We hebben gehoord of gelezen van een reiziger die eens ‘s nachts over een onbekend maar uiterst gevaarlijk stuk grond reed en veilig op zijn bestemming aankwam. In het donker had hij echter iets gezien van de ruwe en steile weg die hij had afgelegd. Hij had gemerkt hoe langzaam en voorzichtig zijn trouwe paard hier en daar zijn weg had gezocht. Daarom kreeg hij zin om de weg de volgende morgen bij daglicht te bekijken.
Toen hij de weg die hij onder de dekmantel van de nacht had afgelegd in het volle daglicht voor zich zag liggen, schrok hij zich wild. Hij zag hoe hij op de ene plek langs de rand van een diepe afgrond had gereden. Op een andere plek was hij over de gebroken bogen van een brug gegaan met een bulderende rivier eronder. Hij werd zo overweldigd door het zicht op de vreselijke gevaren van die weg en door het besef van zijn eigen bewaring dat hij van ontroering flauwviel.
Mogen we dit kleine voorval, of het nu waar is of niet, niet toepassen op onze eigen ervaring van de gevaren die we zijn ontkomen en van de weg die we hebben afgelegd? Hoe gevaarlijk was onze staat van nature! Hoe levensgevaarlijk was onze toestand! Hoe zat ons pad vol steile afgronden die voor ons oog verborgen waren! Zonder bijzondere genade en zonder de leiding en ondersteuning van onze wijze maar onzichtbare Gids hadden we van een duizelingwekkende hoogte kunnen worden neergeworpen en in stukken kunnen worden geslagen. Of we waren door de gebroken bogen van de tijd gevallen in die bulderende vloed die zovelen heeft verzwolgen in het verderf en de ondergang!
Deze gedachten kunnen ons misschien voorbereiden om wat ernstiger en met meer gevoel in te gaan op het punt dat nu voorligt. We nemen het op uit ons vorige stuk. Het is de geïnspireerde verklaring dat Satan, de overste van de macht der lucht om redenen die we al hebben uitgelegd, als een geest werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. In deze geïnspireerde verklaring zijn verscheidene dingen opmerkelijk.
1. De personen in wie hij zo werkt. Zij worden kinderen der ongehoorzaamheid genoemd. Het zijn vanzelfsprekend dezelfde mensen als de doden in de misdaden en de zonden. Het verschil is dat het ene een negatief kenmerk is en het andere een positief. Hun dood houdt in dat alles ontbreekt waaruit het leven van God bestaat. Hun ongehoorzaamheid houdt in dat zij een werkzaam beginsel van verzet tegen de wil en het woord van God in zich hebben.
De woorden kinderen der ongehoorzaamheid vormen een Hebreeuwse uitdrukking. Ze duidt mensen aan die zo volkomen ongehoorzaam zijn aan de geopenbaarde wil en het woord van God dat ze net zo goed onder de invloed, het gezag en de macht van die ongehoorzaamheid kunnen worden gerekend, alsof zij hen werkelijk had voortgebracht en alle rechten en eisen van een ouder over hen uitoefende. Het is een kenmerk van de krachtige en beeldende taal waarin het Oude Testament is geschreven dat zij zaken persoonlijke eigenschappen geeft.
Zo worden vonken „zonen van de gloeiende kool” genoemd (Job 5:7, kanttekening). Een pijl heet „de zoon van de boog” (Job 41:19). Gezalfden heten „zonen van olie” (Zacharia 4:14, kanttekening). Iemand die ter dood is veroordeeld, wordt een kind des doods genoemd (Psalm 79:11; 1 Samuël 20:31; 2 Samuël 12:5). Opstandelingen heten wederspannige kinderen (Numeri 17:10) en wie slaag verdient, „een zoon van slagen” (Deuteronomium 25:2).
Straks komen we een bijna gelijke uitdrukking tegen: kinderen des toorns. Daarmee wordt bedoeld dat zoals de kinderen des doods zij zijn over wie de dood heerst in al zijn macht en gezag, zo zal de toorn ongehinderd heersen over allen aan wie hij toekomt en over wie hij wordt uitgegoten. De kinderen der ongehoorzaamheid staan dus zo volkomen onder haar macht en heerschappij dat zij niets anders kunnen dan ongehoorzaam zijn.
2. Let nu op het woord werkt. In de grondtekst staat een sterker woord dan „werkt”. Het betekent niet alleen werken maar krachtig werken. Het is in feite het woord waarvan ons woord „energie” is afgeleid. Het duidt dus op krachtig, energiek, onvermoeibaar en actief werken. Het is het werk van iemand die nooit moe of uitgeput raakt maar zijn helse werk doet met de onverslapte kracht van een engel en de razende boosaardigheid van een duivel.
De wijze waarop deze werkzaamheid plaatsvindt, is voor ons grotendeels verborgen. Toch zijn er waarschijnlijk maar weinigen onder ons die haar niet hebben gevoeld. In elk geval hebben we pijnlijk gemerkt dat er een geest in ons werkt die verwant is aan onze eigen geest en er toch van verschilt. De meesten van ons hebben pijnlijk ervaren welke gedachten, voorstellingen, bewegingen en opwellingen er soms in ons opkomen. Ze zijn van een bijzonder helse en duivelse aard, de duivel waardig, en alleen die vuile, boosaardige en lasterlijke geest kan ze ingeven. Maar we kunnen niet verklaren hoe hij toegang krijgt tot ons gemoed of hoe hij de bewegingen ervan beïnvloedt.
Toch is er een duidelijk en zeer zalig onderscheid tussen zijn invloed ten kwade en die van de Heilige Geest ten goede. De zijne is niet scheppend en niet blijvend, althans niet in de vaten van barmhartigheid. Hij heeft vroeger in ons allen gewerkt, maar hij heeft ons niet verzegeld tot het verderf, zoals de Heilige Geest ons verzegelt tot de zaligheid.
Hij trof ons aan als zondaars en werkte in op onze zondige natuur. Maar hij schiep in ons geen satanische natuur, zoals de Heilige Geest een geestelijke natuur schept. Ook maakte hij ons niet blijvend gelijk aan zijn eigen beeld, zoals de gezegende Geest ons gelijk maakt aan het beeld van Christus. En wanneer hij is verdreven en van zijn buit beroofd, komt hij nooit meer binnen in het paleis van het hart van een heilige. Wel kan hij hem hinderen met zijn voorbijgaande adem.
Maar nu moeten we vooral bezien hoe hij werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid. In hen heeft Satan een bodem waarop hij kan werken. Hij vindt hen helemaal bereid en voorbereid om op zijn ingevingen in te gaan en te handelen onder zijn overheersende invloed. Hij hoeft hun maar, om het zo te zeggen, zijn eigen helse vijandschap, opstand, hoogmoed en wanhopige boosaardigheid in te blazen tegen God en tegen alles wat God is en heeft. Dan vindt hij hen bereid om mee te gaan in alles wat hij hun voorhoudt.
Als gevallen engel behoudt Satan, zoals we hebben aangewezen, engelachtige eigenschappen. Dat geldt vooral voor dat geestelijke bestaan dat het wezen van de engelennatuur is. Hij maakt Zijn engelen geesten. Zijn zij niet allen gedienstige geesten? Hij is dus een geest, hoewel een gevallen, een vuile en een onreine geest. Volgens de woorden die voorliggen is hij de geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid.
Dit werken is deels direct en deels indirect. Het is direct wanneer hij de kinderen der ongehoorzaamheid zijn eigen bijzondere zonden inblaast, zoals hoogmoed, vijandschap, opstand, boosaardigheid en godslastering. Ook inspireert hij wat de Schrift geestelijke boosheden noemt (Efeze 6:12) en de diepten des satans (Openbaring 2:24).
Maar hij werkt indirect wanneer hij het verdorven gemoed van de mens die vleselijke verzoekingen voorhoudt waaraan hij zelf niet onderhevig is en waartoe hij zelfs niet in staat is. Die worden door Johannes samengevat als de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens. Geen van deze begeerten kan Satan zelf hebben. Hij heeft geen vlees om te bevredigen, geen vleselijk oog om te behagen en geen wereldse trots om aan toe te geven. Maar hij vindt al deze dingen in ons. Hij biedt elk van deze begeerten het passende voorwerp aan. Ook verduistert hij het verstand en verhardt hij het hart, zo mogen we toevoegen. Zo geeft hij de begeerten nieuwe overmacht en kracht.
Het lijkt ook dat sommigen als teken van Gods rechterlijk mishagen in het bijzonder aan Satan worden overgegeven. Zo geldt van Judas: na de bete, toen voer de satan in hem (Johannes 13:27). En Satan vervulde het hart van Ananias (Handelingen 5:3). Als het ware nam hij volledig en definitief bezit van hen, naar lichaam en ziel.
Dat is iets anders dan alleen in iemand werken. Bij Judas zien we dat duidelijk. Eerst gaf de duivel hem in het hart dat hij Christus zou verraden (Johannes 13:2). Toen de verzoeking werd aangenomen en overwogen en men had besloten ernaar te handelen, voer hij in hem en nam hij volledig bezit.
Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten.
Het is opmerkelijk hoe de apostel ons herinnert aan de staat waarin we verkeerden. We waren niet alleen dood in de misdaden en de zonden maar wandelden werkelijk in die laaghartige begeerten en voerden in de praktijk de zinnelijke verlangens uit die met onze geestelijke dood verbonden waren. Hij doet dat om twee redenen. Ten eerste om daardoor de rijkdom van Gods genade te vergroten. Ten tweede om ons te herinneren aan onze lage oorsprong, doordat hij ons voorhoudt wat een reden tot de diepste vernedering en zelfverafschuwing moet zijn.
Hoe duidelijk toont hij ook dat er geen verschil is tussen de geredden en de verlorenen, behalve wat de genade tussen hen maakt! Allen, uitverkorenen en niet-uitverkorenen, zijn even dood in de misdaden en de zonden. Allen wandelen in hun onwedergeboren staat evenzeer naar de eeuw dezer wereld. En allen worden even zeer geleid en beïnvloed door de overste van de macht der lucht, die vuile en vervloekte geest die we ook nu overal om ons heen zien werken in de kinderen der ongehoorzaamheid.
Let ook op hoe volledig de apostel zich vereenzelvigt met de laagste en de slechtste mensen. We weten uit zijn eigen getuigenis dat hij vóór zijn roeping door genade een man was met een uiterst strenge levenswandel. Zijn wandel en gedrag waren uiterlijk zo smetteloos dat hij van zichzelf kon zeggen: naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk (Filippenzen 3:6). Maar hier plaatst hij zichzelf tussen de heidense Efeziërs en op één lijn met hen. Zij waren overgegeven aan al die uiterlijke goddeloosheid die, zoals we uit Romeinen 1 en 1 Korinthe 6:9-10 zien, de hele heidense wereld eigen was.
Hij zegt als het ware: wij allen, ik en u en ieder van ons zonder uitzondering, hebben verkeerd in de begeerlijkheden van ons vlees. Dat wil zeggen dat we erin leefden en wandelden als regel en gewoonte van ons leven. Ons voornaamste en enige doel was om de begeerten van het vlees en van het gemoed te vervullen en te bevredigen, wat die ook waren.
Ik was van geboorte een Jood en opgevoed in de allerstrengste richting, die van de farizeeën. Van jongs af was ik doordrongen van de strikte regels en overleveringen van de vaderen. Toen ik ouder werd, kwam ik naar Jeruzalem en zat daar als leerling aan de voeten van Gamaliël. Ik wilde grondiger leren en mij vollediger wijden aan de meest intense beoefening van alle uiterlijke gehoorzaamheid, om door mijn goede werken het eeuwige leven te verkrijgen.
U daarentegen was een blinde heiden, overgegeven aan afgodendienst, zonder de eenvoudigste beginselen van zedelijkheid en zonder de minste kennis van de enige ware God. U wandelde en leefde dus en wentelde zich in allerlei vuil, wreedheid, zonde en misdaad. Toch waren we, hoe groot het uiterlijke verschil ook was, op dit punt volkomen gelijk: het vlees was bij ons beiden alles. En zolang we de lusten en begeerten ervan konden vervullen, waren we tevreden.
Mijn vlees was vroom vlees en het uwe goddeloos. Ik was het gewitte graf aan de buitenkant en u was het vuile graf vanbinnen. Ik haatte en vervolgde in mijn Joodse ijver de gemeente van God. U zou in uw heidense ijver iedereen hebben gedood die de grote Diana van de Efeziërs niet aanbad. Maar we waren allebei vastbesloten het vlees te dienen, al was het op verschillende wijzen en met verschillende middelen.
We zien hier dat de apostel onderscheid maakt tussen de begeerten van het vlees en de begeerten van het gemoed. Beide staan tegenover God en de godzaligheid. Beide zijn vruchten van onze gevallen natuur. Maar de begeerten van het vlees lijken de grovere, zinnelijker lusten en hartstochten te zijn die als het ware met het lagere deel van onze natuur samenhangen. De begeerten van het gemoed zijn de lusten die verband houden met de hogere vermogens ervan.
Zo zijn sommigen tot aan hun lippen ondergedompeld in allerlei vuile gruwelen van zinnelijke lust, waarin zij al hun genot vinden. Anderen verachten de lagere vleselijke lusten of worden er althans niet door verzocht. Zij volgen met evenveel vuur de ingevingen van een verfijnder karakter en aanleg.
Ze willen vooruitkomen in de wereld. Ze hongeren naar macht over hun medemensen. Ze verlangen naar roem en aanzien op een bepaald gebied van kunst of wetenschap. Ze zijn ontevreden met hun huidige positie in het leven en benijden iedereen die hen overtreft in afkomst, rijkdom, talent, bekwaamheid, positie of aards geluk. Ze proberen, met meer of minder succes, uit de vergetelheid, armoede en ondergeschiktheid omhoog te komen en zich naam, faam en welvaart te verwerven. Wat een groot veld opent zich voor ons oog, als we denken aan de begeerten van het gemoed!
En merk op hoe de apostel de begeerten van het vlees en die van het gemoed op één lijn stelt. Hij drukt beide hetzelfde zwarte stempel op van ongehoorzaamheid en haar gevolgen: de toorn van God! We kijken om ons heen. We zien de dronkaard over straat waggelen. We horen de vloek van de gewone godslasteraar. We zien zonen en dochters van Belial wier gezichten al tonen hoe diep ze in schandelijke daden zijn weggezonken. Die veroordelen we meteen.
Maar wat denken we van de doordrijvende handelaar, de energieke zakenman, de actieve en onvermoeibare speculant? Wat van hem die zonder scrupules elk plan en elke list toepast om zichzelf vooruit te helpen en groot te maken, onverschillig wie ten onder gaat als hij zelf maar stijgt? Is hij in onze ogen even schuldig?
Wat denken we van de kunstenaar die dag en nacht besteedt aan de ontwikkeling van zijn kunnen als schilder, architect of beeldhouwer? Van de letterkundige die in zijn boeken is begraven? Van de natuurkenner die jarenlang het bijzondere vakgebied bestudeert dat hij heeft gekozen? Of van soortgelijke mensen wier hele leven en al wier krachten opgaan aan het vervullen van de begeerten van hun gemoed? Wat de samenleving, het algemeen welzijn, het welzijn van henzelf en hun gezinnen en de vooruitgang van de wereld betreft, is er een groot verschil tussen deze twee groepen. We zouden ons gevoel geweld aandoen als we ze op één lijn zetten.
Maar wegen we de zaak voor God, met de eeuwigheid voor ogen, en beoordelen we hen naar het woord van de waarheid, dan zien we meteen dat er geen wezenlijk verschil tussen hen is. De dronkaard vervult slechts de begeerten van zijn vlees. De geleerde, de kunstenaar, de zakenman en de letterkundige vervullen elk slechts de begeerten van hun gemoed. Kortom, de wereldmens doet dat, hoe zijn wereld ook is, groot of klein. Beiden zijn uit de aarde, aards. Beiden zijn gezworen vijanden van God en de godzaligheid. En kon je tot op de bodem van zijn hart kijken, dan zou je misschien vinden dat de man van verstand, verfijning en opleiding een grotere vijand van God en Zijn woord is dan de dronkaard of de losbol!
De zonde is in beiden één en dezelfde. Ze bestaat hierin dat zij in alles wat ze doen die vleselijke gezindheid willen bevredigen die vijandschap is tegen God, die zich niet aan de wet van God onderwerpt en dat ook niet kan. God is niet in al hun gedachten, ja eigenlijk in geen enkele ervan. Zij zijn schepselen van Zijn hand, want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij. Toch leven zij niet voor Hem en tot Zijn eer maar geheel voor zichzelf. Zo zijn ze in de praktijk opstandelingen tegen God, omdat zij Zijn rechtmatige aanspraak op hun gehoorzaamheid verwerpen.
We moeten wel zeer oppervlakkige en zelfs geheel valse en verkeerde gedachten over de zonde hebben als we haar beperken tot bepaalde uiterlijke daden die door de natuurlijke consciëntie van mensen doorgaans worden veroordeeld. De zonde moet niet op deze weegschaal worden gewogen en niet met deze maatstaf worden gemeten. Ze moet worden gemeten aan de heiligheid van God en aan de eisen van Zijn rechtvaardige wet, die zich uitstrekt tot de binnenste gedachten van het hart.
De zonde is veel dieper, subtieler en omvangrijker dan de meeste mensen beseffen. Niemand kan dat weten of voelen voordat hij uit eigen bevinding leert dat Gods gebod uitermate wijd is. Het eist reinheid in het binnenste en een volkomen gehoorzaamheid van lichaam en ziel. Het eist dat elk vermogen van het gemoed, elk lid van het lichaam, elke gedachte van het hart, elk woord van de tong en elke handeling van de handen volledig worden overgegeven aan de dienst van God.
Meten we met deze maatstaf, en de heerlijkheid van God eist niet minder, dan zien we wat zonde werkelijk is. Hoe mensen er uiterlijk en moreel ook uitzien, innerlijk is er voor de ogen van de oneindige reinheid en in de weegschaal van een rechtvaardige wet, zoals de apostel elders getuigt, geen onderscheid. Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods.
In dit tekortkomen aan de heerlijkheid van God ligt dan ook vooral het wezen van de zonde. De heerlijkheid van God is zo groot, onuitsprekelijk groot, dat tekortschieten daarin zondigen tegen God is. Tekortschieten betekent hier dat we de volle gehoorzaamheid en toewijding van de hele mens, die zij eist, niet geven. Het is, zoals de profeet het uitdrukt, handelen om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren (Jesaja 3:8). Het is alsof die heerlijke ogen, waarvan staat dat Zijn ogen doorlopen de ganse aarde (2 Kronieken 16:9), met heilige verontwaardiging kijken naar de schepselen van Zijn hand die Hem niet de eer brengen die Hem toekomt.
De wet is de openbaring van Gods heiligheid. Zij is een woord dat van Zijn lippen is uitgegaan om allen die eronder staan te binden aan volmaakte gehoorzaamheid aan haar geboden. Daarom moet elke mond worden gestopt door een besef van schuld en schaamte waar die wet in haar geestelijkheid en kracht wordt geopenbaard. De apostel getuigt: Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij (Romeinen 3:19).
Wat is nu het gevolg van dit algemene vonnis van veroordeling? Datgene wat de apostel toevoegt en waar we nu in onze uitleg aan toe zijn: en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.
We hebben de betekenis van de uitdrukking kinderen des toorns al aangewezen. Bij dit punt hoeven we dus niet lang stil te staan. Een kind van de toorn zijn is de toorn verdienen, zoals een kind des doods iemand was die de dood verdiende. En zoals kinderen van nature erfgenaam zijn van het bezit van hun vader, zo is een kind van de toorn erfgenaam ervan en heeft het de toorn tot een volle en eeuwige erfenis.
Deze toorn is de rechtvaardige verontwaardiging van God tegen zonde en zondaars, zonder aanzien des persoons. Dat blijkt uit het getuigenis: Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam, doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek (Romeinen 2:8-9).
Maar nu rijst vanzelf de vraag of er dan geen verschil is tussen de uitverkorenen en de niet-uitverkorenen in deze zaak. Hebt u ons niet al verteld, en in het eerste hoofdstuk van deze brief heel volledig en duidelijk uiteengezet, dat de uitverkorenen van eeuwigheid gezegend waren met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus? Dat zij begenadigd waren in den Geliefde en altijd in de Persoon en het werk van Zijn dierbare Zoon voor God stonden, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks? Hoe kunnen zij dan kinderen des toorns, gelijk ook de anderen zijn? Was er niet van eeuwigheid een onderscheid tussen hen en de rest van de mensheid, die ertoe bestemd was de maat van hun ongerechtigheden vol te maken?
Deze moeilijkheid, als ze die naam al verdient, wordt opgelost door de woorden van nature. Het onderscheid tussen wie gered en wie verloren is, bestaat door genade. Van nature is er geen onderscheid tussen hen. In Adam hebben zij allen gezondigd door de oorspronkelijke overtreding. In zichzelf hebben zij allen gezondigd door daadwerkelijke overtreding.
Neem de genade weg en bezie hen alleen zoals zij van nature zijn. Dan is er geen verschil tussen hen. Hun zonden zijn even groot, zo niet groter. Hun natuur is even verdorven en hun hart even boos. De hele neiging en loop van hun gedachten, woorden en werken was, voordat zij door genade werden geroepen, even doortrokken van zonde en misdaad. En omdat al deze dingen toorn verdienen en, zonder genade, de toorn als hun eeuwig deel zouden afroepen, worden zij terecht en naar waarheid genoemd van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.
Het is zeer nodig altijd te bedenken dat er onveranderlijke wetten zijn van goed en kwaad, van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, van wat God als de grote en heerlijke Jehova behaagt en mishaagt. Geen daad van God in de genade verandert deze wetten ook maar in de minste mate, vermindert ze of schuift ze opzij. Ze ontspringen aan Zijn heerlijke volmaaktheden.
De genade verandert de aard van de zonde niet. Ze maakt de zonde op zichzelf niet minder verdoemelijk en wendt Gods toorn er niet van af. Wel wendde ze Gods toorn af van de persoon van de zondaar naar de Persoon van de Borg. Maar toen ze in Hem de zonde ontmoette en tegenkwam, brak die zo woedend los dat Hij uitriep: Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands. Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods (Psalm 22:15-16).
En opnieuw, in de persoon van Heman: Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig. Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan (Psalm 88:7-8; Psalm 88:16-17).
Het is een volslagen misverstand van de genade en van het hele wonderlijke heilsplan om te denken dat de zonden van de uitverkorenen geen zonden zijn of geen straf verdienen, omdat zij in den Geliefde begenadigd zijn en de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade bezitten. Even verkeerd is de gedachte dat zij zelf niet van nature kinderen van de toorn zijn, gelijk ook de anderen. Het getuigenis van Gods woord en de ervaring van elke heilige weerspreken zulke aanmatigende gedachten volop.
Nee, juist de zoetheid van de genade ligt hierin dat zij de verdiende toorn heeft weggenomen. Dat doet de gemeente luid zingen: En te dienzelfden dage zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij (Jesaja 12:1).
Zo’n opvatting laat de gedachte van de Heilige Geest, zoals de apostel die hier uitdrukt, volledig uit het oog verliezen. Zijn doel is duidelijk ons te herinneren aan onze verplichting aan de onderscheidende, soevereine genade. Hij laat ons zien dat we van Gods hand niets anders verdienen dan toorn, en dat die, als we kregen wat ons toekomt, tot het uiterste over ons zou worden uitgegoten. En zeker zal ieder die iets van Gods toorn heeft gevoeld als zijn rechtvaardig deel vanwege zijn persoonlijke overtredingen, vrijuit erkennen dat hij van nature een kind van de toorn is, gelijk ook de anderen. En dat er duizenden in de hel zijn die niet zulke grote zonden hebben begaan als hij.
We hoeven hier echter niet langer bij stil te staan. We hadden dit punt zelfs niet aangeroerd als het niet was om op te helderen wat een moeilijkheid, zo niet een tegenspraak met eerder gezegde goddelijke waarheid, had kunnen lijken. Laten we liever met de apostel de rijke barmhartigheid van God zegenen en aanbidden die ons is bewezen in de Persoon en het werk van Zijn dierbare Zoon. Dat blijkt uit de woorden die we nu verder zullen openen: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft.
We zien hier de zalige vereniging van barmhartigheid en liefde in de boezem van God en de wijze waarop de apostel beide, zo verenigd, voorstelt en verheft. Hij zegt niet eenvoudig dat God barmhartig is, maar dat Hij rijk is in barmhartigheid. En hij verklaart niet alleen dat Hij ons heeft liefgehad, maar dat de liefde waarmee Hij ons liefhad een grote liefde was.
Aangezien de liefde de eerste drijfveer in Gods gemoed was, volgens het getuigenis Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Johannes 3:16) en opnieuw Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden (1 Johannes 4:10), zullen we dat punt het eerst bezien.
1. Het getuigenis van het woord van de waarheid is dat God is liefde (1 Johannes 4:8), zuivere, volmaakte, heilige, eeuwige liefde. Liefde is een van Zijn helderste, zaligste en heerlijkste volmaaktheden. Ze verzacht, als ik dat met alle heilige eerbied zo mag zeggen, de strenge en meer schrikwekkende trekken van Zijn goddelijke majesteit. Denk aan Zijn gerechtigheid, Zijn heiligheid, Zijn toorn tegen de zonde en Zijn onbuigzame besluit de schuldige in geen geval vrij te spreken.
Maar we moeten er vooral op letten dat deze even heerlijke als beminnelijke volmaaktheid van de liefde alleen voor ons straalt in de Persoon van Zijn dierbare Zoon. Welke liefde God ook heeft voor de schepselen van Zijn hand, zoals voor de heilige engelen die voor Zijn aangezicht staan, of voor de vreemdeling aan wie Hij uit zuivere goedgunstigheid voedsel en kleding geeft (Deuteronomium 10:18), wij arme zondaars kunnen Hem als zondaars alleen als zuivere liefde kennen in de Persoon en het werk van de Zoon van Zijn liefde.
Wanneer we onder goddelijk onderwijs, op gezegende momenten, naar God kunnen opzien terwijl Hij Zichzelf openbaart in de Persoon van Zijn dierbare Zoon, zien we in Hem niets dan zuivere en volmaakte liefde. En als die liefde aan het geloof wordt geopenbaard en door de Heilige Geest in het hart wordt uitgestort, wekt ze liefde tot God op en trekt ze die naar buiten, als antwoord. Want Hij is in Zichzelf zuivere Liefde in haar bron, en aan gelovige zielen schenkt Hij deze zalige stroom.
Maar deze liefde wil de apostel vooral verheffen als groot: door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft. Haar grootte wordt aan twee dingen gemeten. Ten eerste en vooral aan de gave van Zijn dierbare Zoon. Ten tweede aan onze ellendige, verloren en zeer jammerlijke staat als zondaars in Zijn ogen.
De Schriften zijn zeer vol, duidelijk en zalig over de liefde van God die in de gave van Zijn dierbare Zoon wordt geopenbaard. Behalve de getuigenissen die we al hebben aangehaald, vinden we de apostel zeggen: Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren (Romeinen 5:8). En opnieuw: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? (Romeinen 8:32).
Hoe groot deze liefde is voor het volk van Zijn keuze, zegt onze Heere in die zeer opmerkelijke uitdrukking in het gebed dat Hij opzond vlak voor Zijn lijden en sterven. Wij hebben wel eens gedacht dat dit het grootste woord is in het hele boek van God: en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt (Johannes 17:23).
De liefde van God tot Zijn dierbare Zoon moet zo oneindig zijn dat ze elke voorstelling van mensen of engelen te boven gaat. Dat Hij nu het volk van Zijn keuze met dezelfde liefde zou liefhebben, dezelfde in aard en dezelfde in mate als waarmee Hij Zijn dierbare Zoon liefheeft, is een van de overweldigendste gedachten die een mensenhart kunnen bewegen en roeren! Zo overweldigend is ze in haar verheven geheimenis en onbereikbare diepte dat ze alleen door het geloof kan worden aanvaard. Het geloof zelf kan dan alleen in eerbiedig verbazen en bewondering neervallen en uitroepen: O de diepte! O de zaligheid van deze liefde!
Liefde houdt echter niet noodzakelijk barmhartigheid in. Deze laatste eigenschap ziet ons als zondaars. Ze is het uitstromen van de liefde in de vorm van medelijden en erbarmen met ons, die door de zonde in een zeer ellendige en jammerlijke staat zijn geworpen. We kunnen iets van de vermenging van liefde en medelijden als twee onderscheiden en toch verenigde gevoelens uit onze eigen ervaring kennen.
Een ouder heeft zijn kind lief, los van enig gevoel van erbarmen of medelijden en onafhankelijk daarvan. Het kind verkeert immers misschien niet in omstandigheden die zo’n sluimerend gevoel opwekken. Maar is het kind ziek of in nood of in enige andere benarde omstandigheid, dan stromen medelijden en erbarmen uit de boezem van de liefde. En hoe dieper de liefde, des te teerder het medelijden.
Deze vermenging van liefde en medelijden wordt prachtig voorgesteld in de levendige vergelijking van de gemeente met een verstoten kind: Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart (Ezechiël 16:5).
Geen oog had medelijden met dit arme verstoten kind, en het was zelf te gevoelloos om medelijden met zichzelf te hebben. Maar de Heere had er medelijden mee en ontfermde Zich erover! Met Zijn medelijden was er liefde en met de liefde kwamen daden van liefde: Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE en gij werdt de Mijne (Ezechiël 16:8).
We zien deze vermenging van liefde en medelijden ook toegelicht in de gelijkenis van de verloren zoon. De vader had hem lief omdat hij zijn zoon was, los van zijn gedrag, goed of slecht. Maar toen de berouwvolle verloren zoon terugkwam, met droefheid in het hart en met belijdenis van zijn zonde en onwaardigheid op de lippen, lezen we dat als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem.
Wat een vermenging van liefde en medelijden was dit! Medelijden bewoog de vader om de terugkerende verloren zoon tegemoet te lopen en liefde om hem om de hals te vallen en te kussen. Was er geen eerdere liefde geweest, en we kunnen toevoegen geen eerdere verhouding van vader en zoon, en had hij niet in zo’n ellendige toestand verkeerd, dan was er geen medelijden geweest. Maar de vader had hem lief als zijn zoon en omdat hij zijn zoon was.
Daarom stroomden medelijden en erbarmen toen hij thuiskwam in armoede, honger en lompen, in schuld, schaamte en droefheid. De twee verenigden zich in het genadige bevel om hem het beste kleed aan te trekken, het gemeste kalf te slachten en blij te zijn over hem die dood was en weer levend is geworden, die verloren was en gevonden is.
Zoals God groot is in liefde, en Zijn liefde in feite oneindig is, zo is Zijn barmhartigheid rijk. Beter gezegd: Hij is rijk in barmhartigheid. Barmhartigheid past bij een zondaar die zijn nood voelt. De rijkdom van Gods barmhartigheid past vooral bij hen die in werkelijke uiterste nood van ziel zijn gebracht. Zij zien en voelen hoe overvloedig Hij in barmhartigheid moet zijn en hoe overstromend in de uitnemende rijkdom van Zijn genade. Daardoor durven zij te hopen dat die rijkdom ook hen toekomt en vrijelijk tot hen neerdaalt in hun lage en verloren staat.
We kennen de barmhartigheid met gevoel en uit eigen bevinding eerder dan de liefde. De liefde is in God de eerste, maar in onze ervaring niet. Wanneer we voor het eerst onze behoefte aan barmhartigheid voelen, gaan we niet naar God alsof wij voorwerpen van Zijn liefde zijn. We durven zelfs niet het minste idee te koesteren dat een zo heilige God een zo vuile zondaar zou kunnen liefhebben. Maar we gaan naar Hem om barmhartigheid te verkrijgen, zoals de apostel zegt: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebreeën 4:16).
Barmhartigheid is het eerste wat aan de troon der genade wordt gezocht. En wanneer die barmhartigheid is verkregen, wordt daarna voortdurend genade gezocht om de hulpeloze en afhankelijke ziel te helpen in elke tijd van nood. Die nood duurt het hele leven, tot de genade wordt opgeslokt in heerlijkheid. Was niet het eenvoudige smeken om barmhartigheid het gebed van de tollenaar in de tempel: O God! wees mij zondaar genadig!? En zo is het gebed geweest van iedereen wier hart is aangeraakt door de vinger van God.
Wanneer God dan genadig Zijn oor neigt en luistert naar de zucht en de roep van de berouwvolle, belijdende zondaar en barmhartigheid aan zijn ziel openbaart, stort Hij tegelijk Zijn liefde uit in diens hart. Dan worden de barmhartigheid van God en de liefde van God, zoals zij in Hem één zijn, ook in de boezem van de zondaar één.
Maar het punt waarbij de apostel vooral stilstaat als bewijs en kenmerk van de rijkdom van Gods barmhartigheid en de grootte van Zijn liefde is de levendmaking van hen die dood waren in de misdaden en de zonden. Omdat dit echter een nieuw deel van ons onderwerp opent, stellen we de uitleg ervan uit tot ons volgende stuk.


