Communion with God
Niets onderscheidt de goddelijke godsdienst van het kind van God zo sterk als de gemeenschap met God. Dat geldt zowel ten opzichte van de dode goddeloosheid van de openlijk goddelozen als ten opzichte van de vormelijke lippendienst van de levenloze belijder.
Hoe duidelijk zien wij dit in de heiligen van weleer. Abel zocht gemeenschap met God toen hij bracht van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. Hij zag immers uit naar het verzoenende bloed van het Lam van God. God nam de gave aan en getuigde van zijn gaven door Zijn goddelijke instemming te openbaren. Zo was er gemeenschap tussen Abel en God. Henoch wandelde met God. Maar hoe kunnen twee samen wandelen als zij het niet eens zijn? Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn? En zijn zij het eens, dan zijn zij in gemeenschap en omgang.
Abraham was een vriend van God en de HEERE sprak tot Mozes aangezicht tot aangezicht. Over David zegt God: een man naar Mijn hart (Handelingen 13:22). Al deze getuigenissen van de Heilige Geest over hen houden in dat zij verzoend waren, dichtbij gebracht werden en wandelden in heilige gemeenschap met de Heere, de Almachtige God.
Zo leefden ook alle heiligen van weleer, wier lijden en daden in Hebreeën 11 zijn opgetekend, een leven van geloof en gebed. Het was een leven van gemeenschap en omgang met hun Vader en hun Vriend. Zij zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd en door het zwaard ter dood gebracht. Zij hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde. Zij hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen der aarde. Toch werden zij in hun lijden en verdriet allen ondersteund door de Geest en de genade, de tegenwoordigheid en de kracht van de levende God. Met Hem hadden zij zoete gemeenschap.
Gemarteld wilden zij de aangeboden verlossing niet aannemen door hun Heere te verloochenen, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.
Zij wilden Hem zien zoals Hij is in heerlijkheid, door Wiens genade zij op aarde in gemeenschap met Hem waren gebracht. Tot dezelfde gemeenschap met Zichzelf roept God nu Zijn heiligen. Wij lezen: God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere (1 Korinthe 1:9). Want gemeenschap hebben met Zijn Zoon is gemeenschap hebben met Hem.
Zoals Hij Abraham uit het land van de Chaldeeën riep, zo roept Hij uitverkoren zielen uit de wereld, uit de duisternis, uit zonde en dood, uit vormelijkheid en eigengerechtigheid en uit een bedrieglijke belijdenis. Zij worden geroepen om gemeenschap met Hemzelf te hebben en gezegend te worden met openbaringen van Zijn liefde en barmhartigheid.
Naar dit doel strekken al Zijn handelingen met hun zielen. Om hen dicht bij Zichzelf te brengen worden al hun smarten, beproevingen en verdriet gezonden. Door hun hier proeven van heilige gemeenschap te geven, schenkt Hij hun voorsmaken van die eeuwigheid van zaligheid die hun deel zal zijn wanneer de tijd niet meer zal zijn. Dan zullen zij voor altijd verzwolgen worden in Zijn tegenwoordigheid en liefde.
Al bij de eerste ontwakingen van de Geest, bij de eerste levendmakingen van Zijn genade, is er in de levende ziel iets wat haar eeuwig onderscheidt van alle anderen. Dat geldt wat hun belijdenis ook is, hoog of laag, hoe gezond of ongezond zij in de leer zijn en hoe consequent of inconsequent in de praktijk. Te midden van alle moeite, duisternis, schuld, verwarring en zelfveroordeling is er een streven naar gemeenschap met God. Dat is zo ook al weet de ziel nog niet wie of wat Hij is en kan zij Hem nog niet met vertrouwen naderen.
Er is een besef van Zijn grootheid en heerlijkheid. Er is een heilige vrees en godvrezende eerbied voor Zijn grote Naam en een sidderen bij Zijn woord. Er is een verbrokenheid, een berouw, een nederigheid, een eenvoud en een oprechtheid. Er is zelfvernedering en wantrouwen jegens zichzelf, een angst voor huichelarij en zelfbedrog en een komen tot het licht. Er is een arbeiden om door de enge poort in te gaan en een tederheid van geweten. Er is een besef van onmacht en onvermogen en een zuchten onder de schuld en last van de zonde. Er is een vlugheid om haar werkingen te zien en een schrik dat zij zullen uitbreken.
Dit alles zien wij nooit bij een dode, vleselijke belijder, of hij nu de hoogste calvinist is of de laagste Arminiaan. Bij al die vleselijke belijders is er, wat hun belijdenis of naam ook is, een hardheid, een vrijmoedigheid, een onwetendheid en een zelfvertrouwen die een kind van God verkillen en afstoten. Hun godsdienst bevat geen berouw en geen geloof. Daarom is er geen haat tegen de zonde en geen vrees voor God. Het is een louter uiterlijke, oppervlakkige vorm, voortkomend uit enkele natuurlijke overtuigingen.
Zij gaat vergezeld van zulke valse hoop en eigengerechtig vertrouwen als een Bileam kon hebben door grote gaven, een Achitofel door grote kennis of de farizeeër in de tempel door grote consequentheid. Maar zij verschilt van een werk van genade als de hemel van de aarde.
Hoe anders is hij die levend gemaakt is voor God. Zijn godsdienst wordt beleefd tussen God en zijn eigen geweten, in de diepten van zijn ziel en meestal temidden van veel druk en verzoeking. Hij wordt neergedrukt door het zien en voelen van het vreselijke kwaad van de zonde. Soms durft hij nauwelijks tot God te naderen of een woord te zeggen voor de grote en heerlijke majesteit van de hemel.
En toch wordt hij soms gedreven en soms getrokken om zijn hart voor Hem uit te storten en dag en nacht Zijn aangezicht te zoeken, behalve in meer vaste tijden van gebed en smeking. Maar ook dit kan hij niet doen zonder bijzondere beproeving en verzoeking.
Blijft hij weg van de troon, dan wordt hij in zijn eigen geweten veroordeeld als iemand zonder godsdienst, een arme, biddeloze, onverschillige ellendeling. Komt hij wel, dan wordt hij soms bijna overweldigd door het zien van de majesteit en heiligheid van God en van zijn eigen open, vreselijke zonden tegen Zijn oneindige reinheid en voor Zijn ogen. Is hij koud en dood, dan ziet hij dat als een teken van zijn eigen huichelarij. Is hij verruimd en voelt hij heilige vrijheid en gezegend vertrouwen in zijn ziel opwellen, dan kan hij nauwelijks geloven dat het echt is. Hij vreest dat het vermetelheid is en dat Satan hem nu bedriegt als een engel des lichts.
Wordt hem een belofte toegepast en wordt hij een tijd lang zoet gezegend, dan trekt hij het daarna allemaal in twijfel. Mag hij onder het woord zijn zaligheid duidelijk zien, dan vraagt hij zich vaak af of het wel werkelijk van God was. En wordt zijn mond geopend om tot een christenvriend te spreken over iets zoets dat hij genoten heeft of over een vrijheid die hij gevoeld heeft, dan wordt hij tot op het bot beproefd. Voordat er een uur over zijn hoofd is gegaan, vraagt hij zich af of hij niet een kind van God heeft misleid.
Maar door al deze dingen worden levende zielen onderwezen. De leegheid van een blote belijdenis, het bedrog van hun eigen hart en de duisternis, ellende en dood die de zonde altijd in haar gevolg heeft wanneer zij in het geheim wordt toegelaten, worden steeds grondiger in hun zielsbevinding ingeweven. Hetzelfde geldt voor de ijdelheid van dit arme, voorbijgaande tafereel en het totale onvermogen van het schepsel, in henzelf of in anderen, om hun enige werkelijke voldoening te geven.
Zij krijgen glimpen en blikken van de Koning in Zijn schoonheid en zien en voelen meer van Zijn gezegendheid en geschiktheid voor al hun nood en ellende. Zijn bloed en gerechtigheid, heerlijke Persoon en volbracht werk worden meer voelbaar beseft, geloofd, aangezien en vertrouwd. En het behaagt Hemzelf met hen te spreken vanaf het verzoendeksel door Zijn woord, Geest, tegenwoordigheid en liefde. Dan beginnen zij nauwe en innige gemeenschap met Hem te hebben.
Elk nieuw zicht op Zijn schoonheid en gezegendheid trekt hun hart meer naar Hem toe.
Zij glijden vaak uit, struikelen, springen opzij en dwalen weg op de donkere bergen. Zij zijn vaak zo koud als ijs en zo hard als rots, met niet meer gevoel voor godsdienst dan de stenen van de straat, en in hun eigen gevoel verachtelijker dan de verachtelijkste en slechtste. Toch wordt telkens hun stenen hart weer week. De traan van smart loopt over hun wang en hun borst hijgt van godvruchtig verdriet. Gebed en smeking gaan van hun lippen uit.
De zonde wordt beleden en betreurd en vergeving wordt gezocht met veel geroep. Om het bloed der besprenging wordt gesmeekt. Om een woord, een belofte, een glimlach, een blik en een aanraking wordt telkens weer gebeden, totdat lichaam en ziel beide uitgeput zijn door de ernst van het uitgesproken verlangen.
O, hoeveel is er nodig om de ziel tot haar enige Rust en Middelpunt te brengen! Wat een beproevingen en verdrukkingen! Wat een smeltovens, vloeden, roeden en slagen, maar ook wat een glimlachen, beloften en genadige trekkingen! Wat een hoogmoed en eigen ik waaruit zij gebracht moet worden! Wat een liefde en bloed waartoe zij gebracht moet worden! Wat een lessen over de vrijheid en volheid van de zaligheid! Wat een zinken in zichzelf! Wat een rijzen in Christus!
Wat een schuld en veroordeling vanwege de zonde! Wat een zelfverfoeiing en zelfvernedering en wat een wantrouwen jegens zichzelf! Wat een vrees om te vallen, wat een gebeden en verlangens om bewaard te worden, wat een zich vastklemmen aan Christus! Wat een opzien naar Zijn goddelijke majesteit, zoals het geloof Hem ziet aan de rechterhand van de Vader! Wat een verlangens om nooit meer tegen Hem te zondigen maar te leven, te bewegen en te handelen in de heilige vreze Gods! Dit alles vinden wij, min of meer, dagelijks in een levende ziel.
En waaruit ontspringt al deze innerlijke bevinding anders dan uit de gemeenschap die er is tussen Christus en de ziel? De apostel zegt: wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen (Efeze 5:30). Daarom is er een wederzijds deelhebben aan smart en vreugde. Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen (Jesaja 53:4). Hij is de Hogepriester Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Daarom kan Hij medelijden hebben met onze zwakheden (Hebreeën 4:15). Hij kan medelijden hebben en meevoelen.
Zo kunnen wij, wanneer het geloof ons daartoe in staat stelt, onze zonden en smarten op Hem werpen. Zo kan Hij uit Zijn eigen volheid die genade en kracht schenken die ons uiteindelijk meer dan overwinnaars kunnen maken (Romeinen 8:37). Maar hier houden wij voorlopig halt. Wij hebben pas de drempel aangeroerd van een onderwerp dat zo vol is van goddelijke zaligheid.
Een onderwerp als dit daalt af in alle diepten van zonde en smart en stijgt op naar alle hoogten van genade en heerlijkheid. Het omvat gemeenschap met Christus in Zijn lijden en gemeenschap met Christus in Zijn heerlijkheid. Het is een thema voor Paulus nadat hij was opgenomen in de derde hemel en voor Johannes op Patmos nadat hij Hem had zien wandelen te midden van de zeven gouden kandelaars. Zelfs hun goddelijk onderwezen zielen konden niet voldoende bevatten, en hun goddelijk geïnspireerde pennen niet waardig beschrijven, alles wat besloten ligt in het ernstige geheim van de gemeenschap.
Dat is de gemeenschap die de gemeente als de Bruid van het Lam geroepen is te genieten met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, de grote en heerlijke Drie-enige God.
Nothing distinguishes the divine religion of the child of God, not only from the dead profanity of the openly ungodly, but from the formal lip-service of the lifeless professor—so much as communion with God.
How clearly do we see this exemplified in the saints of old. Abel sought after fellowship with God when “he brought of the firstlings of his flock, and of the fat thereof,” for he looked to the atoning blood of the Lamb of God. God accepted the offering, and “testified of his gifts” by manifesting his divine approbation. Here was fellowship between Abel and God. Enoch “walked with God;” but how can two walk together except they be agreed? And if agreed, they are in fellowship and communion. Abraham was “the friend of God;” “The Lord spoke to Moses face to face;” David was “the man after God’s own heart”—all which testimonies of the Holy Spirit concerning them implied that they were reconciled, brought near, and walked in holy communion with the Lord God Almighty.
So all the saints of old, whose sufferings and exploits are recorded in Hebrews 11 lived a life of faith and prayer, a life of fellowship and communion with their Father and their friend; and though “they were stoned, sawn asunder, and slain with the sword;” though “they wandered about in sheep-skins and goat-skins, being destitute, afflicted, tormented;” though “they wandered in deserts and in mountains, and in dens and caves of the earth,” yet they all were sustained in their sufferings and sorrows by the Spirit and grace, the presence and power of the living God, with whom they held sweet communion; and, though tortured, would “accept no deliverance,” by denying their Lord, “that they might obtain a better resurrection,” and see him as he is in glory, by whose grace they were brought into fellowship with him on earth.
This same communion with himself is that which God now calls his saints unto, as we read, “God is faithful, by whom you were called unto the fellowship of his Son Jesus Christ our Lord,” (1 Cor. 1:9,) for to have fellowship with his Son is to have fellowship with him. As then he called Abraham out of the land of the Chaldees, so he calls elect souls . . . out of the world, out of darkness, out of sin and death, out of formality and self-righteousness, out of a deceptive profession, to have fellowship with Himself, to be blessed with manifestations of His love and mercy.
To this point all his dealings with their souls tend to bring them near to himself, all their afflictions, trials, and sorrows are sent; and in giving them tastes of holy fellowship here, he grants them foretastes of that eternity of bliss which will be theirs when time shall be no more, in being forever swallowed up with his presence and love.
Even in the first awakenings of the Spirit, in the first quickenings of his grace, there is that in the living soul which eternally distinguishes it from all others, whatever be their profession, however high or however low, however in doctrine sound or unsound, however in practice consistent or inconsistent. There is, amid all its trouble, darkness, guilt, confusion, and self-condemnation, a striving after communion with God; though still ignorant of who or what he is, and still unable to approach him with confidence. There is . . . a sense of His greatness and glory; a holy fear and godly awe of His great name; a trembling at His word; a brokenness, a contrition, a humility, a simplicity, a sincerity, a self-abasement, a distrust of self, a dread of hypocrisy and self-deception, a coming to the light, a laboring to enter the strait gate, a tenderness of conscience, a sense of helplessness and inability, a groaning under the guilt and burden of sin, a quickness to see its workings, and an alarm lest they should break forth—all which we never see in a dead, carnal professor, whether the highest Calvinist or the lowest Arminian.
In all these carnal professors, whatever their creed or name, there is a hardness, a boldness, an ignorance, and a self-confidence which chill and repel a child of God. Their religion has in it no repentance and no faith—therefore no hatred of sin or fear of God. It is a mere external, superficial form, springing out of a few natural convictions, and attended with such false hopes and self-righteous confidence as a Balaam might have from great gifts, or an Ahithophel from great knowledge, or the Pharisee in the temple from great consistency, but as different from a work of grace as heaven from earth.
How different from this is he who is made alive unto God. His religion is one carried on between God and his own conscience, in the depths of his soul, and, for the most part, amid much affliction and temptation.
Being pressed down with a sight and sense of the dreadful evil of sin, he at times dares hardly draw near to God, or utter a word before the great and glorious majesty of heaven. And yet he is sometimes driven and sometimes drawn to pour out his heart before him, and seek his face night and day, besides more set seasons of prayer and supplication. And yet this he cannot do without peculiar trial and temptation. If he stays away from the throne, he is condemned in his own conscience as having no religion, as being a poor, prayerless, careless wretch; if he come, he is at times almost overwhelmed by a sight of the majesty and holiness of God, and his open, dreadful sins against and before the eyes of his infinite purity. If he is cold and dead, he views that as a mark of his own hypocrisy; if he is enlarged, and feels holy liberty and blessed confidence spring up in his soul, he can scarcely believe it real, and fears lest it be presumption, and that Satan is now deceiving him as an angel of light; if he has a promise applied, and is sweetly blessed for a time, he calls it afterwards all in question; if favored under the word, to see his salvation clearly, he often questions whether it were really of God; and if his mouth is opened to speak to a Christian friend of any sweetness he has enjoyed, or any liberty that he has felt, he is tried to the very quick, before an hour is gone over his head, whether he has not been deceiving a child of God.
But by all these things living souls are instructed. The emptiness of a mere profession, the deceitfulness of their own hearts, the darkness, misery, and death that sin always brings in its train when secretly indulged, the vanity of this poor, passing scene, the total inability of the creature, whether in themselves or others, to give them any real satisfaction, all become more thoroughly inwrought into their soul’s experience. And as they get glimpses and glances of the King in his beauty, and see and feel more of his blessedness and suitability to all their wants and woes; as his blood and righteousness, glorious person, and finished work are more sensibly realized, believed in, looked unto, and reposed upon; and as he himself is pleased to commune with them from the mercy-seat through his word, Spirit, presence, and love, they begin to hold close and intimate fellowship with him.
Every fresh view of his beauty and blessedness draws their heart more towards him; and though they often slip, stumble, start aside, wander away on the dark mountains, though often as cold as ice and hard as rock—with no more feeling religion than the stones of the pavement, and viler in their own feelings than the vilest and worst—still ever and anon their stony heart relents, the tear of grief runs down their cheek, their bosom heaves with godly sorrow, prayer and supplication go forth from their lips, sin is confessed and mourned over, pardon is sought with many cries, the blood of sprinkling is begged for, a word, a promise, a smile, a look, a touch, are again and again besought, until body and soul are alike exhausted with the earnestness of expressed desire.
O, how much is needed to bring the soul to its only Rest and Center. What trials and afflictions; what furnaces, floods, rods, and strokes, as well as smiles, promises, and gracious drawings! What pride and self to be brought out of! What love and blood to be brought unto! What lessons to learn of the freeness and fullness of salvation! What sinkings in self! What risings in Christ! What guilt and condemnation on account of sin; what self-loathing and self-abasement; what distrust of self; what fears of falling; what prayers and desires to be kept; what clinging to Christ; what looking up and unto his divine majesty, as faith views him at the right hand of the Father; what desires never more to sin against him, but to live, move, and act in the holy fear of God, do we find, more or less daily, in a living soul!
And whence springs all this inward experience but from the fellowship and communion which there is between Christ and the soul? “We are members,” says the Apostle, “of his body, of his flesh, and of his bones.” As such there is a mutual participation in sorrow and joy. “He has borne our griefs, and carried our sorrows.” “He was in all points tempted like as we are, yet without sin.” He can, therefore, “be touched with the feelings of our infirmities,” can pity and sympathize; and thus, as we may cast upon him our sins and sorrows, when faith enables, so can he supply, out of his own fullness, that grace and strength which can bring us off eventually more than conquerors.
But here, for the present, we pause, having only just touched the threshold of a subject so full of divine blessedness. Such a subject as this, descending to all the depths of sin and sorrow, and rising up to all the heights of grace and glory, embracing fellowship with Christ in his sufferings and fellowship with Christ in his glory, is a theme for Paul after he had been caught up into the third heaven, and for John in Patmos, after he had seen him walking in the midst of the seven golden candlesticks; nor even could their divinely-taught souls adequately comprehend, nor their divinely-inspired pens worthily describe all that is contained in the solemn mystery of the communion that the Church, as the Bride of the Lamb, is called to enjoy with Father, Son, and Holy Spirit, the great and glorious Three-in-One God!