen van Gods toorn tegen de zonde en uitriep onder het verbergen van Zijn aangezicht. Toen rustten de ogen van de Vader met onuitsprekelijk welbehagen en vreugde op de Zoon van Zijn liefde.

Welk oog dan dat van de Vader kon Zijn hart lezen, dat smolt in de vlammen van de toorn als was en toch smolt tot de hevigste toewijding en liefde? (Psalm 22:15.) Wie anders kon Zijn volmaakte en onwankelbare gehoorzaamheid aan de wil van de Vader zien in het drinken van de beker die in Zijn hand was gegeven tot de laatste en laagste droesem? Wiens alziende oog behalve dat van de Vader kon de ijver voor Zijn eer en heerlijkheid lezen die Hem zelfs toen, in de vlammen van zichzelf wijdende liefde, verteerde? (Psalm 69:10.)

Welk engelenoog, en nog minder welk menselijk oog, bemerkte aan het kruis van de gezegende Heere de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte van die liefde die de kennis te boven gaat? (Efeze 3:18-19.) Wie kon dit verbazingwekkende schouwspel van smart en van gehoorzaamheid tot in de dood zo aanschouwen dat hij de diepten van het hart van Christus volledig las, behalve de alziende God?

Waar waren de discipelen? Gevlucht. Waar was Zijn moeder, de maagd? Weenend en klagend aan de voet van het kruis, terwijl ook door haar eigen ziel een zwaard ging. (Lukas 2:35; Johannes 19:25.) Waar waren de engelen? Zij stonden in stille ontzetting te verwonderen terwijl zij zich bukten om het plechtige geheim te zien. Waar waren Zijn vijanden? Zij triomfeerden in spot en hoon, want hun kortstondig uur en dat van de macht van de duisternis was gekomen.

Waar was de zon zelf? Zij verborg haar gezicht, alsof zij ontsteld was haar Maker te zien sterven. Waar was de vaste aarde? Zij schudde tot haar grondvesten, alsof zij het gewicht van de lijdende Zoon van God niet kon dragen. Waar waren de rotsen? Zij spleten tot hun middelpunt, alsof zij de lichamen van de heiligen die aan hun hoede waren toevertrouwd niet langer konden vasthouden maar moesten laten gaan om de dood van hun Heere te aanschouwen.

Welk oog dan, behalve dat van de Vader, zag de lijdende Zoon van God in alle diepten en volheid van Zijn bloedende, stervende liefde, in de hele intensiteit van Zijn zichzelf opofferende toewijding en in de gelatenste kinderlijke onderwerping aan en volmaakte uitvoering van Zijn soevereine wil?

3. Maar wij moeten nu nog een ander onderscheidend kenmerk van het brandoffer noemen, waarin ongetwijfeld op typische wijze een genadige les voor de gemeente van God besloten ligt: Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen. (Leviticus 1:6.) Het villen van het brandoffer, of het verwijderen van de buitenste huid, legde noodzakelijk het binnenste vlees bloot met alle spieren en gewrichten van het lichaam. Zo bracht het twee dingen aan het licht: 1, de uitnemende reinheid van het inwendige vlees; en 2, de aard en kracht van de bewegende delen.

Want wij weten hoe schoon het vlees van een gevild dier is als de huid eraf getrokken wordt en hoe duidelijk spieren en gewrichten zijn als hun uitwendige bedekking weg is. Zo lijkt het villen van het brandoffer typisch twee dingen voor te stellen. Het eerste is de reinheid van het inwendige vlees van Jezus, want Zijn heilige mensheid was zowel inwendig als uitwendig, in ziel zowel als in lichaam, dat Heilige. (Lukas 1:35.) Het tweede is de reinheid en kracht van al Zijn beweegredenen.

Zouden wij het kunnen verdragen van onze huid ontdaan te worden, van ons uiterlijke leven, onze uitwendige en zichtbare belijdenis van godzaligheid? Zouden wij schoon bevonden worden als dat alles weggevild werd? De verborgen gewrichten en spieren van onze natuur en de verborgen beweegredenen van veel van onze woorden en daden zouden niet kunnen verdragen dat de huid van de belijdenis eraf werd getrokken.

Maar het heilige vlees van Jezus en al de gewrichten en spieren van Zijn reine mensheid, de verborgen beweegredenen van al Zijn woorden en werken, konden worden bekeken en doorzien door het alziende oog van God. Zij werden met onuitsprekelijk welgevallen aanschouwd in al hun reinheid en al hun kracht.

Onder de mensenkinderen lijken sommigen, zoals Jozef en Daniël, bijna zonder vlek of gebrek. Maar wat zijn zij vanbinnen? Wat zouden zij zijn als zij gevild werden, als de hele huid van hun belijdenis grondig werd afgestroopt? God heeft echter lust tot waarheid in het binnenste. (Psalm 51:8.) Want Hij, evenals Zijn woord, is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten; er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend* voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben. (Hebreeën 4:12-13.)

Maar het zuivere hart van Jezus kon dit alziende onderzoek verdragen. Onder Zijn heilige uiterlijke leven en wandel lag voor de mens verborgen de vlekkeloze reinheid van Zijn heilige ziel. Daardoor was Hij inwendig evenzeer als uitwendig een Lam zonder gebrek en zonder smet.

*Letterlijk “met ontblote nek”, dat wil zeggen dat de nek en de keel zichtbaar waren, zoals het geval was met de offers wanneer zij gevild en op het altaar gelegd werden met doorgesneden en opengelegde nek.

4. Het in stukken delen van het brandoffer was typisch voor het lijden van Jezus in de hof en aan het kruis. Zo werd ook het welriekende reukwerk dat de hogepriester op de grote verzoendag binnen het voorhangsel droeg, om een soortgelijke reden klein gestoten. (Leviticus 16:12.) Het wees op het gebroken hart en de gekneusde ziel van Jezus.

Zoals de stukken van het brandoffer op het altaar lagen, zo lag het gekneusde lichaam en de gekneusde ziel van het Lam van God aan het kruis. Toen die stukken op het koperen altaar verbrand werden, steeg er een rook uit op naar de hemel. Zo steeg ook, toen Hij Zichzelf voor ons gaf tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk, (Efeze 5:2,) de rook van Zijn verdienstelijke gehoorzaamheid en dood aanvaard op voor het aangezicht van Zijn hemelse Vader.

5. Nog een kenmerk moeten wij kort bespreken: zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen. Water was, dat weten wij, een type van de reinigende en heiligende werkingen van de Heilige Geest. Onze gezegende Heere had de reinigende werkingen van de Heilige Geest niet nodig, want Hij was heilig, onnozel, onbesmet. (Hebreeën 7:26.) Maar zoals Zijn heilige mensheid gevormd werd onder de overschaduwende invloeden en werkingen van de Heilige Geest, zo werd zij door Hem gezalfd met al Zijn gaven en genaden voor Zijn middelaarswerk (Jesaja 42:1-3; Jesaja 42:1) en op bijzondere wijze geheiligd voor Zijn verzoenend offer.

Zo lijkt hier een typische voorstelling te zijn van de kracht en genade van de Heilige Geest in verband met het offer van Jezus. Op Zijn heilige mensheid rustte de Heilige Geest in alle volheid van Zijn gaven en genaden. Daarom lezen wij van Jezus dat Hij door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft. (Hebreeën 9:14.)

Zoals bij het brandoffer het ingewand en de schenkels met water gewassen werden en zo typisch geheiligd werden, zo werden het hart van Jezus en ook de daden van Jezus als het ware gewijd door de zalving van de Heilige Geest. Zo werden zij heilig en aanvaardbaar voor God aangeboden op het altaar van het kruis. Maar hier gebiedt onze beperkte ruimte ons halt te houden. Wij waren van plan in dit stuk het zondoffer en het schuldoffer te overwegen, en het offer van de var en de bok op de grote verzoendag. Deze en andere punten die licht kunnen werpen op het offer van onze grote Hogepriester moeten wij nu echter tot een toekomstige gelegenheid uitstellen.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!