Voor de vleselijken, de goddelozen, de werelds gezinden en de liefhebbers van genot is alles wat de heilige lucht van de hemel ademt, hatelijk. Het veroordeelt immers hun zinnelijkheid en goddeloosheid. Zij kunnen overweg met voorschriften die zij nooit opvolgen en met geboden die zij nooit onderhouden. Maar een godsdienst die hen zou redden van het genot van de zonden die zij zo dwaas liefhebben, is voor hen een vonnis van gevangenschap en dood.
Een adem van de heiligheid en reinheid van de hemel die hen zou optillen uit hun lievelingslusten en scheiden van hun geliefde afgoden, is voor hun dolende geest even hatelijk als een gevangeniscel voor een dief of een werkhuis voor een vuile zwerver.
Genade moet een werk in het hart beginnen voordat het gemoed zich ook maar in haar richting kan bewegen. Het tweesnijdend scherp zwaard dat uit de mond van Christus gaat, moet eerst een wonde in het geweten slaan. Pas dan kan de balsem van de vrije genade in Zijn verzoenend bloed en stervende liefde door goddelijke kracht aan de ziel worden geopenbaard en toegepast.
Maar zodra de gezegende Geest een arme, door de wet vervloekte en door het geweten veroordeelde zondaar de weg van de zaligheid opent door het bloed en de gerechtigheid van Christus, en hem laat zien dat alles genade is van begin tot einde, gaan meteen zijn oren open om de zoete melodie van dat blijde geluid in te drinken.
Er is in de zaligheid uit genade zo’n passendheid voor al zijn behoeften en nood. Zij wordt voor zijn verlichte verstand zo ontsloten dat zij de strijdige eisen van gerechtigheid en barmhartigheid verzoent. Die kon hij niet oplossen en daardoor werd hij gefolterd en verscheurd. Zij wordt zo aan zijn geweten aanbevolen dat zij alle verdienste wegneemt van het schepsel, dat daar geen enkele van kan hebben, zoals hij goed weet. En zij geeft alle eer aan God, Die haar volgens hem geheel verdient. Zij daalt met zoveel zoetheid en kracht in zijn ziel als een woord van troost en bemoediging dat hij haar omhelst met elk teer gevoel en elke warme genegenheid van zijn hart.
Geen taal kan beschrijven wat de ziel voelt wanneer zij voor het eerst uit de duisternis in het licht komt. Zij gaat dan over van slavernij, schuld en veroordeling naar vrede, vrijheid en liefde. Hoe anders zijn de gevoelens en de taal van een ziel onder de eerste stralen van de Zon der gerechtigheid dan de spottende roekeloosheid van de goddeloze wereldling. Hoe anders dan de opstand en vijandschap van de zelfgerechtige farizeeër en de harde, gevoelloze, praatzieke aanmatiging van de dode belijder.
De ‘leer’ van de genade alleen doet niets voor de ziel. Zolang zij een ‘louter denkbeeld of mening’ is, heeft zij niet meer reddende of heiligende kracht dan enig ander denkbeeld of enige andere mening. Iemand kan van mening zijn dat een bepaald water heel zuiver en helder is, een bepaalde wijn zeer uitgelezen en heerlijk of een bepaald voedsel zeer voedzaam en versterkend. Maar als het water nog in de put zit, de wijn in de kelder en het voedsel bij de kruidenier, en geen druppel of kruimel van het een of het ander zijn mond bereikt, dan kan hij sterven van honger en dorst te midden van zijn meningen.
Hoevelen, o hoevelen van hen die in onze kapellen zitten te midden van de heiligen van God, gaan verloren in hun zonden! Zij hebben de Bijbel en het gezangboek voor ogen, het geluid van het evangelie in hun oren en de leer van de genade op hun lippen, maar de liefde voor de wereld in hun hart!
Zo is het niet met de ziel onder het onderwijs en de zegen van God. GENADE is voor de gelovige ‘een bekoorlijke klank’. Dat is niet omdat het woord zijn oor streelt of de leer zijn verstand bevredigt, maar omdat haar onuitsprekelijke zoetheid en kracht zijn binnenste ziel hebben bereikt.
En zoals genade de jonge gelovige past wanneer hij voor het eerst proeft dat de Heere goedertieren is en zich voedt met de redelijke onvervalste melk van het woord om daardoor op te groeien, zo wordt zij in elk volgend stadium van zijn bevinding steeds passender. Zo is het tot aan het graf toe, en zij wordt voor zijn hart steeds kostbaarder.
Want terwijl hij voortgaat op het pad van verzoeking en verdrukking, moet hij veel pijnlijke lessen leren waarvan de jonge christen weinig of niets weet. Er zijn de vreselijke kwaden van zijn hart en de strikken die Satan voor zijn voeten legt. Er is zijn voortdurende strijd met het ongeloof en de ontrouw, de hoogmoed en de opstandigheid van zijn gevallen natuur.
Er zijn de grievende afdwalingen, afvalligheden en omzwervingen van zijn hart van de Heere. Er is wat hij ervaart van zijn eigen koude, doodsheid en lage ondankbaarheid. Dit alles en duizend andere beproevingen en verzoekingen maken de genade in haar gezegende openbaringen bijzonder passend voor de heilige van God die al enige tijd op de enge en smalle weg is.
Genade is de bron van al zijn geluk en heiligheid, van al zijn zaligheid en heiligmaking, van al zijn geloof en hoop, liefde en gehoorzaamheid. Zij doet hem opleven wanneer hij dood is en vernieuwt hem wanneer alle hemels gevoel verloren en verdwenen lijkt. Zij bevrijdt hem van slavernij en veroordeling en troost hem in leed en droefheid. Zij scheidt hem van de wereld en onderwerpt zijn ongerechtigheden.
Zij houdt de vreze Gods levend in zijn boezem, lokt gebed en smeking uit en maakt de zonde hatelijk en Christus dierbaar. Zij geeft hem niet alleen zijn recht op de heerlijkheid maar ook zijn geschiktheid daarvoor.
En komen we aan zijn laatste uren op aarde, ‘wanneer ziekte en kwaal dit bevende huis van leem binnendringen’ en de natuur bezwijkt onder een last van pijn en uitputting, wat kan de ziel dan ondersteunen in het onmiddellijke uitzicht op de eeuwigheid behalve die genade die redt van dood en hel?
Wanneer wij een geestelijk zicht hebben op de majesteit en reinheid van God en op de onbuigzame rechtvaardigheid van Zijn heilige wet, en wanneer wij onze eigen verdorvenheid zien en bevlekking, onze schuld, zonde en schaamte voor Hem, onze volkomen leegte van alle goed en onze volkomen volheid van alle kwaad: dan is er voor onze verloren zielen geen enkele straal van hoop. Er kan er ook geen zijn, behalve wat de genade openbaart en toepast door het bloed van een Zaligmaker.
De genade van God rukt een vuurbrand uit het vuur. Zij verlost het vat van barmhartigheid uit de macht der duisternis en zet het over in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde.


