Weinigen geven werkelijk om het eeuwige leven. Weinigen verlangen naar een onsterfelijkheid van geluk en heiligheid in de woningen van de hemelse zaligheid. En is er al een vluchtig verlangen naar de hemel dan is het alleen om aan de hel te ontkomen. Maar onder zijn medemensen onsterfelijk te worden is een diepgewortelde drang in de menselijke borst. Men wil iets zijn of iets doen waardoor men de trotse en zeldzame eer verwerft om ook na de dood voort te leven in het geheugen en op de lippen van opeenvolgende geslachten.
Dit gevoel kent de schooljongen die zijn naam in de schoolbank kerft. Het kent de schilder die verlangt dat het doek zijn naam blijft ademen wanneer de vingers die het met vorm en kleur bedekten allang als stof zijn vergaan. En het kent de dichter die gerust sterft als zijn verzen van geslacht tot geslacht voor hem blijven leven. Toch bereiken weinigen deze begeerde onderscheiding. De psalmist zegt van hen: immers woelen zij ijdelijk (Psalm 39:7). En ook: „Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan” (Psalm 9:7).
Maar zelfs als zij hun doel bereikten zou het slechts een schaduw zijn. Geen applaus van mensen bereikt hen in hun sombere verblijf. Geen beekjes van menselijke lof laten een druppel water van de aarde in de hel vallen om hun brandende tong te verkoelen. De meeste namen die worden herinnerd en aan het nageslacht doorgegeven zijn van mensen in wie de Geest van God niet was. Zij waren van de wereld. Hun woorden en daden werden ingegeven door een wereldse geest en waren op wereldse doeleinden gericht. Daarom had de wereld hen lief in hun leven en eerde zij hen in hun dood. Na hun dood geeft zij hun de enige beloning die zij te geven heeft: een aardse onsterfelijkheid.
Maar zien wij wat zij in het leven waren en wat zij in de dood zijn — tillen wij de sluier op die de woningen van de doden verbergt — is hun lot dan begerenswaard? Helaas nee! Hun ziel wordt niet meer verheugd door de eer die aan hun nagedachtenis wordt bewezen dan hun vergaande stof door het marmeren gedenkteken dat boven hun graf staat.
Salomo heeft het grafschrift van deze bewonderde zoon van de roem al geschreven. Het is de beknopte geschiedenis van zijn geboorte en dood — van zijn begin en zijn einde: „Want met ijdelheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt.” En verder: „Ja, al leefde hij schoon tweemaal duizend jaren, en het goede niet zag; gaan zij niet allen naar een plaats?” (Prediker 6:4, 6).
Toch zijn er enkelen — slechts enkelen — die een dubbele onsterfelijkheid hebben gewonnen. Hun namen en hun werken en hun invloed overleven hen op aarde, terwijl hun gelukkige geesten baden in de zaligheid van de hemel. Een Shakespeare, een Byron, een Voltaire te zijn — wie die God vreest zou zo’n wijdverbreide naam willen aanvaarden als hij daarmee ook het lot moest aanvaarden dat hun nu en in de toekomst ten deel valt? Wij mogen immers met reden vrezen wat dat lot is.
Beter de laagste arme zijn die honger lijdt van een schrale bijstand van de gemeente. Beter de schoenloze ongelukkige zijn die de openbare oversteekplaats veegt. Beter in een krot leven en in een gasthuis sterven met de genade van God in het hart dan een wereldwijde naam hebben die eeuwen standhoudt terwijl de ziel in de hel huilt.


