Toch zal ook dan de uiterste inspanning van de liefde en het hoogste inzicht van het schepsel die liefde van Christus nooit helemaal omvatten of volkomen doorgronden. Die liefde is in zichzelf onbegrijpelijk want oneindig en goddelijk. In de tijd en in de eeuwigheid is zij een liefde die de kennis te boven gaat.
Wie kan de hoeveelheid licht en warmte berekenen die in de zon woont en die zij uitstraalt? Op dit moment schijnt zij zo schitterend aan de middaghemel. Wij zien haar heldere stralen en voelen en genieten ze. Maar wie kan de miljoenen en miljoenen stralen tellen die zij over het hele aardoppervlak werpt? Zij verspreidt licht, warmte en vruchtbaarheid naar elke hoek. Als het schepsel al zo groot, zo heerlijk en zo onbegrijpelijk is, hoeveel groter, heerlijker en onbegrijpelijker moet dan zijn goddelijke Schepper zijn!
De Schrift getuigt over de heiligen in de heerlijkheid dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is (1 Johannes 3:2). Zij zullen de Heere zien aangezicht tot aangezicht en Hem kennen zoals zijzelf gekend zijn (1 Korinthe 13:12). De Heere zal ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam (Filippenzen 3:21). Zij zijn voorbestemd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn (Romeinen 8:29). Met David zullen zij belijden: ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken (Psalm 17:15).
Zij zijn voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel (Openbaring 7:15). Voor hen geldt: Uw zon zal niet meer ondergaan, want de HEERE zal u tot een eeuwig licht wezen (Jesaja 60:20). Zij ontvangen een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid (2 Korinthe 4:17). Zij zullen blinken als de glans des uitspansels en gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk (Daniël 12:3).
Maar bij al die onuitsprekelijke zaligheid en heerlijkheid moeten er in de oneindige Godheid peilloze diepten zijn. Geen schepsel kan ze ooit bereiken hoe hoog verheven het ook is. Er zijn hoogten die geen eindig en afhankelijk wezen ooit kan overzien. God is mens geworden maar de mens kan nooit God worden. Hij kent ons volkomen maar wij zullen Hem nooit volkomen kennen. Ook in de eeuwigheid kan tot het schepsel gezegd worden wat het in de tijd wordt gezegd: Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden? Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten? Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee (Job 11:7-9).
Wij geloven dat zelfs de eeuwigheid de hoogten en diepten van de liefde van de drie-enige God nooit volledig zal openbaren. Hoe weinig kan daarvan dan in onze tegenwoordige tijd gekend worden! En toch is dat weinige de enige balsem voor al ons verdriet en het enige fundament van vaste rust en vrede.


