Hij moet dus regeren totdat Hij het voornemen en de belofte van de Vader volledig heeft uitgevoerd. Zou Hij de troon verlaten voordat Hij alle dingen onder Zijn voeten had gelegd, waar bleef dan de trouw van God en waar het beloofde loon van Jezus? Maar wij moeten bedenken dat de vijanden die onder Zijn voeten worden gelegd de geestelijke vijanden van Zijn volk zijn, omdat de heerschappij van Jezus een geestelijke heerschappij is. Hun vijanden zijn onzichtbaar en daarom is ook de macht die tegen hen wordt uitgeoefend onzichtbaar.
Wij zien zonde en goddeloosheid die overal de overhand hebben. Wij zien een uiterst wrede, bloedige en broedermoordende oorlog (de burgeroorlog in Amerika) die enkele van de schoonste gewesten van de aarde verwoest en door de gevolgen ervan miljoenen van onze eigen landgenoten treft. Satan gaat tekeer alsof zijn tijd kort was. De levende godzaligheid staat op een zeer laag peil. Gemeenten worden door innerlijke twist uiteengescheurd. Er zijn weinig getrouwe dienaren in het land en die wandelen vaak gescheiden van elkaar, alsof zij half bang voor elkaar zijn of half jaloers.
Dwaling verspreidt zich wijd. Populaire predikers spelen ofwel in op de wereldse geest van hun hoorders, vermaken hen met grappen en anekdoten en amuseren hen met verhalen, ofwel trekken zij de aandacht met nieuwe uitleggingen van de Schrift en voeren zij een roekeloze strijd tegen vaststaande waarheden.
Wanneer wij een tafereel als dit overzien, kunnen onze harten wel ontzinken en kunnen onze weifelende lippen bijna zeggen: Regeert Jezus? Waarom zien wij dan deze dingen voor ogen die zo tegen Zijn heilig bestuur indruisen? Als alle dingen Zijn voeten onderworpen zijn, waarom is dan de wereld, waarom is dan de gemeente zoals wij niet anders kunnen dan zien dat zij zijn? Om deze vragende geest tot zwijgen te brengen, die steeds verwarrender wordt naarmate men hem meer toegeeft, moeten wij de grote waarheid indachtig zijn die wij hebben getracht te benadrukken. De heerschappij van Jezus is bij uitstek een geestelijk koninkrijk en wordt uitgeoefend voor Zijn geestelijke volk.
Het past dus niet bij Zijn huidige raad om de vijanden van Zijn volk openlijk neer te halen door zichtbare gezagsdaden. Hij ontdoet hen wel van zoveel van hun macht als de zaligheid en heiliging van Zijn eigen getrouwe onderdanen raakt. Om dit in een helderder licht te stellen moeten wij bedenken dat er een duidelijk onderscheid te maken is tussen het gedeeltelijke en het volledige vertoon van de huidige macht van Jezus. Een koning kan in zichzelf volstrekte macht bezitten en zich toch beheersen in de uitoefening ervan. Zo is het met de Heere Jezus Christus als Koning in Sion.
Niemand die gelooft in de macht van de Heere Jezus als de verhoogde Godmens kan twijfelen aan Zijn vermogen om elk spoor van zonde en ellende van het aardoppervlak weg te vagen. Maar Hij doet het niet. De zonde heerst nog altijd ongebreideld en de kreet van ellende stijgt aan alle kanten op. Wij moeten dus tot een van deze twee conclusies komen. Of Jezus regeert niet met opperste macht, of Zijn macht wordt om wijze redenen niet volledig aangewend. De eerste conclusie is ongeloof. De tweede stemt overeen met onze opvatting van de geestelijke heerschappij van Jezus.
En daarmee stemt het getuigenis van het geschreven woord overeen, want wij lezen: En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid. En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hun tronen, vielen neder op hun aangezichten, en aanbaden God, Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal, dat Gij Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst (Openbaring 11:15-17).
Uit deze profetische verklaring blijkt duidelijk dat de Heere, zolang de koninkrijken der wereld nog niet zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus (en dat zijn zij nu niet), Zijn grote kracht nog niet heeft aangenomen en nog niet heeft geheerst. Dat wil zeggen dat Hij Zijn soevereine gezag niet in zichtbare openbaring heeft getoond. Het is nu geestelijk en daarom onzichtbaar. Maar het is niet minder werkelijk omdat het op dit ogenblik noodzakelijkerwijs gedeeltelijk is. Was het anders, dan zou deze wereld geen plaats van verzoeking en beproeving zijn.
Dan zouden wij ook niet gelijkvormig worden gemaakt aan het lijdend beeld van Christus door hier te wandelen zoals Hij wandelde. Beschouw dit punt van werkelijk maar gedeeltelijk gezag en macht, zoals de Heere die uitoefent, dan in verband met de verschillende vijanden van Zijn volk.
Neem eerst die vijand van God en mens, de aartsvijand Satan. Door Zijn dood heeft Jezus hem te niet gedaan, of zoals het woord liever betekent, zijn macht gebroken (Hebreeën 2:14). En toen Hij omhoog voer, heeft Hij hem en al zijn verbonden overheden en machten beroofd. Hij heeft die in het openbaar tentoongesteld (Kolossenzen 2:15). Lijkt dit niet op een volledige overwinning op de machten van de hel? Toch mag Satan nog steeds de zinnen verblinden van hen die niet geloven (2 Korinthe 4:4) en zijn vurige pijlen werpen op de kinderen van God (Efeze 6:16). Satan kon het hart van Ananias met kwaad vervullen (Handelingen 5:3) en Paulus van het goede weerhouden (1 Thessalonicenzen 2:18).
Kunnen wij deze twee uitspraken met elkaar verzoenen? Is hij vernietigd die de zondaar kan verblinden en ruïneren? Is hij beroofd die de heilige kan benauwen en hinderen? Ja, maar niet volledig en niet voorgoed. Hij is feitelijk vernietigd ten aanzien van de heiligen van God, omdat hij hen niet kan vernietigen, noch naar lichaam noch naar ziel. Hij is beroofd, zo al niet van alle macht om hen te hinderen of te benauwen, dan toch van dat overweldigende gezag dat hij mag uitoefenen over de wereld, omdat hij nog haar god en vorst is.
Zo begrijpen wij hoe het koninkrijk van Christus een werkelijk koninkrijk is en Zijn macht een werkelijk uitgeoefende macht. Zij triomfeert op dit moment alleen nog niet in volledige en openlijke openbaring. Maar hoewel zij zo wijs en noodzakelijk is beperkt wat het opvallende vertoon betreft, is zij in haar geestelijke uitoefening vol en doeltreffend.
Neem ter verdere toelichting van dit punt een andere vijand die onder Zijn voeten is gelegd: de dood. De overweging hiervan kan ons een nog helderder inzicht geven in de aard van het gezag dat de Heere in Zijn koninkrijk uitoefent dan het voorbeeld dat wij al hebben aangehaald. Dat prachtige hoofdstuk, 1 Korinthe 15, werpt veel licht op dit deel van ons onderwerp: Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood (1 Korinthe 15:25-26).
Let op het verband hier tussen het regeren van Christus totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd en de vernietiging van de laatste vijand, de dood. Omdat de dood nog steeds verwoest, is hij nog niet vernietigd, dat wil zeggen in de volle zin van het woord. Maar hij zal volledig worden vernietigd. Wanneer? Bij de opstanding. Want dan, en niet eerder, zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning (1 Korinthe 15:54).
Maar is er geen vernietiging van de dood vóór zijn definitieve vernietiging? Zeker wel. Wanneer door een openbaring van vergevende liefde de angel van de dood wordt weggenomen, is de dood dan niet geestelijk vernietigd? Menig dierbare heilige van God heeft op zijn sterfbed uitgeroepen: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? En dat op het moment dat de Dood hem tot de dood toe steekt en het zegevierende graf op het punt staat het versleten lichaam als prooi op te eisen.
Wij hoeven deze gedachtegang niet verder te volgen. De voorbeelden die wij hebben gegeven (en wij zouden die van de wereld en van de zonde kunnen toevoegen) tonen voldoende aan dat de schijnbare onvolledigheid van de zegepralen van de Heere over Zijn vijanden geen geldig argument is tegen de werkelijkheid van Zijn heerschappij. Dat geldt ook voor de wijdverbreide aanwezigheid van zonde en ellende en al het verzet tegen Zijn gezag en macht. Zijn bestuur is vol en volledig voor al zijn beoogde doeleinden. Als er meer nodig was, zou er meer worden getoond.
Is het niet genoeg dat Hij geestelijk regeert in de harten van Zijn volk? Dat Hij de macht van al hun vijanden beteugelt en hun ongerechtigheden bedwingt? Dat Hij een grens stelt aan de kracht en sluwheid van Satan? Dat Hij de dood zijn angel ontneemt en het graf van zijn overwinning berooft? Dat Hij de woedende golven van een goddeloze, vervolgende wereld tegenhoudt en alle plannen tegen Zijn gemeente verijdelt? En dat Hij elk lid van Zijn mystieke lichaam door alle stormen van de tijd en golven van het verderf brengt tot het eeuwige genieten van Zichzelf?
Is dit geen werkelijk koninkrijk? Is dit geen opperste en succesvol gezag? En is de uitoefening van dit soevereine bestuur, hoe onzichtbaar ook, niet even doeltreffend alsof het openlijker werd getoond en helderder en opvallender voor de ogen van de mensen straalde? Maar hier houden wij even halt. Wij bewaren voor ons volgende stuk onze overwegingen over de omvang en duur van dit koninkrijk van de Zoon van God. Wij hebben de aard en het doel ervan tot nu toe, hoe zwak en onvolmaakt ook, getracht te ontvouwen tot stichting van onze lezers en tot bevordering van de heerlijkheid van de drie-enige God.
C. Nu de aard en het doel van het middelaarskoninkrijk van de Heere Jezus Christus tot dusver het onderwerp van onze Overdenkingen hebben gevormd, zullen wij met Gods hulp en zegen proberen de twee volgende punten te ontvouwen die wij ter overweging hebben voorgesteld: de OMVANG en de DUUR ervan.
Beide punten brengen moeilijkheden met zich mee en zijn het onderwerp geweest van veelvuldige en hevige strijd. Maar wij schrikken er niet voor terug onze opvattingen over dit onderwerp te uiten. Wij zullen proberen twijfelachtige en omstreden punten te vermijden en zo dicht mogelijk in de voetsporen van de Schrift te treden. Wij willen niets naar voren brengen dat niet, althans naar ons oordeel, strikt overeenstemt met het geïnspireerde getuigenis. Onder de omvang van de middelaarsheerschappij van de Heere Jezus Christus kunnen wij twee dingen verstaan:
1. De tegenwoordige omvang.
2. De toekomstige omvang.
Beide punten zullen onze zorgvuldige en biddende overweging vragen, zodat wij niets naar voren brengen dat strijdig is met het woord der waarheid of met de waardigheid en heerlijkheid van de gezegende Heere. De toekomstige omvang komt gemakkelijker aan de orde in het volgende gedeelte. Daarin willen wij de toekomstige ontplooiing en heerlijke openbaring van het middelaarskoninkrijk van Christus bezien. Ook de duur ervan krijgt een betere plaats wanneer wij Zijn toekomstige heerlijkheid hebben beschouwd.
Wij hebben dus nu vooral de TEGENWOORDIGE omvang van het middelaarskoninkrijk van Jezus te onderzoeken. Eén woord drukt deze omvang uit: onbeperkt. Minder dan dit past niet bij Zijn eigen woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Mattheüs 28:18). Welke grens kan er gesteld worden aan alle macht in hemel en op aarde? Alle macht in de hemel omvat heerschappij over alle engelenscharen daarboven. Alle macht op aarde omvat absoluut, onbeperkt gezag over alle mensen, dingen, gebeurtenissen en omstandigheden onder de sterrenhemel.
Maar de vraag kan misschien rijzen: Bezat de Heere Jezus als Zoon van God, gelijk aan en even eeuwig als de Vader en de Heilige Geest, niet al de hoogste heerschappij over engelen en mensen en dus over alle dingen in de hemel en op aarde? Zeker wel. Maar Zijn macht en gezag als Zoon van God zijn onderscheiden van Zijn macht en gezag zoals die nu worden uitgeoefend aan de rechterhand van de Vader. De bijzondere heerlijkheid van Zijn middelaarskoninkrijk is dat de Heere Jezus regeert in onze natuur. Hij regeert dus niet slechts als Zoon van God maar als Mensenzoon.
Dit zag Stefanus in het visioen van het geloof: Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechter hand Gods. En hij zeide: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods (Handelingen 7:55-56).
Dit was ook het profetische gezicht dat aan Daniël werd gegeven: Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen. En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natien en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden (Daniël 7:13-14).
Precies zo luiden de verklaringen van de Heilige Geest in het Nieuwe Testament: En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel; Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult (Efeze 1:19-23).
En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders (Filippenzen 2:8-11).
Deze getuigenissen vragen onze zorgvuldige en bijzondere aandacht, want daarin liggen enkele van de diepste verborgenheden van ons allerheiligst geloof opgesloten. Wij zullen er daarom, voordat wij verdergaan, een paar ogenblikken aandachtig bij stilstaan. De Heilige Geest heeft ons in het woord der waarheid de gezegende Heere voorgesteld als voorwerp van ons geloof onder drie onderscheiden gezichtspunten:
1. Wat Hij van alle eeuwigheid was: de eniggeboren Zoon van God, de Zoon van de Vader in waarheid en liefde.
2. Wat Hij in de tijd werd: de Mensenzoon, doordat Hij het vlees en bloed van de kinderen aannam.
3. Wat Hij nu is: de verhoogde Godmens aan de rechterhand van de Vader. Hij is nog steeds de eniggeboren Zoon van God en nog steeds de waarlijk ware Mensenzoon. Maar Hij verenigt beide onderscheiden naturen, de goddelijke en de menselijke, in één heerlijke Persoon. Zo is Hij gekroond met heerlijkheid en eer en zit Hij als Priester op Zijn troon in de hoogste hemelen.
Deze drie punten zijn alle vervat in één vers dat onze genadige Heere tot Zijn discipelen sprak: Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot den Vader (Johannes 16:28). Ik ben van den Vader uitgegaan: daar is Zijn eeuwige Godheid en Zoonschap. en ben in de wereld gekomen: daar is Zijn heilige mensheid. wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot den Vader: daar is Zijn huidige verheerlijkte staat als Godmens.
Het is ons streven en verlangen geweest Hem onder deze drie gezichtspunten aan de gemeente van God voor te stellen, althans voor zover wij Hem met het oog van het geloof hebben gezien en kostbaar hebben gevoeld. In één reeks stukken hebben wij Hem trachten voor te stellen in Zijn Godheid en Zoonschap, als de Zoon van de levende God. In een andere reeks hebben wij getracht de verborgenheid van Zijn heilige mensheid als Mensenzoon te ontvouwen.
In de huidige reeks, die nu ten einde loopt, trachten wij Hem de gemeente voor te stellen in Zijn middelaarsgenade en heerlijkheid als de gekroonde Priester, Profeet en Koning van Zijn verloste volk. Mag Hij deze zwakke poging om Zijn lof te verkondigen genadig toelachen en Zichzelf meer en meer openbaren aan zowel schrijver als lezer als de Voornaamste onder tienduizend en geheel begeerlijk.
Het is dus in Zijn heerlijke Persoon als Immanuel, God met ons, God in onze natuur, dat Hij nu aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte zit. In Hem, zo verhoogd tot Hoofd over alle dingen voor de gemeente, gelooft het geloof, verankert de hoop zich en omarmt de liefde. Is het niet een leven van geloof in de Zoon van God en dus wat Paulus noemt Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding (Filippenzen 3:10), als wij het volgende doen?
Naar Hem opzien, zelfs soms van de uiterste einden van de aarde (Jesaja 45:22; Psalm 61:3); Hem aanroepen (Handelingen 7:59; Handelingen 9:14; 1 Korinthe 1:2); aan Zijn voeten onze zware zonden en ontelbare afvallen belijden en betreuren; heldere en vernieuwde openbaringen zoeken van Zijn heerlijke Persoon en voltooide werk, van Zijn verzoenend bloed en stervende liefde.
Verlangen naar de bevordering van Zijn heerlijkheid en niet van de onze; willen dat Zijn wil in en door ons wordt volbracht en niet dat onze ellendige neigingen en zondige begeerten worden bevredigd tot een ingebeeld tegenwoordig genot maar een werkelijke toekomstige heerlijkheid; leven tot Zijn lof; luisteren naar Zijn stem en haar gehoorzamen; gescheiden zijn van de wereld en van wereldse belijders en vereniging en gemeenschap met Hem genieten; in Zijn voetstappen wandelen; en wanneer dit leven met al zijn zonden en smarten ten einde loopt sterven in Zijn liefdevolle omarming.
Het was een bijzonder kenmerk van de eerste gelovigen dat zij de naam van Christus aanriepen, dat wil zeggen hun gebeden tot Hem richtten als tot God. Zo kwam Saulus te Damascus met macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen (Handelingen 9:14). En Paulus richtte zijn brief aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is enzovoort, met allen, die den Naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onzen Heere (1 Korinthe 1:2).
Zo zegt ook de heidense schrijver Plinius in zijn brief aan Trajanus, de Romeinse keizer, geschreven omstreeks 102 of 103 na Christus, waarin hij verslag doet van de eerste christenen: “Zij zijn gewend op een vaste dag vóór zonsopgang bijeen te komen en onder elkaar een lied tot Christus als tot God te herhalen.” Het was deze aanbidding van Christus als de verhoogde Zoon van God die een zo grote last van schande en vervolging over hen bracht.
Dat zij als God aanbaden Iemand die als een gewone misdadiger was gekruisigd, was voor de Joden een ergernis en voor de Grieken een dwaasheid. Maar voor hen die geroepen waren, was het Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods (1 Korinthe 1:23-24).
Wij binden ons niet strikt aan een voorgeschreven gedachtegang. Soms maken wij gebruik van de vrijheid die al in het woord Overdenkingen besloten ligt om te dwalen. Wij wijken dan niet af van de waarheid en zelfs niet van het onderwerp. Wij wijken alleen af van een stijf vasthouden aan een vast pad van bespreking en gaan naar de groene weiden van mijmerende beschouwing van de genade en heerlijkheid van de Heere het Lam. Toch voelen wij dat wij nu nogal van ons punt zijn afgedwaald. Dat was de tegenwoordige omvang van de middelaarsheerschappij van Jezus aan te tonen.
Wij hebben al erop gewezen dat bij alle ambten die onze gezegende Heere op Zich nam, op aarde een begin van intreding was vóór het volledig aanvaarden ervan zoals Hij dat nu in de hemel uitoefent. Bij Zijn priesterlijk ambt was dat volstrekt noodzakelijk, zoals de apostel zo overtuigend betoogt: Want een iegelijk hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze wat had, dat Hij zou offeren (Hebreeën 8:3).
Wat Hij offerde was Zichzelf: Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; (Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande (Hebreeën 9:25-26).
Zoals dus de gezegende Heere in beginsel intrad in Zijn priesterlijk ambt toen Hij de zonde wegdeed door het offer van Zichzelf, zo trad Hij ook in beginsel in Zijn koninklijk ambt terwijl Hij hier beneden was. Dat was vóór Zijn volledige aanvaarding ervan zoals Hij het nu bestuurt aan de rechterhand van de Vader. Zo zien wij de onderwerping van alle dingen aan Zijn heerschappij, zelfs in de dagen van Zijn vlees, als onderpand van het feit dat Hem bij Zijn opstanding alle macht in hemel en op aarde gegeven zou worden.
Op Zijn bestraffing, als Heere van de elementen, bedaarden stormachtige winden en bulderende golven tot een stilte. Bij Zijn nadering weken de ziekten, want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen (Lukas 6:19). Onder Zijn scheppende hand vermenigvuldigde voedsel voor uitgehongerde menigten zich zonder beperking of grens. Op Zijn bevel werd water ineens in wijn veranderd. Op Zijn gebiedend woord sprong de verlamde op van zijn jarenlange legerstede en de dode uit zijn kist op weg naar het graf. Hij had slechts te spreken en de doven hoorden, de blinden zagen, de lammen liepen en de melaatse werd gereinigd.
Was dit niet wandelen op aarde als haar Koning en Heere? Ja. Als Heere van de zee liep Hij in kalme grootsheid over haar golven. Als Heere van de aarde gebood Hij het graf de begraven Lazarus terug te geven. En als Heere van de hel dreef Hij duivelen uit en deed Hij die helse geesten als in angst uitroepen: Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd? (Mattheüs 8:29).
Als dan Zijn heerschappij en gezag zo onbeperkt waren in de dagen van Zijn vlees, voordat Hij de troon van Zijn middelaarsheerlijkheid besteeg, welke grens kan er dan nu aan worden gesteld? Maar omdat onze opvattingen daarover maar al te vaak droevig beperkt zijn en ons geloof daarin evenredig zwak, laten wij proberen uitvoerig te tonen hoe wijd en hoe onbeperkt de tegenwoordige omvang ervan is.
1. Bekijk haar eerst als zich uitstrekkend over alle mensen. Bedenk daarbij dat dit zowel vijanden als vrienden omvat. Er zijn zij die Hij eens zal verpletteren met een ijzeren scepter en in stukken slaan als een pottenbakkersvat (Psalm 2:9). En er zijn zij die de Heere dienen met vreze en zich verheugen met beving (Psalm 2:11). Wij verliezen maar al te gemakkelijk de onuitsprekelijke weldaden en zegeningen uit het oog die wij genieten doordat de Heere koninklijk gezag uitoefent over alle mensen, vooral over hen die in hoge posities zijn.
Onze geliefde Koningin, onze tijdelijke bestuurders, onze rechters, magistraten en alle bestuurders van de regering hebben wij te danken aan de werkelijke macht van onze verhoogde Heere. Dat geldt ook voor onze terecht gewaardeerde en onschatbare grondwet, onze rechtvaardige en gematigde wetten en onze burgerlijke en godsdienstige vrijheden. Het geldt in feite voor alles wat wij genieten als burgers van dit zo bevoorrechte land.
Hoe duidelijk verklaart het woord der waarheid dit onder Zijn naam als Wijsheid: Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid. Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde (Spreuken 8:15-16). En: Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil (Spreuken 21:1). Gelijkluidend is het getuigenis van het Nieuwe Testament: Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd (Romeinen 13:1).
En: Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende; Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen (1 Petrus 2:13-14).
Zo is alle burgerlijk gezag van God. En omdat de Heere van leven en heerlijkheid aan Zijn rechterhand zit in de volheid van Zijn macht, kunnen wij niet dwalen als wij elk tijdelijk voorrecht dat wij genieten toeschrijven aan Zijn koninklijk gezag. Dat geldt niet alleen op dit bevoorrechte eiland, de Koningin der eilanden gezeten op haar door de zee omgorde troon, de bewondering en afgunst van omringende volken. Het geldt overal op dit aardse rond, zover golven rollen, winden waaien, de zon schijnt of sterren hun nachtelijke baan houden. Overal bestuurt de scepter van Jezus de lotsbestemmingen en beheerst Hij de plannen en daden van mensen.
Als het te midden van alle drukte en verwarring van voorbijgaande gebeurtenissen moeilijk is dit te beseffen, overweeg dan de gevolgen die zowel voor de wereld als voor de gemeente zouden voortvloeien als zulk een opperste heerschappij niet werd uitgeoefend. Kijk een ogenblik naar de hevige, wij mogen zeggen woeste hartstochten van vleselijke mensen. Zie wat de aarde spoedig zou worden als zij werden losgelaten in al hun natuurlijke woestheid. Zonder de beteugelingen van wet en bestuur, die zoals wij hebben getoond werktuigen zijn van de oppermacht van Christus, zouden mensen elkaar verscheuren als razende wilde dieren. Zij zouden de samenleving overstelpen met bloed en misdaad.
Waar zou te midden van deze verschrikkelijke storm, met elk element van woede losgelaten, de samenleving zijn? Stel u Londen voor, één dag overgeleverd aan de ongebreidelde hartstochten van zijn misdadige bevolking, en vraag uzelf dan af: Is er geen machtige kracht die deze erger dan wilde dieren in bedwang houdt? Ja, er is een macht zo wijdverbreid als het licht, zo algemeen als de lucht, zo doordringend en veel machtiger dan die welke de aarde zelf in haar baan houdt: de opperste heerschappij van de verhoogde Heere des hemels. Dit niet geloven is helemaal geen gelovige zijn.
Maar u zult misschien zeggen: Als Jezus zo opperste regeert, waarom dan al deze wanorde, deze ellende en misdaad? Waarom is de aarde wat zij is? Waarom deze bloedige, broedermoordende oorlog in Amerika? Waarom deze verschrikkelijke nood in Lancashire, als Hij de teugels van het bestuur in handen heeft? Maar bent u een rechter van orde of wanorde? Waar u weinig anders ziet dan verwarring, kan de grootste orde zijn. En waar u de Almachtige graag van dwaasheid zou beschuldigen, kan wijsheid zijn. Bent u een profeet of de zoon van een profeet? Kunt u voorspellen welke zegen er uit deze afschuwelijke oorlog of deze zware nood zal voortkomen?
Straft een koning niet evengoed als hij regeert? En hoe kan de Heere mensen doeltreffender straffen dan door hen te geselen met hun eigen zonden? Het is Gods bijzonder voorrecht om goed uit kwaad te doen voortkomen en orde uit verwarring. Als u vanaf een sterrenwacht nauwlettend de bewegingen van de planeten zou gadeslaan, zou u ze alle in de grootste schijnbare wanorde zien. Soms zouden zij vooruit lijken te gaan, soms achteruit en soms helemaal niet te bewegen. Deze verwarde en tegenstrijdige bewegingen brachten sterrenkundigen droevig in verlegenheid totdat Newton opstond en het geheel uitlegde. Toen bleek alles de schoonste harmonie en orde te zijn waar eerst de meest verbijsterende verwarring was.
Maar neem een bijbels voorbeeld, het hoogste en grootste dat wij kunnen geven, om te tonen dat waar naar de uiterlijke schijn alles wanorde is, daar de grootste wijsheid en de meest bepaalde wil heerst. Kijk naar de kruisiging van onze gezegende Heere. Kunt u het tafereel bijna niet zien zoals het in het woord der waarheid is geschilderd? Zie die samenzwerende priesters, die wilde menigte, die ruwe soldaten, die weifelende Romeinse stadhouder, de bleke en verschrikte discipelen en de wenende vrouwen. Zie vooral de onschuldige Lijder met de doornenkroon die dat laatste tafereel van onovertroffen wee onderging dat de aarde deed beven en de zon haar licht deed intrekken.
Wat een verwarring! Wat een wanorde! Wat een triomferende schuld! Wat een onderdrukte en overwonnen onschuld! Maar was het werkelijk zo? Was er hier geen wijsheid of macht van God die, zelfs door het werktuig van menselijke goddeloosheid, Zijn eigen eeuwige voornemens vervulde? Hoor Zijn eigen getuigenis hierover: Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood (Handelingen 2:23). De bepaalden raad en voorkennis Gods in het grote en heerlijke werk van de verlossing is voltrokken door de goddeloze handen van mensen.
En als dat zo is, wordt dan in dit ergste en goddelozste van alle denkbare gevallen niet dezelfde eeuwige wil ook nu uitgevoerd in gevallen van gelijke aard, al zijn die voor ons nu minder zichtbaar?
Maar na deze vluchtige blik op de gezaghebbende heerschappij van Christus over en te midden van Zijn vijanden, laten wij nu kijken naar Zijn milde en barmhartige heerschappij over Zijn eigen volk. Hier lijken wij, zo al niet op vastere, dan toch op duidelijkere en meer voor de hand liggende grond te staan. De oude belofte van gezag en macht aan de Zoon van God met het oog op Zijn toekomstige verhoging, waarvan de Schrift vol is, omvatte twee dingen: de onderwerping van vijanden en de gewillige gehoorzaamheid van vrienden.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten. De HEERE zal de scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden. Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn (Psalm 110:1-3). Gewillig of ongewillig, allen moeten aan Zijn scepter onderworpen worden. Want De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen in de vrijwillige gehoorzaamheid van de liefde, en zijn vijanden zullen het stof lekken in de gedwongen onderwerping van de macht.
Dit onderscheid tussen de gewillige gehoorzaamheid van vrienden en de gedwongen onderwerping van vijanden loopt door vele andere geïnspireerde verklaringen van de aard en omvang van de middelaarsheerschappij van Jezus. Zo spreekt de Heere, Zijn hemelse Vader aansprekend, in de oude profetie: Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend. Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen (Psalm 18:44-45).
Bij de laatste zinsnede verkiezen wij de lezing geveinsdelijk onderworpen (in de Engelse kanttekening: de vreemden zullen liegen, dat wil zeggen geveinsde gehoorzaamheid betonen). Zij is dichter bij de grondtekst en meer in overeenstemming met het volgende vers: Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten. Bijna de eerste daad van het geloof is gehoorzamen. Het was de eerste daad van het geloof van Abraham: Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou (Hebreeën 11:8).
Het geloof van het evangelie wordt daarom gehoorzaamheid des geloofs genoemd (Romeinen 16:26). Het evangelie geloven is het evangelie gehoorzamen, zoals de apostel zegt: Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd? (Romeinen 10:16). Wanneer wij dus het evangelie geloven, dat tot een kracht Gods tot onze zaligheid is gemaakt, gehoorzamen wij de stem van de Beminde die daarin en daardoor spreekt. O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen (Hooglied 8:13). Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij (Johannes 10:27).
Zo horen de schapen als de goede Herder spreekt, en als zij horen geloven en gehoorzamen zij. De Vredevorst zwaait Zijn scepter van liefde en genade over hun harten. Zij nemen Zijn juk op zich, dat zij door onderwerping als zacht ervaren, en Zijn last als licht. Zo vinden zij rust voor hun zielen.
Maar deze onbeperkte heerschappij strekt zich ook uit over alle dingen: alle gebeurtenissen en omstandigheden, evenals alle personen. Dit is moeilijk te geloven. Maar als het niet zo was, welke zekerheid zou er dan zijn voor de zaligheid van de gemeente van God? Want alles is uwe, zegt de apostel; hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. Maar hoe en waarom zijn alle dingen de uwe? Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods (1 Korinthe 3:21-23). Maar hoe zouden alle dingen de onze kunnen zijn als niet alle dingen aan de soevereine heerschappij van Jezus onderworpen waren?
Verder lezen wij die hartverwarmende verklaring: En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Romeinen 8:28). Maar hoe kunnen alle dingen medewerken ten goede als al deze dingen niet in de hand en onder de opperste leiding van de Heere Jezus zijn? Want als één ding was uitgezonderd, kon dat ene ding, als een verkeerd geplaatst raderwerk in een ingewikkeld mechanisme, het hele mechanisme laten ontsporen en ten kwade laten werken in plaats van ten goede.
Aan het slot van hetzelfde edele hoofdstuk waaruit wij zojuist hebben geciteerd somt de apostel een hele reeks gevaarlijke en bedroevende voorvallen op in een christelijke loopbaan: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard? Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting. Dan voegt hij eraan toe: Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft (Romeinen 8:35-37).
Maar hoe zouden in dit alles de lijdende heiligen van God meer dan overwinnaars kunnen zijn als Hij die hen liefhad geen opperste beheersing over hen had? Opklimmend in een heerlijke climax van zegevierend geloof verklaart hij dan: Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere (Romeinen 8:38-39).
Tegenwoordige en toekomende dingen moeten onder de soevereine beheersing van Jezus staan, evenals engelen, overheden en machten. Anders zou een van hen in de hoogte, of een van hen in de diepte, of een van hen in de schepping de heiligen kunnen scheiden van de liefde Gods die is in Christus Jezus, hun Heere. Hebben wij niet genoeg gezegd om uit het woord der waarheid aan te tonen wat velen in de leer geloven maar weinigen in werkelijke, hartelijke, praktische bevinding? Namelijk dat alle dingen, gebeurtenissen en omstandigheden onderworpen zijn aan de soevereine beheersing van de Koning der koningen en Heere der heren? Maar nu gaan wij over naar moeilijker en kiezer terrein: de TOEKOMSTIGE omvang van deze middelaarsheerschappij.


