Lawful Strife
En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden. 2 Timothéüs 2:5
De Heilige Geest heeft in het woord van God blijkbaar dikwijls gebruik gemaakt van beelden en ophelderingen, en ik geloof, wij vinden in meerder of minder mate van Genesis tot de Openbaring toe, deze wijze van onderrichting gebezigd. Bijvoorbeeld, terstond na de val, gebruikt de Heere een duidelijk voorbeeld, als Hij rokken van vellen maakte, en met dezelve onze eerste ouders bekleedde. Wat was dit anders dan een duidelijk teken van het kleed van de toegerekende gerechtigheid, waarin zij alleen bij Hem konden aangenomen worden, verenigd met Christus’ offerande, zoals het vel van het offerdier verenigd was met het uitgestorte bloed?
Zo ook na de zondvloed, stelt de Heere zijn boog in de wolken tot een teken van Zijn verbondsgenade, opdat hij, aarde en hemel omspannende, tot een zichtbaar teken mocht zijn van Zijn verbondgenade van geslacht tot geslacht. Wanneer wij een weinig verder komen tot het tijdvak toen de Heere de kinderen Israels uit Egypte leidde, opdat zij Hem tot een bijzonder volk zouden zijn, koos Hij bij voortduring dezelfde zichtbare wijze van onderrichting door typen en voorbeelden. Het paaslam, het bloed gesprengd op de drempel en de twee zijposten, de ark des verbonds, de gehele reeks van offeranden, gebruiken en plechtigheden, met al het gereedschap van de tabernakel, waren alle zoveel sprekende voorbeelden, waardoor geestelijk onderwijs meegedeeld werd aan degenen, die ogen laadden om door de typen te zien op de betekende zaak.
Evenzo, wanneer wij komen tot de tijden van de profeten, werden de typen en voorbeelden nog steeds gebruikt. Jeremia werd naar het huis van de pottenbakker gezonden om Gods volstrekte vrijmacht te leren (Jer. 18); hem werd bevolen een linnen gordel dragen, en dan die te versteken in de kloof van een steenrots bij de rivier de Eufraat, om te tonen hoe de Heere de hovaardij van Juda wilde verderven (13: 1-11); hij zag twee vijgenbomen, om hem het onderscheid te leren tussen het goede en het boze (24).
Zo, ging Jesaja driejaren barrevoets tot een teken en wonder voor Egypte en Ethiopië (Jes. 20:3). En Ezechiël werd bevolen een tichelsteen te nemen en daarop de stad Jeruzalem te ontwerpen, en een belegering tegen haar te maken (Ezech. 4:1,2). Wanneer wij tot het Nieuwe Testament komen, vinden wij dat de Heere veel gebruik maakt van deze wijze van onderrichten. Al Zijn gelijkenissen waren zoveel sprekende voorbeelden, onder welke geestelijke wijsheid verborgen was. De zaaier uitgaande om te zaaien, de vrouw verbergende het zuurdeeg in drie maten meel; en de man vindende een parel van grote waarde, het net geworpen in de zee, de deur, de herder, de wijnstok, bij welke Hij zichzelf vergelijkt, wat zijn deze alle dan natuurlijke afbeeldingen, welke de Heere gebruikt om geestelijk onderwijs mee te delen?
Inderdaad zo gepast en zo schoon zijn vele van deze afbeeldingen, dat er sommigen geweest zijn die vraagden, of God in de eerste schepping van alle dingen niet een bijzonder vooruitziet had op geestelijke waarheden. Bijvoorbeeld toen hij aan het schaap zijn aanzijn gaf, of Hij niet een bijzonder oog had op de uitverkorene; en toen Hij de wijnstok schiep, of Hij niet een geestelijke heenwijzing op Christus en Zijn lijden deed. Wij zien dan in de gehele uitwendige schepping een type en een voorbeeld van de nieuwe schepping.
Maar er is een zaak, welke, naar ik denk, bewijst, dat dit inzicht niet in alles op waarheid gegrond is. Wij vinden de Apostel Paulus gebruik maken van voorbeelden, niet slechts allemaal van menselijke uitvinding, maar van dezulken zelfs als veel kwaad in zich bevatten. Bij voorbeeld, in vier onderscheidene plaatsen heeft hij een opheldering ontleend van de openbare spelen van de Grieken, welke, gelijk alle grote en gemengde vergaderingen, ongetwijfeld met veel kwaad vergezeld waren. Zo vinden wij hem zeggen (1 Kor. 9: 24-26), “Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat één de prijs ontvangt? Loopt alzo dat u die mag verkrijgen. En een ieder die om prijs strijdt onthoudt zich in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar we een onverderfelijke. Ik loop dan alzo, niet als op het onzekere; ik kamp alzo, niet als in de lucht slaande.” Hier is het voorbeeld duidelijk ontleend van de wedloop en het vuistgevecht onder de Grieken in gebruik bij hun openbare spelen.
Zo ook (Hebr. 12:1) zegt hij: “Waarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, (zinspelende op de menigte van aanschouwers die de lopers om de prijs als een wolk omringden), “laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt,” (gelijk de lopers alle onnodige belemmeringen aflegden), en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is”
Zo ook sprekende van zijn eigen ondervindingen (Filipp. 3:13, 14) zegt bij, “Broeders! ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb, maar een ding doe ik, vergetende hetgeen achter is en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot de prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.” Hier zinspeelt hij duidelijk op de lopers in de wedren, welke in hun vurigheid om vooruit te komen en de prijs te behalen, niet denken over de weg welke zij afgelegd hebben.
De vierde plaats waar dezelfde apostel het voorbeeld ontleent van deze openbare spelen, is het vers waarover ik voornemens ben, met Gods hulp en zegen, deze morgen iets voor te dragen. “En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden.”
Teneinde in de geestelijke zin van deze tekst te komen, zo moet ik u voor enige ogenblikken bepalen bij de natuurlijke uitleg ervan. Het heeft de Heiligen Geest behaagd, door de mond van Paulus onder dit natuurlijk voorbeeld, geestelijke onderwijzing mee te delen; wij moeten daarom door deze schil heenbreken, om tot de kern te geraken, want als wij niet een duidelijk gezicht van het voorbeeld hebben, zullen wij een verwarde gedachte van zijn geestelijke betekenis hebben.
De apostel dan gebruikt hier, gelijk ik reeds aantoonde, een voorbeeld genomen van de openbare spelen in zijn tijd, waarin prijzen gegeven werden aan hen, die de overwinning behaalden in een van deze vijf zaken, het wagenrennen, de wedloop, het worstelen, het vuistgevecht, en een gevecht samengesteld uit de twee laatste.
“Indien iemand ook strijdt,” hiermee bedoelt hij, die worstelt, of op een andere wijze kampt, om de overwinning te behalen, de prijs, een kroon van bladeren zijnde, welke in het openbaar aan de overwinnaar werd uitgereikt. Nu, daar waren zekere regels en voorwaarden vooraf bepaald, welke door al de mededingers naar de prijs ten strengste moesten in acht genomen worden. Indien een van de regels van het spel, gelijk wij zouden zeggen, door een strijder veronachtzaamd werd, ofschoon bij dan vooruit gekomen was, zo verloor hij toch de prijs, omdat “hij niet wettig gestreden had,” dat is, zich niet gedragen had naar de regels. Om een vergelijking te bezige van de paardenwedlopen hier in zwang (een werk, hetwelk ik veroordeel, ofschoon ik het beeld gebruik, om licht over de tekst te verspreiden), indien een paard aan de verkeerde zijde van de baan loopt, of minder gewicht draagt dan de regel van de wedloop vereist, hij verliest de prijs, ofschoon hij het eerst aan het einde is.
Zo de natuurlijke zin van het beeld verklaard hebbende, zullen wij nu over gaan tot de geestelijke zin daarmee bedoeld. Wij besluiten dan hieruit, dat er in geestelijke zaken een wettig en een onwettig strijden is; en dat de prijs niet noodzakelijk gegeven wordt aan hem, die de wedloop wint, indien hij zich niet gedragen heeft naar de vastgestelde regels. Ik denk dan, wij kunnen zeggen, dat er drie onderscheiden manieren van strijden zijn.
I. Daar is een onwettig strijden om onwettige voorwerpen.
II. Een onwettig strijden om wettige voorwerpen.
III. Een wettig strijden om wettige voorwerpen.
Van deze drie soorten van strijden zijn twee verkeerd en een is recht. Onwettig strijden om onwettige zaken, is klaarblijkelijk verkeerd. Onwettig te strijden om wettige zaken, berooft iemand van de prijs, en is bijgevolg ook verkeerd. Wettig te strijden om wettige voorwerpen, is de enige strijd welke de Heere bekroont en daarom de enige strijd welke recht is.
1. Nu, wat recht is kan dikwijls best gezien worden door aan te tonen wat verkeerd is, en daarom zal ik beproeven te beschrijven wat het is, onwettig te strijden om onwettige zaken.
- Te strijden om de voorrang, een Diotrefes in de kerk te zijn (3 Joh. vs. 9) is een onwettige strijd om een onwettig voorwerp. Daar is geen meerderheid of voorrang onder de navolgers van Christus. “Gij zijt allen broeders,” zei Jezus tot Zijn discipelen (Matth. 23: 8), “de grootste in het Koningrijk der hemelen is hij die het meest gelijkt op een kind” (Matth. 23: 4). “De overste der volken voeren heerschappij over hen. Doch zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht” (Matth. 20:25C27) Voorrang onder broederen is een onwettige zaak en derhalve moet de strijd daarom altijd onwettig zijn.
- Te strijden om nietige en ijdele vragen is onwettig strijden. “Brengt deze dingen in gedachtenis,” zegt Paulus, “en betuig voor de Heere dat zij geen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen ding nut is, dan tot verkering van de toehoorders.” (2 Tim. 2: 14.) Zo spreekt hij ook van hem die raast omtrent twistvragen en woordenstrijd uit welke komt nijd, twist, rasteringen, kwade nadenkingen, verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben.” (1 Tim. 6:4,5) Wanneer mensen van deze kibbelachtige, twistzieke geest in de kerken opstaan, wee dan met haar vrede.
- Te zoeken naar een gedaante van Godzaligheid, terwijl men heimelijk de kracht daarvan verloochent, of een naam te hebben, dat men leeft terwijl men dood is in zonden, is een onwettig strijden om een onwettige zaak. Te strijden om een wit gepleisterd graf, een geblankette huichelaar, een verrader van de kerken te zijn is inderdaad afschuwelijk strijden.
- Te strijden om vleselijke heiligheid en menselijke volmaaktheid, is een onwettige strijd. Nooit heeft God bedoeld, dat het vlees heilig zou zijn. In Zijn gesprek met Nicodémus zei Jezus, aangaande het rechte begin van het goddelijke leven. “Hetgeen uit het vlees is, dat is vlees, en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest,” en vestigde aldus een eeuwig en onveranderlijk onderscheid tussen die beiden. “Ik weet, dat in mij,” zegt Paulus, “dat is in mijn vlees, geen goed woont.” “Het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander.” (Gal. 5: 17.) Daarom alle pogingen om het vlees te volmaken of te heiligen, worden genoemd “de luipaard verandert zijn vlekken en de moorman zijn huid.”
- Voorts: alle pogingen om God te behagen door onszelf, is een onwettige strijd om een onwettige zaak. Hij kan zo geen welgevallen in ons hebben. De bedorven bron van ons hart giet gestadig haar bedorven stromen uit en daarom, al wat daaruit voortkomt is bedorven. Niets dan volkomen zuiverheid kan behagen aan een volmaakt heilig God, en daar geen gedachte, woord of daad bij ons is voortgekomen uit eens veranderde natuur kan het Gode niet welgevallig zijn. En echter, hoe menigeen denkt dat zijn gebeden of zijn tranen, of zijn goede werken ontvankelijk zijn bij de Heere!
- Alle poging, om de Wet in haar gestrenge eisen te houden, is een onwettige strijd. Dat is, het wordt niet gedaan zoals God het wil gedaan hebben. Jezus, en Hij alleen van al de mensen, hield de wet, en hij, die zijn eigen gerechtigheid wil oprichten om de gerechtigheid van Christus te verwerpen of te minachten strijdt onwettig.
- Te strijden om de wereld te veranderen en de bokken in schapen te verkeren, te zoeken, om de eeuwige scheidslijnen tussen de uitverkorenen en de verworpenen, te vernietigen, en Jehovah’s vrijmachtig besluit van veroordeling en genade te verwarren, is een onwettige strijd om een onwettig voorwerp. De scheidsmuur te breken tussen de kerk en de wereld, en de leer van de onderscheidende genade tot enkel nietigheid te maken, is waarlijk te strijden tegen elke regel van Gods woord.
- Te zoeken om een gemakkelijker en edeler weg te vinden, dan de smalle weg en de enge poort om in de schaapskooi te komen, maar niet door de weg van de wedergeboorte, als de deurwachter dezelve opent; te streven naar enige andere behoudenis dan door een ondervindelijke kennis van Christus en de kracht van Zijn opstanding; menselijke talenten en de godsdienst van het schepsel te verheffen als voldoende met of zonder de onderwijzingen van de Heilige Geest; te trachten naar natuurlijk geloof, hoop, berouw en liefde, zijn alle takken van onwettig strijden om onwettige zaken.
Door onwettig wordt verstaan, gelijk ik tevoren zei, niet dat tegen de letter van de Wet is, niet dat, hetwelk niet in nauwkeurige overeenkomst is met de zedelijke Wet, of de Tien Geboden, of enige tak van de Mozaïsche Wet. De woorden “wettig” en “onwettig” in de tekst hebben geen opzicht op de eigenlijk gezegde Wet. De woorden “wettig” en “onwettig” betekenen een vervullen of niet vervullen van zekere regels en voorwaarden in Gods woord gegrond. Deze wetten en regels zich geen wettelijke regels van het oude verbond, maar voorwaarden van het Evangelie, het nieuwe verbond. Versta me niet verkeerd. Ik bedoel hier geen voorwaarde om door de mens vervuld te worden, maar zekere regels, overeenkomstig welke de Heilige Geest werkt: “Wij Zijn het leem en Hij is de pottenbakker;” maar de hemelse pottenbakker werkt naar regels; en was het voor een vat mogelijk, dat het tegen de regel aan gemaakt werd, dan zou het geen vat zijn ter ere gemaakt voor des meesters gebruik. Ik wens mij duidelijk uit te drukken, want zodra iemand begint te spreken over regels en voorwaarden, dan zijn er vele onwetende of bevooroordeelde mensen die hem voorzeker schuldig zullen maken, om een woord. Onthoud dit dan, dat bij het woord regels, wetten of voorwaarden, ik zekere wijzen bedoel, op Gods woord gegrond, overeenkomstig welke Heilige Geest handelt, wanneer Hij het willen en het werken in ons werkt naar Zijn welbehagen.
Al het strijden dan van vleselijke onwedergeborene belijders, is een onwettig strijden naar een of meer onwettige voorwerpen. Verstoken zijnde van hemelse onderwijzing, strijden zij nimmer om wettige voorwerpen, dat is, zulke voorwerpen, als gesteld worden voor de ogen van de uitverkorenen. God heeft hen nimmer ingeleid in de diepten van de val, noch Zijn heilige Wet in haar diepte en geestelijkheid op hun geweten gebracht. De fonteinen van de grote afgrond in hun hart zijn nimmer opgebroken, noch hun geheim bederf bloot gelegd. De zonde is een last onder welke zij nimmer kermen, het ongeloof kwelt en plaagt ze nimmer, de gehele vervreemding van hun hart van God was nooit zo voor hen ontdekt om ze te overtuigen van hun hulpeloosheid en hopeloosheid. Jesaja’s ondervinding was nimmer de hunne, toen hij uitriep: “Wee mij, want ik verga! want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heirscharen gezien.” Hun bevalligheid was nimmer, zoals bij Daniël, veranderd in bederf, noch zij verfoeiden zich ooit zoals Job, in zak en as. Was dit werk met Goddelijke kracht in hun geweten gebracht, was de Wet inwendig toegepast geweest, het zou hen terug gehouden hebben van alle onwettige strijd.
Aan de andere zijde stelt de Heilige Geest nooit voor de ogen van hun gemoed het Evangelie van de genade van God. Geen vleselijke belijder, hetzij Calvinist of Arminiaan, had ooit geestelijke kennis van Wet of Evangelie. Had hij ondervindelijk de Wet gekend, het zou hem teruggehouden hebben van onwettig strijden. Had hij ondervindelijk het Evangelie gekend, het zou hem terug gehouden hebben van onwettige zaken. Aldus hadden zij nooit enige smaak van de zoetheid van het Evangelie. De uitwendige voorstelling en theorie mogen zij volkomen verstaan, en het zeer nauwkeurig en geleerd beredeneren, meer de inwendige kracht, de hemelse zoetheid, de goddelijke toepassing ervan, daaraan hadden zij nimmer de minste kennis. Hun hoofden mogen op de berg Sion geweest zijn, hun harten zijn echter op de berg Sinaï.
Deze onwettige strijders om onwettige voorwerpen worden nimmer gekroond. Zij mogen schijnen het eerst aan hun doeleinde te komen; en wij weten wel hoe een onwedergeborene belijder uitmunt in ijver, werkzaamheid, en uitwendige godsdienst, boven het zwaar beladen hijgend kind van God. Maar hij wordt niet gekroond. Hij heeft geen last gedragen. Hij heeft gelopen aan de verkeerde zijde van de palen. Hij heeft de loop gewonnen, maar de prijs verloren. Wij horen de grote Rechter op de jongste dag, niettegenstaande hun beroep, dat zij in Zijn naam gearbeid, duivelen uitgeworpen en hele krachtige werken gedaan hebben, hun de kroon des eeuwige levens weigeren, met deze vreselijke uitspraak: Ga weg van mij, Ik heb u nooit gekend.
Ik zal gelegenheid hebben, als ik met mijn onderwerp verder ga, om aan te tonen dat de Rechter van levenden en doden, aan de wettige overwinnaar twee kronen geeft, één kroon hier en één kroon hiernamaals; de kroon van Zijn liefde en goedkeuring in de geweten op aarde, en de kroon van de eeuwige heerlijkheid in de hemel. De onwettige strijder om onwettige voorwerpen, is, met geen van beide deze kronen versierd, want de ene in maar de voorproef en zekere voorloper van de andere. Hij heeft bijgevolg geen kroon van verborgen Goddelijke goedkeuring in zijn hart ontvangen. Geen Goddelijk liefdebewijs ontvangt hij in zijn ziel, noch een Goddelijke ontdekking in zijn geweten bekrachtigd zijn woorden en werken. Belijders van elke rang mogen hem prijzen; maar de verzegeling van de Heilige Geest, de hemelse kroon daar God zelf mee versiert, werd nooit gekend, nooit gevoeld.
Gods kinderen worden dikwijls in de war gebracht door dit eigenwillig strijden, bijzonder in jongere dagen voordat de Heere hun vuiligheid heeft weggenomen door de Geest des oordeels en der uitbranding. Wij vinden dit dikwerf het geval met de discipelen, terwijl de Heere bij hen was, voordat zij met de Heilige Geest en met vuur gedoopt waren. Ofschoon wedergeboren tot een geestelijk leven, streden zij gedurig om de voorrang, elk wenste de eerste te zijn. Aldus moesten de zonen van Zebedeüs, bevreesd voor hun eigen overredende invloed, uit nood gebruik maken van de welbespraakte tong van een vrouw, dat machtig wapen, hetwelk zo weinigen kunnen weerstaan, om hun Meester te nopen, hen te zetten, de ene aan zijn rechter-, de ander aan zijn linkerhand, in zijn koningrijk. Zo ook bij een andere gelegenheid wilden dezelfde twee discipelen vuur van de hemel doen komen, om de Samaritanen te verderven, toen zij Christus niet wilden ontvangen. (Luk. 9:54.) Aldus streden wij in onze jeugdige godsdienstige dagen, om menig onwettig voorwerp. Vleselijke heiligheid, God te behagen door onze eigen oefeningen, onszelf godsdienstig te maken, en de leer van de genade te verstaan door alle soorten van godsdienstige boeken te lezen, belijders te behagen, de wereld te bevredigen, het kruis te vermijden, de aanwrijving van liefdeloosheid te vrezen, vleselijke betrekkingen tot bedaren te brengen, en zich op te houden met oude kennissen, – wie van ons heeft nimmer zo gestreden om deze onwettige voorwerpen? Maar wij konden nimmer tot de Kenner van de harten gaan, om in ons geweten de kroon van Zijn goedkeuring te schenken. Wij streden om de voorrang, maar werden nimmer gekroond, omdat wij onwettig hebben gestreden.
II. Maar nu kom ik tot een andere soort van strijd, welke is de onwettige strijd om wettige zaken. De strijd, welke wij zo-even hebben beschreven, was een onwettige strijd om onwettige voorwerpen. In die waren de bedoelde en gezochte voorwerpen, zowel tegen de regels van het woord van God aan, als de wijze om ze te verkrijgen. In de strijd, welke wij nu beschouwen zullen, zijn de bedoelde voorwerpen wettig en goed, maar zij worden gezocht in een onwettige verkeerde weg.
Ik herhaal nog eens dat wettig en onwettig hier niet zeggen wil en niets gemeen heeft met de eigenlijk gezegde Wet, maar betekent een toestemmen of niet toestemmen aan de zijde van de strijder in zekere regels, welke God in Zijn Woord heeft neergelegd. Wat deze regels zijn zullen wij nu zien.
Daar zijn dan zekere wettige voorwerpen in het Woord van God vermeld, als de dingen die beoogd worden door ieder die loopt de loopbaan, hem voorgesteld door de Heilige Geest. Deze wettige voorwerpen zijn de zegeningen, met welke God Zijn kerk gezegend heeft in Jezus Christus. Wie zit aan het einde van het worstelperk om de prijs uit te wijzen? Wat zegt Paulus? “Laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is, ziende op Jezus, de overste Leidsman en Voleinder des geloofs.” (Hebr. 12. 1, 2.) Nu, op Wie kunnen de lopers in het worstelperk zien, dan op Hem, die aan het einde van de baan zit? Zij laten de toeschouwers achter en met uitgestrekte hals zien zij vooruit op de Rechter van de prijs. “Hij is de overste Leidsman van hun geloof,” die hun kracht geeft om te lopen, en “de Voleinder” door hen te kronen met Zijn goedkeuring.
A. Om “Christus te gewinnen” dat is het voorwerp van de ziel voorgesteld, welke loopt in de hemelse loopbaan. “Opdat ik Christus moge gewinnen,” zegt Paulus (Filip. 3: 8.) Maar wat is het Christus te gewinnen? Wel, Hem in onze harten te hebben als de hoop van de heerlijkheid, Hem te omarmen met armen van het geloof en van de genegenheid, een bekwaam te zijn om met gevoel te kunnen zeggen: “Mijn liefste is mijn, en ik ben Zijn”.
B. Daarenboven, vergeving van de zonden, betoning van genade, Goddelijke uitlatingen, des Vaders tegenwoordigheid en liefde, de Geest van aanneming stellende de ziel in staat te roepen: “Abba, Vader,” de toepassing van Christus’ vergoten bloed en genadige ontdekkingen van Zijn heerlijke gerechtigheid, deze zijn wettige voorwerpen voor wedergeborene zielen om naar te strijden. Wettig, niet omdat de Wet, eigenlijk zo gezegd, daarvan spreekt, want de Wet geeft nimmer uit- noch inwendige getuigenis, maar omdat de regel van het geloof, het heerlijk Evangelie van de genade van God, deze zegeningen openbaart als het deel van het volk van God, in het Nieuwe Testament.
Nu, geen dan een levende ziel hijgt en verlangt naar deze geestelijke zegeningen. Huichelaren en goddelozen mogen de hemel begeren om de hel te ontgaan, gelijk Bileam de dood van de oprechten begeerde te sterven. Maar ik geloof niet dat iemand dan een levende ziel een inwendige hemel begeert. Vergeving van de zonden moge een goddeloze begeren, de knaging te ontkomen van de worm die nimmer sterft, en het vuur dat niet wordt uitgeblust; maar ik ben volkomen overtuigd, dat niemand die dood is in de zonde, met sterke zuchtingen en brandende begeerten verlangt als hijgt naar de openbaringen van de zuivere liefde van een heilig God.
Geen natuurlijk mens, neen, niet de meest geleerde belijder, stort ooit zijn ziel uit in smekingen om de gezegende overschaduwing van de Heilige Geest. Het was nooit zijn dagelijks verlangen noch nachtelijke zucht. Hij had nimmer een hart om zo’n zegen te vragen, noch een hart om dezelve te ontvangen.
Maar in Zijn genadige bedoelingen met Zijn eigen kinderen stelt de Heere gewoonlijk hun zekere zegeningen voor, ofwel Hij doet hen hun diepe nood gevoelen en daarna doet Hij in hun zielen hevige begeerten ontbranden. Ik herdenk hoe vurig mijn ziel bijna veertien jaren geleden, verlangde naar de kennis van God. Het overviel mij, in diepe droefheid, ongezocht, en bleef mij bij weken lang dag en nacht. O, welk een geest van gebed en smeking had ik toen, om de inwendige kennis van God in Christus! Maar daar is een onwettig strijden in levendgemaakte zielen om deze wettige zaken. Nu, God heeft in Zijn woord van de waarheid drie plechtige regels neergelegd, wetten mag u ze noemen als u wilt, welke het wettig strijden regelen.
- De Heilige Geest moet het inwendige werk van de genade beginnen, voortzetten en voleindigen.
- De ziel moet onder Zijn Goddelijke onderwijzing gebracht worden, om volkomen ontbloot en ontledigd te worden van alle wijsheid, kracht, hulp, hoop en gerechtigheid van de mens.
- De heerlijkheid van een Drie-enig God moet het einde en het doel zijn van alles. Menige verzaking van deze drie regels van het strijden, maken dat iemand onwettig strijdt.
Nu, in onze vroegere dagen streden wij dikwijls om wettige voorwerpen, maar onze wijze van strijden was niet overeenkomstig deze drie regels, en daarom streden wij onwettig. Wij worden niet ontbloot, noch in de laagte gebracht in één dag. Het is vaak een werk van lange duur. Ik kan hier wel van ondervinding spreken. Ik was niet ontbloot, niet in de laagte gebracht voor vele jaren herwaarts, toen ik geloof, dat de Heere mijn ziel levend maakte, maar van het eerste ogenblik af aan werd ik geleid om meerder of minder te strijden naar wettige voorwerpen, en kon ik niet zijn zonder inwendige godsdienst. Maar volkomen zielsarmoede drukte mij niet, schaamte en verlegenheid had mijn aangezicht nog niet bedekt. Ik had toen nog niet gevoeld wat een laag monster van snoodheid ik was, noch van mij zelf gewalgd en mij verfoeid in stof en as. Des mensen volkomen hulpeloosheid was voor mij meer een leerstelling dan een waarheid; ik was niet bekend met de machtige overweldigende kracht van de zonde, noch het ploegijzer van verzoeking had het diep bederf van mijn hart aan de dag gebracht. Daarom streed ik onwettig. Wanneer ik viel, zoals gedurig viel, dan had ik enig geheim voorbehoud in mijzelf, enige gebeden, of berouw, of hoop, of voornemens, om mij uit de diepte op te helpen.
Zijn wij niet allen meer of minder hier geweest? Wij hadden een wettische geest die heimelijk invloed op ons had, en er was een soort van dode hoop, dat als wij een heilig leven leidden, de beloften geloofden, op Christus zagen, zoals wij ons verbeelden dat het zien was, en volhardend aanhielden, wij het voorwerp van onze begeerten zouden verkrijgen. En ofschoon wij in de grond der zaak nimmer een stap voorwaarts deden, daar was eens duistere inspanning naar voortgaande heiligmaking, en een zoeken van de zegeningen van het Evangelie bij de werken der wet. Welnu, wat was de uitkomst van al dit onwettig strijden? Heeft God het ooit gekroond met Zijn genadige en hemelse goedkeuring? Wij weten het, dat Hij dit nimmer deed. Wanneer wordt men met de kroon bedekt? “Op de dag van de bruiloft, en op de dag van de vreugde van het hart.” (Hoogl. 3: 11) En daar kan geen bruiloft, geen openbare verloving zijn van de ziel met Christus in vriendelijkheid, in genade en in getrouwheid, totdat wij dood zijn aan de wet, onze eerste man. Dan wordt de kroon op het hoofd gezet. God is een jaloers God, en wil Zijn eer niet aan een andere geven. Onze eigen strijd zal ons Zijn liefdesblikken nooit verschaffen. Nu, deze weigering van de kroon bij al haar brandende begeerten en ernstige strijd, maakt de zoekende ziel droevig, verlegen en verbijsterd. Neen, zij is bijna gereed met God te twisten, en beschuldigt Hem van ontrouwheid, omdat Hij niet tot haar spreekt van vrede en vergiffenis. Jeremia was hier, toen hij met driftig beklag uitriep: “Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plaag smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zich als een leugenachtige, als wateren die niet bestendig zijn?” (Jer. 15; 18.)
Maar wij kunnen geen godsdienst leren precies zoals wij de rekenkunde leren; wij kunnen niet de lei nemen, schrijven naar de regel uit, en de som maken. Gods onderwijzingen zijn van een zeer onderscheiden natuur, en strekken om al de hoogheid en wijsheid van het schepsel te fnuiken en te vernietigen. Ook kunnen wij Gods werk niet verhaasten; Zijn onderwijzingen zijn voor het grootste gedeelte geen haastige onderwijzingen, maar gebod op gebod, regel op regel, hier een weinig en daar een weinig. Ik kan niet in uw ondervinding staan, en u niet in de mijne. Niemand van ons weet een jota meer of minder dan de Heilige Geest in ons hart geschreven heeft. Wij leren geen godsdienst in een dag. De weg van Egypte naar Kanaan was maar van enige weinige dagen, maar de Heere verkoos Zijn volk in de woestijn te leiden, door vurige vliegende slangen, droogte en honger, veertig jaren lang. En waarom dan, “opdat Hij hen verootmoedigde, om hen te verzoeken, om te weten, wat in hun hart was?” Dit was een gedeelte van de les, en het andere was, “opdat Hij u bekend maakte dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des Heeren mond uitgaat.” (Deut. 8:2, 3.) En aldus leren wij door smartelijke ondervinding de ijdelheid van al het pogen van de mens, en worden in die toestand gebracht waar alle inspanning van krachten faalt.
III. Maar nu komen wij tot de enige strijd welke de Heere bekroont: een wettig strijden om wettige voorwerpen. Van de andere twee soorten van strijden was de eerste voornamelijk het strijden van goddelozen, en werd daarom niet gekroond. Het tweede was het strijden van levendgemaakte zielen, maar werd niet gekroond, omdat zij niet streden overeenkomstig de regels van het Evangelie.
Maar nu handelen wij over dezulken die tot armoede en geheel onvermogen om te betalen gebracht zijn in die toestand als in de gelijkenis van de twee dienstknechten, “wanneer zij niets hadden om te betalen.”
Dit ten uitvoer te brengen is het werk van de wet. Het Evangelie brengt de ziel niet tot de bedelstaf. Het komt slechts in als een vriend om de schulden te betalen, wanneer al iemands eigen geld verteerd is. De wet drijft al het geld uit de zak, roepende, “voort, voort, werk, werk.” Maar wanneer alles verteerd is, kan de wet niets meer doen. De wet heeft dan zijn werk verricht. De wet legt een last op, welke last gedragen wordt totdat hun hart door zwarigheid vernederd is, “Zij struikelen en daar is geen helper” (Ps. 107:12.) Zoals Paulus zegt: “Zonder de wet zo leefde ik eertijds maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weer levend geworden, doch ik ben gestorven.” Door deze dood sterft de ziel aan de wet, zoals Paulus elders zegt: “Weet u niet, broeders, (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan,) dat de wet heerst over de mens zo lange tijd hij leeft?” (Rom. 7: 1.) Wanneer hij dan sterft onder de wet, sterft hij aan de wet en de wet houdt op heerschappij over hem te hebben. Alle strijden daarom van de uitverkorenen onder de wet, eindigt vroeger of later in sterven aan de wet.
Nu, ik beroep mij op uw eigen geweten, of God ooit uw wettisch strijden heeft gekroond? Wat heeft de wet voor u gedaan? Wat kan de wet voor u doen, dan haar vloek in uw kart te brengen, schuld op uw geweten te leggen en slaafse vrees in uw gemoed te veroorzaken? Wettig te strijden is dan niet te strijden volgens de wet, maar volgens zekere regels in het Evangelie bepaald. Welnu dan, zij worden wetten genoemd, zoals de Heilige Geest het woord gebruikt wanneer Hij zegt: “Ik zal mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven.”
Wij zullen nu met de eerste regel beginnen, welke is, dat de Heilige Geest in ons moet werken alle kracht, wijsheid, genade, geloof, sterkte en leven, opdat wij mede strijden. Dit werk noemt de apostel een wet in Rom. 8: 2,C”De wet des geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.” Wat niet uit het geloof is dat is zonde. Zovelen door de Geest Gods geleid worden die Zijn kinderen Gods.” Niemand weet wat Gods is dan de Geest Gods.” “Als de Geest der waarheid gekomen zal zijn, Hij zal u in alle waarheid leiden.” Nu, zolang wij in eigen kracht strijden wordt de macht en wezenlijkheid van de onderwijzingen van Heilige Geest weinig gekend. Wij konden niet werkeloos blijven, zo machteloos als de pottenbakkers klei is. Al de kracht van het schepsel was nog niet verloren; een kleine voorraad was gebleven.
De tweede regel van wettig strijden is, dat de lopers in deze loopbaan geen kracht zouden hebben. “Hij geef de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte van dien die geen krachten heeft.” “Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.” “Zonder Mij kunt gij niets doen” zegt Jezus. De Heere begon Zijn bediening met Zijn verbondsbetrekking te openbaren aan de armen en nooddruftigen. “De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; om de gevangenen te prediken loslating; om de verslagenen heen te zenden in vrijheid.” Zo zei Hij: “Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen. Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden!” Al de zegeningen van het Evangelie zijn beloofd aan de armen van geest; de verbannenen uit Israël. Maar wie maakt ze arm? Voorzeker de Heere overeenkomstig dat Woord, “de Heere maakt arm en rijk.” Iemand kan wel naar het uiterlijke zichzelf arm maken met versleten lompen, en het kleed van de armoede aan te nemen. Ik heb van iemand gelezen die door een gril of soort van dolheid, de kleding aannam en leefde even als een bedelaar. Hij had overvloed van voorspoed, maar hij verkoos in lompen gekleed te zijn, en te leven van aalmoezen. Zulk een man was niet wezenlijk arm, maar zijn gewaande armoede was maar een masker en een bedrog.
Zo ook in het geestelijke, hij die zichzelf arm maakt is niet een van Gods armen; en hij schendt het werk van de Heilige Geest; en is zo even schuldig alsof hij zich zelf rijk maakte. En een kind van God, dat zichzelf tracht arm te maken, strijdt onwettig, want hij werkt tegen de regel, dat alles wat wij zijn en hebben, alles wat wij recht weten en voelen, geheel en alleen het werk moet zijn van de Heilige Geest. Iemand die zichzelf arm maakt door uitwendige heerlijkheid te verwerpen, en uitwendige nederigheid aan te nemen, heeft nooit in Zijn ziel de ondervindingen waar God zijn kinderen in oefent. De wedergeboren kinderen Gods worden als onwilligen ontbloot; zij kunnen niet geloven dat de Heere hen in de rechten weg leidt. Vertwijfeling, ongeloof, opstand, ontrouw woelen in hun hart tegen Zijn onderwijzing. Hun eerste genietingen, en zoals zij meenden, hun gemeenschap is verdwenen, en zij voelen zich zoals Jesaja zegt “overgelaten, gelijk een mast op de top van een berg, en als een banier op een heuvel.” (30:17.) Het woord mast is in de kanttekening “een boom beroofd van takken.” En aldus staan ze beroofd van al hun uitgespreide takken van godsdienst, een bladerloze tronk beroofd van bloemen en vruchten, naakt en kaal. Wellicht waren sommigen van u nimmer in deze plaats: u verloor nimmer al uw godsdienst, en stond nimmer voor God zonder een zaadkorrel, als de lange, bladerloze, takloze mast op de top van een heuvel.
“O, nee,” zegt u, “ik ben ver geweest, maar werd nimmer in deze plaats gedreven.” Maar ik wil u een geheim meedelen: als u aan God behoort, moet u verder uitgedreven worden dan u tot hiertoe geweest bent. Wij lezen (Ezech. 17:24), dat “de Heere de groene boom verdroogt, en de droge boom bloeiende gemaakt heeft.” Want u moet verdroogd worden, voor u nog een groene boom wordt, voordat u kunt bloeien in de hof des Heeren. En mogelijk wanneer u geen godsdienst hebt, zo zal het de rechte tijd zijn voor de Heere ons iets van het Zijne te geven. Wij “kopen van Hem goud beproefd in het vuur.” Nu, indien wij in het vuur zagen, waar het goud beproefd wordt, wat zouden we zien? Wel een smeltkroes, dat is een soort van aarden pot, met schuim en droesem en bobbelend en kokend. O, waar is het goud? Onzichtbaar op de bodem van het vat, bevlekt met schuim en droesem. Zo is het met de ziel in de oven. Geloof, hoop en liefde zijn verborgen op de grond van het hart, en het schuim en de droesem van ongeloof, vertwijfeling en opstand worden alleen gezien. Maar wanneer de louteraar met zijn roede het schuim wegdoet, dan komt het zuivere goud tevoorschijn. Nu, terwijl u door deze ondervinding gaat, dan strijdt u wettig, want u vervult de tweede regel van de Christelijke strijd. Gij bent een arm nooddruftig uitvaagsel dat niets kunt doen. Nu bent u waar Paulus was. “Hoewel ik niets ben.” (2 Kor. 12: 11.)
En dit stelt u in staat u te schikken naar de derde regel van een wettige strijd: God al de eer te geven. Zekerlijk u kunt geen eer voor uzelf nemen, wanneer u getoetst bent en te kort bent gekomen. Want indien de Heere u arm gemaakt heeft, teneinde u rijk te maken, naakt opdat Hij u zou kleden, een bedelaar opdat Hij u helpt, een bankroetier opdat Hij al uw schulden betaalt, en onvermogend opdat Hij u met vliegende vaandels in het gezicht van uw schuldeisers, uit de gevangenis haalt, en u gebracht aan de poorten van de hel om u op te heffen tot de deur van de hemel, dan, voorzeker moet u Hem al de eer geven. Hij heeft plechtig verklaard dat “geen vlees zal roemen voor Hem,” en “hij die roeme dat hij roeme in de Heere.” Nu, zo verschrikkend voor natuur en rede is de weg door welke Hij leidt, opdat Hij zelf de eer ontvangt. Niemand wil naar zijn zin in deze weg wandelen. Maar God handelt niet overeenkomstig onze zin, maar “naar de raad van Zijn wil.”
Maar wij strijden nimmer wettig totdat wij ophouden onwettig te strijden. Want de Heilige Geest begint inwendig te strijden met onuitsprekelijke zuchtingen. Geen fraaie gebeden om verrotte belijders te strelen. Geen droge volzinnen met teksten nauwkeurig voorzien en van pas gemaakt gelijk de ruiten op een schaakbord, geen bloemen van welsprekendheid om te behagen aan hen die woorden beminnen maar de kracht schuwen. Maar de ware strijd is alles inwendig werk, zuchten, roepen en kermen tot de Heere.
“O!” zegt u, “ik zal u zeggen wat ik strijden noem. Het is op de dag des Heeren drie malen ter kerk te gaan, de bijeenkomsten tot het gebed bij te wonen, zeven tijden des daags geregeld elke dag te bidden.” Ach, mijn vriend, dat is een vleselijke strijd. De enige strijd welke God kent is de strijd des Geestes; en de Geest strijdt inderdaad nimmer, tenzij het vlees heeft opgehouden te strijden.
Nu, deze inwendige strijd van de Geest is een vervulling van de ondervinding welke Paulus beschrijft, 2 Kor. 12 9, 10. “Wanneer ik zwak ben dan ben ik machtig.” Hoe zo? “Omdat de kracht van Christus in zwakheid volbracht wordt.” Want ben ik gezegend, dan ben ik gezegend als een lage ellendeling, een monster van goddeloosheid, door rijke, vrije, soevereine, onderscheidende genade. Geen druppel van hemelse genade kan mijn hart raken door mijn eigen pogingen. Ik kon evengoed denken om de Atlantische Oceaan op te nemen in het holle van mijn hand, als om in mijn ziel een druppel van Gods liefde te brengen, of een enkel gunstbewijs van Zijn vriendelijk aanschijn te verwekken. Ik mag zuchten, roepen, kermen, verlangen en hijgen om de uitstorting van Zijn liefde, maar ik kan geen greintje daarvan doen neerdalen. Dan wordt het gevoeld om God al de eer te geven.
Nu, deze wettige strijders om wettige voorwerpen worden gekroond, en zij alleen. Deze kroon is tweeledig: een kroon hier en een kroon hiernamaals, een kroon van genade in het hart gezet hier beneden, en een kroon van heerlijkheid hier Boven. Zo zegt Paulus: “Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen die de verschijning van de Zoon liefgehad hebben.” (2 Tim. 4: 8.) Deze kroon zal niemand verkrijgen dan die gestreden heeft, wettig gestreden heeft om in te gaan door de nauwe poort, en gelukkig gestreden heeft. De kroon beneden is de kroon waarvan in Ezechiël 16:12 gesproken wordt, “Ik deed een kroon van heerlijkheid op uw hoofd,” en over welke de kerk klaagt dat zij die verloren heeft, “de kroon van ons hoofd is afgevallen.” (Klaagl. 5: 16). Deze kroon wordt op het hoofd gezet wanneer de Heere blijken van goedkeuring en aanneming geeft in de Zoon Zijner liefde. Gelijk David spreekt (Psalm 103: 4). “Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden.” Nu, deze inwendige kroon wordt nooit in het hart van iemand geplaatst dan van een bedelaar, die geheel was weggeworpen. “Hij verheft de geringen uit het stof, en de nooddruftigen verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel van de eer doe beërven.” Deze bedelaar is iemand die bedelt uit enkel belang in Gods grote genade, gekleed in lompen en gezeten in stof en as, in de drek van zijn eigen bederf. Hij en hij alleen wordt verheven in zijn ziel om te zitten onder de vorsten, de priesters en koningen, het koninklijk geslacht die onveranderlijk gekroond worden met Goddelijke gunst beneden, en erven de troon van de heerlijkheid hier boven.
Nu, deze inwendige kroning heeft geloof ik onderscheiden trappen. Daar zijn geen trappen in heerlijkheid, maar daar zijn zeker trappen van de genade. Daar zijn geen vrome uitmuntende heiligen afgezonderd bij de troon, terwijl de moordenaar aan het kruis en Maria Magdaléna aan de deur staan omdat zij zulke grote zondaars geweest waren. Maar beneden zijn er trappen van blijkbare genade, daar zijn kinderen, mannen en vaders. Wanneer u bekwaam gemaakt bent om door het geloof te rusten in Christus’ bloed en gerechtigheid, wanneer een druppel van Gods genade in uw ziel gestort is, wanneer vrede gevoeld en gekend is en een ernstige gewaarwording van Gods goedheid en genade door het bloed des Lams gemaakt is; wanneer in de diepten van ziel armoede en hulpeloosheid, hulp en kracht gevonden wordt om uw last op de Heere te werpen, dan en daar bent u gekroond geweest als een wettig strijder.
“O, zeggen sommigen, “wij moeten volkomen verzekerdheid hebben, en daar is geen geloof zonder dat.” Ik geloof, dat al het ware geloof een mate van verzekering heeft, maar wie kan zeggen hoe vol zij moet zijn. De melaatse die enkel riep: “Indien Gij wilt Gij kunt mij reinigen,” had geloof, en evenzo de vrouw welke door de schare drong om de zoom van Jezus’ kleed aan te raken, en de Kanaanese vrouw welke maar een kruimpje begeerde van de tafel van de kinderen. Dit was een wagend geloof, een geloof vanwege noodzakelijkheid, een geloof gewerkt door beproevingen en zwarigheden. Dit geloof kroont de Heere als Zijn eigen werk, maar nimmer kroont Hij iets anders. Hij kroont niet onze strijd maar Zijn eigen, niet ons werk maar het werk van Jezus Christus.
Hebt u dan nooit een weinig gevoeld van dat zielsvermurwend werk? “Ach!” zegt u, “maar het duurde niet lang, en werd zelden gevoeld.” Maar waar wordt gezegd hoe lang het duren moet, en hoe dikwijls het gevoeld moet worden? De kroon maar eens op gehad te hebben en dat maar voor weinige ogenblikken, is toch gekroond te zijn geweest. U klaagt dat u deze zoete bevindingen verloren hebt. Maar hoe kon u verliezen wat u nimmer had? U zegt: “De kroon is mij van het hoofd gevallen.” Dan moet het daar geweest zijn. En ik wil u een andere zaak daar zeggen, dat, indien de kroon ooit in uw hart geplaatst was, de rand daarvan een teken heeft achtergelaten, en op die plaats waar zij een indruksel heeft nagelaten, verlangt u ze weer geplaatst te hebben. Zie dan dat u wettig strijdt. Hebt u uzelf teneinde gelopen, de adem verloren? Zijn uw armen verslapt, uw benen en rug gebroken? Dan wil de Heere u zelf dragen, als op arendsvleugelen, tot het einde van de baan, en u leggen aan de voeten van de Rechter, Die zal u leren dat “de loop niet is der snellen, noch de strijd der helden;” maar dat “God zich ontfermt diens Hij wil, en verhardt die Hij wil.”
Amen.
Preached on December 27, 1840, at Trinity Chapel, Alfred Street, Leicester
“And if a man also strives for masteries, yet is he not crowned except he strives lawfully.” — 2 Timothy 2:5
The Holy Spirit appears to have made much use of figures and illustrations in the word of God; and I believe we may find more or less of this mode of instruction from Genesis to Revelation. For instance, immediately after the fall, the Lord made use of a visible figure, when he made coats of skins, and clothed in them our first parents. What was this but a visible sign of the garment of imputed righteousness, in which alone they could stand accepted before him, connected with Christ’s sacrifice, as the skin of the sacrificed animal was with its poured out blood?
So, after the flood, the Lord set his rainbow in the cloud, that, spanning earth and heaven, it might be a visible sign of his covenanted mercy from generation to generation. When we come a little lower down to the period when the Lord brought the children of Israel out of Egypt that they might be to him a peculiar people, He still chose the same visible mode of instruction by type and figure. The paschal lamb, the blood sprinkled on the lintel and the two side-posts, the ark of the covenant, the whole train of sacrifices, rites, and ceremonies, with all the furniture of the tabernacle, were all so many speaking figures, whereby spiritual instruction was communicated to those who had eyes to look through the type to the thing typified.
So when we come down to the times of the prophets, types and figures were still employed. Jeremiah is sent down to the Potter’s house to learn God’s absolute sovereignty; was commanded to wear a linen belt, and then hide it in a hole of the rock by the river Euphrates, to show how the Lord would mar the pride of Judah; Jer 13:1-11 and was shown the two baskets of figs, to teach them the difference between the precious and the vile. Jer 24 So Isaiah walked barefoot three years for a sign and a wonder upon Egypt and Ethiopia; Isa 20:3 and Ezekiel was commanded to take a tile and portray upon it the city, even Jerusalem, and lay siege against it. Eze 4:1,2
When we come to the New Testament, we find the Lord making great use of this mode of instruction. All his parables were so many speaking figures, under which spiritual wisdom was couched. The sower going forth to sow, the woman hiding the leaven in three measures of meal, the man finding a pearl of great price, the net cast into the sea, the door, the shepherd, the vine to which he compares himself—what are all these but natural figures, which the Lord employs to convey spiritual instruction?
Indeed so apt and so beautiful are some of these figures, that it has been a question with some, whether God had not in the original creation of all things a special view to spiritual truths. For instance, when he created the sheep, whether he had not a special eye to the elect; and when he created the vine, whether he had not a spiritual reference to Christ and his members. They thus look upon all outward creation as a type and figure of the new creation. But I think there is one consideration which shows that this view is not founded on truth. We find the apostle Paul employing figures not only altogether of man’s invention, but even such as contain in themselves much evil. For instance, in four different places he has borrowed an illustration from the public games of the Greeks, which, like all large and promiscuous assemblies, were doubtless accompanied with much evil. Thus we find him speaking, 1Co 9:24-26 “Don’t you know that those who run in a race run all, but one receives the prize? So run that you may obtain. And every man that strives for the mastery is temperate in all things. Now they do it to obtain a corruptible crown, but we an incorruptible. I therefore so run, not as uncertainly; so fight I, not as one that beats the air.” The figure here is clearly drawn from the foot race and the boxing match in use among the Greeks at their public games. So again Heb 12:1 he says, “Therefore seeing we are compassed about with so great a cloud of witnesses,” alluding to the multitude of spectators that surrounds the runners for the prize, as a cloud “let us lay aside every weight and the sin that does so easily beset us,” as the racers threw aside all useless encumbrances “and let us run with patience the race that is set before us.” So speaking of his own experience, Php 3:13,14 he says, “Brethren, I count myself not to have apprehended, but this one thing I do, forgetting those things which are behind, and reaching forth unto those things which are before, I press toward the mark for the prize of the high calling of God in Christ Jesus.” Here he clearly alludes to the runner in the foot race who never thinks of the ground over which he has passed, in his eagerness to press forward and carry off the prize.
The fourth place where the same apostle borrows the figure of these public games, is the verse from which I intend, with God’s help and blessing, to deliver a few thoughts this morning. “And if a man also strive for masteries, yet is he not crowned, except he strive lawfully.”
In order to enter into the spiritual meaning of this text, I must detain you for a few minutes with the natural explanation of it. The Holy Spirit has chosen by the mouth of Paul to convey spiritual instruction under this natural figure; we must therefore break through this shell to get at the kernel, for unless we have a clear view of the figure itself, we shall have a confused idea of its spiritual signification.
The apostle then, as I have already shown, borrows a figure here from the public games in his time, where there were prizes given to those who obtained the victory in one of these five contests, the chariot, and the foot race, wrestling, boxing, and a combat made up of the two last. The “man that strives for masteries,” means he who wrestles, or otherwise contends for victory, the prize being a crown of leaves, which was given publicly to the victor. Now there were certain rules and conditions, laid down beforehand, which were to be rigidly observed by all the candidates for the prize, and if any one of these what we may call “rules of the game” were broken by a candidate, then though he came in first, yet he lost the prize, because “he had not striven lawfully,” that is, had not complied with the rules. To borrow a comparison from the horse-races of this country, a practice I condemn, though I use the figure to throw a light upon the text if a horse runs the wrong side of the post, or carries less weight than the rule of the race requires, he loses the prize, though he comes in the first.
Having thus far opened up the natural meaning of the figure, we will now proceed to the spiritual instruction conveyed by it. We gather from it, then, that in spiritual things, there is a striving lawfully, and a striving unlawfully; and that the prize is not necessarily given to him who wins the race, if he has not complied with certain rules laid down. I think then we may say that there are three distinct ways of striving.
1. There is an unlawful striving after unlawful objects.
2. An unlawful striving after lawful objects.
3. A lawful striving after lawful objects.
Of these three kinds of striving two are wrong, and one is right. To strive unlawfully after unlawful objects is clearly wrong. To strive unlawfully after lawful objects deprives a man of the prize, and it is therefore wrong too. To strive lawfully after lawful objects is the only strife that the Lord crowns, and therefore the only strife that is right.
1. There is an unlawful striving after unlawful objects.
But as what is right is often more clearly shown by holding up what is wrong, I shall attempt to describe first what it is to strive unlawfully after unlawful objects.
1. To strive then after the pre-eminence, to be a Diotrephes in a church, 3John 9 is an unlawful striving after an unlawful object. There is to be no superiority, or pre-eminence among the followers of Christ. “You are all brethren,” said Jesus to his disciples; Mt 23:8 “the greatest in the kingdom of heaven is he who is most like a child.” Mt 18:4 “The princes of the Gentiles exercise dominion over them, and those who are great exercise authority upon them. But it shall not be so among you; but whoever will be chief among you, let him be your servant.” Mt 20:25-27 Pre-eminence among brethren is an unlawful object, and must therefore be always unlawfully striven after.
2. All strife about vain and idle questions is unlawful strife. “Of these things,” says Paul, “put them in remembrance, charging them before the Lord that they strive not about words to no profit, but to the subverting of the hearers.” 2Ti 2:14 So he speaks of those who “dote about questions and strifes of words, whereof comes envy, strife, railings, evil surmisings, perverse disputings of men of corrupt minds.” 1Ti 6:4,5 When men of this caviling, contentious spirit arise in churches, woe to their peace.
3. To seek after a form of godliness, while secretly denying the power thereof, or to have a name to live when dead in sin, is an unlawful striving after an unlawful object. To strive to be a whited sepulcher, a painted hypocrite, a deceiver of the churches, is dreadful striving indeed.
4. To strive after fleshly holiness and creature perfection is an unlawful strife. God never designed that the flesh should be holy. In his discourse with Nicodemus, Jesus laid it down at the very entrance in the divine life, that “that which is born of the flesh is flesh, and that which is born of the Spirit is spirit,” thus establishing an eternal and unalterable distinction between them. “I know that in me,” says Paul, “that is, in my flesh, there dwells no good thing.” “The flesh lusts against the Spirit, and the Spirit against the flesh, and these are contrary the one to the other.” Ga 5:17 All attempts therefore to improve or sanctify the flesh, are bidding “the leopard change his spots, and washing the Ethiopian white.”
5. Again, all attempts to please God by anything that we ourselves can do, is an unlawful striving after an unlawful object. He cannot be so pleased. The corrupt fountain of our heart is continually pouring forth its polluted streams, and therefore all that comes out of it is polluted. Nothing short of perfect purity can please a perfectly pure God; and as no thought, word, or deed has passed from us by nature which is not defiled, it cannot please God. But how many think that their prayers or their tears or their good actions are acceptable to Him.
6. All attempt to keep the law in its strict requirements is an unlawful striving. That is, it is not done as God would have it done. Jesus, and He alone of all the sons of men, kept the law; and he who would go about to establish his own righteousness, to the neglect or contempt of Christ’s righteousness, strives unlawfully.
7. To strive to convert the world, and to turn goats into sheep, to seek to overthrow the eternal lines of distinction between the elect and the reprobate, and frustrate Jehovah’s sovereign decrees of judgment and mercy, is an unlawful strife after an unlawful object. To break down the barriers of the church and the world, and reduce to mere nullities the distinguishing doctrines of grace, is indeed to strive contrary to every rule in the word of God.
8. To seek to find an easier and smoother path than the strait gate and the narrow way; to come into the fold, but not through the door of regeneration, as the Porter opens it; to be aiming at any other salvation than an experimental acquaintance with Christ and the power of his resurrection; to set up human talents, and creature religion as sufficient with, or without the Holy Spirit’s heavenly teachings; to strive after natural faith, hope, repentance, and love—all are so many branches of unlawful striving after unlawful objects.
By unlawful is meant as I said before, not that which is contrary to the letter of the law, not that which is not in strict accordance with the moral law, or the ten commandments, or any branch of the Mosaic law. The words “lawful” and “unlawful” in the text have no reference whatever to the law properly so called. The words “lawfully” and “unlawfully” mean a complying, or a not complying with certain rules and conditions, laid down in God’s word. The laws and rules are not legal, old covenant rules, but gospel, law covenant conditions. Mistake me not. I do not here mean conditions to be performed by the creature, but certain rules, according to which the Holy Spirit works. “We are the clay, and He the Potter;” but the heavenly Potter works according to certain rules; and could it be possible for a vessel to be made contrary to these rules, it would not be a vessel of honor fit for the master’s use. I wish to explain myself clearly, for directly a man begins to talk about rules and conditions, there are plenty of people so ignorant or so prejudiced, that they will be sure to make him an offender for a word. Remember this then, that by the word rules, laws, or conditions, I mean certain modes laid down in God’s word, according to which the Holy Spirit acts, when he works in us to will and to do of his good pleasure.
All the striving then of carnal unregenerate professors is an unlawful striving after one or more unlawful objects. Being destitute of heavenly teaching, lawful objects, that is, such objects as are set before the eyes of the elect, are never striven after by them. God has never enlightened them into the depths of the fall, nor brought his holy law into their conscience in its depth and spirituality. The fountains of the great deep in their heart were never broken up, nor their secret corruptions laid bare. Sin is a burden under which they never groaned, unbelief never grieved and plagued them, the utter alienation of their heart from God was never so discovered to them as to convince them of their helplessness and hopelessness. Isaiah’s experience was never theirs, when he cried out, “Woe is me, for I am undone; for my eyes have seen the King, the Lord of hosts.” Their loveliness was never turned into corruption like Daniel’s; nor did they ever abhor themselves in dust and ashes, like Job. Had this work been wrought with divine power on their consciences, had the law been inwardly applied, it would effectually have cut them off from all unlawful striving.
Nor on the other hand did the Holy Spirit ever set before the eyes of their mind the gospel of the grace of God. No carnal professor, whether Calvinist or Arminian, ever had a spiritual knowledge of law or gospel. Had he experimentally known the law, it would have cut him off from unlawful striving. Had he known experimentally the gospel, it would have cut him off from unlawful objects. Thus they never had any inward taste of the sweetness of the gospel. The outward scheme and theory they might perfectly understand, and discuss it most exactly and learnedly; but the inward power, the heavenly sweetness, the divine application of it they had never the least acquaintance with. Their heads may be at Mount Zion, but their hearts are at Mount Sinai.
These unlawful strivers after unlawful objects are never crowned. They may indeed seem to arrive first at the goal; and we well know how an unburdened professor outstrips in zeal, activity, and outward religion, the poor heavy laden, panting child of God. But he is not crowned. He has carried no weight. He has run the wrong side of the post. He has won the race and lost the prize. We hear the great Judge at the last day, in reply to all his declarations of his having prophesied in his name, cast out devils, and done many mighty works, refuse the crown of eternal life with this dreadful sentence; “Depart from me, I never knew you.”
I shall have occasion to show as I proceed with my subject, that the Judge of the living and the dead gives the lawful victor two crowns, a crown here and a crown hereafter—the crown of his love and approbation in the conscience on earth, and the crown of eternal glory in heaven. The unlawful striver after unlawful objects has neither of these crowns bestowed upon him, for the one is but the foretaste and sure forerunner of the other. He has therefore no secret crown of divine approbation set on his heart. God never smiled into his soul, nor sanctioned with a divine manifestation in his conscience his words and works. Professors of every degree may have praised him; but the sealing of the Spirit, the heavenly diadem of God’s own putting on, was never felt nor known.
God’s children themselves are often entangled in this freewill strife, especially younger days, before the Lord has purged away their filth by the Spirit of Judgment, and the Spirit of burning. We find this much in the case of the disciples, while their Lord was with them, before they were baptized with the Holy Spirit and with fire. Though quickened into spiritual life, they were continually striving after pre-eminence, each wishing to be greatest. Thus the sons of Zebedee, fearful of their own persuasive powers, must needs employ the persuasive tongue of a woman—that powerful weapon which so few men can withstand, to induce their master to seat them on his left hand and his right hand in his kingdom. So, on another occasion, the same two disciples would have had fire come down from heaven to consume the Samaritans, when they would not receive Christ Lu 9:54.
Thus we in our youthful religious day were striving after many unlawful objects. Holiness in the flesh, to please God by our own exertions, to make ourselves religious, and understand the doctrines of grace by reading all sorts of religious books, to please professors, conciliate the world, avoid the cross, shun the imputation of uncharitableness, soften down carnal relations, and keep up old acquaintances—who of us has never thus striven after these unlawful objects? But we could never get the Searcher of hearts, to put on our consciences the crown of his approbation. We strove for the mastery but were never crowned because we strove unlawfully.
2. But now I come to another kind of striving, which is unlawful striving after lawful objects. The strife we have just been describing was unlawful strife after unlawful objects. In that the things aimed at and sought after were as contrary to the rules of the word of God as the mode of striving to obtain them. In the strife that we are about to consider now, the objects aimed at are lawful and good, but they are sought after in an unlawful, wrong way.
I repeat again, that lawful and unlawful here do not mean, and have nothing to do with the law properly so called, but signify a compliance or a noncompliance on the part of the striver with certain rules, which God has laid down in his word. What those rules are we shall see before long.
There are then certain lawful objects, set forth in the word of God, as the things to be aimed at by everyone who runs the race set before him by the Holy Spirit. These lawful objects are the blessings which God blessed his church with in Christ Jesus. Who sits at the end of the race to award the prize? What says Paul? “Let us run with patience the race set before us, looking unto Jesus, the author and finisher of our faith.” Heb 12:1,2 Now to whom can the runners in a race look, but to him who sits at the goal? They leave the spectators behind, and without stretched necks look forward to the Judge of the prize. He is “the Author of their faith,” giving them power to run, and “the Finisher,” by crowning it with his approbation.
To “win Christ” then is the object set before the soul that runs the heavenly race. “That I may win Christ,” says Paul. Php 3:8 But what is it to win Christ? Why, to have him in our hearts as the hope of glory, to embrace him in our arms of faith and affection, and to be able to say feelingly, “My beloved is mine, and I am his.” Again, pardon of sin, manifestations of mercy, visitations of God the Father’s presence and love, the Spirit of adoption enabling the soul to cry, “Abba, Father,” applications of Christ’s atoning blood, and gracious discoveries of his glorious righteousness, these are lawful objects for the living family to strive after. Lawful, not because the law, strictly so called, speaks of them, for the law never did testify of them either outwardly or inwardly, but because the believer’s rule, the glorious gospel of the grace of God, sets forth these blessings as the portion of the people of God in the New Testament.
Now none but a living soul ever panted and longed after these spiritual blessings. Hypocrites and reprobates may desire heaven to escape hell, as Balaam desired to die the death of the righteous. But I never can believe that any but a living soul desired an eternal heaven. Pardon of sin a reprobate may desire, to escape the gnawing of the never dying worm, and the fire that is not quenched; but I feel fully persuaded, that no one dead in sin longed and panted with intense breathings and burning desires after the manifestations of the pure love of an all pure God.
No natural man, no, not the highest doctrinal professor, ever poured out his soul after the blessed overshadowings of the Holy Spirit. It was never his daily longing, nor midnight cry. Such a blessing he has neither a heart to ask, nor a heart to receive.
But in his gracious dealings with his own children, the Lord usually sets before them certain blessings, of which he makes them feel their deep need, and after which he kindles in their soul intense desires. I well remember how ardently not quite fourteen years ago my soul longed after the knowledge of God. It came upon me in the depths of affliction, unsought, and abode with me for weeks at times night and day. O what a spirit of grace and supplication I then had after the internal knowledge of God in Christ!
But there is an unlawful striving in quickened souls after these lawful objects. Now God has laid down in his word of truth three solemn rules, laws you may call them if you like, which constitute lawful striving.
1. The Holy Spirit must begin, carry on, and finish the inward work of grace.
2. The soul must be brought under his divine teaching to be thoroughly stripped and emptied of all creature wisdom, strength, help, hope, and righteousness.
3. The glory of a Triune God must be the end and motive of all.
Any departure from these three rules of striving makes a man strive unlawfully.
Now in early days with us we are often striving after lawful objects, but our manner of striving after them is not in compliance with these three rules, and therefore we strive unlawfully. We are not stripped and laid low in a day. It is often the work of time. I can speak well from experience here. I was not stripped, nor brought down for several years after, as I trust, the Lord quickened my soul, though from the first I was led to strive more or less after lawful objects, and could not do without an internal religion. But thorough soul poverty had not laid hold of me, shame and confusion of face had not covered me. I had not then felt what a vile monster of iniquity I was, nor loathed and abhorred myself in dust and ashes. Man’s utter helplessness was to me more a doctrine than a truth; I was not acquainted with the mighty overwhelming power of sin, nor had the ploughshare of temptation turned up the deep corruptions of my heart. I therefore strove unlawfully. When I fell as I fell continually, I had some secret reserve in SELF, some prayers, or repentance, or hopes, or resolutions to help me out of the ditch.
Have we not all been more or loss here? We had a ‘legal spirit’ influencing us, and there was a kind of dead hope that if we lived holy lives, believed the promises, looked, as we thought looking then was, to Christ, and kept perseveringly on, we would get the object of our desires. And though we never got a step forward in the matter, there was a dim struggling after progressive sanctification, and seeking the blessings of the gospel by the works of the law. Now what was the result of all this unlawful striving? Did God ever crown it with his gracious smiles and heavenly approbation? We know that he never did. When is the crown put on? “In the day of the espousals, and in the day of the gladness of the heart.” So 3:11 And there can be no espousals, no manifested betrothing of the soul unto Christ in loving kindness, in mercies, in faithfulness, until we are dead to the law, our first husband. Then the crown is put upon the heart. God is a jealous God, and will not give his glory to another. Our own strivings shall never procure us the looks of his love. Now this denial of the crown to all their ardent desires and earnest strivings sadly puzzles and bewilders the seeking soul. No he is almost ready to quarrel with God, and accuse him of unfaithfulness, because he will not smile, and speak peace and pardon. Jeremiah was here, when with intemperate complaint, he cried aloud, “Why is my pain perpetual, and my wound incurable, which refuses to be healed? Will you be altogether unto me as a liar, and as waters that fail?” Jer 15:18
But we cannot learn spiritual religion, as we learn arithmetic; we cannot take the slate, and copy out the rule, and work the sum. God’s teachings are of a very different nature, intended to baffle and confound all the pride and wisdom of the creature. Nor can we hasten God’s work. His teachings are not hasty teachings for the most part, but line upon line, line upon line, here a little and there a little. I cannot stand in your experience; you cannot stand in mine. Neither of us know one jot more nor one jot less than the Holy Spirit has written upon our heart. We do not learn religion in a day. The way from Egypt to Canaan was but a few days journey, but the Lord choose to lead his people about in the wilderness, amid fiery flying serpents, drought, and famine, for forty years. And why?—but “to humble them, and test them, and know what was in their heart?” This was one part of the lesson; and the other was that “he might make them know that man does not live by bread only, but by every word that proceeds out of the mouth of the Lord.” De 8:2,3 And thus we have to learn by painful experience the uselessness of all creature strivings, and to be brought down into that state where all exertions fail.
3. But we come now to the only striving which the Lord crowns—a lawful striving after lawful objects.
Of the other two kinds of striving, the first was chiefly the striving of reprobates; therefore not crowned. The second was the striving of quickened souls, but not crowned, because they strove not according to gospel rules.
But now we are dealing with characters brought down to poverty and utter insolvency, in the state described in the parable of the two servants, “when they had nothing to pay.” What Deer calls “perfect poverty.”
’Tis perfect poverty alone
That sets the soul at large;
While we can call one mite our own,
We have no full discharge.
To bring this about is the work of the law. The gospel does not reduce the soul to beggary. It only steps in as a friend to pay the debt when all one’s own money is gone. The law draws all the money out of the pocket by crying, “Do, do,” “work, work.” But when all is gone, the law can do no more. The law then has done its office. The law puts a burden on, which burden is carried until the heart is brought down with labor, and the soul falls down, and there is none to help. Ps 107:12 As Paul says, “I was alive without the law once, but when the commandment came, sin revived, and I died.” By this death the soul becomes dead to the law, as Paul says again, “don’t you know, brethren, (for I speak to those who know the law) how that the law has dominion over a man as long as he lives.” Ro 7:1 When then he dies under the law, he dies to the law, and the law ceases to have dominion over him. All strivings therefore of the elect under the law, end sooner or later in death to the law. Now I appeal to your consciences, whether God ever crowned your legal strivings. What has the law done for you? what can the law do for you, but to bring its curse in your heart, lay guilt on your conscience, and stir up slavish fear in your mind? To strive lawfully then, is not to strive after the law, but after certain rules laid down in the gospel.
Well then, they are called laws, as the Holy Spirit uses the word when he says, “I will put my laws into their hearts, and write them in their minds.” Now we will begin with the first rule, which is this, that the Holy Spirit must work in us all the power, wisdom, grace, faith, strength, and life, that we strive with. This work the apostle calls a law in Ro 8:2 “The law of the Spirit of life in Christ Jesus has made me free from the law of sin and death.” “Whatever is not of faith is sin.” “As many as are led by the Spirit of God, they are the sons of God.” “The things of God knows no one but the Spirit of God.” “When the Spirit of truth has come, he will guide you into all truth.” Now while striving in our own strength, the power and reality of the Spirit’s teachings were little known. We could not lie passive, as helpless as the Potter’s clay. All creature strength was not gone; some little reservoir was left.
The second rule of lawful striving is, that the runners in this race should have no strength. “He gives power to the faint, and to those who have no might he increases strength.” “When we were without strength, Christ died for the ungodly.” “Without me,” said Jesus, “you can do nothing.” The Lord opened his ministry with setting forth his covenant character to the poor and needy. “The Spirit of the Lord is upon me, because he has anointed me to preach the gospel to the poor. He has sent me to heal the broken-hearted, to preach deliverance to the captives, to set at liberty those who are bruised.” So he said, “blessed are the poor in spirit, for theirs is the kingdom of God. Blessed are you who mourn, for you shall be comforted.”
All the blessings of the gospel are promised to the poor in spirit, the outcasts of Israel. But who makes them poor? The Lord surely, according to that word, “The Lord makes poor, and makes rich.” A man may indeed after a form make himself poor by wearing rags, and assuming the garb of poverty. I have read of a man who, from some whim or kind of madness, went about the country dressed and living as a common beggar. He had abundance of property, but he chose to dress in rags, and live on alms. Such a man was not really poor, as his apparent poverty was but a mask and a cheat. So spiritually, he that makes himself poor is not one of God’s poor; and he infringes just as much upon the work of the Spirit, and is as much guilty of presumption and hypocrisy, as if he made himself rich.
And a child of God who strives to make himself poor, strives unlawfully, for he acts against the rule, that all we are and have, all we know and feel aright, must be the whole and sole work of the blessed Spirit. A man who makes himself poor by throwing away external pride, and putting on external humility never passes in his soul through the feelings that God exercises his children with. The living family are stripped unwillingly; they cannot believe the Lord is leading them in the right way. Despondency, unbelief, rebellion, infidelity work up in their heart against His teaching. Their former enjoyments, and what they thought communion are taken away, and they feel as Isaiah speaks, left as “a beacon upon the top of a mountain, and as an ensign on a hill.” Isa 30:17 The word beacon is in the margin, “a tree bereft of branches.” And thus they stand bereft of all their spreading boughs of religion, a leafless trunk stripped of flowers and fruit—naked and bare.
Perhaps some of you here never were in this spot—never lost all your religion, and stood before God without a grain, like the tall, leafless, branchless tree on the top of the hill, “O no,” say you, “I have been very far, but was never driven into this spot yet.” Then I will tell you a secret; If you belong unto God, you have to be driven farther than you have been yet. We read Eze 17:24 that “the Lord dries up the green tree, and makes the dry tree to flourish.” Then you must be dried up, for you are a green tree still, before you can flourish in the courts of the Lord. And perhaps when you get to have no religion of your own, it will be the very time for the Lord to give you some of his. We are “to buy from him gold tried in the fire.”
Now if we look into the fire, where the gold was being tried, what would we see? why a crucible, that is a kind of earthen pot, with scum and dross and foam, bubbling and boiling. O where is the gold? Out of sight, at the bottom of the vessel, covered with scum and foam. So it is with the soul that is in the furnace. Faith, hope, and love, are all hidden at the bottom of the heart, and the scum and dross of unbelief, despondency, and rebellion are alone seen. But when the refiner removes the scum with his rod, then the pure gold shines forth. Now while passing through this experience, you are striving lawfully, for you are fulfilling the second rule of the Christian strife. You are a poor needy outcast, who can do nothing. You now are where Paul was, “though I be nothing.” 2Co 12:11
And this enables you to comply with the third rule of lawful strife— to give God all the glory. Surely you can take no glory to self, when self has been proved, and found lacking. Then if the Lord has made you poor, in order to make you rich, naked that he may clothe you, a beggar that he may relieve you, a bankrupt that he may pay all your debts, an insolvent that he may take you out of jail with flying colors in the face of your creditors, and has brought you down to the gates of hell to lift you up to the door of heaven, then surely you must give him all the glory. He has solemnly declared that “no flesh shall glory in his presence,” and “he that glories let him glory in the Lord.” But what is so staggering to nature and reason is the way that he brings about this taking to himself the glory. No man in his senses would walk in this way. But God does not act according to our senses, but “according to the counsel of his own will.”
Thus we never strife lawfully until we cease to strive naturally. Then the Holy Spirit begins to strive within with groanings which cannot be uttered. No pretty prayers to tickle rotten professors; no cut and dried sentences with texts nicely assorted and fitted in like the squares of a chess-board; no flowers of eloquence to please those who are all for word and hate power. But the real striving is all inward work, sighing, crying, and groaning to the Lord. “Oh!” say you, “I will tell you what I call striving. It is to go to chapel three times on the Lord’s day, attend prayer meetings, pray privately seven times regularly every day.” Ah, my friend, this is striving after the flesh. The only striving that God acknowledges is the striving of the Spirit and the Spirit never strives effectually, until the flesh has ceased to strive.
Now this inward striving of the Spirit are a fulfilling of the experience Paul describes. 2Co 12:9,10 “When I am weak, he says, then am I strong.” Why so? Because “the strength of Christ is made perfect in weakness.” Then if I am saved, I am saved as a vile wretch, a monster of iniquity, by rich, free, sovereign, distinguishing grace. Not a drop of heavenly favor can reach my heart by my own exertions. I might as well think of taking up the whole Atlantic ocean in the hollow of my hand, as bring down into my soul a drop of God’s love, or a single smile of his countenance. I may sigh, cry, groan, long, and pant after the shedding abroad of his love, but I cannot bring down one grain or atom of it within. Then if felt, must not we give to God all the glory?
Now these lawful strivers after lawful objects are crowned, and they only. This CROWN is two-fold—a crown here and a crown hereafter, a crown of grace set on the heart below, and the crown of glory set on the head above. Thus Paul says, “Henceforth there is laid up for me a crown of righteousness, which the Lord, the righteous Judge shall give me at that day; and not to me only, but unto all those also that love his appearing.” 2Ti 4:8 This crown none will have but those who have striven, striven lawfully to enter in at the strait gate, and striven successfully.
The CROWN BELOW is the crown spoken of in, Eze 16:12 “I put a beautiful crown on your head;” and which the church laments to have lost, “The crown is fallen from our head.” La 5:16 This crown is put on the heart, when the Lord smiles approbation and acceptance in the Son of his love. As David speaks, Ps 103:4 “Who crowns you with loving-kindness and tender mercies.” Now this inward crown is never set on the heart of any but a beggar, that has been on the ash-heap. “He raises up the poor out of the dust, and lifts up the beggar from the ash-heap, to set them among princes, and make them inherit the throne of glory.” This beggar is one who is begging for a manifested interest in God’s great salvation, clothed in rags and sitting in dust and ashes on the ash-heap of his own corruptions. He and he only is raised up in his soul to sit among princes, the priests and kings, the royal generation, who are invariably crowned with divine favor below, and inherit the throne of glory above.
Now of this internal crowning I believe there are different degrees. There are no degrees in glory, but there certainly are degrees of grace. There are no ‘pious eminent saints’ above close to the throne, while the thief on the cross and Mary Magdalene stand at the door as having been such great sinners. But below there are degrees of manifested favor; there are babes, young men, and fathers. Whenever then you have been enabled by faith to rest on Christ’s blood and righteousness, whenever a drop of God’s favor has flowed into your soul, whenever peace has been felt and known, and a solemn sense of God’s goodness and mercy through the blood of the Lamb has been tasted; whenever in the depths of soul poverty and helplessness, help and strength have been found to cast your burden on the Lord, then and there you have been crowned as a lawful striver.
O, say some, “We must have full assurance, and there is no faith without it.” I believe that all true faith has a measure of assurance in it, but who can say how full it shall be. The leper who merely cried, “If you will, you can make me clean,” had faith, and so had the woman who pressed through the throng to touch Jesus’ garment, and so had the Canaanitish woman who sought but for a crumb from the children’s table. This was a venturing faith, a faith of necessity, a faith working up and out of trials and burdens.
This faith the Lord crowns as his own work, for he never crowns anything else. He crowns not our strivings but his own, not our work but the work of Jesus Christ. Have you then never felt a little of this soul melting work? “Aye,” say you, “but it did not last long, and has been but rarely felt.” But where is it said how long it is to last, or how often to be felt? To have had the crown on but once, and that but for a few moments, is to have been crowned. You complain that you have lost these sweet feelings. But how could you have lost what you never had? You are saying, “the crown has fallen from my head.” Then it must have been there. And I will tell you another thing, that if the crown was ever set on your heart, the rim of it has left its mark behind, and upon that spot where it has left its impression, you are longing to have it again set on.
See then to it that you are striving lawfully. Have you run yourself out of breath yet? are your arms withered, your legs and back broken? Then will the Lord himself bear you, as on eagles’ wings, to the end of the race, and lay you at the feet of the Judge, where you will learn that “the race is not to the swift, nor the battle to the strong,” but that “God has mercy upon whom he will have mercy, and whom he will he hardens.”