The Experience of a Believer
DOOR J.C. PHILPOT
Er bestaat een opvallende overeenkomst tussen de geschiedenis van de Kerk en de ervaring van een gelovige. Dat is geen toeval, maar vloeit noodzakelijk voort uit hun onderlinge verhouding: lichaam en leden worden door dezelfde omstandigheden beïnvloed en zijn afhankelijk van dezelfde oorzaken van gezondheid of verval. Het eerste is als het boek waarvan het tweede een bladzijde vormt; het ene beschrijft de loop van eeuwen, het andere getuigt van één enkel leven.
Deze overeenkomst blijkt uit verschillende bijzonderheden.
I. Het eerste en belangrijkste punt ligt in het feit dat beiden voor hun geestelijk leven en hun welvaart geheel afhankelijk zijn van de Heere, hun Hoofd. De Kerk is Zijn lichaam, en de afzonderlijke gelovigen zijn de leden daarvan. Zonder Hem kunnen zowel lichaam als leden niets doen. Hij is “de Weg” waarin beiden wandelen, “de Waarheid” waarin beiden geloven, en “het Leven” waarin beiden leven.
II. Naast deze afhankelijkheid is er ook een opmerkelijke overeenstemming in ervaring. In de geschiedenis van de Kerk zien we bepaalde opvallende perioden – vaak aangeduid als tijden van geestelijke voorspoed – waarin de tegenwoordigheid en de kracht van de Heere op bijzondere wijze openbaar werden. Omdat zulke perioden geheel te danken waren aan de overvloedige uitstorting van de Heilige Geest (zoals beloofd in de Schrift: ‘Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees’), worden ze terecht “uitstortingen van de Heilige Geest” genoemd. De eerste daarvan, tegelijk het voorbeeld en patroon van alle volgende – ofschoon deze de latere in kracht en heerlijkheid oneindig overtrof – was die gedenkwaardige uitstorting op de dag van Pinksteren. De vroege en de late regen, waarover de profeten spreken, lijken in beeld en betekenis de schoonheid en de zegen van deze genadige uitstortingen te weerspiegelen.
Zolang deze hemelse regenbuien de Kerk besproeiden, bloeide zij op. Het was doorgaans een tijd van uiterlijke vervolging en beproeving, maar naarmate haar lijden toenam, vermeerderde ook haar troost, en zij verscheen “schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren”. Toen echter deze genadige uitstortingen werden ingehouden, verdorde zij, als een veld dat zonder regen bleef, en nam haar vruchtbaarheid geleidelijk af.
Zo vertoont de geschiedenis van de Kerk een voortdurende afwisseling van vruchtbaarheid en dorheid, herstel en verval, leven en dood, zomer en winter, opstanding en inzinking. Hierin weerspiegelt de ervaring van de Kerk die van haar geestelijke leden. Er zijn maar weinig kinderen van God die niet kunnen terugzien op bepaalde markante perioden in hun leven, waarin de gezegende Geest krachtig in hun hart werkte.
Hun eerste overtuigingen of eerste zegeningen – hun geest van smeking of van luisteren – de zoete openbaringen van Christus, de merkwaardige verhoring van gebeden, de liefde tot de broeders, de bereidheid om offers te brengen en vervolging te verdragen omwille van de waarheid – deze en vergelijkbare heldere, gezegende ogenblikken in het leven van de christen beantwoorden aan de uitstortingen die kenmerkend zijn voor de zegenrijke tijdperken in de geschiedenis van de Kerk. En evenzo komen hun kilheid, doodsheid en onvruchtbaarheid, wanneer de invloed van de Geest wordt ingehouden, overeen met de perioden van geestelijk verval en achteruitgang in de kerkgeschiedenis.
III. Er is nog een derde overeenkomst. Wanneer de Kerk vervallen is in geestelijke dorheid en dood, bewaart de Heere in elk tijdperk toch een uitverkoren overblijfsel binnen haar – mensen die zuchten en wenen over de neergang van Sion, en die als trouwe getuigen spreken tegen de toestand waarin zij verkeert. Ook dit heeft zijn parallel in de persoonlijke ervaring van de gelovige. Want zelfs in het hart van een kind van God, hoe diep de ziel ook gezonken is in vleselijkheid en lauwheid, klinkt nog steeds een innerlijke zucht en klacht over de gruwel van de afval. De ziel is zich bewust van haar koude hart, haar doodsheid, haar verval; en het geweten – als een onomkoopbare, standvastige getuige voor God – blijft zijn stem verheffen tegen het verlaten van de Bron van levend water, om gebroken bakken uit te hakken die geen water kunnen houden.
There is a striking similarity between the history of the church and the experience of a believer. Nor is this coincidence casual, but necessarily connected with their mutual position, the body and the members being affected by the same circumstances, and being dependent on the same causes of health or decay. Thus the first is as the volume of which the second is a page; the one being the history of centuries, and the other the record of a life.
This similarity embraces several particulars.
1. The first and main point of coincidence lies in this—that both are dependent for their spiritual life and prosperity on the Lord their Head. The church is his body, of which individual believers are separate members; and without him neither body nor members can do anything. He is “the Way” in which both walk; “the Truth” in which both believe; and “the Life” in which both live.
2. But besides this similarity in point of dependence, there is also a striking resemblance in point of experience. Thus in the history of the church there are certain marked periods, or, as they are usually called, “epochs,” of spiritual prosperity when the Lord’s presence and power were peculiarly manifested. As these seasons were wholly due to the special pouring out of the Holy Spirit, (according to the Scripture promise, “I will pour out my Spirit upon you”) they have been termed “effusions” of the Holy Spirit. The first of these, and the type and pattern of all succeeding, though immeasurably exceeding them in power and glory, was that most memorable one, on the day of Pentecost. The early and the latter rain spoken of in the prophets seem to represent in type and figure the beauty and blessedness of these gracious effusions.
Now, as long as these showers fell on the church, she flourished. It was generally with her a time of outward persecution and trouble; but as her afflictions abounded her consolations abounded also, and she “looked forth as the morning, fair as the moon, clear as the sun, and terrible as an army with banners.” But when these gracious effusions were withheld, like a field deprived of rain, she gradually declined in fruitfulness. Thus the history of the church presents an alternation of fruitfulness and barrenness, restoration and decline, life and death, summer and winter, resurrection and decay. Herein they experience of the church corresponds with the experience of its spiritual members.
There are few of the children of God who cannot look back to certain marked periods in their experience when the blessed Spirit worked powerfully in their hearts. Their first convictions or their first blessings—their spirit of supplication or their spirit of hearing—the sweet manifestations of Christ—the marked answers to prayer—the love they felt to the brethren—the willingness to make sacrifices and suffer persecution for the truth’s sake—these and similar bright and blessed spots in Christian experience correspond in the individual to the effusions of which we have spoken as marking certain epochs in the church. And their coldness, deadness, and barrenness, when the Spirit’s influences are withheld, correspond to the periods in the history of the church of decline and decay.
3. A third point of similarity may be also noticed. When the church has declined into coldness and death, the Lord has at all periods preserved in her an elect remnant who sigh and cry on account of Zion’s declension, and testify as faithful witnesses against the condition into which she has fallen. Here too the experience of the individual coincides with the experience of the church. In the bosom of a child of God, however low the soul may have sunk into carnality and lukewarmness, there is still a sigh and a cry on account of the abominations. The soul is inwardly sensible of its backslidings, its coldness, deadness, and declension; and conscience, as a faithful witness for God, unbribed and unbribable, unsilenced and unsilenceable, will ever and anon raise up its voice and testify against the forsaking of the Fountain of living waters, to hew out cisterns, broken cisterns, that hold no water.