The Qualifications of the Lord Jesus to Sustain the Office of Prophet to His People
Bij het ontvouwen van dit onderdeel van ons onderwerp onderzoeken wij eerst de grondslag van deze bevoegdheden. Die blijkt grotendeels dezelfde te zijn als de grondslag van Zijn priesterambt: Zijn heerlijke Persoon als Immanuël, God met ons. Dat Hij God is, werkelijk en wezenlijk God, de tweede Persoon in de heerlijke Drie-eenheid, is de grondslag van al Zijn ambten en van alles wat Hij voor de gemeente van God is.
Almacht, alwetendheid en alomtegenwoordigheid zijn wezenlijke eigenschappen van de Godheid. Wie als Priester verzoent, als Profeet onderwijst en als Koning regeert, heeft ze nodig. De Godheid van onze gezegende Heere rust dan ook niet alleen op afzonderlijke teksten van de Schrift, hoe talrijk of hoe duidelijk die ook zijn. Wij danken God dat Hij ons die rechtstreekse getuigenissen heeft gegeven om ons geloof te versterken en het te verdedigen tegen tegenstanders. Maar de onrechtstreekse getuigenissen zijn zo mogelijk nog sterker.
De Godheid van onze gezegende Heere is zo verweven met de waarheid van God dat de hele openbaring in stukken zou vallen als men haar eruit kon scheuren. Zijn bloed, Zijn gerechtigheid, Zijn genade en heerlijkheid en het hele heilsplan dat Hij heeft volbracht zijn zozeer van Zijn Godheid afhankelijk dat ze zonder haar en los van haar niet alleen geen waarde of geldigheid zouden hebben. Ze zouden helemaal niet bestaan. Ze zouden geen plaats hebben in het Woord en geen plaats in het hart van het gezin van God.
Bekijk dit in verband met Zijn ambten. Was Jezus slechts een mens, dan zou Zijn bloed als Priester en Offer tegelijk niet genoeg waard zijn om één zonde weg te doen, laat staan de miljoenen zonden van miljoenen zondaren. Hoe zouden Zijn ogen dan kunnen zien, Zijn oren horen en Zijn lippen onderwijzen als Profeet van Zijn gemeente? Duizenden van Zijn gelovigen roepen immers van alle kanten tot Hem en zien naar Hem op om onderwijs.
Was Hij slechts een mens, hoe zouden Zijn schouders dan het gewicht van de heerschappij kunnen dragen als Koning over alle dingen in de hemel en op de aarde? Zo is Zijn eeuwige, werkelijke en wezenlijke Godheid de grondslag van al Zijn ambten. Zonder haar zou elke andere bevoegdheid volkomen krachteloos zijn.
Maar ook hier komen wij, zoals bij Zijn priesterambt, die gezegende en heerlijke waarheid tegen van Zijn echte, eigenlijke en eeuwige Zoonschap. Voor Zijn ambt als Profeet is dat een even noodzakelijke bevoegdheid als Zijn eeuwige Godheid. Het is er in feite onlosmakelijk mee verbonden. Wanneer wij dus beweren dat het ware en eigenlijke Zoonschap van onze gezegende Heere wezenlijk hoort bij Zijn bekleding van het ambt van Profeet voor Zijn gemeente, dan doen wij dat als belijdenis van een grote en gewichtige evangeliewaarheid.
In onze inleidende opmerkingen over de aard van het profetische ambt hebben wij laten zien dat een profeet in wezen iemand is die voor God spreekt. Dat is precies de rol die onze gezegende Heere voor de gemeente vervult als de Zoon van de Vader in waarheid en liefde. Hij spreekt voor de Vader tot de gemeente, want de Vader spreekt in en door Hem.
Tweemaal sprak de Vader met een hoorbare stem uit de hemel. De eerste keer zei Hij: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! De tweede keer voegde Hij op de heilige berg eraan toe: hoort Hem! (Mattheüs 3:17; Mattheüs 17:5.) Het bijzondere van de genade en de heerlijkheid van de christelijke bedeling, haar opvallende en onderscheidende kenmerk, is dat God daarin spreekt in en door Zijn dierbare Zoon.
Hoe helder en schoon verklaart de apostel dit in het openingshoofdstuk van de brief aan de Hebreeën: God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon; Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft; Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen; Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geerfd heeft. (Hebreeën 1:1-4.)
Wanneer wij door het geloof de Zoon van God zien als het Afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, mogen wij wel voelen en zeggen: wie is zo geschikt om voor de Vader te spreken als Zijn eigen Zoon, Die van eeuwigheid in Zijn schoot lag? Wie kent de wil van de Vader zo volmaakt en zo innig, en wie kan die wil zo goed aan de mensenkinderen openbaren?
In Wie vinden wij liefde en macht zo met elkaar verbonden? In Wie vinden wij zo’n ijver voor de eer van God en zo’n medelijden met de mensenkinderen, zo’n majesteit en zo’n barmhartigheid, zo’n oneindige reinheid en zo’n onuitsprekelijke nederbuiging? Wat een vertegenwoordiger van God en wat een boodschapper voor de mens!
Hij en de Vader zijn één: één in wezen en één in wil, hoewel in Persoon onderscheiden. Eén zijn met de Vader in wezen en toch van de Vader onderscheiden in Persoon is het eigen kenmerk van Zijn eeuwige betrekking tot Hem als Zijn eniggeboren Zoon. Het Woord is Zijn titel als Persoon in de Godheid: het Woord was God. Maar waarom is Hij het Woord? Omdat God in Hem en door Hem spreekt. En waarom spreekt de Vader in en door Hem? Omdat Hij Zijn Zoon is.
Wie is zo geschikt als Zijn eigen Zoon, zowel voor de Vader om door Hem te spreken als om voor de Vader te spreken? Buiten de Zoon kan de Vader niet gezien, niet gehoord en niet gekend worden. God is in Zichzelf wezenlijk onzichtbaar. Hij woont in een licht waartoe niemand kan naderen en geen mens heeft Hem gezien of kan Hem zien. Maar het heeft Hem behaagd Zich te openbaren in de Persoon van Zijn dierbare Zoon.
Zo zien wij in Hem de Vader, zoals Hij tegen Filippus zei. (Johannes 14:9.) En wanneer wij Zijn heerlijkheid aanschouwen, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid, zien wij de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. (Johannes 1:14; 2 Korinthe 4:6.)
Op dezelfde manier kunnen wij de stem van God niet rechtstreeks en onmiddellijk horen. Toen die stem klonk op de brandende top van de Sinaï, beefde het hele volk dat in het leger was en schudde zelfs de hele berg hevig. De stem was zo vreselijk dat wie haar hoorden, smeekten dat het woord niet meer tot hen gesproken zou worden. En het gezicht was zo ontzagwekkend dat zelfs Mozes, de man van God en de middelaar als voorafbeelding, zei: Ik ben gans bevreesd en bevende. (Hebreeën 12:19-21.)
Zoals wij God dus niet kunnen zien dan als Hij Zich in Zijn Zoon openbaart, zo kunnen wij God ook niet horen dan als Hij in Zijn Zoon spreekt. Dat was het getuigenis van Johannes de Doper over Hem: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard. (Johannes 1:18.)
Als Hij Die uit de schoot van de Vader kwam, was Hij bij uitstek bekwaam om over Hem en voor Hem te spreken. Dat getuigde Johannes zo duidelijk: Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen. En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan. Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is. Want Dien God gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods; want God geeft Hem de Geest niet met mate. (Johannes 3:31-34.)
In ons volgende onderwerp hopen wij met Gods hulp en zegen verder in te gaan op de bevoegdheden van de Heere Jezus Christus om het ambt van Profeet voor de gemeente van God te bekleden.
In al Zijn werken en al Zijn wegen, in de schepping, in de voorzienigheid en in de genade, straalt de oneindige wijsheid van de grote en heerlijke Soeverein van hemel en aarde met duidelijke glans. Het menselijk verstand is door de val verlaagd en bedorven en zit vol duisternis, ongeloof en goddeloosheid. Daardoor blijft die wijsheid voor de ogen van de mensen meestal verborgen. Maar als wij onder het onderwijs en het getuigenis van de gezegende Geest het licht leren zien in Gods licht, begint die oneindige en onuitsprekelijke wijsheid zich voor ons bewonderende blik te openen.
Wanneer de Geest ons in de schepping Zijn wonderdoende hand leert zien, kunnen wij met David zeggen: Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen. (Psalm 104:24.) Mogen wij Zijn hand in de voorzienigheid nagaan, dan kunnen wij terugzien op de hele weg waarlangs Hij ons al die jaren door de woestijn heeft geleid. Dan zien wij op elke stap wijsheid en barmhartigheid gestempeld.
Maar welk beeld wij door het geloof ook krijgen van de enige wijze God, Die werkt in de wonderen van de schepping of regeert in de ingewikkelde zaken van de voorzienigheid: op het gebied van de genade wordt Zijn wijsheid voor een gelovig hart het meest ontdekt. Het evangelie is immers de grote, laatste openbaring van Zijn gedachten en wil in de zaligheid van Zijn volk. Het is de grootste ontplooiing van Gods wijsheid die aan Zijn verstandige schepselen geboden kon worden, of dat nu verloste mensen zijn of bewonderende en aanbiddende engelen.
Het besef hiervan deed de apostel zeggen: En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden; Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was; (1 Korinthe 2:6-7.)
Bij een andere gelegenheid deed het hem als het ware stilstaan aan de rand van heilige verwondering en eerbiedig ontzag, met deze kreet in zijn hart en op zijn lippen: O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! (Romeinen 11:33.)
Zelfs de engelen, die heldere en heerlijke wezens die altijd het aangezicht zien van de God en Vader van de Heere Jezus in de hemel, putten hun diepste lessen over de wijsheid van God uit het aanschouwen van Zijn genadige omgang met Zijn volk: Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods; Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere; (Efeze 3:10-11.)
Deze openbaring van Gods wijsheid aan engelachtige verstanden door middel van de gemeente werd voor de heiligen van het Oude Testament voorgesteld door de twee cherubs van gedreven goud. Die overdekten met hun vleugels het verzoendeksel en keerden hun gezichten ernaartoe. Het was alsof zij voortdurend wilden doordringen in het goddelijke geheim van barmhartigheid en genade voor de schuldige mens door de menswording van de Zoon van God. Zoals de apostel zegt: in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien. (1 Petrus 1:12.)
De Heere Jezus Christus is dan ook in Zijn Persoon en werk, als de Middelaar tussen God en mensen, in alle ambten die Hij bekleedt, in alle rijkdom van Zijn genade en alle volheid van Zijn heerlijkheid, de wijsheid Gods en ook de kracht Gods. (1 Korinthe 1:24.) Want In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. (Kolossenzen 2:3.)
Maar deze schatten zijn voor de wijzen en verstandigen verborgen en worden alleen aan kinderkens geopenbaard. (Mattheüs 11:25.) Daarom is Hij Zelf ons geworden is wijsheid van God. (1 Korinthe 1:30.) Wij mogen in Hem en uit Hem die springader van wijsheid bezitten, die in ons zal zijn als een stromende beek. (Spreuken 18:4.)
Dat gebeurt doordat wij aan Zijn voeten zitten en Zijn woorden horen (Lukas 10:39) en Zijn juk op ons nemen en van Hem leren (Mattheüs 11:29). Het gebeurt door de vereniging en gemeenschap met Hem als levende leden van Zijn mystieke lichaam (Efeze 5:30) en doordat wij met Hem verbonden zijn als één geest met Hem (1 Korinthe 6:17). Het gebeurt doordat wij Zijn gezindheid in ons opnemen (1 Korinthe 2:16). Het gebeurt ook doordat wij met ongedekt gezicht Zijn heerlijkheid als in een spiegel aanschouwen en naar hetzelfde beeld veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals door de Geest van de Heere. (2 Korinthe 3:18.)
Het verband van deze opmerkingen over de wijsheid van God, zoals die zich toont in de Persoon en het werk van Christus, is misschien niet meteen duidelijk. Wij hebben ze echter laten vallen in samenhang met het deel van ons onderwerp dat nog voor ons ligt: de bevoegdheden die de Heere Jezus bezat om Zijn ambt als Profeet voor Zijn volk te vervullen.
Als de gezegende Heere dan de wijsheid Gods is, zal die wijsheid uitstralen. Zij doet dat niet alleen in de samenstelling van Zijn heerlijke Persoon als Immanuël, God met ons, maar in elk van Zijn verbondsambten. Niet alleen als Priester en Koning maar ook als Profeet straalt Hij in de heerlijkheid van de Vader.
Hier komen oneindige wijsheid, oneindige liefde en oneindige macht samen: de wijsheid van God de Vader, de liefde van God de Zoon en de macht van God de Heilige Geest. Alles is verenigd in de Persoon en het werk van Immanuël om de Vader te verheerlijken, de Zoon te verhogen en de gemeente te redden. Dit hemelse geheimenis van wijsheid, liefde en macht te verstaan, te geloven, lief te hebben, te vereren en te aanbidden is onze hoogste wijsheid. Het in zoete bevinding te verwerkelijken en vervuld te worden met alle gezegende vruchten die eruit voortkomen voor tijd en eeuwigheid is onze rijkste barmhartigheid.
Met het verlangen om enkele van deze diepten van wijsheid, liefde en macht te doorzien, nemen wij ons onderwerp nu weer op: de bevoegdheden van Jezus om het profetische ambt te bekleden tot eer van God en tot welzijn van Zijn volk.
Wij hebben eerder vooral stilgestaan bij de bevoegdheden die Hij bezit als goddelijke Persoon in de heerlijke Drie-eenheid, voorafgaand aan en onafhankelijk van de mens, zowel gevallen als ongevallen. Het waren er twee: 1. Zijn eeuwige Godheid; 2. Zijn ware en eigenlijke Zoonschap. Beide waren, zo hebben wij gezien, nodig om Hem te bekwamen om als de mond van God te spreken.
Hij was het Woord dat in het begin bij God was. (Johannes 1:1.) Hij alleen had de Vader gezien (Johannes 6:46) en kende de Vader zoals de Vader Hem kent (Johannes 10:15). Hij is van de Vader uitgegaan (Johannes 16:28) als de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is (Johannes 1:18) en Hij openbaarde wat Hij gezien en gehoord had, want hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij. (Johannes 3:32.)
Het is zeer versterkend voor het geloof om deze bevoegdheden van de gezegende Heere te zien om van de Vader te getuigen. Wij willen zekerheden, het volste bewijs en de helderste verzekering dat Jezus wat Hij van de Vader verklaard heeft, niet kende door inspiratie, zoals de profeten, maar door werkelijk persoonlijk zien en kennen. Wij willen zekerheid dat Hij uit de schoot van de Vader kwam en dat Hij een voedsterling bij Hem was, dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende. (Spreuken 8:30.)
Wat een rust is dit voor het geloof! Het kan met volle zekerheid steunen op alles wat Jezus over de Vader heeft getuigd, want Hij alleen kent Hem en openbaart Hem toch genadig aan de mensenkinderen. Bij de dingen die onze eeuwige vrede aangaan, bij de ernstige zaken van de eeuwigheid waarin de troost en vreugde van onze ziel op het spel staan, om haar eeuwige zaligheid nog te zwijgen, is het hoogst nodig een grondslag te hebben waarop het geloof stevig kan bouwen en veilig kan staan. Dat geldt te midden van alle stormen van de verzoeking, de golven van de ellende en de schuimende baren van ongeloof en goddeloosheid, opgezweept door de adem van de satan.
Gelovige, uw geloof moet steunen op de woorden van Jezus Christus en ermee omgaan, want Hij heeft de woorden des eeuwigen levens. Uw geloof zal, als het dat nog niet is geweest, door het vuur beproefd worden. Zie dus goed toe op de grondslag en let erop dat die stevig en goed is.
Wij zullen met Gods hulp en zegen uitvoeriger bij dit deel van ons onderwerp stilstaan wanneer wij zien hoe het profetische ambt van onze Heere de bevinding van een gelovige raakt. Maar wij willen onze lezers nu al inprenten hoe nodig en hoe zalig het is om ware en gelovige opvattingen te hebben over de bevoegdheden van onze Heere om te spreken in de naam van de Vader. Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, vóórdat de fundamenten van de aarde gelegd werden en de dageraad zijn plaats kende.
Nu komen wij echter bij de bevoegdheden die meer rechtstreeks samenhangen met Zijn zuivere MENSHEID. Wij zullen zien dat die even noodzakelijk zijn als de bevoegdheden die gegrond zijn op Zijn eeuwige Godheid en Zoonschap.
1. Het is Zijn mens-zijn naast Zijn God-zijn dat Hem geschikt maakt tot Middelaar: Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus. (1 Timotheüs 2:5.) Doordat Hij de Mens Christus Jezus is en tevens God de Zoon, kan Hij de scheidsman of scheidsrechter zijn (zo staat het in de kantlijn) naar wie Job verlangde. (Job 9:33.) Alleen Hij kan zijn hand op ons beiden leggen.
Als God kon Jezus voor de mens tot God spreken. Als mens kon Hij voor God tot de mens spreken. Zo hoog als de hoogste, werd Hij zo laag als de laagste. Gelijk aan de Vader in Zijn goddelijke natuur, werd Hij gelijk aan de mens in Zijn menselijke natuur.
De Profeet van wie Mozes sprak, zou komen uit het midden van de kinderen Israëls, uit hun broederen. Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken. En nog eens: Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal. (Deuteronomium 18:15; Deuteronomium 18:18.)
De beloofde Profeet moest worden verwekt uit het midden van de broederen. Hij zou immers van het zaad van de vrouw zijn (Genesis 3:15) en uit het zaad van David, naar het vlees (Romeinen 1:3). Om een broeder te zijn moest Hij hun natuur aannemen, zoals de apostel verklaart: Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden. (Hebreeën 2:14.)
En nogmaals zegt hij: Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan. Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen. (Hebreeën 2:16-17.) Dat bekwaamde Hem om te zeggen: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen. (Hebreeën 2:12.)
Zijn bevoegdheid als mens om het ambt van Profeet te bekleden was even nodig als Zijn bevoegdheid als God. Om de mens te redden werd God mens. Om Zijn broeders te onderwijzen werd de Zoon van God hun broeder. Deze zuivere en volmaakte menselijkheid nam Hij aan in de schoot van de maagd. De Heilige Geest, onder Wiens goddelijke en bovennatuurlijke werking en overschaduwing deze menselijke natuur ontvangen werd, vervulde haar op het eigenste ogenblik van de ontvangenis met alle genade. Zo maakte Hij haar tot een heilige tempel waarin alle volheid van de Godheid lichamelijk woonde.
2. Maar hoewel deze menselijke natuur van onze gezegende Heere op het ogenblik van haar ontvangenis geheiligd en met alle hemelse genade vervuld was, was zij toch vatbaar voor zowel natuurlijke als geestelijke groei en voor verdere toename van de gaven en genaden van de Heilige Geest. Wij lezen daarom van Jezus in Zijn vroegste jaren dat het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem. (Lukas 2:40.)
De groei die daar genoemd wordt, heeft betrekking op Zijn lichaam, want elders wordt van Hem gezegd dat Hij toenam in grootte. (Lukas 2:52.) Hij groeide zoals wij groeien van kind tot jongeling en man. Maar Hij kende niet de nadelen van ziekte en kinderkwalen waaraan wij onderhevig zijn. Daarvan was Hij volkomen vrij, omdat er in Zijn zuivere en heilige lichaam geen smet van ziekte of kiem van sterfelijkheid was.
Dat Hij werd gesterkt in den geest, betekent dat Zijn ziel steeds meer met kracht en wijsheid werd vervuld door een voortdurende toevloed van de kracht en zalving van de Heilige Geest. Er werd geen nieuwe genade aan Zijn ziel meegedeeld, zoals er geen nieuw lid aan Zijn lichaam werd toegevoegd. Maar zoals Zijn zuivere menselijke ziel, net als de onze, met de groei van het lichaam uitdijde en groeide, zo werd zij meer en meer vervuld met de Heilige Geest.
De goddelijke natuur nam voor onze gezegende Heere niet de plaats van een ziel in. De twee naturen waren wezenlijk onderscheiden. Hoewel ze op geheimzinnige wijze verenigd waren in de Persoon van de Godmens, was er, zoals de geloofsbelijdenis van Athanasius het goed uitdrukt, geen „vermenging van de zelfstandigheid”. Die zou er zijn geweest als Zijn wezenlijke Godheid als ziel Zijn lichaam bezield had.
Vraagt iemand waarom de menselijke ziel van Jezus de gaven en genaden van de Heilige Geest nodig had, terwijl zij vanaf het ogenblik van Zijn ontvangenis heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren was? Dan antwoorden wij dat zij zonder die gaven en genaden niet aan de dienst van God gewijd zou zijn geweest. Zij had dan ook niet naar de volle maat van haar vermogen voor Hem en tot Hem kunnen leven.
Heel Zijn menselijke natuur, lichaam en ziel, zou nog steeds dat Heilige zijn geweest. (Lukas 1:35.) Maar zoals het lichaam zonder natuurlijke groei altijd een baby zou zijn gebleven, zo zou Zijn ziel niet zijn opgegroeid tot haar volle wijsheid en genade. Dat zou zijn gebeurd als dezelfde gezegende Geest, Die haar in de schoot had gevormd en geheiligd, haar niet voortdurend met hemelse schatten had aangevuld.
Dit wordt prachtig ontvouwd in de woorden van de profeet: Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN. En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen. (Jesaja 11:1-3.)
Door de inwoning van de Heilige Geest werd de menselijke natuur van onze gezegende Heere een heilige tempel, gewijd aan de dienst van God en met alle genade vervuld. Zij werd bekwaam gemaakt om niet alleen de hele wil van de Vader te doen en te lijden, maar ook elk verbondsambt te bekleden.
3. Maar vooral bij Zijn doop werd Hij gewijd aan de actieve dienst van Zijn hemelse Vader. Toen daalde de Geest van God in lichamelijke gedaante als een duif uit de hemel neer en bleef op Hem. De Vader riep met hoorbare stem uit de hemel: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
Dit kwam overeen met de zalving van de profeten van weleer tot hun profetisch ambt, zoals Elia het bevel kreeg Elisa tot profeet zalven in uw plaats. (1 Koningen 19:16.) Toen verzegelde de Vader Hem, want Dezen heeft God de Vader verzegeld (Johannes 6:27). Hij getuigde van Hem (Johannes 8:18), getuigde van Zijn Zoonschap, gaf Hem de Geest niet met mate (Johannes 3:34) en beval ons Hem te horen.
Toen daalde de Heilige Geest neer, zoals Johannes de Doper zag, en bleef op Hem. (Johannes 1:32-33.) Door deze zichtbare nederdaling en dit blijvende rusten zalfde Hij Hem op bijzondere wijze met al die goddelijke gaven en genaden. Daardoor werd Hij bekwaam om Zijn zending als Bode van het verbond op de meest volmaakte en volledige wijze te vervullen, tot eer van God en tot welzijn van Zijn volk.
Zo kunnen wij een onderscheid maken tussen twee zaken. Aan de ene kant staan die genaden van de Heilige Geest waarmee Hij gezalfd werd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten. (Psalm 45:8; Hebreeën 1:9.) Aan de andere kant staat de bijzondere mededeling van hemelse genaden en gaven waardoor Hij op een eigen wijze werd afgezonderd en bekwaam gemaakt om het werk te voltooien dat de Vader Hem te doen gaf.
Onze gezegende Heere leefde een leven van geloof op Zijn hemelse Vader. De werkingen van dit geloof in al zijn verscheidene gestalten zijn duidelijk te zien in die Psalmen die buiten alle twijfel de bevinding van Jezus in de dagen van Zijn vlees bevatten. Er is geen genade of vrucht van de Heilige Geest die Zijn volk in maat bezit en die de Heere niet zonder maat bezat. Bedenk daarbij dat dit werkzame genaden waren, die door dezelfde Heilige Geest Die ze had meegedeeld voortdurend werden aangewakkerd en geoefend.
Wie die Psalmen waarin onze Heere spreekt met verlicht oog leest, ziet al deze genaden voortdurend werken. Men ziet geloof in al zijn werkingen, hoop in al haar verankeringen en liefde in al haar stromen. Men ziet lijdzaamheid in al haar verduren, nederigheid in al haar onderwerpingen en gebed in al zijn smekingen. Men ziet lof in al zijn aanbidding, gehoorzaamheid in al haar toegeven, ijver in al zijn gloed, toewijding in al haar zelfopofferingen, heiligheid in al haar vlam en aanbidding in al haar gloed.
Al deze genaden en vruchten van de Heilige Geest schitteren als met stralen van hemels licht in de persoonlijke bevinding van onze gezegende Heere in die Psalmen waarin Hij spreekt. Zij waren als het ware door de Heilige Geest voor Hem vervaardigd voordat Hij in een tijdelijke staat kwam. Zij waren niet alleen profetisch over Zijn lijden ten bate van Zijn gemeente, maar ook de geestelijke uiting van Zijn eigen heilige ziel in de dagen van Zijn vlees.*
Deze persoonlijke bevinding van onze gezegende Heere vormt nog een zeer noodzakelijke bevoegdheid voor Zijn bekleding van het profetische ambt. Zo bezat Hij een tong der geleerden, om te weten met den moede een woord ter rechter tijd te spreken.
* Wanneer wij zeggen dat de bevinding van de Heere Jezus Christus in de Psalmen vervat is, wijzen wij nadrukkelijk de opvatting af dat zij allemaal op Hem betrekking hebben. Dat sommige dat wel hebben, blijkt uit de toepassing ervan op Hem in het Nieuwe Testament en uit Zijn eigen woorden. (Lukas 24:44.) Maar het zou monsterlijk zijn om Psalmen als Psalm 32 en Psalm 51 op Hem te betrekken.
Buiten alle twijfel behoren Psalm 22, Psalm 40, Psalm 69 en Psalm 110 echter aan Hem toe. Als bijvoorbeeld in Psalm 22 Zijn lichamelijk lijden door Zijn eigen lippen beschreven wordt, is het dan niet in volle overeenstemming daarmee te menen dat ook het lijden van Zijn ziel, met andere woorden Zijn innerlijke bevinding, door Hemzelf beschreven wordt? Temeer omdat Hij het eerste vers gebruikte om dat allersmartelijkste lijden uit te drukken, toen de Vader Zijn aangezicht voor Hem verborg. Dit bedoelen wij als wij zeggen dat de Psalmen de bevinding van Christus bevatten.
4. Dit brengt ons bij een andere bevoegdheid van onze gezegende Heere om het profetische ambt te bekleden: Hij had persoonlijke ervaring van verzoeking. Wij hebben al gezien dat het de Vader in de diepten van oneindige wijsheid behaagde als Bode van het verbond Iemand te zenden Die die innige en onuitsprekelijke kennis van Hem bezat die niemand had behalve Zijn eniggeboren Zoon. Zoals Jezus daardoor naar Zijn goddelijke natuur in de hoogste mate bekwaam was om te spreken wat Hij wist en te getuigen wat Hij had gezien, zo behaagde het de Vader dat Hij ook naar Zijn menselijke natuur dergelijke bevoegdheden zou bezitten.
Wij hebben dit al gezien in zijn twee voornaamste kenmerken. Het eerste waren de gaven en genaden van de Heilige Geest, Hem zonder mate geschonken ten bate van anderen. Het tweede was de persoonlijke bevinding die Hij had van elke genade van de Geest. Het eerste maakte Hem tot prediker, het tweede tot gelovige. Door het eerste leefde Hij voor God, door het tweede leefde Hij tot God.
Door het ene brak Hij het brood des levens voor anderen, door het andere had Hij Zelf spijs te eten die de wereld niet kende. Door het eerste waren de woorden die Hij sprak geest en leven voor Zijn gelovige volk. Door het tweede kon Hij zeggen: En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is. (Johannes 8:29.)
Het onderscheid dat wij zo hebben getrokken tussen de gaven en genaden van de Heilige Geest, aan de Heere geschonken voor de uitoefening van Zijn profetische ambt, en de genade waarmee Hij vervuld was als zaak van Zijn eigen persoonlijke bevinding, is misschien niet voor al onze lezers duidelijk. Het verschil lijkt echter duidelijk aangewezen als wij Jesaja 11:2-3 vergelijken met Jesaja 61:1-3.
de Geest der kennis en der vreze des HEEREN wijst duidelijk op een inwendige bevinding van godvrezendheid. Die staat, zoals wij weten, in het woord der waarheid vaak voor de hele som van levende godsvrucht. Maar dat Hij gezalfd was om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen wijst duidelijk op de gaven die Hem geschonken waren om voor God tot Zijn volk te spreken.
Maar als onderdeel van deze persoonlijke bevinding was het voor de Heere nodig om de werkelijkheid en kracht van de verzoeking bevindelijk en gevoelsmatig te kennen. Daarom werd Hij onmiddellijk na Zijn doop, voordat Hij de uitoefening van Zijn profetische ambt begon, geleid. Een van de evangelisten zegt het krachtig: dreef Hem de Geest uit in de woestijn. (Markus 1:12.) Hij werd dus door een machtige drang van de Geest in de woestijn gebracht om daar door de duivel verzocht te worden.
In het verslag en de aard van die verzoekingen gaan wij niet in, hoewel ze ongetwijfeld veel nuttig onderwijs bevatten. Voor ons doel volstaat het de aandacht van onze lezers te vestigen op wat wij de goddelijke verklaring van de apostel erover kunnen noemen: Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. (Hebreeën 2:18; Hebreeën 4:15.)
Het volk van de Heere is voor het grootste deel een zeer beproefd en verzocht volk. Daarom was het nodig dat hun lijdende Hoofd ook beproefd en verzocht werd, opdat Hij in Zijn eigen ziel een persoonlijke, individuele en diepe bevinding zou hebben van de aard en kracht van de verzoeking. Het was niet genoeg dat Hij de verzoeking kende als de alwetende God. Hij moest haar kennen als lijdend mens.
Zo kende Hij armoede doordat Hij arm was en niets had waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen. Zo kende Hij vervolging, verachting en haat doordat Hij door mensen werd veracht en verworpen, en lijden en smart doordat Hij Zelf een man van smarten was en vertrouwd met ziekte. Zo kende Hij ook de verlating door God doordat Zijn Vader Hem verliet in het uur van Zijn hevigste doodsangst. Op dezelfde wijze leerde Hij de kracht en de pijnen van de verzoeking doordat Hij Zelf persoonlijk verzocht werd.
Van Hem geldt dat Hij in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Daarom kan geen enkele verzoeking van buiten of van binnen het kind van God aanvallen waarvan Jezus geen persoonlijke bevinding had. Maar bedenk steeds: zonder zonde, waarvan er in Zijn lichaam noch Zijn ziel enig zaad of enige smet was.
Hier verschilt de genadige Heere van ons. Bij ons komt de verzoeking nooit zonder dat zij zonde aantreft en opwekt. Maar in Hem was er geen zonde om op te wekken, zoals Hij Zelf zei: want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets. (Johannes 14:30.) Die overste is de satan. Hij vond niets zondigs om op in te werken, niets verdorvens om aan te zetten, niets van zijn eigen gebroed om iets in te verwekken en niets brandbaars om te ontsteken.
Alle beelden moeten in wezen onvolledig en van zichzelf onvolmaakt zijn om goddelijke waarheid uit te drukken. Dat geldt zeker voor een waarheid die zo diep verborgen en voor het menselijk verstand onnaspeurlijk is als wat er in de ziel van de heilige Verlosser omging toen de vorst der duisternis Hem verzocht. Toch kunnen wij met dit voorbehoud misschien twee eenvoudige vergelijkingen gebruiken. Zij moeten het verschil duidelijk maken tussen de verzoeking die de heilige ziel van Jezus aanviel en die welke ons verdorven hart aanvalt.
Een woeste zee kan beuken op een zuivere, witte marmeren rots of op een aarden wal. De rots kan zij noch verplaatsen noch bevlekken. Golf na golf wordt teruggeslagen en weggeworpen. Wat voor stromen ook langs haar zijden spoelen, de rots blijft zoals zij was. Het zoute water is niet in haar substantie gedrongen en heeft zich er niet mee vermengd.
Zo wees de zuivere en heilige ziel van Jezus, Die de „Rots van de eeuwen” is, de felste en gemeenste verzoekingen van de satan af. Zij schudde ze van zich, onbewogen en onbevlekt. Hij voelde ze, kende ze en bevond ze, maar vermengde zich er nooit mee, en zij zich niet met Hem.
In de woestijn, op de top van de zeer hoge berg en op de tinne van de tempel schudde Jezus de aanvallen van de verzoeker met heilige rust van Zich af met: Er is geschreven! Niet dat Hij de kracht van de verzoekingen niet voelde, maar de Leeuw uit Juda schudde ze af zoals dauwdruppels van Zijn manen.
Maar wij zijn een aarden wal. Wanneer de zee van de verzoeking daartegen beukt, vermengt zij zich met de oorspronkelijke grond, spoelt stukken weg en stroomt in modderige stromen af, alsof zij in haar wezen binnendrong. Zoals in ons beeld dezelfde zee rots en wal aanvalt, zo vielen dezelfde verzoekingen de Heere en ons aan. Maar wat een verschil in uitwerking!
Hij voelde ze zonder zonde. Wij voelen ze met zonde. Zij vermengden zich niet met Zijn zuivere ziel en bevlekten haar daarom niet. Maar zij vermengen zich wel met ons verdorven hart en verontreinigen het droevig.
Neem nog een ander beeld, van nog bescheidener aard, om het verschil te tonen tussen de uitwerking van de verzoeking bij de Heere en bij ons. Rechts van u staat een gouden vaas met het zuiverste, helderste water. Links staat een aarden kom waarin het water schoon en goed lijkt, maar alleen omdat al het vuil op de bodem is bezonken. Roer beide met dezelfde stok. Het water in de vaas blijft zuiver en helder. Het water in de kom wordt meteen troebel en dik.
Waar komt het verschil vandaan? Niet van de stok die roert. Ook niet geheel van het vat. Het zit in het slijk op de bodem van het water.
Maar zijn onze beelden onvolmaakt en ontoereikend (en dat geven wij volledig toe), richt dan uw ogen, uw gelovige ogen, want zintuig en rede zijn hier nutteloos en erger dan nutteloos, op deze twee punten. Probeer erin door te dringen, al kunt u ze niet bevatten: 1. in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest; 2. doch zonder zonde. In deze twee punten ligt de hele waarheid en het hele geheim van de verzoeking van onze Heere opgesloten.
Wie nog enige uitleg van het geheim wil en vraagt hoe de Heere de verzoeking kon voelen zoals wij, terwijl er in Hem geen zondig beginsel was om zich ermee te vermengen, laat die zichzelf dan vragen of hij nooit verzoeking voelt als hij haar verfoeit. De vurige pijlen van de satan, bijvoorbeeld lasterlijke en ongelovige verzoekingen, dingen die uw ziel verfoeit, bedroeven en benauwen die uw geest niet, die ze haat en verfoeit? Hoe hemelser, geestelijker en heiliger een mens is, des te scherper voelt hij deze „meesterstukken van de hel”.
Dit kan u een flauw begrip geven van de wijze waarop de heilige ziel van de Verlosser de verzoekingen van de satan voelde. Hij voelde ze zeer scherp, naar de maat van Zijn eigen vlekkeloze heiligheid, en toch werd Hij er nooit door besmet.
Maar wij moeten ophouden. Wij zijn wat te ver de zee opgevaren, omdat de wind ons zeil vulde. Toch hopen wij niet van koers te zijn geraakt. Wij hebben met ons oog op Jezus als onze poolster gevolgd wat wij ons voornamen: onze lezers de bevoegdheden voor te houden van onze genadige Heere om dat profetische ambt te vervullen tot heil en zegen van de gemeente van God. Hij nam het op Zich in het eeuwige verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is. (2 Samuël 23:5.)
Tot hiertoe hebben de bevoegdheden van onze gezegende Heere om het ambt van Profeet voor Zijn gemeente te bekleden het onderwerp van onze overdenkingen gevormd. Alle betrekkingen waarin de Heere staat tot Zijn volk als hun verbondshoofd zijn levende bronnen van kracht en troost voor hen. Zij zijn dat precies naar de mate van hun geloof in Hem en van het ontvangen uit Zijn volheid, genade voor genade. (Psalm 87:7; Johannes 1:16; Galaten 2:20.)
Dit geloof wordt gevoed door kennis en werkt door liefde. Hoe wenselijk is het dan dat allen die in Zijn naam geloven met gezalfde ogen duidelijk de sterke grondslag zien en met vertrouwende harten bevindelijk gevoelen waarop hun vertrouwen in Hem gebouwd is: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is. (Jesaja 28:16.)
Ons geloof moet, als het inderdaad het geloof van Gods uitverkorenen is, beproefd worden als door vuur. Wij moeten dus goed letten op twee dingen: 1, de grondslag zelf; 2, het geloof dat op die grondslag staat. Falen in beide zou gevaarlijk zijn, zo niet noodlottig. Wij houden ons nu bezig met de grondslag. Het geloof dat erop bouwt, komt te gelegener tijd aan de orde.
O u die voor de eeuwigheid wilt bouwen maar vaak diep beproefd en bezwaard bent over de vraag of uw geloof werkelijk door de machtige kracht van God in uw hart gewerkt is: let goed op de grondslag. Hoe kan uw geloof sterk zijn als de grondslag zwak is? Hoe kan uw geloof de grondslag stevig omhelzen, tenzij u duidelijk ziet dat die door de hand van God Zelf in Sion gelegd is?
U moet ook voor uzelf weten dat zij als kostelijke hoeksteen en vaste grondslag al het gewicht van uw verzwaarde zonden kan dragen. Zij draagt heel de last van uw voortdurende smarten, heel de druk van uw dagelijkse nood en heel de last van uw ingewikkelde verlegenheden.
Dit is dus de reden waarom wij in al onze eerdere pogingen om de verbondsambten van onze verhoogde Heere uiteen te zetten zo uitvoerig stilstonden bij Zijn bevoegdheden om die te bekleden, tot eer van God en tot zaligheid en heiliging van Zijn volk. Laten wij altijd bedenken dat de heerlijke Persoon van Christus het grote voorwerp van ons geloof is.
Wendt U naar Mij toe—niet naar Mijn ambten—wordt behouden, alle gij einden der aarde! (Jesaja 45:22.) Komt herwaarts tot Mij—tot Mijzelf, tot Mij, de Godmens—allen die vermoeid en belast zijt: dat zijn Zijn genadige woorden. (Mattheüs 11:28.)
Eerst Hijzelf, dan Zijn ambten. Eerst de Zoon van God, dan de Hogepriester over het huis van God. Eerst de Zoon, Die ons gegeven is, dan Hij Die Wonderlijk, Raad heet. Eerst de Sterke God, dan de Vredevorst. (Jesaja 9:5.) Uit Zijn heerlijke Persoon ontlenen Zijn verbondsambten al hun genade en heerlijkheid, al hun schoonheid en zaligheid en al hun geschiktheid voor onze nood en ellende.
Als wij dus geen levend geloof in Zijn Persoon hebben, kunnen wij ook geen levend geloof in Zijn werk hebben. Eerst omhelzen wij Zijn heerlijke Persoon, zoals die door de kracht van God aan onze ziel is geopenbaard als Zijn eniggeboren Zoon. Dan leven wij een leven van geloof op Hem door uit Zijn volheid voorraad van hemelse genade te ontvangen.
Als ons geloof Hem moet omhelzen als de Engel des verbonds (Maleachi 3:1), als de beloofde Profeet naar Wiens woorden wij moeten horen op straffe van eeuwig verderf; als wij ons oor van Hem afkeren en ons hart tegen Hem verharden (Deuteronomium 18:15-19); als alle heiligen die in Zijn hand zijn in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden (Deuteronomium 33:3) en wij behoren tot dat bevoorrechte getal, dan kunnen wij zeker niet te goed gegrond en bevestigd zijn in een geestelijke en bevindelijke kennis.
Die kennis moet eerst Zijn heerlijke Persoon betreffen en dan Zijn verbondsambt als Profeet, waardoor Hij leidt: Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts; Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen. (Spreuken 8:20-21.)
Met dit verlangen om een zekere grondslag voor het geloof te leggen hebben wij tot hiertoe getracht de bevoegdheden van onze genadige Heere aan te tonen, zowel als Zoon van God als Mensenzoon. Hij is de Bode van de Vader, de Openbaarder van Zijn gedachten en wil, de Mond door Wie Hij tot de mensenkinderen spreekt.
i. In opening up this part of our subject, we shall first examine the foundation of these qualifications, which we shall find in great measure identical with that on which his priestly office rests, that is, his glorious Person, as Immanuel, God with us. That he is God, actually and essentially God, as the second Person in the glorious Trinity, is the foundation not only of all his offices—but of everything that he is to the Church of God. Omnipotence, omniscience, omnipresence, all of which are essential attributes of Deity, are needed in him who shall atone as Priest, teach as Prophet, and rule as King.
The Deity of our blessed Lord does not, therefore, rest merely on single texts of Scripture, however numerous or however clear. We bless God for giving us these direct testimonies to strengthen our faith and to defend it against gainsayers; but the indirect are, if possible, stronger still. The Deity of our blessed Lord is so interwoven with the truth of God that could it be torn from it, the whole of revelation must fall to pieces. His blood, his righteousness, his grace and glory, and the whole scheme of salvation as accomplished by him, are so dependent upon his Deity, that without it and separate from it, they have not only no value or validity—but would have no existence—no place in the word, and no place in the heart of the family of God.
View this in connection with his offices. If Jesus were only a man, his blood, as at once Priest and Sacrifice, could not be of sufficient value to put away one sin, much less millions of sins of millions of sinners. If he were only a man, his eye could not see, his ear hear, or his lips instruct, as the Prophet of his Church, thousands of his believing people who are crying and looking to him from all parts for instruction. If he were only a man, how could his shoulders support the weight of sovereignty as King over all things in heaven and in earth? Thus the very foundation of all his offices is his eternal, actual, essential Deity, for without that every other qualification would be utterly ineffectual.
But here again, as in the case of his priestly office, we are met by that blessed and glorious truth of his real, proper, and eternal Sonship. This is as necessary a qualification for his office as Prophet as his eternal Deity; and, in fact, is intimately and indissolubly connected with it. When, then, we assert that the true and proper Sonship of our blessed Lord is an essential qualification to his sustaining the office of Prophet to his Church, we do so as a declaration of a grand and important gospel truth.
In our introductory remarks on the nature of the prophetic office, we showed that the fundamental character of a prophet was that he was one who spoke for God. Now, this is just the character that our blessed Lord sustains to the Church as the Son of the Father in truth and love. He speaks for the Father to the Church; for the Father speaks in and by him. Twice did the Father speak with express voice from heaven, “This is my beloved Son, in whom I am well pleased,” and added on the holy mount, “Hear him.” (Matt. 3:17; 17:5.) The peculiar grace and glory of the Christian dispensation, its eminent and distinctive feature, is that in it God speaks in and by his dear Son. How clearly and beautifully is this declared by the Apostle in the opening chapter of the Epistle to the Hebrews—“In the past God spoke to our forefathers through the prophets at many times and in various ways, but in these last days he has spoken to us by his Son, whom he appointed heir of all things, and through whom he made the universe. The Son is the radiance of God’s glory and the exact representation of his being, sustaining all things by his powerful word. After he had provided purification for sins, he sat down at the right hand of the Majesty in heaven. So he became as much superior to the angels as the name he has inherited is superior to theirs.” (Heb. 1:1-4.)
When we have a view by faith of the Son of God as the brightness of the Father’s glory and the express image of his person, well may we feel and say—Who so proper, who so suited to speak for the Father as his own Son, who had forever lain in his bosom? Who so perfectly and intimately acquainted with the Father’s will, who so able to reveal that will to the sons of men? In whom can we find love and power so blended; such zeal for the glory of God, such pity for the children of men; such majesty and such mercy; such infinite purity, yet such unspeakable condescension; such a representative of God, such a messenger for man! He and the Father are one—one in essence, one in will, though in Person distinct. To be one with the Father in essence, yet distinct from the Father in Person, is the peculiar character of his eternal relationship to him as his only-begotten Son.
The Word is his title as a Person in the Godhead, “For the Word was God.” But why is he the Word? Because God speaks in him and by him. But why does the Father speak in and by him? Because he is his Son. Who is so fit for the Father to speak by as his own Son; or, who is so fit to speak for the Father? Out of the Son, the Father can neither be seen, nor heard, nor known. God is in himself essentially invisible, for he dwells in the light which no man can approach unto, whom no man has seen or can see. But he has been pleased to reveal himself in the Person of his dear Son. Thus in seeing him we see the Father, as he told Philip; (John 14:9;) and in beholding his glory, the glory as of the only-begotten of the Father, full of grace and truth, we view the glory of God in the face of Jesus Christ. (John 1:14; 2 Cor. 4:6.)
In a similar way we cannot hear directly and immediately the voice of God. When that voice spoke on Sinai’s blazing top, all the people that were in the camp trembled; yes, the whole mount itself quaked greatly; for so fearful was that voice that those who heard it entreated that the word should not be spoken to them any more; and so terrible was the sight that even Moses, the man of God, and the typical mediator, said, “I exceedingly fear and quake.” (Heb. 12:1921.) As, then, we cannot see God but as revealing himself in his Son, so we cannot hear God—but as speaking in his Son. This was John the Baptist’s witness of him. “No man has seen God at any time; the only-begotten Son, who is in the bosom of the Father, he has declared him.” (John 1:18.) As coming from the bosom of the Father, how qualified was he to speak of him and for him, as John so plainly testified—“He has come from above and is greater than anyone else. I am of the earth, and my understanding is limited to the things of earth, but he has come from heaven. He tells what he has seen and heard, but how few believe what he tells them! Those who believe him discover that God is true. For he is sent by God. He speaks God’s words, for God’s Spirit is upon him without measure or limit.” (John 3:31-34.)
In our next topic we shall hope, with God’s help and blessing, to enter still further on the qualifications of the Lord Jesus Christ to sustain the office of Prophet to the Church of God.
In all his works and in all his ways, whether in creation, in providence, or in grace, the infinite wisdom of the great and glorious Sovereign of heaven and earth shines forth with conspicuous luster. It is true that in consequence of the darkness, unbelief, and infidelity of the human mind, as sunk and debased by the fall, this wisdom is for the most part hidden from the eyes of men; but when, under the teaching and testimony of the blessed Spirit, we are brought to see light in God’s light, then this infinite and unspeakable wisdom begins to open itself to our admiring view. As taught by the Spirit to see in creation his wonderworking hand, we can join with David in saying, “O Lord, how manifold are your works! in wisdom have you made then all. The earth is full of your riches.” (Psalm 104:24.) As favored to trace his providential hand, we can look back upon all the way by which he has led us these many years in the wilderness, and see wisdom and mercy stamped upon every step.
But whatever view we may obtain by faith of the only wise God as working in the wonders of creation, or as ruling in the complicated affairs of providence, it is in the domain of grace that his wisdom is more especially discovered to a believing heart; for as the gospel is the grand final revelation of his mind and will in the salvation of his people, it is the greatest display of the wisdom of God that could be afforded to his intelligent creatures, whether redeemed men, or admiring, adoring angels. A sense of this made the Apostle say, “We do, however, speak a message of wisdom among the mature, but not the wisdom of this age or of the rulers of this age, who are coming to nothing. No, we speak of God’s secret wisdom, a wisdom that has been hidden and that God destined for our glory before time began.” (1 Cor. 2:6, 7.) This, on another occasion, made him stand as if on the brink of holy wonder and admiring awe, with the cry in his heart and mouth, “O the depth of the riches both of the wisdom and knowledge of God! How unsearchable are his judgments, and his ways ast finding out!” (Rom. 11:33.)
The angels, therefore, themselves, those bright and glorious beings who always behold the face of the God and Father of the Lord Jesus in heaven, derive their deepest lessons of instruction into the wisdom of God from contemplating his gracious dealings with his people—“His intent was that now, through the church, the manifold wisdom of God should be made known to the rulers and authorities in the heavenly realms, according to his eternal purpose which he accomplished in Christ Jesus our Lord.” (Eph. 3:10, 11.) This manifestation of the wisdom of God to angelic intelligences by means of the Church was typically represented to the Old Testament saints by the two cherubim of beaten gold who covered the mercy seat with their wings, and turned their faces towards it, as if seeking ever to penetrate into the divine mystery of mercy and grace for guilty man through the incarnation of the Son of God; as the Apostle speaks, “Which things the angels desire to look into.” (1 Pet. 1:12.) The Lord Jesus Christ, therefore, in his Person and work, as the Mediator between God and men, in all the offices that he sustains, in all the riches of his grace, and all the fullness of his glory, is “the wisdom of God,” as well as “the power of God;” (1 Cor. 1:24;) for “in him are hidden all the treasures of wisdom and knowledge.” (Col. 2:3.)
But as these treasures are hidden from the wise and prudent and revealed only to babes, (Matt. 11:25,) he himself is “of God made unto us wisdom,” (1 Cor. 1:30,) that by sitting at his feet and hearing his words; (Luke 10:39;) by taking his yoke upon us and learning of him; (Matt. 11:29;) by union and communion with him as living members of his mystical body; (Eph. 5:30;) by being joined to him as one spirit with him; (1 Cor. 6:17;) by drinking into his mind; (1 Cor. 2:16;) by beholding with open face as in a glass his glory, and being changed into the same image from glory to glory, even as by the Spirit of the Lord, (2 Cor. 3:18,) we may possess in him, and derive from him that wellspring of wisdom which shall be in us as a flowing brook. (Prov. 18:4.)
The bearing of these remarks on the wisdom of God, as displayed in the Person and work of Christ, may perhaps not be immediately obvious, but they have been dropped by us in connection with that part of our subject which is still before us, that is, the qualifications possessed by the Lord Jesus for the fulfillment of his office as Prophet to his people.
If, then, the blessed Lord is “the wisdom of God,” this wisdom will shine forth, not only in the constitution of his glorious Person as Immanuel, God with us, but in every one of his covenant offices. Not only as Priest and King but as Prophet he shines forth in the glory of the Father. Infinite wisdom, infinite love, and infinite power—the wisdom of God the Father, the love of God the Son, and the power of God the Holy Spirit, all combined in the Person and work of Immanuel to glorify the Father, to exalt the Son, and to save the Church. To understand, to believe, to love, to revere, and adore the heavenly mystery of this wisdom, love, and power—to realize it in sweet experience, and to be filled with all the blessed fruits which spring out of it for time and for eternity, will be our highest wisdom and richest mercy.
With the desire, then, to look into some of these depths of wisdom, love, and power, let us now resume our subject—the qualifications of Jesus to sustain the prophetical office for the glory of God and the good of his people.
We have previously dwelt chiefly upon those qualifications which he possesses as a divine Person in the glorious Trinity, antecedent to and irrespective of man, viewed as fallen or unfallen. These were two—1. His eternal Deity; 2. His true and proper Sonship. Both of those, we have seen, were necessary to qualify him to speak for God as his mouth. He was “the Word,” who “in the beginning was with God;” who alone had seen the Father; (John 6:46;) who knew the Father as the Father know him; (John 10:15;) who came forth from the Father; (John 16:28;) the only begotten Son who is in the bosom of the Father; (John 1:18;) and who revealed what he had seen and heard that he testified. (John 3:32.) It is very strengthening to faith to have a view of these qualifications of the blessed Lord to testify of the Father. We want certainties, the fullest evidence, the clearest assurance, that what Jesus has declared of the Father he knew, not by inspiration, as the prophets, but by actual personal sight and knowledge; that he came from the bosom of the Father; that he was “ever by him as one brought up with him, and daily his delight, rejoicing always before him.” (Prov. 8:30.) What a repose is this for faith, that it can rest with implicit confidence on all that Jesus has testified of the Father as alone knowing him, and yet graciously revealing him to the sons of men. In the things which concern our everlasting peace, in the solemn matters of eternity, where our soul’s comfort and joy, not to say its eternal salvation, are at stake, how needful it is to have a foundation on which faith can firmly build and stand secure amid all the storms of temptation, waves of affliction, and the foaming billows of unbelief and infidelity, urged on by the breath of Satan.
Believer, your faith has to rest upon and deal with the words of Jesus Christ, for he has “the words of eternal life.” Your faith, if it has not already been, will have to be tried with fire. Look well, then, to the foundation, and see that it is firm and good. We shall have, with God’s help and blessing, to dwell more fully upon this part of our subject when we come to see how our Lord’s prophetical office bears upon a believer’s experience; but we wish to impress upon the mind of our readers the necessity as well as the blessedness of having true and believing views of the qualifications of our Lord to speak in the name of the Father, as “the brightness of his glory and the express image of his Person,” before the foundations of the earth were laid, or the dayspring knew its place.
But now we come to those qualifications which are more immediately connected with his pure HUMANITY; and these we shall find as necessary as those which are based upon his eternal Deity and Sonship.
1. It is his being man as well as God that makes him fit to be a Mediator—“for there is one God, and one Mediator between God and men, the man Christ Jesus.” (1 Tim. 2:5.) It is his being “the man Christ Jesus,” as well as God the Son, which makes him capable of being the arbitrator or “umpire,” (margin,) for whom Job longed, (Job 9:33,) that can lay his hand upon us both. As God, Jesus could speak to God for man; as man, he could speak to man for God. High as the highest, he became low as the lowest; equal with the Father in his divine nature—he became equal with man in his human nature. The Prophet of whom Moses spoke was to be “from the midst of the children of Israel, of their brethren.” “The Lord your God will raise up unto you a Prophet from the midst of you, of your brethren;” and again “I will raise them up a Prophet from among their brethren, like unto you, and will put my words in his mouth; and he shall speak unto them all that I shall command him.” (Deut. 18:18.)
The promised Prophet was to be raised up from the midst of, and from “among the brethren,” for he was to be of the seed of the woman, (Gen. 3:15,) and of the seed of David according to the flesh. (Rom. 1:3.) To be a brother he must assume their nature, as the Apostle declares—“Forasmuch then as the children are partakers of flesh and blood, he also himself likewise took part of the same;” (Heb. 2:14;) and again—“We all know that Jesus came to help the descendants of Abraham, not to help the angels. Therefore, it was necessary for Jesus to be in every respect like us, his brothers and sisters, so that he could be our merciful and faithful High Priest before God. He then could offer a sacrifice that would take away the sins of the people.” (Heb. 2:16, 17.) This qualified him to say, “I will declare your name unto my brethren; in the midst of the Church will I sing praise unto you.” (Heb. 2:12.) His qualification as man to sustain the office of a Prophet was as needful as his qualification as God. To save man God became man. To teach his brethren the Son of God became their brother. This pure and perfect humanity he assumed in the womb of the Virgin, and the Holy Spirit, under whose divine and supernatural operation and overshadowing this human nature was conceived, filled it, at the very instant of its conception, with every grace, making it a holy temple in which all the fullness of the Godhead dwelt bodily.
2. But though this human nature of our blessed Lord was in the instant of its conception sanctified and filled with all heavenly grace, yet was it capable of both natural and spiritual growth, and a further increase of the gifts and graces of the Holy Spirit. We therefore read of Jesus in his earliest years, that “the child grew, and waxed strong in spirit, filled with wisdom, and the grace of God was upon him.” (Luke 2:40.) The growth spoken of there refers to his body, as he is said elsewhere to have “increased in stature,” (verse 52,) growing as we grow from childhood to youth and manhood, but without any of those drawbacks of sickness and infantile complaints to which we are subject, from which he was perfectly free, as having no taint of disease or seeds of mortality in his pure and holy frame. His being said to “wax strong in spirit” refers to his being more and more filled in his soul with strength and wisdom, from more continual accessions of the power and unction of the Holy Spirit. No new grace was imparted to his soul, as no new member was added to his body; but as his pure human soul, like our own, expanded and grew with his bodily growth, so was it more and more filled with the Holy Spirit. The divine nature was not to our blessed Lord in the place of a soul. The two natures were essentially distinct, and though mysteriously united in the Person of the God-man, there was, as the Athanasian Creed has well expressed it, no “confusion of substance” from their intermixture, which would have been the case had his essential Deity been as a soul to animate his body.
And if it be asked why the human soul of Jesus needed the gifts and graces of the Holy Spirit, as it was holy, harmless, undefiled, and separate from sin and sinners from the moment of his conception, we answer, that without these gifts and graces of the Holy Spirit it would not have been consecrated to the service of God, nor could it have lived unto him and for him according to the full measure of its capacity. The whole of his human nature, body and soul, would still have been “a holy thing;” (Luke 1:35;) but as the body without natural growth would have ever remained a babe, so would his soul not have grown up into all its fullness of wisdom and grace unless the same blessed Spirit who had formed and sanctified it in the womb had continually replenished it with heavenly treasure. This is beautifully unfolded in the words of the prophet—“Out of the stump of David’s family will grow a shoot—yes, a new Branch bearing fruit from the old root. And the Spirit of the Lord will rest on him—the Spirit of wisdom and understanding, the Spirit of counsel and might, the Spirit of knowledge and the fear of the Lord. He will delight in obeying the Lord. He will never judge by appearance, false evidence, or hearsay.” (Isa. 11:1-3.) By the inhabitation of the Holy Spirit the human nature of our blessed Lord became a holy temple, consecrated to the service of God, replenished with every grace, and qualified not only to do and suffer the whole will of the Father, but to sustain every covenant office.
3. But it was more particularly at his baptism when the Spirit of God descended from heaven in a bodily shape like a dove, and rested on him, when the Father proclaimed with an audible voice from heaven, “This is my beloved Son, in whom I am well pleased,” that he was consecrated to the active service of his heavenly Father. This corresponded to the anointing of the prophets of old to their prophetical office, as Elijah was commanded to anoint Elisha to be prophet in his room. (1 Kings 19:16.) Then the Father sealed him, (John 6:27,) bore witness of him, (John 8:18,) testified to his Sonship, gave him the Spirit without measure, (John 3:34,) and bade us hear him. Then the Holy Spirit, as John the Baptist saw, descended from heaven and abode upon him; (John 1:32, 33;) and by this visible descent and perpetual abiding on him anointed him in a more especial manner with all those divine gifts and graces whereby he was qualified to fulfill his mission as the Messenger of the covenant in the most perfect and complete manner for the glory of God and the good of his people.
We may thus draw a distinction between those graces of the Holy Spirit whereby he was anointed with the oil of gladness above his fellows, (Psalm 45:7; Heb. 1:9,) and that special communication of heavenly graces and gifts whereby he was peculiarly set apart and qualified to finish the work which the Father gave him to do. Our blessed Lord lived a life of faith upon his heavenly Father. The actings of this faith in all its diversified phases may be clearly seen portrayed to our view in those Psalms which beyond all controversy contain the experience of Jesus in the days of his flesh. There is not a grace or fruit of the Holy Spirit possessed by his people in measure—which the Lord did not possess without measure. And these, it must be borne in mind, were active graces, drawn out and called into continual exercise by the same Holy Spirit who had communicated them.
As read with an enlightened eye, the Psalms wherein our Lord speaks show all these graces in constant and active exercise. Faith in all its actings, hope in all its anchorings, love in all its flowings, patience in all its endurings, humility in all its submittings, prayer in all its supplicatings, praise in all its adorings, obedience in all its yieldings, zeal in all its burnings, devotedness in all its self-sacrificings, holiness in all its flame, and worship in all its fervor—all, all those graces and fruits of the Holy Spirit may be seen shining forth as with beams of heavenly light in the personal experience of our blessed Lord in those Psalms in which he speaks. They were, as it were, framed for him by the Holy Spirit before he came into a time state, that they might be not only prophetical of his sufferings for the benefit of his Church, but be the spiritual utterance of his own holy soul in the days of his flesh.* This personal experience of our blessed Lord forms another and most necessary qualification for his sustaining the prophetical office. He thus possessed the tongue of the learned, that he should know how to speak a word in season to him that is weary.
* When we speak thus of the experience of the Lord Jesus Christ being contained in the Psalms, we would strictly disclaim the view that all of them refer to him. That some do is evident from their being applied to him in the New Testament, and from his own words; (Luke 24:44;) but it would be monstrous to refer such Psalms as 32 and 51 to him. Beyond all controversy, however, Psalm 22, 40, 69, and 110 belong to him; and if, in Psalm 22 for instance, his bodily sufferings are described by his own lips, is it not in full harmony with this to consider the sufferings of his soul, in other words, his inward experience, similarly described by himself; more especially as he used the first verse to express that most dolorous of all his sufferings when the Father hid his face from him? This is what we mean when we say that the Psalms contain the experience of Christ.
4. But this leads us to another qualification of our blessed Lord to sustain the prophetical office—that he had a personal experience of temptation. We have already seen that, in the depths of infinite wisdom, it pleased the Father to send as a messenger of the covenant one who had that intimate and ineffable knowledge of himself which none possessed but his only-begotten Son. Now as thus in his divine nature Jesus was thereby qualified in the highest degree to speak that which he knew, and to testify that which he had seen, so it pleased the father that in his human nature he should possess similar qualifications. We have already seen this under its two most principal features—1. The gifts and graces of the Holy Spirit bestowed upon him without measure for the benefit of others; 2. The personal experience which he possessed of every grace of the Spirit. The former made him a preacher, the latter made him a believer; by the first he lived for God, by the second he lived to God; by the one he broke the bread of life to others, by the other he had himself food to eat the world knew not of; by the first the words that he spoke were spirit and life to his believing people, by the second he could say, “And he who sent me is with me. The Father has not left me alone; for I do always those things that please him.” (John 8:29.) The distinction that we have thus drawn between the gifts and graces of the Holy Spirit bestowed upon the Lord for the exercise of his prophetical office and the grace with which he was filled as a matter of his own personal experience, may not be obvious to all our readers, but the difference seems clearly pointed out by comparing Isa. 11:2, 3 with Isa. 61:1-3—“The Spirit of knowledge and of the fear of the Lord, making him of quick understanding in the fear of the Lord,” evidently points to an inward experience of godly fear which we know in the word of truth often stands for the whole sum of vital godliness; but his being anointed “to preach good tidings unto the meek” evidently points to the gifts conferred upon him to speak for God to his people.
But as a part of this personal experience, it was needful for the Lord to know experimentally and feelingly the reality and power of temptation. Immediately, therefore, after his baptism, before he entered on the discharge of his prophetical office, he was led, or as one of the evangelists forcibly expresses it, “driven,” (Mark 1:12,) that is, carried by a mighty impulse of the Spirit, into the wilderness, there to be tempted of the devil. Into the record and nature of those temptations we shall not enter, though doubtless much profitable instruction is contained in them. It will be sufficient for our present purpose to direct the attention of our readers to what we may call the Apostle’s divine commentary upon them—“For in that he himself has suffered being tempted, he is able to support those who are tempted.” “For we have not a High Priest which cannot be touched with the feeling of our infirmities—but was in all points tempted like as we are, yet without sin.” (Heb. 2:18; 4:15.)
The Lord’s people are, for the most part, a very tried and tempted people. It was therefore needful that their suffering Head should be tried and tempted too, that in his own soul he might have a personal, individual, and deep experience of the nature and power of temptation. It was not sufficient that he should know temptation as the omniscient God; he must know it as suffering man. As he knew poverty by being poor, not having a place to lay his head; persecution, contempt, and hatred by being despised and rejected of men; suffering and sorrow by being himself a man of sorrows and acquainted with grief; desertion of God by his Father forsaking him in the hour of his most dolorous agony—so he learned the power and pangs of temptation by being himself personally tempted. He “was in all points tempted like as we are,” so that not a single temptation from without or from within can assail the child of God of which Jesus had not a personal experience; yet be it ever borne in mind, “without sin,” of which there was no seed or taint in either body or soul. Here the gracious Lord differs from us. Temptation never comes to us without meeting with and stirring up sin; but in him there was no sin to stir up, as he said himself—“The prince of this world (Satan) comes, and has nothing in me,” (John 14:30,)—nothing sinful to work upon, nothing corrupt to incite, nothing of his own spawn to beget upon, nothing combustible to inflame.
All figures must be essentially incomplete and inherently imperfect to set forth divine truth, and especially one so deeply mysterious and inscrutable by the human intellect as what passed in the soul of the holy Redeemer as tempted by the prince of darkness; but we may perhaps, with this reservation, employ two simple comparisons to illustrate the difference between temptation assailing the holy soul of Jesus and temptation assailing our corrupt heart.
A raging sea may beat against a pure, white marble rock, or against a bank of earth. The former it can neither move nor sully; wave after wave is repelled and dashed off; whatever streams may lave its sides, the rock remains as before; the salt water has not penetrated its substance or mingled itself with it. So the pure and holy soul of Jesus, of him who is the “Rock of Ages,” repelled and shook off, unmoved and unsullied, the fiercest, foulest temptations of Satan—felt them, knew them, experienced them, but never mingled with them, nor they with it. In the wilderness, on the top of the exceeding high mountain, on the pinnacle of the temple, with what holy calmness did Jesus shake off the assaults of the tempter, with “It is written!” Not that he did not feel the power of the temptations, but the Lion of Judah shook them off as the dew-drops from his mane. But we are a bank of earth, against, which, when the sea of temptation beats, it mixes with the native soil, washes off pieces, and runs off in muddy streams, as entering into its very substance. As in our figure the same sea assails rock and bank, so the same temptations assailed the Lord and us; but how different their effect! He felt them without sin; we feel them with sin. They mingled not with his pure soul, and therefore defiled it not; but they do mix with our corrupt heart, and sadly pollute it.
But take another figure, of a still humbler character, to illustrate the difference between the effect of temptation in the Lord’s case and ours. On your right hand is a golden vase filled with the purest, clearest water; on the left is an earthenware vessel in which the water looks clean and good, but for this reason only, that all the dirt has subsided to the bottom. Stir both with the same stick. The water in the vase is still pure and clean; the water in the bowl is at once turbid and thick. Whence the difference? Not in the stick that stirs; not altogether in the receptacle; but in the mud at the bottom of the water. But if our figures are imperfect and inadequate (and we fully admit that they are so), yet fix your eyes—your believing eyes—for sense and reason are useless and worse than useless here, on these two points, and seek to enter into them, though unable to comprehend them—1. “In all points tempted like as we are;” 2. “Yet without sin.” In these two points the whole truth and the whole mystery of our Lord’s temptation are locked up and contained.
But if any, still wanting some explanation of the mystery, should inquire how the Lord could feel temptation as we do if there was no sinful principle in him to mingle with it, let him ask himself if he never feels temptation when he abhors it? The fiery darts of Satan, as, for instance, blasphemous and infidel temptations, things that your very soul abhors, do not these grieve and distress your spirit, which hates and abhors them? The more heavenly-minded, spiritual, and holy a man be, the more acutely he feels these “masterpieces of hell.” This then may give you a faint conception of the way in which the holy soul of the Redeemer felt, most acutely felt, felt in proportion to his own spotless holiness, the temptations of Satan, yet was never tainted by them.
But we must pause. We have rather run out to sea, as the wind filled our sail; still, we trust we have not gone out of our course if, fixing our eye on Jesus as our polar-star, we have followed up our intention to lay before our readers the qualifications of our gracious Lord to fulfill that prophetical office for the benefit and blessing of the Church of God which he undertook in the everlasting covenant ordered in all things and sure.
Thus far the qualifications of our blessed Lord to sustain the office of Prophet to his Church have formed the subject of our Meditations. As all the relationships which the Lord bears to his people, as their covenant Head, are living springs of strength and consolation to them in exact proportion to their faith in him and to their receiving of his fullness grace for grace; (Psalm 87:7; John 1:16; Gal. 2:20;) and as this faith is fed by knowledge, and works by love, how desirable it is that all who believe in his name should clearly see with anointed eyes, and experimentally feel with confiding hearts, the strong foundation on which their trust in him is built. “Behold, I lay in Zion for a foundation a stone, a tried stone, a precious corner stone, a sure foundation.” (Isa. 28:16.) Our faith, if indeed it be the faith of God’s elect, has to be tried as by fire. We need then look well to two things—1, the foundation itself; 2, the faith which stands on that foundation. Failure in either would be perilous, if not fatal. We are at present engaged with the foundation; the faith which builds upon it will, in due course, come under our notice.
O you, then, who would build for eternity, but are often deeply tried and exercised about your faith whether it be indeed wrought in your heart by the mighty power of God, look well to the foundation. How can your faith be strong if the foundation be weak? Or how can your faith firmly embrace the foundation, unless you clearly see it as laid by the hand of God himself in Zion, and know for yourself that, as a precious corner-stone, a sure foundation, it is able to bear all the weight of your aggravated sins, all the burden of your continual sorrows, all the pressure of your daily needs, all the load of your complicated perplexities? This is the reason, then, why in all our previous attempts to set forth the covenant offices of our exalted Lord, we have dwelt so much on his qualifications to sustain them for the glory of God and the salvation and sanctification of his people. Let us ever bear in mind that the glorious Person of Christ is the grand object of our faith. “Look unto me,”—not my offices—“and be saved—all the ends of the earth;” (Isa. 45:22;) “Come unto me,”—to myself, to me, the God-man, “all you that labor and are heavy laden,” (Matt. 11:28,) are his gracious words. First himself, then his offices; first the Son of God, then the High Priest over the house of God; first the Son given, then the Wonderful Counselor; first the mighty God, then the Prince of Peace. (Isa. 9:6.) From his glorious Person, his covenant offices derive all their grace and glory, all their beauty and blessedness, all their suitability to our wants and woes.
Unless, then, we have a living faith in his Person, we cannot have a living faith in his work. We first embrace his glorious Person, as revealed to our soul by the power of God as his only-begotten Son, and then, by receiving out of his fullness supplies of heavenly grace, live a life of faith upon him. If, then, our faith has to embrace him as “the Messenger of the covenant,” (Mal. 3:1,) as the promised Prophet, to whose words we are to hearken, under penalty of eternal ruin; if we turn away our ear from him and harden our heart against him; (Deut. 18:15-19;) if all the saints who are in his hand “sit down at his feet and receive of his words,” (Deut. 33:3,)—and we are among that favored number, surely we cannot be too well grounded and established in a spiritual and experimental knowledge, first of his glorious Person, and then of his covenant office as Prophet, whereby he leads in the way of righteousness, in the midst of the paths of judgment; that he may cause those who love him to inherit substance, and he will fill their treasures. (Prov. 8:20, 21.)
In pursuance, then, of this desire to lay a sure foundation for faith, we have thus far endeavored to show the qualifications of our gracious Lord—both as the Son of God and as the Son of man—to be the Messenger of the Father, the Revealer of his mind and will, the Mouth by which he speaks to the sons of men.