Entangled
Zijn wij verstrikt in de liefde tot de wereld — of vastgebonden en geketend door wereldse zorgen — en woekert de geest van de wereld in onze borst — dan is heel onze belijdenis flauw en zo niet waardeloos. Wij kunnen de taal van het gebed spreken — maar het hart is er niet ernstig bij. Wij kunnen nog altijd met opgeheven hoofd de waarheid belijden — maar de kracht en de zaligheid ervan zijn ons onbekend.
Om enige gemeenschap met de Heere te genieten moeten wij uitgaan uit een wereld die vijandig tegenover Hem staat. Wij moeten ook uitgaan uit onszelf. Want het zelf verloochenen en afzweren en eruit uitgaan ligt aan de grondslag van de levende godsvrucht.
De zoete geestelijke gezindheid
Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede (Romeinen 8:6).
Zonder deze geestelijke gezindheid is de godsdienst slechts een naam — een leeg masker — een waan — een strik. In dezelfde mate als ons hart en onze genegenheden op hemelse dingen gericht zijn zullen wij een zoete hemelgeur op onze geest voelen rusten.
De bereiding voor de hemel bestaat grotendeels in die zoete geestelijke gezindheid waardoor hemelse dingen ons enige geluk worden. Wij voelen er een innerlijke verrukking in die het hart verruimt — het gemoed veredelt — de geest verzacht — en de hele ziel als het ware optilt in een heilige dampkring waarin zij baadt als in haar uitverkoren element!
Een verborgen maar heilige kracht
Overal waar Jezus in genade en bevindelijk aan de ziel wordt geopenbaard en bekend wordt gemaakt door een zoete openbaring van Zijn heerlijke Persoon — Zijn verzoenend bloed en Zijn volbrachte werk — gaat een verborgen maar heilige kracht uit. Daardoor worden wij tot Hem getrokken en stroomt elke genade van de Geest naar Hem toe als naar haar aantrekkelijke middelpunt.
Vriendelijke vijanden
Zullen wij twisten met deze twijfels en vrezen — deze verzoekingen en beproevingen — deze aanvallen van Satan — deze opwellingen van het innerlijk bederf — terwijl zij in Gods barmhartigheid en voorzienigheid zulke gezegende helpers zijn? Drijven zij ons naar de genadetroon? Worden wij door hen uit leugenachtige toevluchten gebracht? Wordt door hen alle valse hoop van ons afgestroopt? Maken zij ons eerlijk en oprecht voor God? Keren wij ons door hen af van alle menselijke hulp om geheel en alleen tot de Heere te komen? Zullen wij dan twisten met deze dingen?
Zij zijn, als ik het zo mag zeggen, zulke vriendelijke vijanden. Zij zijn van vloeken in zegeningen veranderd. In Gods besturende voorzienigheid werken zij op zo geheimzinnige wijze mee ten goede. Zullen wij God niet liever zegenen voor elke beproeving die ons tot Zijn voetbank brengt? Voor elke verzoeking die onze eigen gerechtigheid heeft weggestroopt? Voor elke slag die ons van de wereld heeft afgesneden? Voor elke smart die de dingen van tijd en zinnen heeft verbitterd? Voor alles wat ons dichter bij Hemzelf heeft gebracht — hoe pijnlijk voor het vlees ook — en ons meer liefde tot Hem en meer verlangen naar Hem heeft doen voelen?
Als wij Gods barmhartigheden optellen moeten wij er zeker ook de dingen onder rekenen die pijnlijk zijn voor het vlees — dingen waarin wij eens alleen ellende konden zien. Ja bij het optellen van het rijke totaal moeten wij in de lijst opnemen: elke steek van schuld — elke slag van overtuiging — elke folterende twijfel — elke pijnlijke vrees — elke verborgen verzoeking — alles wat ons het meest heeft beroerd.
En konden wij aan een van Gods barmhartigheden een nog voornamere plaats geven dan zouden wij de eerste plaats geven aan de diepste beproeving. Wij zouden zeggen: „Van alle barmhartigheden zijn onze moeiten — beproevingen — oefeningen en verzoekingen de grootste geweest. Wij zien nu dat zij ons gezegend hebben losgesneden van de vleselijke godsdienst en van die waanbeelden die onze ondergang zouden zijn geweest als wij erin waren gebleven. Deze beproevingen hebben ons uiteindelijk gebracht in een zoetere en bijzondere gemeenschap met God Zelf!”
Een vleselijke godsdienst
Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn (Johannes 1:13).
Het vlees kan zich nog zo hoog verheffen maar nooit boven zichzelf uitstijgen. Het begint in huichelarij — gaat voort in huichelarij — en kan nooit anders eindigen dan in huichelarij. In welke gedaanten het zich ook vertoont — een vleselijke godsdienst kan nooit boven zichzelf uitkomen.
Er is geen gebrokenheid van hart — geen verslagenheid van geest — geen godzalige droefheid — geen echte nederigheid — geen levend geloof — geen geestelijke hoop — geen hemelse liefde die door de Heilige Geest in het hart is uitgestort — bij hen die geboren zijn uit den wil des vleses.
Geen vernederende gedachten over zichzelf — geen tedere gevoelens van eerbied tegenover God — geen kinderlijke vrees voor Zijn grote Naam — geen smelting van het hart — geen verzachting van de geest — geen afgestorvenheid aan de wereld — geen zoete gemeenschap met de Heere van het leven en de heerlijkheid — heeft ooit in hun borst gewoond!
Het vlees met al zijn werkingen en al zijn sluwe bedrog en huichelarij is nooit zo diep gezonken dat het zichzelf verfoeide en godzalig treurde. En het is nooit zo hoog gestegen dat het gemeenschap met God had. De diepte van het eerste is te diep en de hoogte van het tweede te hoog voor ieder die niet uit God geboren is.
Deze geboorte uit de wil van het vlees laat een mens waar zij hem vond — dood in zonde — zonder vreze Gods — en volkomen onwetend van die goddelijke onderwijzing die alleen zijn ziel kan redden van de eeuwige toorn.
Dolverliefd op zijn eigen gerechtigheid
Een reden waarom mensen Christus niet aannemen is hun eigengerechtigheid. Zolang de eigengerechtigheid in het hart van een mens niet enigszins is gebroken kan hij nooit enige schoonheid of lieflijkheid zien in een bloedende Jezus. Hij is dolverliefd op zijn eigen gerechtigheid. Hij ziet haar niet in het licht van Gods aangezicht als een wegwerpelijk kleed. Daarom heeft hij geen ogen om te zien — geen oren om te horen — geen hart om dat heerlijke kleed van de gerechtigheid te ontvangen dat de Zoon van God heeft gewrocht en dat wordt toegerekend aan allen die in Zijn Naam geloven.
Dit werk van genade
En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Efeze 2:1).
Zolang God door Zijn Geest de ziel niet levend maakt tot geestelijk leven moet er een vastbesloten verwerping van Christus zijn. Hoe een mens Hem ook in zijn verstand mag aannemen — de innerlijke neiging van zijn hart en de verborgen taal van zijn ziel is: „Niet Dezen, maar Bar-abbas!” Zijn er dan mensen die wel in Hem geloven — Hem aannemen — Hem liefhebben en een gezegende vereniging met Hem hebben — dan komt dat alles voort uit de levendmakende Geest van God die met kracht in hun ziel werkt.
Overal waar de levendmakende kracht van Gods Geest over iemands geweten is gegaan wordt hij onfeilbaar gebracht om zichzelf als zondaar te zien en te voelen. Dit innerlijke zien van zichzelf snijdt hem vroeg of laat af van alle eigengerechtigheid — alle valse toevluchten — en alle ijdel vertrouwen waarmee hij zijn ziel zou willen schragen. De Heere zal al Zijn volk overtuigen van hun verloren staat voor Hem. Hij werpt hen als geruïneerde ellendigen in het stof — zonder hoop — kracht — wijsheid — hulp of gerechtigheid — behalve wat hun als een vrije gave door soevereine genade wordt geschonken.
Dit werk van genade in het geweten haalt alle valse toevluchten van een mens omver — berooft hem van elke leugenachtige hoop — en drukt hem neer in zelfvernedering en zelfverfoeiing. Het is onmisbaar voor een ware aanneming van Christus. Wat een mens ook in zijn hoofd geleerd heeft — en hoever hij ook in zijn oordeel onderricht is — hij zal Christus nooit geestelijk in zijn hart en genegenheden ontvangen voordat hij door Gods hand in zijn ziel is gebroken tot een geruïneerde ellendeling.
Is een mens werkelijk daar gebracht dan behaagt het de Heere meestal om voor zijn verbaasde blik een zaligmakende kennis van de Heere van het leven en de heerlijkheid te ontsluiten en in zijn ziel te brengen. Hij werpt een licht in het gemoed en brengt een kracht in het hart. Daardoor wordt de heerlijke Persoon van Christus — Zijn verzoenend bloed — Zijn stervende liefde — Zijn volbrachte werk en rechtvaardigmakende gerechtigheid — met geestelijke ogen aanschouwd — met geestelijke handen aangeraakt — en ontvangen in een geestelijk en gelovig hart.
Een verborgen — zachte — stille uitgang van liefde en genegenheid
Er zal van tijd tot tijd in behouden zielen een uitstromen van genegenheid tot Jezus zijn. Van tijd tot tijd geeft Hij de ziel een glimp van Zijn Persoon. Hij vertoont Zich, zoals de Schrift zegt, blinkende uit de tralien. Misschien gaat Hij haastig voorbij — maar Hij laat zulk een vluchtige glimp zien van de schoonheid van Zijn Persoon en de voortreffelijkheid van Zijn volbrachte werk — Zijn stervende liefde en verzoenend bloed — dat het hart verrukt wordt en de genegenheden van de ziel stilletjes worden aangetrokken. Zo ontstaat een hard najagen van Hem en een uitgaan van het verlangen van de ziel naar Hem.
Zo behaagt het de Heere soms stilletjes in het hart te werken. Dan is er een wegsmelten aan de voeten van Jezus — of een verborgen — zachte — stille uitgang van liefde en genegenheid tot Hem. Daardoor verkiest de ziel Hem boven duizenden van goud of zilver en begeert zij niets zozeer als de innerlijke openbaringen van Zijn liefde — genade en bloed.
En zo neemt een ziel Christus aan — niet alleen gedreven door nood — maar ook getrokken door genegenheid. Zij neemt Christus niet alleen aan als een uitweg uit de komende toorn — alleen als iets dat een ziel redt van het onuitblusbare vuur en de worm die niet sterft. Nee — vermengd met de nood — zoet en krachtig ermee verbonden — en innig en onlosmakelijk ermee werkend — is er het uitstromen van echte genegenheid en oprechte liefde. Die gaat uit naar Hem als het enige voorwerp dat werkelijk onze hartsgenegenheid — onze geestelijke aanbidding — en ons zielsverlangen waard is.
Dit is iets heel anders dan Christus alleen in ons verstand of op leerstellige wijze in ons begrip aannemen. Zaligmakend geloof is Hem ontvangen in de diepten van een gebroken hart — als de enige Zaligmaker voor onze schuldige ziel — als onze enige hoop voor de eeuwigheid — als de enige Heere van onze hartsaanbidding — en het enige voorwerp van onze zuivere liefde. Zo is er in het verborgen — wanneer geen oog ziet dan het oog van God en alleen het oor van Jehova het hijgen van ons smekende hart hoort — het uitademen van de geest naar het genieten van Zijn liefde — genade en bloed.
Wat ziet dat er mooi uit!
De man uit de fabel vond een dode adder — althans dood naar de schijn door de kou. Wat ziet dat er mooi uit! Hij stopt hem in zijn boezem en warmt hem op — dan komt hij weer tot leven en bijt hem! Zo gaat het met een mens die speelt met zijn begeerlijkheden en eraan toegeeft. Zijn vleselijk hart gaat ernaar uit — totdat zij ten slotte als de verstijfde adder in een levende slang veranderen en hem steken!
De spin en de vlieg
Zie de spin die op een vlieg loert. Het arme vliegje is net aan de rand van het web gevangen — de spin ligt in zijn hol. Zodra hij het web ziet trillen rent hij naar beneden — wikkelt de draden om zijn slachtoffer — doodt het — zuigt het karkas leeg — en laat het liggen. Zo kan de duivel worden vergeleken met de spin die in zijn web werkt. Hij wacht en loert — in werkelijkheid om een kind van God het bloed en zelfs de beenderen uit te zuigen en het in de hel te werpen. En zo zou hij doen als er geen bewarende genade was.
Groei in genade
Niemand die het Woord van God met verlichte ogen leest kan ontkennen dat daarin een leer van groei in genade vervat is. Het begrip leven zelf houdt immers vooruitgang in — groei — voortgang — toename. Lammeren groeien op tot schapen — wijnknoppen tot wijnranken — zonen tot vaders. Het grote kenmerk van levende dingen is dat zij groeien. En daarom betekent het ontbreken van groei het ontbreken van leven.
Huichelaars kunnen weliswaar groeien in huichelarij — farizeeën in eigengerechtigheid — Arminianen in vleselijke prestaties — dode calvinisten in hoofdkennis — hoogmoedige belijders in aanmatiging — zelfbedriegers in waan — en de onbeproefden in ijdel vertrouwen. Maar de doden groeien nooit in het goddelijke leven want de wortel der zaak is niet in hen.
Een verdoemelijk ding
Zonde is een verdoemelijk ding — en ieder van Gods volk wordt er toe gebracht — is er toe gebracht — of zal er nog toe gebracht worden dit zo te voelen. Hoe meer zij van de zonde zien — van de zonde kennen — van de zonde voelen — des te verdoemelijker zal de zonde in hun ogen verschijnen. Met des te groter gewicht en kracht zal haar vreselijke schuld en vuilheid op hun geweten drukken.
Er zijn betrekkelijk weinigen die een helder inzicht of een diep gevoel hebben van wat de zonde werkelijk is. De reden is meestal dat zij zo’n geringe — oppervlakkige — vluchtige kennis hebben van wie en wat God is. Maar laat hen eenmaal door het oog des geloofs de reinheid van God zien. Laat hen eenmaal een openbaring van Zijn gerechtigheid en heiligheid — majesteit en grootheid in hun ziel ontvangen. En laat hen een overeenkomstig zicht en gevoel hebben van de diepe en wanhopige toestand waarin zij verkeren als gevallen kinderen van een gevallen vader.
Dan zullen zij niet langer oppervlakkige gevoelens hebben over de aard en het kwaad van de zonde. Dan zullen zij haar afschuwelijke en verdoemelijke karakter zo zien en voelen dat zij met Jesaja in de tempel uitroepen: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien (Jesaja 6:5).
O wat een werk maakt de zonde dan in het geweten wanneer zij door de Geest van God wordt ontsloten! Hoe oppervlakkig of vluchtig onze beschouwingen van de zonde eerder ook geweest zijn — pas wanneer haar wanhopige en kwaadaardige karakter door de Heilige Geest wordt geopend wordt zij werkelijk gezien — gevoeld — bedroefd beleden — en bejammerd als een zeer schrikwekkende en vreselijke werkelijkheid.
Het is dit zwaard van de Geest dat snijdt en verwondt. Het is deze intrede van leven en licht die het geweten openrijt. Het is dit goddelijke werk dat het hart verscheurt en die diepe wonden toebrengt die niets dan de balsem in Gilead kan genezen.
Maar de stem komt spoedig
Er zijn vele tijden waarin het lijkt alsof deze tegenwoordige wereld ons kan bevredigen — wanneer wij onze aardse paradijzen opbouwen en als het ware rust en gemak zoeken hier beneden. Maar de stem komt spoedig: „Maakt u dan op, en gaat henen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is” (Micha 2:10).
Bewaar mij voor het kwade
Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: … en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde. (1 Kronieken 4:10)
Jabez was een arme beladen zondaar die zichzelf niet kon bewaren. Kon hij zichzelf bewaren dan zou dit gebed een ijdel bespotten zijn. Hij had niet uiterlijk te vallen om dit te leren. Er zijn innerlijke vallen — uitglijders van de tong — blikken van het oog — vuile begeerten — dwalende verbeeldingen — hebzuchtige plannen — hoogmoedige verlangens — afgodische lusten — verborgen terugvallen in vleselijkheid en wereldsgezindheid.
Waarlijk een zegen
Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen … (1 Kronieken 4:10)
Gespeend te zijn van afgoden — verlost van gebroken bakken — in geest en genegenheid gescheiden van de wereld — en ons hart gevestigd te hebben op de dingen die boven zijn — is waarlijk een zegen. Een eetlust te voelen naar Gods Woord — de waarheid te ontvangen in de liefde ervoor — zoete en heilige gemeenschap met Jehova te hebben — en te leven onder de plechtige zalvingen van de gezegende Geest — is waarlijk een zegen. Dat zo’n ellendeling en vuil gedrocht van ongerechtigheid een glimlach zou ontvangen van de grote en heilige Jehova lijkt een te grote zegen — maar het zou waarlijk een zegen zijn!
Wat doet hen roepen?
Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten (Psalm 107:6).
Niet ervoor — niet erna — maar erin. Toen zij er middenin waren — toen de benauwdheid om hun hoofd gewikkeld was zoals het zeegras om het hoofd van Jona was gewikkeld — toen zij erdoor omringd waren en geen uitweg zagen — toen zij als iemand in de mist voor noch achter een uitweg zagen — toen niets dan een donkere wolk van benauwdheid hun ziel omringde en zij niet wisten of die wolk ooit zou optrekken — toen riepen zij.
Maar wat doet hen roepen? Het is dit plechtige gevoel in hun hart dat zij geen andere toevlucht hebben dan God. De Heere brengt al Zijn volk daar — dat zij geen andere toevlucht hebben dan Hemzelf. Vrienden — raadgevers — bekenden — zij kunnen meeleven maar geen verlichting geven. Er is geen toevlucht — geen schuilplaats — geen haven — geen thuis waarheen zij kunnen vluchten — behalve de Heere.
Zo brengen benauwdheden ons ertoe op persoonlijke wijze met God te handelen. Zij verjagen die halfslachtige godsdienst waarvan wij er zoveel hebben. Zij verdrijven die verstandelijke bevinding en dorre belijdenis waarmee wij zo vaak tevreden zijn. Zij verjagen ze zoals een sterke noordenwind de nevels verjaagt. En zij brengen een mens op dit plechtige punt — dat hij mededelingen van God moet hebben om hem onder zijn benauwdheid te ondersteunen en eruit te brengen.
Als een mens door zijn benauwdheden niet op dit punt wordt gebracht hebben zij hem geen goed gedaan. Zij zijn geweest als de wolken die over de woestijn trokken en haar geen vruchtbaarheid en geen vrucht gaven. Zij zijn geweest als de regen die op het plaveisel valt en door de zon verdampt wordt zonder vrucht of bloem voort te brengen. Maar de benauwdheden die God in de harten van Zijn volk zendt zijn als de regen die op vruchtbare grond valt. Daardoor dragen zij vrucht en verdiept en vermeerdert elke genade van de Geest zich in hun ziel.
Het pad van de gelovige
Het pad van de gelovige is waarlijk geheimzinnig — vol harmonische tegenstrijdigheden en hemelse paradoxen. Hij is nooit gerust als hij rust heeft — en nooit zonder last als hij er geen heeft. Hij is nooit tevreden zonder iets te doen — en toch nooit tevreden met iets wat hij doet. Hij is nooit zo sterk als wanneer hij stilzit — nooit zo vruchtbaar als wanneer hij niets doet — en nooit zo bedrijvig als wanneer hij het minst haast maakt.
Hij wint vergeving door schuld — hoop door wanhoop — verlossing door verzoeking — vertroosting door verdrukking — en een kleed van gerechtigheid door vuile lompen. Hoewel een worm en geen man overwint hij de Almacht zelf door geweld. En hoewel minder dan ijdelheid en niets neemt hij de hemel zelf met geweld in.
Zo is hij te midden van de vreemde tegenstrijdigheden die in een gelovig hart samenkomen — nooit zo biddend als wanneer hij niets zegt — nooit zo wijs als wanneer hij de grootste dwaas is — nooit zo alleen als wanneer hij het meest in gezelschap is — en nooit zo onder de kracht van een innerlijke godsdienst als wanneer hij het meest gescheiden is van een uitwendige.
De last kan blijven
Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden (Psalm 55:23).
De last kan nog blijven — maar er wordt kracht gegeven om hem te dragen. De beproevingen zijn misschien niet verminderd — maar de kracht om ze te verdragen is vermeerderd. De kwaden van het hart zijn niet weggenomen — maar er wordt genade meegedeeld om ze te onderwerpen. „Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.”
If we are entangled in the love of the world—or fast bound and fettered with worldly anxieties—and the spirit of the world is rife in our bosom—all our profession will be vapid, if not worthless. We may use the language of prayer—but the heart is not in earnest. We may still manage to hold our head high in a profession of the truth—but its power and blessedness are neither known nor felt. To enjoy any measure of communion with the Lord—we must go forth from a world which is at enmity against Him. We must also go forth out of self—for to deny it, renounce it, and go forth out of it—lies at the very foundation of vital godliness.
Sweet spirituality of mind
“For to be carnally minded is death; but to be spiritually minded is life and peace.” Romans 8:6
Without this spirituality of mind, religion is but—a mere name—an empty mask—a delusion—a snare. Just in proportion as our heart and affections are engaged on heavenly objects—shall we feel a sweet savor of heaven resting upon our spirit. Preparedness for heaven much consists in that sweet spirituality of mind whereby heavenly things become our only happiness—and an inward delight is felt in them, that—enlarges the heart—ennobles the mind—softens the spirit—and lifts the whole soul, as it were, up into a holy atmosphere in which it bathes as its choice element!
A secret yet sacred power
Wherever Jesus is graciously and experimentally manifested to the soul, and made known by any sweet revelation of His glorious Person, atoning blood, and finished work—a secret yet sacred power is put forth, whereby we are drawn unto Him—and every grace of the Spirit flows toward Him as towards its attractive center.
Friendly enemies
Shall we quarrel with—these doubts and fears—these temptations and trials—these assaults from Satan—these workings-up of inward corruption—when they are, in God’s mercy and in God’s providence, such blessed helpers? If they drive us to a throne of grace—if by them we are brought out of lying refuges—if by them all false hopes are stripped off from us—if by them we are made honest and sincere before God—if by them we turn away from all human help, and come wholly and solely to the Lord—shall we quarrel with these things, which are, if I may use the expression—such friendly enemies—that are so changed from curses into blessings—that in God’s overruling providence are made so mysteriously to work for our good?
Shall we not rather bless God—for every trial that brings us to His footstool—for every temptation that has stripped away creature righteousness—for every blow that has cut us off from the world—for every affliction that has embittered the things of time and sense—for everything, however painful to the flesh, which has brought us nearer to Himself—and made us feel more love towards Him, and more desire after Him? Surely, when we sum up God’s mercies, we must include in the number—things painful to the flesh—and which at one time we could only look upon as miseries. No, in summing up the rich total, we must catalogue in the list—every pang of guilt—every stroke of conviction—every agonizing doubt—every painful fear—every secret temptation—everything that has most disturbed us.
And could we assign a more prominent place to one of God’s mercies—we would give the most distinguished place to the deepest trial. We would say, “Of all mercies, the greatest have been our troubles, trials, exercises, and temptations—for we now see that their blessed effect has been to cut us clean out of fleshly religion, and out of those delusions which, had we continued in them, would have been our destruction. These trials eventually brought us into more sweet and special communion with God Himself!”
A fleshly religion
“Who were born, not of blood, nor of the will of the flesh, nor of the will of man, but of God.” John 1:13
The flesh, however high it may rise, can never rise above itself. It begins in hypocrisy—it goes on in hypocrisy—and it never can end but in hypocrisy. Whatever various shapes it puts on—a fleshly religion never can rise above itself. There is—no brokenness of heart—no contrition of spirit—no godly sorrow—no genuine humility—no living faith—no spiritual hope—no heavenly love shed abroad in the heart by the Holy Spirit—in those that are “born after the will of the flesh.” No abasing views of self—no tender feelings of reverence towards God—no filial fear of His great name—no melting of heart—no softening of spirit—no deadness to the world—no sweet communion with the Lord of life and glory—ever dwelt in their bosoms!
The flesh, with all its workings, and all its subtle deceit and hypocrisy—never sank so low as self abhorrence and godly sorrow—and never mounted so high as into communion with God. The depth of the one is too deep—and the height of the other too high for any but those who are “born of God.” This birth by “the will of the flesh,” leaves a man just where it found him—dead in sin—destitute of the fear of God—and utterly ignorant of that divine teaching, which alone can save his soul from eternal wrath.
Madly enamored with his own righteousness
One reason why people don’t receive Christ is their self-righteousness. Until self-righteousness is in a measure broken down in a man’s heart, he never can see any beauty nor loveliness in a bleeding Jesus. Being madly enamored with his own righteousness, and not seeing it in the light of God’s countenance as “filthy rags,” he has—no eyes to see—no ears to hear—no heart to receive that glorious robe of righteousness, which the Son of God wrought out, and which is imputed to all that believe on His name.
This work of grace
“And you has He quickened, who were dead in trespasses and sins.” Ephesians 2:1
Until God by His Spirit quickens the soul into spiritual life, there must be a determined rejection of Christ. However a man may receive Him into his judgment, the inward bias of his heart and the secret speech of his soul is, “Not this Man, but Barabbas!” If, then, there are any who do believe in Him, receive Him, love Him, and have a blessed union with Him—it all springs from the quickening Spirit of God working with power in their souls. Wherever the quickening power of God’s Spirit has passed upon a man’s conscience, he is invariably brought to see and feel himself to be a sinner. This inward sight of self cuts him off, sooner or later, from—all self-righteousness—all false refuges—and all vain confidences with which he may seek to prop up his soul. The Lord will convince all His people of their lost state before Him—and cast them as ruined wretches into the dust—without hope, strength, wisdom, help, or righteousness—except that which is given to them, as a free gift, by sovereign grace.
This work of grace in the conscience, pulling down all a man’s false refuges, stripping him of every lying hope, and thrusting him down into self-abasement and self-abhorrence—is indispensable to a true reception of Christ. Whatever a man may have learned in his head, or however far he may be informed in his judgment—he never will receive Christ spiritually into his heart and affections, until he has been broken down by the hand of God in his soul, to be a ruined wretch. When a man is effectually brought here, the Lord is pleased, for the most part, to open up to his astonished view, and to bring into his soul, some saving knowledge of the Lord of life and glory. He casts into the mind a light, and He brings into the heart a power, whereby the glorious Person of Christ, His atoning blood, dying love, finished work, and justifying righteousness—are looked upon by spiritual eyes—touched by spiritual hands—and received into a spiritual and believing heart.
A secret, soft, gentle going forth of love & affection
There will be from time to time, in saved souls, a flowing forth of affection towards Jesus. From time to time He gives the soul a glimpse of His Person—He shows Himself, as the Scripture speaks, “through the lattice”—passing, perhaps, hastily by, but giving such a transient glimpse of the beauty of His Person, the excellency of His finished work, dying love, and atoning blood—as ravishes the heart, and secretly draws forth the affections of the soul—so that there is a following hard after Him, and a going out of the desires of the soul towards Him. Thus, sometimes the Lord is pleased secretly to work in the heart, and there is a melting down at the feet of Jesus—or a secret, soft, gentle going forth of love and affection towards Him, whereby the soul prefers Him before thousands of gold and silver—and desires nothing so much as the inward manifestations of His love, grace, and blood.
And thus a soul receives Christ—not merely as driven by necessity—but also as drawn by affection. He does not receive Christ merely as a way of escape from the wrath to come—merely as something to save a soul from the unquenchable fire and never-dying worm—but mingled with necessity, sweetly and powerfully combined with it, and intimately and intricately working with it—there is the flowing forth of genuine affection and sincere love, that goes out to Him as the only object really worthy of—our heart’s affection—our spirit’s worship—and our soul’s desire.
This is a very different thing from receiving Christ merely into our judgment, or into our understanding in a doctrinal manner. Saving faith is to receive Him in the depths of a broken heart—as the only Savior for our guilty soul—as our only hope for eternity—as the only Lord of our heart’s worship—and the only object of our pure affection—so that in secret, when no eye sees but the eye of God, and only the ear of Jehovah hears the pantings of our pleading heart—there is the breathing out of the spirit after the enjoyment of His love, grace, and blood.
What a pretty looking thing!
The man in the fable found a dead viper—at least dead to all appearance through the cold. What a pretty looking thing! He puts it into his bosom and warms it—then it revives and bites him! So it is with a man who plays with his lusts—indulging them—his carnal heart goes out after them—until at last, like the torpid viper, it turns to a living adder and stings him!
The spider & the fly
See the spider watching a fly. The poor little fly has just been caught in the edge of the web—the spider lies in its hole. As soon as he sees the web shake, down he runs, and draws the threads around his victim, kills him, sucks his carcass, and leaves it. Thus the devil may be compared to the spider working in his web—waiting, lurking, in reality to suck the very bones and blood of a child of God and cast him into hell—and so he would, were it not for preserving grace.
Growth in grace
No one who reads the Word of God with an enlightened eye can deny that there is contained in it such a doctrine as growth in grace. The very idea indeed of ‘life’ implies advance, growth, progress, increase. Lambs grow up into sheep—vine buds into vine branches—sons into fathers. Their grand distinguishing mark of living things, is that they grow. And, therefore, absence of growth implies absence of life. Hypocrites, indeed, may grow in hypocrisy—Pharisees may grow in self-righteousness—Arminians may grow in fleshly performances—dead Calvinists may grow in head knowledge—proud professors may grow in presumption—self deceivers may grow in delusion—and the untried may grow in vain confidence. But the dead never grow in the divine life, for “the root of the matter” is not in them.
A damnable thing
Sin is a damnable thing—and every one of God’s people is made, has been made, or will be made, to feel it so. And the more that they see of sin, know of sin, feel of sin—the more damnable will sin appear in their eyes—and with greater weight and power will its dreadful guilt and filth lie upon their conscience. Now there are but few, comparatively speaking, who have any clear sight or any deep feeling of what sin really is—and the reason, for the most part, is because they have such a slight, shallow, superficial knowledge of who and what God is. But let them once see the purity of God by the eye of faith—let them once have a manifestation of His justice and holiness, majesty and greatness to their soul—and let them have a corresponding sight and sense of the deep and desperate state in which they are as fallen children of a fallen parent—then will they no longer have slight, superficial feelings of the nature and evil of sin—but will so see and feel its hideous and damnable character as to make them cry out with Isaiah in the temple, “Woe is me! for I am undone; because I am a man of unclean lips, and I dwell in the midst of a people of unclean lips: for my eyes have seen the King, the Lord of hosts.” Isaiah 6:5
O what work does sin then make in the conscience, when it is opened up by the Spirit of God! Whatever superficial or shallow views we may have had of sin before, it is only as its desperate and malignant character is opened up by the Holy Spirit, that it is really seen, felt, grieved under, and mourned over as indeed a most dreadful and fearful reality. It is this sword of the Spirit which cuts and wounds—it is this entrance of life and light that gashes the conscience—it is this divine work which lacerates the heart and inflicts those deep wounds, which nothing but the “balm in Gilead” can heal.
But the voice soon comes
There are many times when it seems as if this present world could satisfy us—when we build up our earthly paradises, and seek as it were ease and rest here below. But the voice soon comes, “Arise, and depart; for this is not your rest: because it is polluted.” Micah 2:10
Keep me from evil
“And Jabez called on the God of Israel, saying, Oh that. . . .You would keep me from evil, that it may not grieve me! And God granted him that which he requested.” 1 Chronicles 4:10
Jabez was a poor burdened sinner who could not keep himself. If he could keep himself, this petition would be an idle mockery. He need not to have fallen outwardly to teach him this. There are inward falls—slips of the tongue—glances of the eye—filthy desires—roving imaginations—covetous projects—proud desires—idolatrous lustings—secret backslidings into carnality and worldliness.
A blessing indeed
“And Jabez called on the God of Israel, saying, Oh that You would bless me indeed.” 1 Chronicles 4:10
To be—weaned from idols—delivered from broken cisterns—separated in spirit and affection from the world—and have our heart fixed on things above—is a blessing indeed. To feel an appetite after God’s Word—to receive the truth in the love of it—to have sweet and holy communion with Jehovah—and to live under the solemn anointings of the blessed Spirit—is a blessing indeed. That such a wretch and filthy monster of iniquity should have a smile from the great and holy Jehovah, seems a blessing too great—but would be a blessing indeed!
What makes them cry?
“Then they cried to the Lord in their trouble, and He delivered them out of their distresses.” Psalm 107:6
Not before, not after, but in it. When they were in the midst of it—when trouble was wrapped round their head, as the weeds were wrapped round the head of Jonah—when they were surrounded by it, and could see no way out of it—when, like a person in a mist, they saw no way of escape before or behind—when nothing but a dark cloud of trouble surrounded their souls, and they did not know that ever that cloud would be dispersed—then it was that they cried.
But what makes them cry? It is this solemn feeling in their hearts—that they have no other refuge but God. The Lord brings all His people here—to have no other refuge but Himself. Friends, counselors, acquaintances—these may sympathize, but they cannot afford relief. There is—no refuge—nor shelter—nor harbor—nor home into which they can fly—except the Lord. Thus troubles bring us to deal with God in a personal manner. They chase away that half-hearted religion of which we have so much—and they drive out that ‘notional experience’ and ‘dry profession’ that we are so often satisfied with. They chase them away as a strong north wind chases away the mists—and they bring a man to this solemn spot—that he must have communications from God to support him under, and bring him out of his trouble.
If a man is not brought to this point by his troubles—they have done him no good. They have been like the clouds that have passed over the desert, and transmitted to it neither fertility nor fruitfulness—they have been like the rain that drops upon the pavement, and is evaporated by the sun, producing neither fruit nor flower. But the troubles that God sends into the hearts of His people are like the rain that falls upon the fertile soil—causing them to bring forth fruit, and every grace of the Spirit to deepen and fructify in their soul.
The believer’s path
The believer’s path is indeed a mysterious one—full of harmonious contradictions and heavenly paradoxes. He is never easy when at ease—nor without a burden when he has none. He is never satisfied without doing something—and yet is never satisfied with anything that he does. He is never so strong as when he sits still—never so fruitful as when he does nothing—and never so active as when he makes the least haste. He wins—pardon through guilt—hope through despair—deliverance through temptation—comfort through affliction—and a robe of righteousness through filthy rags. Though a worm and no man—he overcomes Omnipotence itself through violence. And though less than vanity and nothing—he takes heaven itself by force. Thus amid the strange contradictions which meet in a believing heart, he is—never so prayerful as when he says nothing—never so wise as when he is the greatest fool—never so much alone as when most in company—and never so much under the power of an inward religion as when most separated from an outward one.
The burden may still remain
“Cast your burden upon the Lord, and He will sustain you.” Psalm 55:22
The burden may still remain—but strength is given to bear it. The trials may not be lessened—but power to endure them is increased. The evils of the heart are not removed—but grace is communicated to subdue them. “My grace is sufficient for you, for My power is made perfect in weakness.”