Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Het eeuwige voornemen van God de Vader om Zijn dierbare Zoon te verheerlijken en te verheffen tot Heere en Koning

Philpot toont uit het Nieuwe en het Oude Testament dat het van eeuwigheid Gods voornemen was Zijn Zoon als Koning te verhogen. Wie de wereld in verval ziet, houdt zich vast aan Gods eed aan de Zoon.

Zijn dierbare Zoon te verheerlijken en Hem aan Zijn eigen rechterhand te zetten in koninklijke majesteit en soevereine heerschappij over alle dingen in de hemel, op aarde en onder de aarde: dat was het eeuwige voornemen van Hem Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn eigen wil. Als Zoon van de Vader in waarheid en liefde is Jezus het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid.

Dit was het geheim van eeuwige wijsheid, liefde en genade dat verborgen lag in de schoot van God van vóór de grondlegging van de wereld. Het ging erom dat deze heerlijkheid van de Vader door de mensenkinderen gezien en eerbiedig aanbeden zou worden. Een aanblik ervan, hier door het geloof en hierna door aanschouwen, zou miljoenen verloste heiligen met onsterfelijke vreugde vervullen.

Alle liefde, schoonheid, zaligheid, heiligheid en gelukzaligheid van een drie-enige Jehova zou stralen in de verheerlijkte mensheid van de Zoon van God. En krachtens hun vereniging met Hem zou Hij in Zijn uitverkorenen wonen zoals de Vader in Hem woont, zodat zij allen één zouden zijn (Johannes 17:21; Johannes 17:23).

Voor dit doel zijn alle dingen geschapen, en opdat dit doel volledig bereikt zou worden, worden zij nog steeds in stand gehouden. De verlossing door verzoenend bloed is een onderdeel van dit wonderlijke plan, en wel een uiterst belangrijk onderdeel. Jezus leed, bloedde, stierf en stond op om het te vervullen. Nu zit Hij aan de rechterhand van de Vader in koninklijke waardigheid en macht om volledig en definitief te volbrengen wat nog te doen staat.

Maar om de raad niet te verduisteren met woorden zonder kennis zullen wij proberen de Schriften zoveel mogelijk als onze enige gids te nemen. Het zou ons slecht passen met onheilige blik door te dringen in de voornemens van God als zij niet in het woord van Zijn genade geopenbaard waren. Want de verborgene dingen, dat wil zeggen dingen die opzettelijk aan het zicht zijn onttrokken, zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid (Deuteronomium 29:29).

i. Bij het openen van dit onderwerp willen wij zo dicht mogelijk in de voetstappen van de openbaring treden en beginnen met het getuigenis van het Nieuwe Testament.

Wij nemen eerst het getuigenis van onze Heere Zelf over Zichzelf.

1. Bij het laatste avondmaal, vlak voor het sombere uur waarop Hij Gethsémané zou ingaan, zei Jezus tot Zijn discipelen: En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen. En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft; Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israels. (Lukas 22:28-30.)

2. Zo ook toen Hij voor Pilatus stond en de Romeinse landvoogd in de volheid van zijn macht en gezag vroeg: Zijt Gij dan een Koning? Wat was Zijn zachtmoedige maar vaste antwoord? Gij zegt, dat wil zeggen: terecht, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren. Maar om te tonen dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld was, had Hij eerder verklaard: nu is Mijn Koninkrijk niet van hier (Johannes 18:36-37).

3. Aan deze duidelijke getuigenissen van de Heere over Zichzelf kunnen wij de belofte toevoegen die de engel Gabriël aan Maria gaf: Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn (Lukas 1:32-33).

4. In volle overeenstemming met dit engelenwoord werd Hij als Koning der Joden geboren en aanbeden door de wijzen uit het Oosten (Mattheüs 2:2; Mattheüs 2:11). Als Koning van Israël werd Hij erkend en aanbeden door Zijn gelovige discipelen (Johannes 1:50).

En als Koning der Joden werd Hij gekruisigd. Zo werd Hij ook uitgeroepen in de drie toen best bekende talen, zodat Hebreeër, Griek en Romein Zijn titel konden lezen*. Die titel stond vast en goed, hoog verheven in het onveranderlijke voornemen van God, ondanks de protesterende overpriesters. In hun hart zou de knagende pijn van schuldige vrees die titel maar al te graag hebben veranderd in een voorzichtiger verklaring.

* Wij herinneren ons niet de opmerking te hebben gezien, hoewel zij vrij voor de hand ligt, dat juist deze titel de aandacht van de stervende dief trok en tot zegen was voor zijn ziel. De Heilige Geest wekte geloof in zijn hart op dat Jezus, daar en toen voor zijn ogen gekruisigd, werkelijk de Zoon van God en Koning van Israël was en als zodanig een koninkrijk had voorbij de dood en het graf.

ii. Maar nu richten wij de aandacht van onze lezers op de aanwijzingen die het Oude Testament geeft van het koninklijk bewind en gezag van Jezus. Verklaringen van meer of minder duidelijkheid over het eeuwige voornemen van God om Zijn dierbare Zoon een koninkrijk te geven zijn met zo’n royale hand door al deze Schriften gestrooid dat wij er maar enkele kunnen kiezen.

1. De eerste duidelijke aanwijzing hiervan vinden wij in het danklied van Hanna. Wij laten daarbij de voorafbeeldende verschijning van Melchizedek, koning van Salem (Genesis 14:18), buiten beschouwing en ook de profetie van de stervende Jakob dat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn (Genesis 49:10). Hanna zegt: Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen (1 Samuël 2:10).

Dit is de eerste vermelding van de titel die Jezus zou dragen als de Messias, of de gezalfde Profeet, Priester en Koning van Zijn volk, want dat is het woord in de grondtekst. De tweede vermelding staat in Psalm 2:2.

2. Maar de duidelijkste aanwijzing aan de gemeente, niet alleen dat zij een Koning zou hebben maar dat Gods eigen eeuwige Zoon die Koning zou zijn, staat in die Psalm van de psalmen, Psalm 2:1-12. Daar wordt het vaste besluit aan het licht gebracht en als met een straal van verblindende heerlijkheid opgeschreven. Zo worden de vrienden van de Zoon van God gerustgesteld en Zijn vijanden verward.

Gezeten op de troon van Zijn heerlijkheid ziet de God van alle macht en kracht vooruit naar de tijd waarin er raad zou worden genomen tegen de Heere en tegen Zijn gezalfde. Dan vraagt Hij door Zijn Geest: Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde.

Hun opstandige harten riepen uit: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij. Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen, dat wil zeggen de banden en touwen die ons zouden binden aan enige onderwerping aan de Persoon en het werk, het bewind en gezag van de Zoon van God.

Maar tevergeefs is hun woede en ijdel hun raad. Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten. Toch, ondanks al hun toorn en opstand: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid. Dan antwoordt de Zoon zachtmoedig: Ik zal van het besluit verhalen.

Dit besluit was het resultaat van de eeuwige raadsbesluiten van Vader, Zoon en Heilige Geest. Het lag verborgen in de schoot van een drie-enige God van vóór de grondlegging van de wereld. Hier werd het voor het eerst aan het licht gebracht op de bladzijde van de openbaring, uit de mond van Hem Die als de openbaarder van de zin en de wil van de Vader bij uitstek en nadrukkelijk het Woord is: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

Dan spreekt de Vader: Niet alleen heb Ik U, reeds nu, als Mijn Koning gezet op Mijn heilige berg Sion, maar: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting. In deze Psalm hebben wij dus het eerste en tevens het volledigste en duidelijkste beeld dat aan de gemeente van het Oude Testament is gegeven van het voornemen van de Vader om de Zoon van Zijn liefde te verheffen tot Heere en Koning.

3. Psalm 8:1-9, zoals Paulus die in de brief aan de Hebreeën openlegt en toelicht, geeft ons een beeld van de vernedering van de Zoon van God en Zijn daaropvolgende verhoging. Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt! Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen; Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen (Hebreeën 2:6-8).

De apostel brengt in zijn geestelijke uitleg van deze Psalm Jezus voor onze ogen als de mens die een weinig minder gemaakt dan de engelen is (of voor een korte tijd, volgens de kanttekening). Dat was Hij inderdaad door het vlees en bloed van de kinderen aan te nemen, want de menselijke natuur is op zichzelf wezenlijk lager dan de engelennatuur.

Maar de Heilige Geest zag in de Psalm,* zoals de apostel die uitlegt, verder dan de oorspronkelijke gedachte van de psalmdichter. Die aanschouwde eerst de sterrenhemel in zijn oosterse middernachtelijke pracht. Daarna zag hij de mens in zijn eerste schepping: een weinig minder gemaakt dan de engelen en toch gekroond met eer en heerlijkheid, bekleed met heerschappij over de werken van Gods handen.

De Heilige Geest, Die deze Psalm inspireerde, zag dus verder dan deze oorspronkelijke bedoeling van de psalmdichter. Hij zag ook voorbij de vernedering van de gezegende Heere naar Zijn verheerlijking aan de rechterhand van de Vader. En Hij getuigde van Zijn koninklijke waardigheid met de woorden: met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen; Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen.

* Wij hebben vaak gedacht, en mogen zelfs zeggen volledig te geloven, dat de geïnspireerde schrijvers van het Oude Testament de betekenis van hun eigen woorden niet altijd zelf geheel zagen of begrepen. De Heilige Geest beïnvloedde hun gedachten en leidde hun pen zo dat er in hun woorden diepere en volle waarheid lag en werd overgebracht dan zij zelf wisten.

Zo riep David uit: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten (Psalm 22:2). Hij riep onder het verbergen van Gods aangezicht voor hemzelf. Maar de Heilige Geest had daarmee een diepere betekenis op het oog: de smartelijke kreet van de lijdende Zoon van God. De geïnspireerde schrijvers wisten weliswaar dat de Heilige Geest het lijden en de heerlijkheid van de Messias aankondigde, maar hun beeld van beide was vaag en zwak.

Toch probeerden zij door te dringen in de zin van de Geest, zoals Petrus zegt: Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied; Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. (1 Petrus 1:10-11.)

4. Een soortgelijk getuigenis gaf de Vader van Zijn soeverein voornemen om de Zoon van Zijn liefde te verhogen in die gedenkwaardige woorden die de Heere Zelf in de dagen van Zijn vlees aanhaalde (Mattheüs 22:41-45): De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten (Psalm 110:1).

De rechterhand is de plaats van waardigheid, macht en gezag. Zijn dierbare Zoon daar te zetten in alle genade en heerlijkheid, macht en gezag van Zijn Persoon als Godmens, de vleesgeworden Zoon van God, was een deel van de raad van de Heere. Het was een leidend en voornaam deel.

In Hem zouden alle volmaaktheden van de Godheid schitteren. De onzichtbare, zelfbestaande IK BEN, Die een ontoegankelijk licht bewoont, zou als het ware uit dit ondoordringbare omhulsel van verblindend, overweldigend licht tevoorschijn komen. Hij zou verschijnen in een gedaante waarin en waaronder Hij gezien, gekend, geloofd, liefgehad, aanbeden en vereerd kon worden door miljoenen verloste mensen en uitverkoren engelen. Die raad bestaat in eeuwigheid, evenals de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht (Psalm 33:11).

5. De Psalmen bevatten min of meer duidelijke aanwijzingen van het vaste voornemen van God om Zijn dierbare Zoon op de troon van Zijn heerlijkheid te zetten. Dat geldt vooral voor Psalm 72:1-20, Psalm 89:1-52, Psalm 96:1-13, Psalm 98:1-9 en Psalm 149:1-9. Toch vinden wij nergens op de geïnspireerde bladzijde zulke duidelijke en stellige verklaringen van deze eeuwige raad als bij de profeet Jesaja.

Het beloofde bewind van de Messias schijnt met een vast licht door alle bladzijden van Jesaja. Maar wij vestigen de aandacht van onze lezers vooral op Jesaja 49:1-26. Dat hoofdstuk bevat als het ware een heilige dialoog tussen de Vader en de Zoon over het werk van Zijn verlossende liefde en de beloning die Hem daarvoor beloofd is.

Het hoofdstuk opent met de toespraak van de Zoon tot de landen, ter voorbereiding op Zijn uitspraak en het genadige antwoord van de Vader: Hoort naar Mij, gij eilanden! en luistert toe, gij volken van verre! De HEERE heeft Mij geroepen van den buik af, van Mijner moeders ingewand af heeft Hij Mijn Naam gemeld. En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw Zijner hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen. En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Knecht, Israel, door Welken Ik verheerlijkt zal worden. (Jesaja 49:1-3.)

De gezegende Heere geeft hier profetisch aan de verre landen te kennen, en mogen wij niet zeggen ook aan ons eigen bevoorrechte land onder hen, dat Hij nog zou komen. Hij zou vlees worden en van de baarmoeder af geroepen zijn om Gods Knecht te zijn. Zelfs vanuit de schoot van Zijn maagdelijke moeder zou Hij een naam dragen die boven alle naam is.

Dan spreekt Hij van de woorden van gezag en kracht die de Vader Hem in het eeuwige voornemen al had gegeven om te doden en levend te maken, door Zijn mond te maken als een scherp zwaard. Vervolgens brengt Hij de beschermende hand van Zijn hemelse Vader in beeld. Die verborg Hem voor alle boosaardigheid van aarde en hel in de schaduw van Zijn hand.

Daarna geeft Hij aan dat de Vader, Die Hem door een toebereid lichaam te geven had gemaakt tot een zuiveren pijl, Hem in Zijn pijlkoker zou verbergen. Dat zou duren tot de bestemde tijd waarop Hij Hem uit Zijn rechterhand zou zenden om oordeel te voltrekken. Want de Vader had in de eeuwige raadsbesluiten en verbondshandelingen tot Hem gezegd: Gij zijt Mijn Knecht, Israel, door Welken Ik verheerlijkt zal worden.

(Wij hoeven niet te veronderstellen dat deze woorden een exacte weergave of een letterlijk afschrift zijn van de plechtige handelingen tussen de Vader en de Zoon. Maar zij brengen ons in profetische vorm bepaalde werkelijkheden over die God eeuwig voornemens was te volbrengen. Die zijn al ten dele vervuld en zullen eenmaal geheel worden vervuld.)

Maar Hij voorzag dat Israël naar het vlees Hem zou verwerpen. Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Johannes 1:11). Daarom uit Hij profetisch de taal van klacht: Doch Ik zeide: Ik heb te vergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en ijdelijk toegebracht.

Toch onderwerpt Hij Zich zachtmoedig aan de wil van Zijn Vader en vindt Hij een heilige vreugde in het overlaten aan Zijn handen van de uitkomst van Zijn lijden en werk. Hij voegt eraan toe: gewisselijk, Mijn recht (dat wil zeggen de beslissing over Mijn rechtvaardige zaak) is bij den HEERE, en Mijn werkloon (of beloning, zoals de kanttekening het weergeeft) is bij Mijn God.

Maar ook als Israël naar het vlees Hem zou verwerpen, zou dat Zijn heerlijkheid niet veranderen: En nu zegt de HEERE, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; maar Israel zal zich niet verzamelen laten; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen des HEEREN, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn (Jesaja 49:5).

De Vader antwoordt dan: Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israel; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde (Jesaja 49:6).

Hierin ligt die genadige, gezegende belofte waarvan wij heidenen nu de vervulling genieten. Zou Israël naar het vlees zijn beloofde Messias verwerpen, ja kruisigen, stelt die voorziene verwerping dan de voornemens van Jehova teleur? Nee! Zij is al vooraf gekend en er is al vooraf in voorzien. De vleesgeworden Zoon zal de vrucht van de arbeid van Zijn ziel zien en verzadigd worden.

Voor de arme heidenen, door de trotse Joden veracht en verafschuwd als buiten het verbond en daarom zonder God en zonder hoop in de wereld, zal Hij een licht zijn. Hij zal uitverkoren zondaars leiden op de weg van vrede. Ja, Hij zal Zelf Gods eigen heil zijn tot aan het einde der aarde.

Dan komt die heerlijke belofte van de verhoging van Zijn dierbare Zoon tot Heere en Koning. De eerste vervulling ervan begon toen Jezus na Zijn hemelvaart de troon besteeg. De volle vervulling wacht op de verdere ontplooiing van Gods voornemens.

Met deze belofte besluiten wij ons huidige artikel, omdat wij bijzonder in tijd en ruimte gedrongen zijn: Alzo zegt de HEERE, de Verlosser van Israel, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Dien, aan Welken het volk een gruwel heeft, tot den Knecht dergenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om des HEEREN wil, Die getrouw is, om den Heilige Israels, Die U verkoren heeft (Jesaja 49:7).

Het is zoet om met het oog van het levende geloof de eeuwige voornemens en vaste raadsbesluiten van de Vader te zien om de Zoon van Zijn liefde te verhogen en te verheerlijken. Dat Jezus eeuwig verheerlijkt zou worden, is het verlangen en de vreugde van allen die Zijn naam liefhebben. Zij willen dat Hij de kroon draagt die zo lang geleden beloofd en zo rechtvaardig verdiend is.

Zij willen dat Hij Zijn rechtvaardige scepter zwaait over alle dingen in hemel en op aarde, als met die handen die aan het kruis genageld waren: een scepter van genade voor Zijn vrienden en een ijzeren staf voor Zijn vijanden. Zo vervult Hij volkomen de raadsbesluiten van Gods hart en het zekere woord van Zijn lippen.

Daarom is voor hen de overdenking van Gods vaste voornemens om Zijn dierbare Zoon te verhogen en alle dingen onder Zijn voeten te stellen vol zoetheid en zaligheid. Een eeuwig verbond, in alles wel geordineerd en bewaard (2 Samuël 23:5); diepe raadsbesluiten van eeuwige wijsheid; vaste voornemens van genade en heerlijkheid; het woord en de eed van een God Die niet kan liegen; de oneindige kennis van een alwetende en de grenzeloze macht van een almachtige Soeverein: deze diepe geheimen zijn voor de wijzen en verstandigen verborgen. Zij worden geopenbaard aan de kinderkens die ernaar verlangen onderwezen te worden en graag leren.

Zij zien en voelen wat een door zonde uitgeputte wereld het huidige toneel is. Overal ontmoet het verlichte oog wrak en ondergang. Overal heersen ellende, misdaad, minachting van alle goddelijk gezag, opstand tegen elke beperking van wet of geweten en open uitdaging van elke rem op trots of hartstocht.

Als wij deze toestand zien, en zien hoe er naarmate de welvaart toeneemt en de bevolking groeit steeds meer vreemde gewoonten en manieren, denkwijzen en roekeloze goddeloosheid als met een overvloedige vloed binnenstromen, is het kind van genade bijna verleid Hem uit het oog te verliezen Die boven de watervloeden zit. Het voelt of vreest dan alsof de god en overste van deze wereld de ware meester van het toneel en de grote bestuurder van de gebeurtenissen is.

Als verlichting tegen zulke ongelovige, God onterende, goddeloze gedachten kan het geloof soms door en voorbij al die donkere nevels van het dal kijken naar die onbewolkte hemelen waar de Zoon van God aan de rechterhand van de kracht zit. Het tegenwoordige bewind van Jezus kan met het oog van de zinnen niet gezien worden. Wij hebben zelfs geen bewijs dat Jezus helemaal regeert, behalve door Zijn hand in de voorzienigheid te bespeuren en te onderscheiden, het woord van Zijn genade te geloven of de kracht van Zijn opstanding in het hart te voelen.

Dit zijn de drie getuigen tegen alle overtuigingen van de zinnen en alle haarkloverijen van het redenerende verstand. Zij zijn de grote steunpilaren van de ziel wanneer de beken van goddeloze mensen haar bang maken. Maar de voornaamste getuige is het zekere woord van belofte, de gezworen eed van de Vader aan de Zoon zoals die in de Schriften van de waarheid is opgetekend:

Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen; Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen. Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege! Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. (Psalm 89:4-5; Psalm 89:35-37.)

Zoals van Abraham, de vader der gelovigen, geschreven staat: En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer; En ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen (Romeinen 4:20-21): zo rust het geloof op de zekere beloften van God dat de troon van Zijn dierbare Zoon voor eeuwig zal worden gevestigd. Als zin en rede zich niet tegen de vervulling van dit zekere woord van belofte verzetten, zou er geen geloof als dat van Abraham nodig zijn: tegen hoop op hoop te geloven.

Intussen moge het ons gelukkig deel zijn voor onszelf de scepter van Zijn genade aan te raken en ons te onderwerpen aan Zijn soevereine wil. En wie ook zegt: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij, moge het ons gegeven zijn onszelf over te geven aan Zijn onzichtbaar, maar niet ongevoeld gezag als Heere en Koning in onze harten en gewetens.

Maar omdat wij in ons vorige artikel uit het woord van de waarheid de eeuwige raad van God de Vader hebben aangetoond om Zijn dierbare Zoon te verheerlijken en te verhogen tot Heere en Koning, zullen wij nu met Zijn hulp en zegen de uitvoering van dit voornemen beschouwen. Die vond plaats in de menswording, de dood, de opstanding, de hemelvaart en de verheerlijking van de Zoon van God.

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!