The Work of the Holy Spirit
Zolang de gezegende Geest de ziel niet levend heeft gemaakt voor het geestelijk leven weten wij niets echt of juist van de waarheid zoals die in Jezus is. Wij kunnen volkomen rechtzinnig zijn in de leer. Wij kunnen ongeloof en dwaling verafschuwen en geschokt zijn door goddeloosheid en oneerbiedigheid. Wij kunnen nauwgezet zijn in al onze plichten tegenover anderen en met onwrikbare regelmaat onze gebeden en godsdienstoefeningen verrichten. Wij kunnen onszelf en anderen buitengewoon godsdienstig toeschijnen. En toch zijn wij in de ogen van een God Die het hart doorzoekt nog dood door de overtredingen en de zonden.
De wereld is vol van zulke buitengewoon godsdienstige mensen. Elke kerk en elke kapel heeft er te over: godvrezende en eerbare mannen en vrouwen.
Nee, wij kunnen veel dichter bij het doel komen dan dit. Deze lopers zijn immers nog ver van de startplaats verwijderd. Toch kunnen wij ook dan nog heel ver van het koninkrijk der hemelen zijn. Wij kunnen een gedaante van godzaligheid hebben in een belijdenis van de waarheid. Wij kunnen van kindsbeen af gezoogd en opgevoed zijn in een gezonde geloofsbelijdenis. Wij kunnen de leer van de genade in theorie kennen als een godsdienstig stelsel en in ons geweten overtuigd zijn van haar wezenlijke overeenstemming met de woorden van God. Wij kunnen ervoor strijden in een twistgesprek en haar met teksten bewijzen. Wij kunnen met genoegen onder het geluid van het evangelie zitten of het zelfs met welsprekendheid en vuur prediken.
En toch kunnen wij niets weten van de waarheid tot zaligheid en uit eigen bevinding door goddelijk onderwijs en goddelijke getuigenis. Geeft de Schrift ons geen voorbeeld van beide soorten mensen? Wie was godsdienstiger, nauwgezetter en rechtzinniger dan de Farizeeër van weleer? Hij zat op de stoel van Mozes als leraar van het volk. Hij vertiende munt, dille en komijn met de grootste nauwgezetheid. Hij zeefde zelfs zijn drank zodat geen mug of onrein gedierte hem onverhoeds kon bezoedelen. Hij bad en vastte streng en regelmatig. Hij leek zichzelf en anderen de lieveling van de hemel.
Maar wat was hij werkelijk? Wat was hij in de ogen van God? Volgens het eigen getuigenis van de Heere een geveinsde, een adderengebroed, een gewit graf en iemand die rijp werd voor de verdoemenis van de hel! En was er geen Saul onder de profeten? Geen Zedekia, de zoon van Kenaana, met een Zo zegt de HEERE in zijn mond? (2 Kronieken 18:10) Geen Hananja met een uitdrukkelijke boodschap van God? (Jeremia 28:2) Kwamen deze mannen niet met een belijdenis van de waarheid en maakten zij geen aanspraak op de dienst van de Allerhoogste?
En waren er in het Nieuwe Testament geen Demas, Diotrefes en Alexander? Wie waren degenen tegen wie de heilige Johannes, de vurige Judas en de ernstige Petrus de gemeenten zo sterk waarschuwden? Wie waren die vlekken in uw liefdemaaltijden die zichzelven zonder vreze weidden? Wie waren die waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden en die bomen die onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld waren? Wie anders dan genadeloze belijders van de waarheid?
Het is dus niet de vorm, de letter of de louter uiterlijke schil en dop van de waarheid die iemand tot christen maakt of als christen openbaart. Het is het levende bezit ervan als een door God geschonken gave en schat. Laten wij dit onthouden als een ernstige waarschuwing om niet te spelen met Gods waarheid en ons niet tevreden te stellen met een louter formele erkenning ervan. Laten wij nu zien wat een zegen de waarheid is wanneer wij in het levende bezit ervan zijn gesteld.
Als wij het werk van de Geest in het hart bekijken dan zien wij hoe Hij in al Zijn heilige handelingen en genadige bewegingen altijd de waarheid als Zijn grote werktuig gebruikt. Doorsteekt en verwondt Hij? Dat doet Hij door de waarheid. Want het zwaard des Geestes is Gods Woord en dat is, zoals wij weten, het woord der waarheid. (Efeze 6:17; Hebreeën 4:12; 2 Korinthe 6:7) Heelt Hij barmhartig en zegent Hij vriendelijk? Ook dat gebeurt door middel van de waarheid. Want de belofte luidt: Hij zal u in al de waarheid leiden. (Johannes 16:13)
En wanneer Hij zo komt dan komt Hij als Trooster volgens die genadige woorden: Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen. (Johannes 15:26)
Kijken wij naar de nieuwe mens van de genade die de gezegende Geest in het hart verwekt en voortbrengt dan zien wij dat al zijn leden en vermogens gevormd en geschikt zijn voor een levende ontvangst van de waarheid. Het oog is geschikt voor het licht en het oor voor het geluid. De longen zijn geschikt voor de zuivere lucht die ze bij elke ademtocht vult en het hart voor het levende bloed dat het door elke kloppende slagader pompt. Zo is ook de nieuwe mens van de genade toegerust en geschikt voor de waarheid van God.
Deze levensorganen verrichten hun eigen taak alleen wanneer zij de indrukken ontvangen die deze uitwendige krachten op hen maken. Zo werken ook de organen van de nieuwe mens van de genade alleen wanneer de waarheid door de kracht van de gezegende Geest op hen wordt ingedrukt.
Heeft die nieuwe mens dan ogen? Het is om de waarheid te zien. (Efeze 1:18-19) Heeft hij oren? Het is om de waarheid te horen. (Jesaja 55:3; Lukas 9:44) Heeft hij handen? Het is om de waarheid vast te grijpen en te omhelzen. (Spreuken 4:13; Jesaja 27:5; Hebreeën 6:18) Heeft hij voeten? Het is opdat hij in de waarheid wandelt. (Psalm 119:45; Lukas 1:6; 3 Johannes 4) Heeft hij een mond? Gods Woord zegt: doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. Die mond is er om zich te voeden met de waarheid, de levende waarheid, ja, met het vlees van Hem Die de waarheid Zelf is. (Johannes 6:35; Johannes 14:6)
Zonder waarheid is er geen wedergeboorte. Want door het Woord der waarheid zijn wij gebaard en wedergeboren. (Jakobus 1:18; 1 Petrus 1:23) Zonder waarheid is er geen rechtvaardiging. Want wij worden gerechtvaardigd door het geloof en dat geloof bestaat erin dat wij Gods waarheid geloofwaardig achten. Zo geeft het vrede bij God. (Romeinen 4:20-24; Romeinen 5:1) Zonder de waarheid is er geen heiligmaking. Want de Heere Zelf zegt: Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.
En zonder de waarheid is er geen zaligheid. Want God heeft ons van den beginne uitverkoren tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid. (2 Thessalonicenzen 2:13) Zoals de waarheid het werktuig is van al deze zegeningen en het door God bestemde middel waardoor zij openbaar worden als ervaren barmhartigheid zo komt zij ook binnen in alle genaden van de Geest en wordt zij door hen ontvangen wanneer zij tot levende werking komen.
Zonder de waarheid is er dus geen geloof. Want het werk van het geloof is de waarheid te geloven. Wat is het hele verschil tussen geloof en waan? Dat het geloof Gods waarheid gelooft en de waan de leugens van Satan voor waar houdt. En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
Zonder waarheid is er geen hoop. Want de hoop heeft tot taak zich in de waarheid te verankeren. Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden; Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel. De twee onveranderlijke dingen waarin de hoop zich verankert zijn Gods woord en Gods eed. Anders gezegd is het de plechtig toegezegde waarachtigheid en trouw van Hem Die niet kan liegen.
Dit deed de heilige David zeggen: op Uw woord heb ik gehoopt. En de goede koning Hizkia zei dat zij die in den kuil nederdalen niet op Gods waarheid kunnen hopen. Nee: De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe. En het is door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften dat wij hoop hebben. Dat is de troost die Gods in de Schriften geopenbaarde waarheid geeft. (Romeinen 15:4)
Zonder waarheid is er geen liefde. Want juist door de liefde der waarheid worden de behouden mensen onderscheiden van de verlorenen. En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. En alleen wanneer wij de waarheid betrachtende in liefde, alleszins opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus. Zo is de vrucht des Geestes in alle goedigheid, en rechtvaardigheid, en waarheid. En dit is de Persoon van de Zoon van God. Want de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
Hoe verzuchtten en riepen de heilige mannen van weleer om een bevindelijke kennis van Gods waarheid! Leid mij in Uw waarheid. Zend Uw licht en Uw waarheid. bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. En toen de Zoon van God in het vlees kwam en zo de waarheid zichtbaar liet verschijnen, aanschouwden zij die uit God geboren waren Zijn heerlijkheid. Zij zagen een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader vol van genade en waarheid.
Hoe dierbaar is ook de waarheid voor God Zelf! Van Hem wordt gezegd dat Hij Zijn woord groot heeft gemaakt boven al Zijn Naam. Dat wil zeggen dat Hij Zijn geopenbaarde waarheid heeft verheven en verheerlijkt boven al Zijn andere eigenschappen en volmaaktheden. (Psalm 138:2) Als de waarheid zo kostbaar is in zichzelf en zo kostbaar voor God en voor al Gods heiligen, moet zij dan ook niet voor ons kostbaar zijn? Dat zal zij zijn als wij den zin van Christus hebben en Zijn Geest in ons woont.
Maar zoals de liefde tot heiligheid noodzakelijk een haat tegen de zonde en een vlucht daarvoor insluit en inhoudt zo bevat ook de liefde tot de waarheid een haat tegen de dwaling en een vlucht daarvoor. Onverschilligheid is nog nooit als kenmerk van liefde beschouwd, of die nu menselijk of goddelijk is. Warmte, ijver, ernst en toewijding zijn niet alleen zekere kenmerken van de liefde. Zij zijn zo innig met haar wezen verweven dat zij er niet van te scheiden zijn.
Until the Blessed Spirit quickens the soul into spiritual life, we know nothing really or rightly of the truth as it is in Jesus. We may be strictly orthodox in doctrine, may abhor infidelity and error, may be shocked at profanity and irreverence, may be scrupulously attentive to every relative duty, may repeat, with undeviating regularity, our prayers and devotions; and may seem to ourselves and to others exceedingly religious; when, in the sight of a heart-searching God, we are still dead in trespasses and sins. The world is full of such exceedingly religious people. Every church and every chapel can produce samples in abundance of such “devout and honorable” men and women.
No! we may come much nearer the mark than this, for these runners are indeed a long way off the very starting-place, and yet we may still be very far from the kingdom of heaven. We may have a form of godliness in a profession of truth, may have been suckled and bred up from childhood in a sound creed, may have learned the doctrines of grace in theory and as a religious system, may be convinced in our conscience of their substantial agreement with the oracles of God, may contend for them in argument, and prove them by texts, may sit under the sound of the gospel with pleasure, or even preach it with eloquence and fervor; and yet know nothing of the truth savingly and experimentally, by divine teaching and divine testimony.
Does the Scripture afford us no example of both these characters? Who more religious, more strict, scrupulous, and orthodox than the Pharisee of old? He sat in Moses’ seat, as the teacher of the people; he tithed his mint, anise, and cummin with the most scrupulous care; he strained his very drink, that no gnat or unclean worm might unawares pollute him; he prayed and fasted rigidly and regularly; and seemed to himself and to others the prime favorite of heaven. But what was he really and truly? What was he in the sight of God? According to the Lord’s own testimony, a hypocrite, a viper, a whited sepulcher, ripening himself for the damnation of hell! And was there no Saul among the prophets? no Zedekiah, the son of Chenaanah, with a “Thus says the Lord” in his mouth? (2 Chron. 18:10.) no Hananiah, with a declared message from God? (Jer. 28:2.) Did not these men come with a profession of the truth, and claim to be servants of the Most High?
And was there no Demas, nor Diotrephes, nor Alexander in the New Testament? Who were those against whom holy John, fervent Jude, and earnest Peter warned the churches so strongly? Who were those “spots in their feasts of charity, feeding themselves without fear?” Who were those “clouds without water, carried about with winds;” those “trees whose fruit withered, twice dead, plucked up by the roots?”—who else but graceless professors of the truth? It is not then, the form, the letter, the mere outside, the bare shell and husk of truth, that makes or manifests the Christian; but the vital possession of it as a divinely bestowed gift and treasure.
But bearing this in mind as a solemn warning against trifling with the truth of God, or being satisfied with a mere formal recognition of it, let us proceed to see what a blessing truth is when we are put into the vital possession of it.
If we look at the work of the Spirit on the heart, we shall see how, in all his sacred dealings and gracious movements, he invariably employs truth as his grand instrument. Does he pierce and wound? It is by the truth; for the “sword of the Spirit is the word of God,” and that we know is “the word of truth.” (Eph. 6:17; Heb. 4:12; 2 Cor. 6:7.) If he mercifully heal, if he kindly bless, it is still by means of truth; for the promise is, “Howbeit, when he, the Spirit of truth is come, he will guide you into all truth.” And when he thus comes, it is as a Comforter, according to those gracious words, “But when the Comforter is come, whom I will send unto you from the Father, even the Spirit of truth, which proceeds from the Father, he shall testify of me.”
In fact, if we look at the new man of grace that the blessed Spirit begets and brings forth in the heart, we shall see that all his members and faculties are formed and adapted to a living reception of the truth. As the eye is adapted to light; as the ear to sound; as the lungs to the pure air that fills them with every breath; as the heart to the vital blood which it propels through every bounding artery, so is the new man of grace fitted and adapted to the truth of God. And as these vital organs perform their peculiar functions only as they receive the impressions which these external agents produce upon them, so the organs of the new man of grace only act as truth is impressed upon them by the power of the blessed Spirit. Has, then, the new man of grace eyes? It is to see the truth. (Eph. 1:18, 19.) Has he ears? It is to hear the truth. (Isa. 55:3; Luke 9:44.) Has he hands? It is to lay hold of and embrace the truth. (Prov. 4:13; Isa. 27:5; Heb. 6:18.) Has he feet? It is that he may walk in the truth. (Psalm 119:45; Luke 1:6; 3 John 4.) Has he a mouth? (“Open your mouth wide, and I will fill it.”) It is that he may feed upon the truth, the living truth, yes, upon His flesh who is truth itself. (John 6:35; 14:6.)
Without truth there is no regeneration; for it is by “the word of truth” that we are begotten and born again. (James 1:18; 1 Pet. 1:23.) Without truth there is no justification; for we are justified by faith, which faith consists in crediting God’s truth, and so, gives peace with God. (Rom. 4:20-24; 5:1.) Without the truth there is no sanctification; for the Lord himself says, “Sanctify them through your truth: your word is truth.” And without the truth there is no salvation; for “God has chosen us to salvation through sanctification of the Spirit and belief of the truth.” (2 Thess. 2:13.)
And as the truth is the instrumental cause of all these blessings, the divinely-appointed means whereby they become manifested mercies, so truth enters into and is received by all the graces of the Spirit as they come forth into living exercise. Thus, without the truth, there is no faith; for the work of faith is to believe the truth. What is all the difference between faith and delusion? That faith believes God’s truth, and delusion credits Satan’s lies. “And for this cause God shall send them strong delusion, that they should believe a lie, that they all might be damned who believe not the truth, but had pleasure in unrighteousness.” Without truth there is no hope; for the province of hope is to anchor in the truth. “That by two immutable things in which it was impossible for God to lie, we might have a strong consolation, who have fled for refuge to lay hold upon the hope set before us; which hope we have as an anchor of the soul, both sure and steadfast, and which enters into that within the veil.” The two immutable things in which hope anchors are God’s word and God’s wrath; in other words, the pledged veracity and faithfulness of him who cannot lie. This made holy David say, “I have hoped in your word.” “They that go down into the pit,” said good King Hezekiah, “cannot hope for your truth.” No! it is “the living, the living who praise you as I do this day.” And it is “through patience and comfort of the Scriptures,” that is, the consolation which the truth of God revealed in the Scriptures affords, “that we have hope.” (Rom. 15:4.) Without truth there is no love, for it is by “the love of the truth” that the saved are distinguished from the lost. “And with all deceivableness of unrighteousness in them that perish; because they received not the love of the truth that they might be saved.” And it is only as we speak “the truth in love that we grow up into him in all things, which is the head, even Christ.” Thus “the fruit of the Spirit is in all goodness and righteousness and truth;” and this is the Person of the Son of God, for “grace and truth came by Jesus Christ.”
How holy men of old sighed and cried for an experimental knowledge of God’s truth! “Lead me in your truth;” “Send out your light and your truth;” “O prepare mercy and truth which may preserve me.” And when the Son of God came in the flesh, and thus brought down truth into visible manifestation, how those who were born of God beheld his glory, “the glory of the only begotten of the Father, full of grace and truth!” How dear also to God himself in his truth! Thus he is said to have “magnified his word above all his name;” that is, exalted and glorified his revealed truth above all his other attributes and perfections. Now, if truth be so precious in itself, so precious to God, so precious to all the saints of God, should it not be also precious to us? It will be so if we have the mind of Christ, and his Spirit dwell in us. But as a love of holiness necessarily includes as well as implies a hatred of, and a fleeing from sin, so will a love of truth contain in it a hatred of, and a fleeing from, error. Indifference never yet was counted a mark of love, whether human or divine. Warmth, zeal, earnestness, devotedness, are not only sure marks of love, but are so intimately interwoven with its very essence, that they cannot be separated from it.