The Word of God’s Grace
Gepredikt in de Eden Street Chapel, Hampstead Road, Londen, op dinsdagavond 4 september 1846.
“En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.” — Handelingen 20:32
Ik ken geen ontroerender gedeelte van Gods Woord dan Handelingen 20:17-38. Er staan twee verzen in die iemand met een gevoelig hart nauwelijks kan lezen zonder dat de tranen hem in de ogen komen: “En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om den hals van Paulus, kusten hem; Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden”. Wat een tedere liefde aan beide kanten! Wat een oprechtheid straalt er uit heel de toespraak van Paulus! Wat een edele eenvoud! Wat een ijver voor Gods eer! Wat een echt verlangen naar het geestelijk welzijn van hen van wie hij afscheid nam! Als de schaamte ooit haar wangen karmijnrood kon kleuren, dan moest het ongeloof wel blozen, als het dit treffende gedeelte van Gods Woord zou lezen en dan nog zou ontkennen dat het gestempeld is met elk kenmerk van echtheid en met een onbeschrijfelijke waarachtigheid en werkelijkheid, die zo duidelijk door elke regel heen schijnen.
Maar in de toespraak van Paulus tot de oudsten van de gemeente te Efeze zit iets veel diepers dan natuurlijke ontroering. Het is dieper dan zelfs de edele onbaatzuchtigheid die er zo sterk in op de voorgrond treedt, waardoor we zouden denken dat zelfs een natuurlijk mens met een gevoelig hart zijn afscheidswoorden nauwelijks kan lezen zonder dat zijn hart bewogen wordt. Dat alles is op zichzelf onuitsprekelijk schoon, maar los daarvan zien we, als we het lezen in het licht van de Geest, een schat van geestelijke en bevindelijke waarheid daarin liggen, vooral in de verzen die mijn tekst vormen.
Zo wil ik, met Gods zegen, de woorden die voor ons liggen vanavond behandelen. Ik maak geen formele indeling, maar neem ze door zoals ze voor mij liggen. En ik zie op naar de Heere, dat Hij mij mond en wijsheid zal zijn en mij zo uit deze woorden laat spreken dat God de eer heeft en Zijn volk de baat en de troost.
I.- Drie jaar lang had de apostel Paulus in Efeze gearbeid, en in die tijd had hij de discipelen nacht en dag met tranen vermaand. Daarmee liet hij duidelijk zien dat hun geestelijke belangen hem na aan het hart lagen en dat hij met de sterkste banden van eenheid en liefde aan hen verbonden was. In zijn eigen borst droeg hij een diep besef van zijn zwakheid en verdorvenheid, maar hij kende ook uit bevinding de rijke voorraden van Gods genade en wist hoe de kracht van Christus in zwakheid volbracht wordt. Hij was bedroefd toen hij van tevoren de strikken, beproevingen, verdrukkingen en verzoekingen zag die op hun pad lagen, maar hij werd bemoedigd doordat hij de rijke voorzieningen van verbondsgenade en liefde kende.
Toen hij op weg naar Jeruzalem in Milete aankwam, zond hij een bode naar Efeze, dat ongeveer dertig mijl verderop ligt, en liet de oudsten van de gemeente roepen. Hij wilde hun de dingen van God voorleggen. Deze oudsten waren de herders of dienaren van wie geldt dat “de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft”, letterlijk “bisschoppen”, over de kudde, “om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed”. Maar Paulus keek met profetisch oog vooruit en zag dat “na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen”. Hij zag de wolk van vervolging die op het punt stond los te barsten. Hij hoorde het verre gehuil van de “zware wolven” die weldra bij hen zouden binnenkomen. Een tijd lang waren die wolven door een goddelijke hand tegengehouden, maar nu stonden ze klaar om op de kudde te springen en haar, als God niet ingreep, in stukken te scheuren.
Toch lag er nog iets dichter bij zijn hart. Hij zag niet alleen de gevaren van buitenaf. Zijn profetisch oog ontwaarde niet alleen de vage gedaante van roofzuchtige wolven op de verre bergen, maar keek ook in het hart van de gemeente zelf, in het lichaam zelf. En wat een gezicht kwam daar voor zijn ogen! Hij zag dat zelfs uit dit kleine gezelschap, uit deze zwakke kudde zelf, “uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen”. Dat was de bitterste slag van allemaal! En ze zouden zich aan het hoofd van een groep willen stellen en proberen “de discipelen af te trekken achter zich”.
Toen hij zo naar de gemeente te Efeze keek en gevaren van buiten en van binnen zag naderen, wist en voelde hij dat niets dan de kracht van God hen kon bewaren. Hun belang lag hem warm op het hart, en daarom zegt hij: “Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.” “Zo hebt dan acht op uzelven en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.” Maar ongetwijfeld speelde dit door zijn gedachten: Wat baten mijn vermaningen?
Kunnen jullie ze opvolgen? Zijn jullie in staat te waken? Kunnen jullie jullie zelf bewaren? Kunnen jullie de kudde beschermen waarover de Heilige Geest jullie tot opzieners heeft gesteld? Nee. Hij kende de onmacht van het schepsel diep en wendde zich als het ware van hen af. Alsof hij wanhoopte aan alle menselijke kracht en wijsheid, nam hij hen in zijn armen en legde hen neer aan de voeten van God Zelf. Hij had hen gewaarschuwd zo goed hij kon. De tranen waren in rijke stromen over zijn wangen gevloeid. Hij had elk onderwerp van vermaning uitgeput.
Toen voelde hij dat alles zonder Gods bijzondere zegen niets vermag, en voegt hij er teder aan toe: “En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.”
De apostel wist goed hoe zondig het schepsel is. Uit pijnlijke persoonlijke ervaring kende hij de bron van het kwaad die in de borst van een zondaar woont, en hoe die bron voortdurend haar verdorven stromen uitzendt. Hij wist daarom dat deze innerlijke stroom van het kwaad zonder Gods genade zou doorbreken en elke dam zou wegspoelen die zij in eigen kracht ertegen konden opwerpen. Is dat ook niet onze ervaring, als we iets kennen van de bron van goddeloosheid die we in ons dragen? Heeft die niet alle voornemens doorbroken, alle tranen, alle zuchten, alle geloften, alle beloften? Is de zonde in onze vleselijke gezindheid niet zo sterk geweest dat ze elke muur doorbrak die de natuur kon optrekken en over elke dam stroomde die een mensenarm kon opwerpen? Hij kende hun zondigheid als verdorven schepselen, en daarom legt hij hen neer aan de voetbank van de soevereine genade.
Hij kende ook hun volkomen onmacht. Zij waren niet alleen zondig, diep zondig, goddeloos, hoogst goddeloos, maar ook machteloos, volkomen machteloos. Hij wist dat hij hen nacht en dag met tranen kon vermanen. Hij kon zijn adem en zijn leven besteden aan het aansporen om tot Gods eer te leven en te waken tegen elke vijand, van binnen en van buiten. Maar uit eigen ervaring was hij ervan overtuigd hoe onmachtig het schepsel is. Daarom doet hij wat een tedere moeder doet met haar hulpeloze baby: zij legt hem in een wieg waaruit hij niet kan vallen. Zo neemt hij hen in zijn armen en legt hen in de wieg van de barmhartigheid, in de ark van het verbond, zo veilig als de ark van Noach, waarvan staat: “En de HEERE sloot achter hem toe.”
Hij wist ook dat zij voor het grootste deel weinig wisten van het bedrog van de vijand. Zij hadden te weinig bevinding van de strikken die de satan voor hun voeten legde, en te weinig kennis van de macht en de overhand van de zonden die ons zo gemakkelijk omringen. Uit eigen bevinding kende hij de gevaren van de geestelijke veldtocht. Voor hem gold: “zijn gedachten zijn ons niet onbekend”. Daarom beveelt hij hen op bijzondere wijze aan bij het oog en het hart van de grote Overste van hun zaligheid, en zet hen als het ware in Zijn tent en onder Zijn banier.
Maar laten we deze beeldspraak verlaten en vragen hoe hij hen aan God aanbeveelt.
1. Ten eerste als aan een goede Vader. Waar moet een kind anders heen worden gebracht dan naar de armen van zijn vader? Is de vader niet zijn natuurlijke beschermer, door de nauwste en sterkste banden aan hem verbonden? Het oog van de vader, het hart van de vader, de arm van de vader, ze werken allemaal samen om het kind te beschermen. De aardse band tussen vader en kind, met al zijn tedere liefde, is slechts een afbeelding van de hemelse band tussen God en Zijn volk. Hij is hun Vader en hun God. Zo liet de Heere Zijn treurende discipelen troosten: “Maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.” Joh. 20:17
2. Hij beval hen ook aan bij Zijn alwetende oog. We kennen onszelf maar weinig, en elkaar nog minder. We weten niet wat we nodig hebben, wat goed voor ons is, welke strikken we moeten ontwijken en welke gevaren we moeten mijden. Ons pad ligt bezaaid met moeilijkheden, het zit vol verzoekingen, het wordt omringd door vijanden en omgeven door gevaren. Bij elke stap ligt een strik en bij elke bocht wacht een vijand. De hoogmoed graaft de kuil, de onachtzaamheid verbindt de ogen, het vleselijke verdooft en bedwelmt de zinnen, de lust van het vlees verleidt, de liefde tot de wereld lokt, het ongeloof verlamt de strijdende hand en de biddende knie, de zonde verstrikt de voeten, de schuld bevlekt het geweten en de satan klaagt de ziel aan.
Wie kan onder deze omstandigheden levend uit de strijd komen? Wie kan “elke storm doorstaan en ten slotte leven”? Alleen wie wandelt onder dat alziende oog, dat nooit sluimert of slaapt: “Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.” Hij wordt bewaard “in de kracht Gods”. “De HEERE is uw Bewaarder.” “Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.”
3. Verder beval hij hen aan bij Zijn almachtige hand. Het oog om te waken, de hand om te leiden en te beschermen. “Ik nochtans leerde Efraim gaan; Hij nam ze op Zijn armen.” “Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.” “De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen.” We kunnen niet op onszelf staan. We kunnen geen enkele goede stap zetten, tenzij almachtige kracht ons ondersteunt en leidt. Daarom riepen de heiligen van vroeger: “Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.” “Bewaar mij als het zwart des oogappels.” “Ontbloot mijn ziel niet.” Als hij hen dus aan God beveelt, beveelt hij hen niet alleen aan bij het oog dat nooit sluimert, maar ook bij de hand die nooit slap wordt.
4. Maar bovenal beval hij hen aan bij het tedere, liefdevolle hart van God. Daar komt het waakzame oog vandaan, daar komt de beschermende hand vandaan. De liefde, de eeuwige en onveranderlijke liefde, is de bron waaruit alle stromen van barmhartigheid en genade neerstromen naar de gemeente en naar elk afzonderlijk lid. “Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.” “De liefde vergaat nimmermeer.” Paulus mocht heengaan, er mochten wolven opstaan, ketterijen mochten de overhand krijgen, afvalligen mochten wegvallen, zware wolken mochten de gemeente bedekken en alles mocht in verwarring zijn, van binnen en van buiten. Eén ding zou de uitverkorenen van God niet ontbreken: de liefde die hen omarmde van eeuwigheid tot eeuwigheid. Als hij hen aan God beval, beval hij hen dus aan die liefde, die geen begin en geen einde kent, geen groei, geen afname en geen verandering.
Zo beval Paulus hen aan God, en hierin moet elke dienaar van het evangelie hem navolgen. Elke recht onderwezen dienstknecht van de Heere durft geen ogenblik te denken dat iets wat hij kan zeggen de zielen van de mensen kan baten, als hij onder een volk komt of van hen weggaat. Hij komt, als hij op de goede wijze komt, in afhankelijkheid van God voor een zegen die het woord volgt. En hij gaat weg, als hij op de goede wijze weggaat, biddend tot de Heere dat een zegen mag volgen op wat in zwakheid is gesproken. Zo kan geen recht onderwezen dienstknecht van de Heere het wagen onder Gods volk te gaan in vertrouwen op zijn eigen wijsheid of vermogen.
Hij verlangt ernaar hen in zijn armen te dragen voor het aangezicht van de Almachtige en met het oog van het geloof omhoog te zien, dat de Heere het woord zal zegenen. In zijn innerlijke gedachten “beveelt” hij hen aan God aan, als Hem Die alleen in hen kan werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is.
II.- Maar Paulus beval hen niet alleen “aan God”. Hij beval hen ook op bijzondere wijze aan “den woorde Zijner genade”. Er is een verschil tussen “genade” en “den woorde Zijner genade”. Alleen genade kan de ziel zaligmaken. Alleen overvloeiende genade kan onze verzwaarde ongerechtigheden uitwissen en voor het oog van de gerechtigheid verbergen. Maar het woord van Zijn genade is het woord dat deze genade in het hart brengt, dat leven en kracht aan de ziel meedeelt, dat de Geest door Zijn inwendig onderwijs en getuigenis op het geweten verzegelt, en waardoor Hij de gunst openbaart en uitstort waarvan Hij getuigt. Dit is wat het volk van de Heere nodig heeft. Het woord van de genade is wat hun ziel bereikt. Vrede komt niet in hun hart doordat ze in Gods Woord over genade lezen. Het is het woord van Zijn genade, wanneer het Hem behaagt dat woord met goddelijke kracht tot hun ziel te spreken, dat de zaligheid met zich meebrengt.
Het volk van de Heere verkeert voortdurend in zulke benauwde toestanden en omstandigheden dat niets hen kan verlossen dan het woord van Gods genade. Als de ziel door zware beproevingen moet, kan het horen over genade haar daar niet uit verlossen. Als felle verzoekingen haar belagen, kan het lezen over genade ze niet in stukken breken. Maar het woord van Zijn genade doet dat wel, wanneer het de Heere Zelf behaagt te spreken met Zijn eigen gezegende lippen en met Zijn eigen goddelijke kracht een belofte toe te passen. Het ondersteunt in de beproeving, verlost van de verzoeking, breekt strikken in stukken, maakt wat krom is recht en wat oneffen is vlak, brengt de gevangene uit het gevangenhuis en neemt het juk weg vanwege de zalving.
Toen de apostel gezegd had: “Ik bevele u Gode”, liet hij hen daar dus niet. Hij bracht hen verder, naar de plaats waar zij iets van Gods genade in hun hart zouden ontvangen, waar Zijn gunst zich aan hun zielen zou openbaren en waar Hij op bijzondere wijze met hun geweten zou handelen. Het is alsof hij er niet mee tevreden was hen aan Gods voeten neer te leggen. Hij beveelt hen aan bij Zijn “genade” en in het bijzonder bij het woord van Zijn genade in hun zielen. Als ik een beeld mag gebruiken, denk dan aan een moeder in nood (ik veroordeel de daad, hoewel ik het voorbeeld gebruik) die haar zuigeling niet kan onderhouden.
Ze neemt hem mee en legt hem neer voor de poort van een rijk man. Ze houdt de deur in het oog om te zien of die opengaat en het kind wordt binnengehaald. Ze heeft geen rust voordat ze de knecht ziet komen en het kind veilig naar binnen ziet nemen. Zolang het kind buiten ligt, is haar borst vol angst, maar als de deur opengaat en het kind veilig is ondergebracht, is het doel van haar moederlijke zorg bereikt. Zo neemt de apostel de gemeente, zoals de moeder haar baby neemt, en legt haar neer aan de voeten van de Heere.
Maar het woord van Zijn genade neemt het kind op in Zijn huis en in Zijn hart, opent de deur van Zijn boezem en spreidt de zoom van de liefde uit over het kind dat op het open veld was weggeworpen op de dag dat het geboren werd. Jullie die beven aan de voetbank van de barmhartigheid, is dit niet wat jullie ziel zoekt? Het is voor jullie niet genoeg dat jullie alleen tot de voetbank van de barmhartigheid worden gebracht. Het stilt jullie angstige hart niet dat jullie alleen in het gebed aan God worden aanbevolen.
Maar wanneer in het dal Achor een “deur der hoop” wordt geopend, wanneer de Heere een woord van vrede tot jullie ziel spreekt, Zijn genadige beloften op jullie hart toepast, door het woord van het leven genade meedeelt en de ziel zegent met een voorsmaak van Zijn gunst en barmhartigheid, dan is jullie verlangen vervuld.
III.- Maar over dit woord van Zijn genade zegt de apostel dat het “machtig is u op te bouwen”. Er was een fundament gelegd in hun hart. Ze waren weggehaald van de zandgrond van het eigen ik. Hun Babelse gerechtigheid was in stukken geslagen, en de baksteen en het slijk waren verstrooid naar de vier windstreken van de hemel. Christus was door de gezegende Geest als fundament in hun ziel gelegd. Tot Hem waren ze gekomen als arme, ellendige zondaren. Ze hadden Hem gegrepen. Hun levende geloof had Zijn Persoon gezien. Ze hadden ervaren hoe uitermate kostbaar Zijn bloed is. Onder Zijn gerechtigheid hadden ze beschutting gezocht. Een mate van Zijn stervende liefde was in hun hart uitgestort. Dit plaatste hen op een vast fundament, de Rots van de eeuwen! Daarop stonden ze dus, en “uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade”.
Daarop moesten ze nu worden gebouwd. Er was maar één ding dat hen zo kon opbouwen: het woord van Gods genade. Waarom? Omdat we van begin tot einde niets geestelijk goeds in ons hart hebben, behalve wat het woord van Gods genade meedeelt. Door het woord van Gods genade worden we eerst van de zandgrond weggehaald. Door het woord van Gods genade worden we op de Rots van de eeuwen gelegd. Door het woord van Gods genade wordt elke steen in het geestelijk gebouw geplaatst. En door het woord van Gods genade wordt eindelijk de hoofdsteen naar voren gebracht, met de toeroep: “Genade, genade zij denzelven!”
Dit is een les die we meestal met veel pijn moeten leren. We zijn er zeer happig op zelf de hand aan het werk te slaan. Net als Uzza moeten we de ark ondersteunen als we haar zien wankelen, en als het geloof waggelt, willen we een helpende hand toesteken. Maar dat schaadt het werk van God aan de ziel. Als het geheel een geestelijk gebouw moet zijn, als wij “levende stenen” zijn, gebouwd op een levend Hoofd, dan moet elke steen in die geestelijke tempel door God de Geest worden gelegd. En dan moet alles wat natuur is, alles wat schepsel en eigen ik is, volkomen worden neergeworpen, zodat Christus alles is.
Zo wordt Christus, en Christus alleen, gevormd in ons hart, de hoop van de heerlijkheid. Door hoeveel beproevingen zijn sommigen van jullie gegaan! Hoeveel scherpe, snijdende worstelingen! Hoeveel kwellende verzoekingen! Hoe vaak is het hart bezweken! Hoeveel vurige pijlen uit de hel! Hoeveel twijfels en vrezen! Hoeveel harde slavernij! Hoeveel schurende ketenen! Hoe vaak is het ijzer zelf in jullie ziel gedrongen! Waarom? Opdat jullie ervan worden afgehouden met eigen handen ook maar één steen aan het geestelijk gebouw toe te voegen.
De apostel zegt ons: “niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is”, namelijk Jezus Christus. Dan spreekt hij over hen die bouwen met “hout, hooi, stoppelen”, en over hen die “goud, zilver, kostelijke stenen” gebruikten, en zegt dat het “hout, hooi, stoppelen” door vuur verbrand moet worden. Als de Heere in het geweten van de zondaar een fundament heeft gelegd, hem dicht bij Zichzelf heeft gebracht, Jezus kostbaar voor zijn ziel heeft gemaakt en hoop en liefde in zijn hart heeft opgewekt, dan grijpt hij maar al te gemakkelijk naar materiaal dat God nooit erkent, “hout, hooi, stoppelen”, en trekt daarmee een zwak bouwsel van eigen maaksel op.
Maar dat bezwijkt in het uur van de beproeving, want het houdt geen enkele windvlaag van verzoeking stand. Eén vonk van de toekomende toorn, één blik op Gods ontzagwekkende majesteit, en dit “hout, hooi, stoppelen” brandt op als stro in de oven. Daarom moet het volk van de Heere door moeilijkheden, beproevingen, worstelingen en verzoekingen, door twijfels en vrezen, en over heel dat kwellende pad dat het gewoonlijk bewandelt. Zo worden ze ervan afgehouden een bouwsel van de natuur op te trekken op het fundament van de genade: “hout, hooi, stoppelen” op het heerlijke geheimenis van een mensgeworden God.
Maar het woord van Gods genade is “machtig” hen op te bouwen. Hebben jullie geleden onder verzoeking en zijn jullie eruit verlost? Het woord van Gods genade heeft jullie opgebouwd. Zijn jullie in zware beproeving geweest, heeft de Heere jullie daarin gezegend en eruit geleid? Het woord van Gods genade heeft jullie opgebouwd. Zijn jullie verstrikt geraakt in een dwaling en heeft de Heere jullie uit die dwaling gerukt door een deel van Zijn waarheid op jullie ziel toe te passen? Het woord van Gods genade heeft jullie opgebouwd. Waren jullie verstrikt in de lusten van het vlees, neergeworpen door een strik van de duivel, en heeft de Heere jullie daaruit verlost?
Het woord van Zijn genade heeft jullie opgebouwd. We worden niet opgebouwd door vleselijke heiligheid, door schepselsvroomheid, door lange en luide gebeden, door de daden en plichten van het vlees. Nee, zelfs niet door gezonde leerstellingen die in ons hoofd rondzweven. We worden opgebouwd door het woord van Gods genade, dat met goddelijke kracht op het hart wordt toegepast.
Maar datzelfde woord van genade wordt voor onze ziel meestal pas passend als we in de omstandigheden komen waarvoor het geschikt is. Is genade niet vrije gunst? En is het woord van Gods genade niet het middel waardoor deze vrije gunst wordt geopenbaard? Kan ik de hoogten, de diepten, het overvloeien, de vrijheid, de soevereiniteit en de almachtige kracht van de genade leren kennen, anders dan door te waden door de omstandigheden waarvoor zij bestemd is? Moet ik me niet eerst een schuldig zondaar voelen voordat genade zoet kan zijn? Moet ik niet de overvloed van innerlijke zonde kennen voordat het overvloedig overvloeien van Gods genade kostbaar kan zijn?
Moet ik niet iets weten van die bron van het kwaad die ik in mij draag, en mijn borst ontbloot zien met al haar verborgen gruwelen, voordat ik de genade kan kennen die bedekt, vergeeft en geneest? En deze genade kan ik alleen kennen door het woord van Gods genade, met andere woorden: door de zoete openbaring, de zalvende toepassing en de goddelijke onthulling van het evangelie van de genade van God.
Zo leidde de apostel hen er niet toe te rusten op hun eigen kracht en wijsheid, maar te leven van de bronvolheid van de grote, glorierijke, opgestane Middelaar. Dit is de enige weg om iets van genade te leren kennen. Ik kan al mijn dagen over genade horen en toch onwetend daarvan sterven. Ik kan onder predikers zitten die niets dan genade prediken en er toch in mijn hart even ver van af zijn als de satan zelf. Maar als het woord van Gods genade in mijn hart valt, als het de Heere de Geest behaagt Zijn eigen kostbare waarheid in mijn ziel te zenden en door dat woord een besef van Zijn overvloeiende genade mee te delen, dan, en alleen dan, is zij de mijne.
Er is ook geen andere manier om geestelijk opgebouwd te worden. Leerstellingen kunnen jullie niet opbouwen. Verdorvenheden kunnen jullie niet opbouwen. Twijfels en vrezen kunnen jullie niet opbouwen. Beproevingen en worstelingen kunnen jullie niet opbouwen. Verzoekingen kunnen jullie niet opbouwen. Zware verliezen in de voorzienigheid en snijdende verdrukkingen in de genade kunnen jullie niet opbouwen. Die breken af, ze werpen neer, ze verstrooien het “hout, hooi, stoppelen” naar de winden. Ze laten jullie achter in een wilde, kale woestijn, in een woeste, huilende wildernis. Maar het woord van Gods genade, uit Christus’ onuitputtelijke, goddelijke volheid aan de ziel meegedeeld, bouwt als enige op.
Alle andere bouw is een grondeloos bouwsel, een kaartenhuis, een luchtkasteel, een nevel die voor de wind wordt weggedreven.
IV.- Maar er was nog iets: “en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.” Er is dus een volk dat geheiligd is, dat wil zeggen:
1. afgezonderd in het verbond, in Gods eeuwige besluiten, en
2. geheiligd door het werk van de gezegende Geest in hun hart, waardoor ze bekwaam gemaakt worden voor “de erve der heiligen in het licht”. Door het eerste waren ze afgescheiden door Gods oorspronkelijke besluit en voornemen. Dat maakte hen tot “een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk”. “Heiligen” is: afzonderen als het bijzondere eigendom van God. Zo zegt God tot Mozes: “Heilig Mij alle eerstgeborenen” Ex. 13:2, wat Hij in Ex. 13:12 uitlegt als een afzondering voor de HEERE. Zo heiligde God ook de zevende dag, door haar als sabbat af te zonderen van de andere dagen van de week. Dit is de enige oorspronkelijke wortel en bron van heiligheid. Mensen maken zichzelf niet heilig door een daad van hun eigen vrije keuze, zodat ze zich door die heiligheid bij God aanbevelen en de hemel verwerven. Dat is papisme.
Heiligheid bestaat niet in een bepaald aantal plichten die vervuld moeten worden, gebeden die gezegd moeten worden, sacramenten en verordeningen die bijgewoond moeten worden, aalmoezen die gegeven moeten worden, hartstochten die bedwongen moeten worden, kleding die gedragen moet worden of tranen die geschreid moeten worden. Vrucht moet, om vrucht te zijn, aan een boom groeien, door sap gevoed worden, door de zon rijp worden en door regenbuien verkwikt worden. Ze is een levend voortbrengsel van een goddelijk werktuig. Bloemen en vruchten kunnen uit was worden gevormd, en zo mooi dat men ze nauwelijks van echte kan onderscheiden. Maar ze missen geur, sap en smaak.
Zo is menselijke heiligheid: een gevormde, beschilderde, kunstmatige nabootsing van de “edele vruchten, cyprus met nardus; Nardus en saffraan, kalmus en kaneel” die in de hof van de Beminde groeien. Christus is de Heilige Israëls. Het Hoofd van de gemeente is heilig, in Zichzelf en voor eeuwig. De leden zijn heilig omdat ze met dat Hoofd verenigd zijn. Een heilig Hoofd kan geen onheilige leden hebben. Zo is Christus de heiligmaking van de gemeente: zij is heilig in Zijn heiligheid, evenals rechtvaardig in Zijn gerechtigheid. Dit is de wortel. Daaruit komt de persoonlijke, innerlijke heiligmaking door het wedergeboortewerk van de Heilige Geest.
Hij geeft het nieuwe hart en de nieuwe geest. Hij deelt heilige verlangens, genegenheden, zuchten en genietingen mee, met elke genadevrucht: Hij werkt berouw en godvruchtig verdriet over de zonde, gebrokenheid van hart en verbrijzeling van geest, tederheid van geweten, geloof, hoop en liefde, zachtmoedigheid, overgave, nederigheid, gebedsgeest en waakzaamheid, het afwijken van het kwade en het aanhangen van al het goede. En Hij werkt al die uiterlijke vruchten van gerechtigheid, die tot Gods eer zijn. Dit is evangelische heiligheid, heiligheid als de bijzondere gave en het werk van de Heilige Geest. Het is de enige ware en aanvaardbare heiligheid, en zonder die zal niemand de Heere zien.
Wie zo geheiligd zijn, hebben een eeuwig erfdeel, als erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus. Alle andere heiligheid is de heiligheid van de pij en het klooster, een monnikachtig farizeïsme, met bijgeloof als wortel, onwetendheid als steun, hoogmoed als vrucht en de vloek van God als einde.
Hoe anders is dat goddelijke werk, dat jullie hart doet smelten en breken, oplost en laag neerlegt in aanbidding aan de voeten van Hem Die jullie liefhad en Zichzelf voor jullie gaf. Dit is een erfdeel “onder al de geheiligden”. Wie in Gods eeuwig voornemen waren afgezonderd, zijn uitverkoren tot het genieten van dit erfdeel. Zij hebben de eerstelingen van de Geest, die het woord van Gods genade meedeelt als het in het hart valt. Want dat brengt licht, leven, vrijheid, liefde, gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus, een vernieuwing in de geest van het gemoed en een afscheiding van de wereld en al haar vergankelijke ijdelheden en bekoringen. En het drukt in het hart een mate van Christus’ zaligheid. Dit alles gebeurt geheel en uitsluitend door het woord van Gods genade. Past dit niet bij de zondaar?
Stel dat het zo was, God verhoede dat het ook maar een ogenblik zo zou zijn, dat ik door eigen inspanning eerst genade in mijn hart moest brengen en zo het fundament leggen. En dat ik door eigen inspanning het werk moest voortzetten en zo het bouwwerk moest optrekken. Zou ik dan niet falen, volkomen falen? Maar nu doet genade alles, van begin tot einde. Genade schreef de namen van Gods volk in het boek van het leven. Genade gaf hen aan Jezus om te verlossen. Genade maakte op Gods bestemde tijd hun ziel levend. Genade openbaarde aan hun geweten de reinigende kracht van Christus’ bloed.
Genade zal hen veilig door al hun beproevingen en verzoekingen brengen, zal volbrengen wat hen aangaat, en moet en zal heersen door gerechtigheid tot het eeuwige leven. Hoe passend, hoe meer dan passend is dit voor een arme, schuldige zondaar, die niets heeft en in zichzelf niets anders voelt dan lompen en ondergang! Het woord van Gods genade legt in de hand van de Geest het fundament. Het woord van Gods genade maakt Jezus bekend in het eeuwige evangelie en richt zo het bouwwerk op. Het woord van Gods genade draagt door de armen van de dood heen en zet zo de dekstenen erop.
En de gewelven van de hemel zullen eeuwig de lof laten klinken van de heerlijkheid van die genade die hen “begenadigd heeft in den Geliefde”. Elk levend verlangen naar de Heere, elk levend besef van Zijn genade en heerlijkheid, elke smeltende liefde voor Zijn lieflijke Persoon, elke ontvangst van Hem in het hart als de Christus van God, elke daad van geloof, hoop of liefde, elke uitademing van de ziel in Zijn boezem is een teken, en meer dan een teken, een onloochenbaar bewijs dat de genade van God in de borst van een zondaar is. En als de genade van God in de borst van een zondaar is, dan is hij in Christus, één met Christus.
Dan zal het woord van Zijn genade hem meer en meer opbouwen en hem dieper laten drinken van zijn eeuwige erfdeel “onder al de geheiligden”.
Misschien zijn hier arme, beproefde, bestreden, verzochte kinderen van God voor wie dit nieuws bijna te goed lijkt om waar te zijn.
Maar waar komen hun beproevingen en worstelingen vandaan? Wat is de kern ervan? Is het niet dit: het boze hart dat zij in hun borst dragen? Is het niet de hoogmoed, het ongeloof, de duisternis, de verzoekingen, de twijfels en vrezen, de zonden en ongerechtigheden en de vele lasten en moeilijkheden die zij bij elke stap tegenkomen? Zij zitten vast en gebukt onder zoveel innerlijke en uiterlijke beproevingen. Daardoor kunnen zij blijkbaar niet beseffen dat de genade in hen is en dat de heerlijkheid hen wacht. Hun handen hangen neer en hun knieën wankelen. Maar wat past het woord van Gods genade goed bij hen!
Is genade niet juist wat zij nodig hebben? Is er geen bronvolheid van genade in de boezem van de Verlosser, altijd stromend en overstromend? En stroomt die niet rijkelijk en vrij door het woord van Zijn genade, dat zij in hun hart en in hun handen hebben? Hoe zou het anders tot hen komen dan om niet? Hebben zij soms geen andere genade dan wat zij zelf verdienen? En wordt genade voorzichtig, krenterig en gierig uitgedeeld, zoals geld uit de beurs van een vrek? Nee. God is Degene “Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt”. “Zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van een mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.”
Jezus geeft als Koning, uit koninklijke mildheid, zoals Salomo aan de koningin van Scheba. Wees eerlijk tegenover jullie zelf. Wees eerlijk over wat God jullie gegeven heeft. Hebben jullie Jezus nooit kostbaar gevonden? Hebben jullie nooit jullie hart uitgestort aan Zijn voeten? Hebben jullie nooit door het geloof een glimp van Zijn lieflijke Persoon gezien? Hebben jullie nooit iets gevoeld van de kracht van Zijn zoenend bloed? Nooit Zijn geschiktheid gezien? Hem nooit nabij en dierbaar gevoeld voor jullie ziel? Nooit die geestelijke gezindheid geproefd die leven en vrede is? Als jullie dat wel hebben, dan hebben jullie een erfdeel “onder al de geheiligden”. Want hoe worden wij “geheiligd”? Is het niet door het woord van de waarheid? De Heere zei het zelf: “Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” En hebben jullie niet soms gevoeld dat het woord van de waarheid heilige, hemelse gewaarwordingen en aandoeningen in jullie hart voortbracht? Is dit geen heiliging?
Maar jullie zeggen: ik kan niet ontkennen dat ik dit heb ervaren, maar “als dat zo is, waarom ben ik dan zo? Waarom ben ik weken en maanden achtereen zo donker? Waarom zijn mijn genegenheden zo koud? Waarom ben ik zo dood in mijn gesteldheid? Waarom zit ik zo vaak opgesloten in slavernij? Waarom word ik zo gekweld door de satan? Waarom word ik zo geplaagd door een leger van twijfels en vrezen? Waarom is de Heere zo afwezig? Waarom is de zonde zo aanwezig? Waarom sluit Hij mijn gebed buiten? Waarom laat Hij mij in het donker struikelen, als zij die naar de morgen verlangen?” Op deze klachten kunnen we maar al te vaak antwoorden: “Doet gij dit niet zelven?” “Ziet, de hand des HEEREN is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort.” Zijn er geen Achans in het leger?
Geen gouden tong, geen Babylonisch gewaad onder de tent? Wordt er geen heimelijke zonde gekoesterd, staat er geen afgod in het hart? Maar als hier alles in orde is, kan het zijn om jullie jullie zwakheid te laten zien, om jullie “hout, hooi, stoppelen” te verbranden, om jullie armer en naakter aan Zijn voeten te brengen, om jullie eigengerechtigheid en vleselijke wijsheid af te snijden en de rechterarm van de kracht van het schepsel in stukken te breken.
Juist die worstelingen, twijfels, vrezen, verzoekingen, moeilijkheden en lasten waardoor jullie ziel zo gekweld wordt, zijn bedoeld om te ledigen, opdat God vulle, om te ontkleden, opdat Hij kan kleden, om neer te halen, opdat Hij kan verhogen, om jullie niets te maken, opdat Christus alles in allen zij. Hebben jullie nooit iets in jullie ziel gehad dat zo voelde: hoe dieper jullie in jullie zelf zonken, hoe passender en kostbaarder de Zaligmaker werd? Zijn er geen ogenblikken geweest dat er midden in jullie worstelingen zo’n licht en leven, zo’n vrijheid en liefde binnenkwam, dat jullie Jezus in de armen van een levend geloof konden omvatten en voelden dat jullie in zulke gevoelens in vrede zouden kunnen sterven?
Jullie hebben het erfdeel gehad. Wat is dit anders dan het erfdeel zelf, het Koninkrijk van God Zelf in de ziel: “het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest”? En wat bracht het bij jullie? Jullie beloften, geloften, voornemens, inspanningen, daden, plichten? Nee. Het was het woord van Gods genade: een zoete belofte die precies bij jullie geval paste, een gedeelte van de Schrift dat voor jullie hart werd opengelegd, iets wat jullie bijna van zich af duwden omdat jullie voelden hoe onverdiend het was dat God zelfs maar naar zo’n ellendeling als jullie omzag.
Toch was het dit woord van Gods genade dat deze voorsmaak, dit onderpand van het erfdeel hierboven in jullie ziel hierbeneden bracht.
Als jullie dan in de bevinding van jullie ziel een van deze goddelijke kentekenen kunnen vinden, deze witte keurstenen, liefdestekenen, verlovingspanden, dan is het goed met jullie voor leven en dood, voor tijd en eeuwigheid! Laat mij deze tekenen van de verloving, deze bruidsringen, nog eens omhooghouden en ze vergelijken met jullie bevinding. Als Jezus ooit kostbaar voor jullie was, als jullie ooit de kracht van Zijn zoenend bloed in jullie geweten hebben gevoeld, als jullie ziel ooit in zoete liefde aan Zijn voeten is weggesmolten, als Hij jullie ooit met één woord van genade uit Zijn eigen mond heeft gezegend, dan heeft Hij jullie een erfdeel “onder al de geheiligden” gegeven. Als jullie de hemel hier hebben gehad, zullen jullie de hemel hierna hebben. Als jullie Jezus ooit door het oog van het geloof hier beneden hebben gezien, zullen jullie Jezus hierna zien met het oog van het gezicht daarboven.
Met welke betere woorden kan ik jullie verlaten aan het einde van dit bezoek dan met de woorden die de apostel gebruikte bij een bijna gelijke gelegenheid? Niet dat ik mij ook maar een ogenblik durf te vergelijken met hem, of jullie met hen. Toch, op onze zwakke wijze: met welke betere woorden kan ik afscheid van jullie nemen dan jullie aan te bevelen “Gode, en den woorde Zijner genade”, “Die machtig is” jullie “een erfdeel te geven onder al de geheiligden”? En mag dit onze toenemende bevinding zijn: eenvoudiger en vuriger te hangen aan de God van alle genade en van tijd tot tijd zoete mededelingen van het woord van Zijn genade in ons hart te ontvangen.
Dan zullen we, zoals we hier rondom de troon van de genade zijn samengekomen, hierna samenkomen rondom de troon van de heerlijkheid. Zoals we ons hier in het woord van Zijn genade hebben verheugd en een mate van “de erve der heiligen” hierbeneden hebben gevoeld, zo is dat een voorspel, een onderpand, een voorsmaak van het eeuwig gewicht van de heerlijkheid daarboven. Daarheen moge de Heere ons brengen, om Zijn eigen heerlijke en kostbare Naam wil.
Preached at Eden Street Chapel, London, on Tuesday Evening, September 4, 1846
“And now, brethren, I commend you to God, and to the word of his grace, which is able to build you up, and to give you an inheritance among all those who are sanctified.” — Acts 20:32
I do not know a more affecting portion of God’s word than that which is contained in Acts 20:17-38. There are two verses especially which one of tender feelings can scarcely read without the tears stealing to his eyes — “And they all wept, and fell upon Paul’s neck, and kissed him, sorrowing most of all for the words which he spoke, that they should see his face no more.” What tender affection is displayed on both sides! what sincerity shines through the whole address of Paul! what noble simplicity! what zeal for God’s glory! what real desires for the spiritual welfare of those with whom he was parting! Surely if crimson shame could ever cover her cheek, Infidelity must be put to the blush, if she could but read this striking portion of God’s word, and then deny there is stamped upon it every mark of genuineness, and an indescribable truthfulness and reality, which so conspicuously shine through every line.
But there is something far deeper in Paul’s address to the elders of the church at Ephesus than natural pathos, or even the noble unselfishness which forms in it so prominent a feature, that we should think even a natural man with tender feelings could scarcely read his parting words without some emotion in his heart. Apart from all this, though in itself unspeakably beautiful, when we read it in the light of the Spirit, we see contained in it a fund of spiritual and experimental truth, and especially in the verses which form my text.
In this way, then, with God’s blessing, I shall consider the words before us this evening; not making any formal divisions, but taking them up as they lie before me, and looking up to the Lord that he would be to me mouth and wisdom, and enable me so to speak from them, that God may have the glory, and his people the profit and comfort.
I. “I commend you to God.” For the space of three years had the apostle Paul labored at Ephesus — and during that time he had warned the disciples night and day with tears. He thus clearly manifested that their spiritual interests lay very close to his heart — that he was bound to them by the strongest ties of union and affection. Carrying, then, in his own breast, a deep sense of his weakness and depravity — but at the same time experimentally knowing the rich supplies of God’s grace, and how the strength of Christ is made perfect in weakness — while he sorrowed, in seeing beforehand the snares, trials, afflictions, and temptations that lay in their path, yet was he encouraged by knowing the rich provisions of covenant mercy and love.
Arriving therefore at Miletus on his way to Jerusalem, he sends to Ephesus about thirty miles distant, and calls the elders of the church, wishing to lay before them the things of God. These elders were the pastors, or ministers, whom “the Holy Spirit had made overseers” literally, “bishops” over the flock, “to feed the church of God which he had purchased with his own blood.” But Paul looked forward with prophetic eye into the future, and saw that “after his departing grievous wolves would enter in among them, not sparing the flock.” He saw the cloud of persecution which was about to burst upon them; he heard the distant howlings of “grievous wolves,” which should soon “enter in among them,” those wolves that for a time had been kept back by a divine hand, but were ready to spring upon the flock, and, if God did not interpose, tear them to pieces.
But there was something that lay still closer to his heart. Not merely did he see the external dangers awaiting them; his prophetic eye not only descried the dim form of ravening wolves on the distant mountains, but it looked into the very center, the very body of the church itself. And what a sight there met his eye! He saw that even out of this little body — out of this feeble flock, most cutting stroke of all! out “of their own selves men would arise speaking perverse things,” and their object being to set themselves at the head of part would “draw away disciples after them.”
Looking thus at the church of Ephesus, and seeing external and internal dangers drawing near, he knew and felt that nothing but the power of God could keep them. Feeling, then their interest so warm upon his heart, he says. “Therefore watch, and remember, that by the space of three years I ceased not to warn everyone night and day with tears. Take heed therefore unto yourselves, and to all the flock over the which the Holy Spirit has made you overseers, to feed the church of God which he has purchased with his own blood.” But this feeling, doubtless, was in his mind— “Of what use are my exhortations? Can you keep them? Are you able to watch? Can you preserve yourselves? Can you protect the flock over which the Holy Spirit has made you overseers? No!”
Deeply acquainted with the helplessness of the creature, he turned away as it were from them, and as if despairing of all human strength or wisdom, he took them up in his arms, and laid them down at the feet of God himself. When he had warned them to the utmost of his power — after the tears had flowed in copious streams down his cheeks; after he had exhausted every topic of exhortation — then, feeling the nullity of all without God’s special blessing, he tenderly adds, “Now, brethren, I commend you to God, and to the word of his grace, which is able to build you up, and to give you an inheritance among all those who are sanctified.”
The apostle was well acquainted with the sinfulness of the creature. He knew by painful and personal experience the fountain of evil that dwells in a sinner’s bosom, and how that evil fountain perpetually sends forth its corrupt streams. He knew, therefore, that this inward stream of evil, but for the grace of God, would break forth and sweep away every dam that could be formed against it in their own strength. And is not this our feeling too, if we have any knowledge of the fountain of wickedness that we carry within? Has it not broken through all resolutions, all tears, all sighs, all vows, all promises? Has not sin been so strong in our carnal mind as effectually to break through every wall that nature could build, and flow over every dam that human arm could set up? Knowing, then, their sinfulness as depraved creatures, he lays them down at the footstool of sovereign grace.
He also knew their complete helplessness — not only that they were sinful, deeply sinful — wicked, desperately wicked — but helpless, thoroughly helpless. He knew that he might warn them night and day with tears — that he might spend his breath and life in exhorting them to live to God’s glory, and to watch against every inward and outward enemy. But he was well convinced, from personal experience, of the helplessness of the creature; and therefore, as the tender mother takes her helpless babe, and puts it into the cradle out of which it cannot fall, so he takes them up in his arms, and lays them in the cradle of mercy, in the ark of the covenant — as safe as the ark of Noah, when “the Lord had shut him in.”
He knew also, that they were, for the most part little acquainted with the deceit of the enemy; that they had too little experience of the snares that Satan was laying for their feet; too little knowledge of the power and prevalence of besetting sins. Knowing, therefore, by his own experience the perils of the spiritual campaign; not being “ignorant of Satan’s devices,” he commends them in an especial manner to the eyes and heart of the great Captain of their salvation, putting them as it were into his tent and under his banner.
But, leaving this figurative language, we may enquire, how he commends them to God?
1. First, as to a kind Parent. Where should the child be taken but to the father’s arms? Is not the father its natural guardian, bound to it by the closest, strongest ties? The father’s eye, the father’s heart, the father’s arm, all concur in its protection. The earthly tie of parent and child, with all its tender affectionate love, is but a representation of the heavenly tie between God and his people. He is their Father and their God. And thus the Lord sent to comfort his mourning disciples — “Go to my brethren, and say unto them, I ascend unto my Father, and your Father; and to my God, and your God” John 20:17.
2. He would commend them also to his omniscient eye. We know little of ourselves, and less of one another. We know not our own needs, what is for our good, what snares to avoid, what dangers to shun. Our path is bestrewed with difficulties, beset with temptations, surrounded with foes, encompassed with perils. At every step there is a snare, at every turn an enemy lurking. Pride digs the pit, carelessness bandages the eyes, carnality drugs and intoxicates the senses, the lust of the flesh seduces, the love of the world allures, unbelief and infidelity paralyze the fighting hand and the praying knee, sin entangles the feet, guilt defiles the conscience, and Satan accuses the soul. Who under these circumstances can come out of the battle alive? Who can “stand every storm, and live at last?” Only he who walks under that all-seeing eye which never slumbers nor sleeps, “the Lord do keep it — I will water it every moment — lest any hurt it, I will keep it night and day.” “Kept by the mighty power of God.” “The Lord is your keeper.” “He that keeps Israel shall neither slumber nor sleep.”
3. He commended them further to his all-powerful hand. The eye to watch, the hand to guide and protect. “I taught Ephraim to go, taking them by their arms.” “When I said my foot slips, your mercy held me up.” “Underneath are the everlasting arms.” We cannot stand alone. Not a right step can we take except as held up and guided by almighty power. This made the saints of old cry, “Hold me up, and I shall be safe.” “Keep me as the apple of your eye.” “Leave not my soul destitute.” In commending them therefore to God, he commends them not only to the eye that never slumbers, but to the hand that never droops.
4. But, above all, he would commend them to the affectionate, loving heart of God. Thence comes the watchful eye, thence the protecting hand. Love, eternal love, unchangeable love, is the fountain whence all the streams of mercy and grace flow down to the church, and every individual member of it. “I have loved you with an everlasting love, therefore with loving-kindness have I drawn you.” “Love never fails.” Paul might depart, wolves might arise, heresies might prevail, apostates might fall away, thick clouds might cover the church, all might be confusion without and within. But one thing would not fail the elect of God — the love that embraced them from eternity to eternity. In commending them to God he would commend them therefore to that love which knows neither beginning nor end, increase, decay, or variation.
Thus did Paul commend them to God; and in this should every minister of the gospel imitate him. Every rightly-taught servant of the Lord, when he comes among, or leaves a people, never dares for a moment entertain the thought, that anything he can say can profit their souls. He comes, if he comes rightly, depending on God for a blessing to follow the word; and he leaves, if he leaves rightly, beseeching the Lord that a blessing may follow what has been spoken in weakness. Thus, no rightly-taught servant of the Lord can dare to go among the people of God trusting in his own wisdom or ability — but desires to bear them up in his arms before the Almighty, and look up with an eye of faith that the Lord would bless the word. In his inward thoughts he would “commend” them to God as alone able to work in those who which is well-pleasing in his sight.
II. But not only did Paul thus “commend” them “to God” he commended them also in an especial manner “to the word of his grace.” There is a difference between “grace.” and “the word of his grace.” Nothing but grace can save the soul — nothing but super-abounding grace can blot out and hide from the view of justice our aggravated iniquities. But “the word of his grace” is that word which brings this grace into the heart — which communicates life and power to the soul — which the Spirit by his inward teaching and testimony seals on the conscience — and by which he reveals and sheds abroad that favor of which he testifies. This is what the Lord’s people need. It is “the word of grace” that reaches their soul. It is not reading of grace in God’s word that brings peace into their hearts; it is “the word of his grace,” when he is pleased to speak that word with a divine power to their souls, that brings salvation with it.
Now, the Lord’s people are continually in those trying states and circumstances, out of which nothing can deliver them but “the word of God’s grace.” If the soul has to pass through severe trials, it is not hearing of grace that can deliver it out of them. If it is beset with powerful temptations, it is not reading about grace that can break them to pieces. But “the word of his grace,” when the Lord himself is pleased to speak with his own blessed lips, and apply some promise with his own divine power, supports under trial, delivers from temptation, breaks snares to pieces, makes crooked things straight and rough places plain, brings the prisoner out of the prison-house, and takes off the yoke by reason of the anointing.
Thus, when the apostle had said, “I commend you to God,” he does not leave them there; but he takes them on to the spot where they would have some communication of God’s grace to their heart, where there would be some manifestation of his favor to their souls, some special dealings with their consciences. It is as though he was not satisfied with laying them at God’s feet. He commends them to his “grace,” and specially to “the word of his grace” in their souls.
If I may use such a figure, we may fancy a mother in distressed circumstances—I condemn the deed, though I use the illustration—who is not able to sustain her infant — she takes it, therefore, and lays it at a rich man’s gate — she watches the door to see it open, and the infant taken in. She has no relief until she sees the servant come and take the babe safely in. As long as the child is lying outside, anxiety fills her bosom; but when the door is opened, and the child safely housed, the object of her maternal solicitude is accomplished. So the apostle takes the church, as the mother might take her babe, and lays it at the Lord’s feet. But “the word of his grace” takes the child up into his house and heart, opens the door of his bosom, and spreads the skirt of love over the infant cast out in the open field in the day that it was born.
You trembling ones at the footstool of mercy, is not this what your souls are longing after? To be merely brought to the footstool of mercy does not satisfy you. To be merely commended in prayer to God does not ease your anxious heart. But when “a door of hope” is opened in the valley of Achor; when the Lord speaks a word of peace to your soul, applies his gracious promises to your heart; through the word of life communicates grace, and blesses the soul with a taste of his favor and mercy, then your desire is accomplished.
III. But speaking of this “word of his grace,” the apostle says, it is “able to build you up.” A foundation had been laid in their hearts; they had been brought off the sandy bottom of SELF; their Babel righteousness had been dashed to pieces, and its brick and slime scattered to the four winds of heaven. Christ had been laid, by the blessed Spirit, as a foundation in their souls. To him they had come as poor wretched sinners — on him they had laid hold; his Person they had viewed by the eye of living faith; his blood they had felt to be exceedingly precious; under his righteousness they had sheltered themselves; a measure of his dying love had been shed abroad in their hearts. This placed them upon a solid foundation- the Rock of Ages! On him therefore they stood, and “out of his fullness received grace for grace.”
They were then to be built up upon this. And there was but one thing which could so build them up — “the word of God’s grace.” Why? Because we really have nothing in our hearts from first to last spiritually good, but what “the word of God’s grace” communicates. It is by “the word of God’s grace” we are first brought off the sandy foundation — it is by “the word of God’s grace” we are laid upon the Rock of Ages; it is by “the word of God’s grace” that every stone is fixed in the spiritual building; and it is by “the word of God’s grace” that the headstone is at last brought forth with shoutings of “Grace, grace unto it!”
Now, this is a lesson, which usually we have to learn very painfully. We are very eager to put ‘our hands’ to work. Like Uzzah, we must prop up the ark when we see it stumbling; when faith totters, we must come to bear a helping hand. But this is a hindrance to the work of God upon the soul. If the whole is to be a spiritual building; if we are “living stones” built upon a living head, every stone in that spiritual temple must be laid by God the Spirit. And if so, everything of nature, of creature, of self, must be effectually laid low, that Christ may be all — that Christ, and Christ alone may be formed in our heart, the hope of glory. How many trials some of you have passed through! how many sharp and cutting exercises! how many harassing temptations! how many sinkings of heart! how many fiery darts from hell! how many doubts and fears! how much hard bondage! how many galling chains! how often has the very iron entered into your soul! Why? That you may be prevented from adding one stone by your own hands to the spiritual building.
The apostle tells us, that “Other foundation can no man lay than that is laid,” even Jesus Christ. He then speaks of those who build “wood, hay, and stubble,” as well as of those who used “gold, silver, and precious stones;” and that the “wood, hay, and stubble” must be burned with fire. It is after the Lord has laid a foundation in the sinner’s conscience, brought him near to himself, made Jesus precious to his soul, raised up hope and love in his heart, that he is so apt to take materials God never recognizes, “wood, hay, stubble,” and rear thereby a flimsy superstructure of his own. But this gives way in the trying hour — it cannot stand one gust of temptation. One spark of the wrath to come, one discovery of God’s dread majesty, will burn up this “wood, hay, and stubble,” like straw in the oven. The Lord’s people, therefore, have to pass through troubles, trials, exercises, and temptations, doubts and fears, and all that harassing path that they usually walk in, that they may be prevented from erecting a superstructure of ‘nature’ upon the foundation of ‘grace’ — “wood, hay and stubble” upon the glorious mystery of an incarnate God.
But “the word of God’s grace” is “able” to build them up. Have you suffered from temptation, and been delivered out of it? It was “the word of God’s grace” that built you up. Have you been in severe trial, and the Lord has blessed you in it, and brought you out of it? It was “the word of God’s grace” that built you up. Have you been entangled in some error, and the Lord snatched you out of that error by applying some portion of his truth to your soul? It was “the word of God’s grace” that built you up. Have you been entangled in the lusts of the flesh, cast down by some snare of the devil, and the Lord has delivered you out of it? It was “the word of his grace” that built you up.
We are not built up by fleshly holiness, by creature piety, by long and loud prayers, by the doings and duties of the flesh; no, nor even by sound doctrines floating in our brain; but by “the word of God’s grace” applied with a divine power to the heart.
But that very “word of grace” is made suitable to our souls, for the most part, only as we are brought into those circumstances to which it is adapted. Is not grace ‘free favor’? and is not “the word of God’s grace” the instrument through which this free favor is manifested? Can I then learn the heights, the depths, the super-aboundings, the freeness, the sovereignty, the almighty power of grace, except by wading into those circumstances to which it is suitable? Must I not feel myself a guilty sinner before grace can be sweet? Must I not know the aboundings of internal sin before the super-aboundings of God’s grace can be precious? Must I not know something of that fountain of evil, which I carry within, and have my breast laid bare with its hidden abominations before I can know the grace that covers, pardons, and heals? And this grace I can only know by “the word of God’s grace;” in other words, by the sweet manifestation, unctuous application, and divine revelation of the gospel of the grace of God.
Thus the apostle did not lead them to rest upon their own strength and wisdom, but to live upon the fountain-fullness of the great and glorious risen Mediator. This is the only way to know anything of grace. I may hear of grace all my days, and yet die ignorant of it. I may sit under ministers who preach nothing but grace, and yet be as devoid of it in my heart as Satan himself. But if “the word of God’s grace” drops into my heart — if the Lord the Spirit be pleased to send his own precious truth into my soul, and through that word to communicate a sense of his super-abounding grace — then, and then only, is it mine. Nor is there any other way of being spiritually built up. Doctrines cannot build you up — corruptions cannot build you up — doubts and fears cannot build you up — trials and exercises cannot build you up — temptations cannot build you up — heavy losses in providence, and cutting afflictions in grace, cannot build you up. They pull down — they lay low — they disperse the “wood, hay, and stubble” to the winds — they leave you in a wild, naked desert, in a waste howling wilderness.
But it is “the word of God’s grace,” communicated to the soul out of Christ’s inexhaustible and divine fullness, that alone builds up. All other building is a baseless fabric, a mere ‘house of cards’, a castle in the air, a mist driven before the wind.
IV. But there was something still further — “And to give you an inheritance among all those who are sanctified.” There is a people, then, that are sanctified, that is— 1. Set apart in the covenant, in God’s eternal decrees. 2. Sanctified by the work of the blessed Spirit upon their hearts, whereby they are made fit for “the inheritance of the saints in light.”
By the first they were separated by the original decree and purpose of God. This made them “a chosen generation, a royal priesthood, a holy nation, a peculiar people.” To “sanctify” is to set apart as the special property of God. So God says to Moses, “Sanctify unto me all the firstborn” Ex 13:2, which he explains Ex 13:12 as “a setting apart unto the Lord.” So God sanctified the seventh day by setting it apart from the other days of the week as the Sabbath. This is the only original root and spring of holiness. Men do not make themselves holy by an act of their own free choice, and by that holiness recommend themselves to God and obtain heaven. That is popery.
Holiness does not consist in a certain amount of duties to be performed, prayers to be said, sacraments and ordinances to be attended, alms to be given, passions to be subdued, religious garb to be worn, tears to be shed. Fruit to be fruit, must grow upon a tree, be fed by sap, be ripened by sun, be refreshed with showers, be a living product developed by a divine mechanism. Flowers and fruit may be modeled from wax, and so beautifully as to be scarcely distinguishable from genuine. But they lack scent, sap, and taste. Such is human holiness — a modeled, painted, artificial imitation of “camphire and spikenard, calamus and cinnamon, and the pleasant fruits” that grow in the Beloved’s garden.
Christ is the Holy One of Israel. The head of the church is holy, intrinsically, eternally such; the members are holy because united to that head. A holy head cannot have unholy members. Thus Christ is the church’s sanctification, she being holy in his holiness, as well as righteous in his righteousness. This is the root.
Thence comes personal, inward sanctification by the regenerating work of the Holy Spirit. He gives the new heart and new spirit — communicates holy desires, affections, breathings, enjoyments, with every gracious fruit, working repentance and godly sorrow for sin, brokenness of heart, and contrition of spirit, tenderness of conscience, faith, hope, and love, meekness, resignation, humility, prayerfulness, watchfulness, departing from evil, cleaving to all good; and all those outward fruits of righteousness, which are to the glory of God. This is gospel holiness, holiness as the especial gift and work of the Holy Spirit, the only true and acceptable holiness, and without which no man shall see the Lord. These that are thus sanctified have an eternal inheritance, being heirs of God and joint-heirs with Christ. All other holiness is the holiness of the monastery and the cloister, a monkish pharisaism, of which superstition is the root, ignorance the prop, pride the fruit, and the curse of God the end.
How different is that divine work and operation which melts your heart and breaks it, dissolves it, lays it low in adoration at his feet who loved you and gave himself for you. This is “an inheritance among all those who are sanctified.” Those who were set apart in God’s eternal purpose were chosen unto the enjoyment of this inheritance. These have the first-fruits of the Spirit, which “the word of God’s grace” dropping into the heart, communicates. For this brings light, life, liberty, love, conformity to the image of Jesus, a renewal in the spirit of the mind, a separation from the world and all its perishing vanities and charms, and stamps upon the heart a measure of Christ’s blessedness. And all this wholly, solely, by “the word of God’s grace.” Does not this suit the sinner?
Supposing it were—God forbid it should be so for a moment!—that I must by my own exertions, in the first instance, bring grace into my heart, and thus lay the foundation; and that I, by my own exertions, must carry on the work, and so raise the superstructure; must I not fail, utterly fail? But when grace does all—from first to last; when it is grace which wrote the names of God’s people in the book of life; when grace gave them to Jesus to redeem; when grace in God’s appointed time quickened their souls; when grace manifested the cleansing efficacy of Christ’s blood to their conscience — when grace will bring them safely through all their trials and temptations; will perfect that which concerns them, and must and will reign through righteousness unto eternal life—how suitable, how more than suitable is this to a poor, guilty sinner, who has nothing, and feels he has nothing in himself but rags and ruin!
“The word of God’s grace,” in the hands of the Spirit, lays the foundation. “The word of God’s grace” makes Jesus known in the everlasting gospel, and thus raises the superstructure; “the word of God’s grace” bears through the arms of death—heaven’s arches will eternally sound the praise of the glory of that grace which made them “accepted in the Beloved.” Every living desire after the Lord; every realizing sense of his grace and glory; every melting affection towards his lovely Person; every reception of him into the heart as the Christ of God; every act of faith, hope, or love; every breathing out of the soul into his bosom, is a sign, and more than a sign, an undeniable evidence of the grace of God being in a sinner’s breast. And if the grace of God is in a sinner’s breast, he is in Christ, one with Christ; and “the word of his grace” will build him up more and more, and give him deeper draughts of his eternal “inheritance among all those who are sanctified.”
There may be here some poor, tried, exercised, tempted children of God to whom this news seems almost too good to be true.
But whence proceed, what is the main subject of their trials and exercises? Is it not this? The evil heart that they carry in their bosom. Is it not the pride, unbelief, infidelity, darkness, temptations, doubts and fears, sins and iniquities, and the many burdens and difficulties which they have to encounter at every step? Hampered and burdened with so many inward and outward trials, they seem unable to realize either the grace that is in them, or the glory that awaits them. Their hands hang down, and their knees totter. But how suitable to such is “the word of God’s grace”! Is not grace the very thing for them? Is there not a fountain-fullness of grace in the bosom of the Redeemer everflowing and overflowing? And does not this flow fully and freely through “the word of his grace,” which they have in their hearts and hands? How else should it come to them but freely? Have they no grace but what they work for? And is grace dealt out cautiously, niggardly, stingily, like money from a miser’s purse? No; God “gives liberally, and upbraids not — the grace of God, and the gift by grace, has abounded unto many.”
Jesus gives, as a King, “of his royal bounty,” as Solomon to the Queen of Sheba. Be honest to yourselves; be honest to what God has given you. Have you never felt Jesus precious? Have you never poured out your heart at his feet? Have you never had a glimpse by faith of his lovely Person? Have you never felt anything of the efficacy of his atoning blood? never seen his suitability? never felt him near and dear to your soul? never tasted that spiritual-mindedness which is life and peace? If you have, you have an “inheritance among all those who are sanctified.” For how are we “sanctified”? Is it not by the word of truth? as the Lord said, “Sanctify them through your truth; your word is truth.” And have you not at times felt the word of truth to produce holy, heavenly sensations and emotions in your heart? Is not this sanctification?
But you say, “I cannot deny that I have experienced this;” but “if so, why am I thus? why so dark for weeks and months together? why so cold in my affections? why so dead in my frame? why so often shut up in bondage? why so harassed by Satan? why so plagued by an army of doubts and fears? why is the Lord so absent? why sin so present? why does he shut out my prayer? why does he leave me to stumble in darkness like those that long for the morning?” To these complaints may we not too often reply, “Have you not procured this to yourself? The Lord’s hand is not shortened that it cannot save; nor his ear heavy that it cannot hear — but our iniquities separate between us and God, and our sins make him hide his face from us.”
Are there no Achans in the camp? no golden wedge, nor Babylonish garment under the tent? no secret sin indulged, no idol set up in the heart? But if matters are straight here, it may be to show you your weakness — to burn up your “wood, hay, and stubble?” to bring you more needy and naked to his feet — to cut up your self righteousness and carnal wisdom — and break to pieces the right arm of creature strength.
Those very exercises, doubts, fears, temptations, difficulties, and burdens that your soul is so harassed by, are to empty, that God may fill; to strip, that he may clothe; to bring down, that he may raise up; to make you nothing, that Christ may be all in all. Have you never had something in your soul that felt like this — that the lower you sank in self, the more suitable and precious the Savior appeared? Have there been no moments when, amid your exercises, there was that coming in of light and life, liberty and love, that you were able to clasp Jesus in the arms of a living faith, and felt that you could die in peace under such feelings?
You have had the inheritance. What is this but the inheritance — the very kingdom of God in the soul, which “is not food and drink, but righteousness and peace and joy in the Holy Spirit?” And what brought it to you? Your promises, vows, resolutions, exertions, doings, duties? No; it was “the word of God’s grace,” some sweet promise just suitable to your case; some portion of scripture opened up to your heart; something which you almost put away, because you felt how undeserved it was for God even to look upon such a wretch as you. Yet this “word of God’s grace” it was that brought this foretaste, this pledge of the inheritance above into your soul below.
If, then, you can find in your soul’s experience any of these divine marks, these “white stones,” love tokens, betrothment pledges, it is well with you for life and death, time and eternity! Let me hold up again these tokens of espousal, these bridal rings, and compare them with your experience. If, then, Jesus was ever precious to you; if you ever felt the efficacy of his atoning blood in your conscience — if ever your soul was melted down in sweet affection at his feet; if ever he blessed you with one word of grace from his own lips—he has given you “an inheritance among all those who are sanctified.” If you have had heaven here, you will have heaven hereafter. If you have ever seen Jesus by the eve of faith below, you will see Jesus hereafter by the eye of sight above.
With what better words can I, then, leave you at the close of my present visit than what the apostle used upon an almost similar occasion? Not that I dare for a moment compare myself with him — or indeed you with them — yet, in our feeble way, with what better words can I take my leave of you than to “commend you to God, and to the word of his grace, which is able to give you an inheritance among all those who are sanctified”?
And may this be our increasing experience — to hang more simply, more fervently on the God of all grace, and to receive from time to time sweet communications of “the word of his grace” into our heart. And then, as we have met here around the throne of grace, we shall meet hereafter around the throne of glory; as we have rejoiced in “the word of his grace” here, and felt a measure of the “inheritance of the saints” below, it is a prelude, a pledge, a foretaste of the eternal weight of glory above. There may the Lord bring us for his own glorious and precious Name’s sake.