Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Onze grote Hogepriester — B: Zijn medegevoel en medelijden

Philpot laat zien dat Christus als Hogepriester meeleeft met Zijn volk omdat Hij zelf geleden heeft en verzocht is. Hij beschrijft het tijdelijke en geestelijke leed dat Christus ondervond en de troost die daaruit voortvloeit.

Wij hebben geprobeerd te laten zien wat de aard en de kracht is van de voorbede van Jezus aan de rechterhand van de Vader. Ook hebben wij getoond hoe barmhartig en genadig die voorbede past bij onze nood als mensen die beladen zijn met talloze zonden en gebukt gaan onder ontelbare zwakheden. Nu komen wij toe aan de overweging van de gezegende Heere als onze meest medelijdende en meevoelende Hogepriester in de hemelse hoven. Medegevoel en medelijden zijn noodzakelijke eigenschappen van een hogepriester als bekleder van het ambt van middelaar.

Een priester veronderstelt een offer. Een offer veronderstelt een zondaar. Een zondaar veronderstelt een schuldige en beladen ellendeling die de toorn van God terecht verdient en daarom in een zeer erbarmelijke toestand verkeert. Voor zo iemand brengt de hogepriester een offer om daardoor vergeving van zijn zonden te verkrijgen. Hij moet daarom medelijden hebben met deze schuldige zondaar. Als iemand die met hem meevoelt kan hij dan gebed en smeking voor hem opzenden zodat het offer voor zijn zonden wordt aangenomen. De apostel zegt dan ook:

Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden; Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is; En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, alzo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden. (Hebreeën 5:1-3)

Hierin verschilde de hogepriester onder de wet van de gezegende Heere. Hij was zelf een zondaar en moest dus zowel voor zijn eigen zonden als voor de zonden van het volk een offer brengen. Dit offer voor zijn eigen zonden wees op twee dingen. Als zondaar had hij zelf een verzoenend offer nodig. En het herinnerde hem eraan dat hij ondanks zijn ambt in werkelijkheid niet beter was dan de zondaar voor wie hij offerde.

Doordat hem zijn eigen zondigheid zo levendig en duidelijk voor ogen werd gesteld, leerde hij medelijden te hebben met zijn medezondaars. Dat gold vooral voor hen die uit onwetendheid hadden gezondigd en door afval of zwakheid „dwaalden”. Voor vermetele zondaars was er immers geen offer voorzien (Numeri 15:27-31).

Onze gezegende Heere zou als de grote Hogepriester over het huis van God dus niet bij ons gepast hebben, omringd als wij zijn met zwakheden, als Hij geen medelijden met ons kon hebben en niet kon meeleven met onze moeiten en verdriet. Het is waar dat Hij als volkomen vrij van zonde, naar lichaam en ziel, geen offer voor Zichzelf hoefde te brengen. Maar als de meest liefdevolle en tedere Hogepriester kon Hij medelijden hebben met de zondaar zonder deel te hebben aan de zonden van die zondaar.

Maar dat was nog niet alles. Al in de eeuwigheid, voordat Hij Zich voor Zijn volk gaf, had Hij met hen te doen. Ook lezen wij dat Hij in de dagen van Zijn vlees, los van uitverkiezende liefde of zaligmakende genade, medelijden had met de hongerige menigte. Om een barmhartige en medelijdende Hogepriester te worden moest Hij echter op een heel andere wijze leren meeleven met Zijn volk. In de wonderlijke diepten van de wijsheid en genade van God leerde Hij met ons mee te leven in onze verdrukkingen doordat Hij ze persoonlijk ervoer. Dit is de verklaring van de apostel:

Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. (Hebreeën 4:15)

En wat een bemoedigende conclusie trekt hij uit dit gezegende gezicht op het medelijden van ons eens lijdende Hoofd:

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. (Hebreeën 4:16)

In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien hoe nauw en innig de twee hoofdtakken van het priesterambt van onze Heere met elkaar verbonden zijn. Het zijn het offer dat Hij in de dagen van Zijn vlees op aarde bracht en Zijn voorbede in de hemel nu. Zo is er ook een soortgelijk verband tussen wat Hij hier beneden zelf aan lijden en verzoeking heeft ondervonden en Zijn medegevoel nu daarboven met Zijn verzochte en lijdende volk in de woestijn.

Wij moeten echter niet denken dat Hij dit lijden alleen kon kennen doordat Hij het zelf onderging. Als almachtige God in Zijn goddelijke natuur weet de Heere volkomen wat Zijn volk lijdt. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn (Psalm 103:14). In die zin doorzoekt en kent Hij ons. Hij verstaat onze gedachten van verre, omringt ons gaan en ons liggen en is met al onze wegen bekend (Psalm 139:2-3). Als de alziende God die de harten doorzoekt ziet en kent Hij al onze verdrukkingen en smarten zoals Hij alles in hemel en aarde kent.

Maar het lijden zelf kon Hij alleen ondervinden door Zelf een lijdende te worden. Dit is een diep geheim. Het is echter in het woord van de waarheid aan ons geloof geopenbaard en vol gezegende troost voor het verdrukte gezin van God. Daarom benaderen wij het met alle eerbied als een deel van onze overdenkingen.

Het was de eeuwige wil van God dat Zijn dierbare Zoon het vlees en bloed van de kinderen zou aannemen. Hij zou het aannemen zonder zonde maar niet zonder lijden. Het lijden was een deel van de verzoening:

Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen (1 Petrus 3:18).

Onze gezegende Heere was een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Dit was niet alleen zodat Hij ons door deze smarten en krankheid zou verlossen uit de diepten van de val. Het was ook zodat Hij uit eigen bevinding zou leren met ons mee te voelen en met ons mee te leven in onze moeiten en verdrukkingen.

Niemand kan werkelijk meeleven met wie verdrukt wordt, behalve wie door soortgelijk leed gegaan is of er nu doorheen gaat. Net zo goed zouden wij kunnen verwachten dat een ongehuwde vrouw meeleeft met een rouwende weduwe als dat iemand die geen leed kent, meeleeft met wie lijdt. Het woord „sympathie” betekent zelf „met een ander lijden”. Maar hoe kan men met een ander lijden als men het lijden zelf niet kent? Het hoofdbestanddeel van het hele gevoel ontbreekt als bij degene die meeleeft het lijden afwezig is. Opdat onze gezegende Heere dus persoonlijk, gevoelig en uit eigen bevinding zou meeleven met Zijn lijdende volk, was het noodzakelijk dat Hij Zelf leed.

O geheim van alle geheimen! O wonderlijke hoogten en diepten van verlossende liefde! De Zoon van God moest lijden. Niet alleen om te verlossen maar ook om persoonlijk met Zijn lijdende volk mee te voelen en uit eigen bevinding met hen mee te leven! Wij voelen ons onmachtig en ontoereikend om dit heilige onderwerp te ontvouwen. Toch hebben wij het als deel van onze overdenkingen voorgesteld. Laten wij daarom nu dit punt wat nauwkeuriger bekijken. Laten wij zien welk lijden de gezegende Heere doorstond om daardoor te leren meeleven met Zijn verdrukten die van Zijn kelk drinken en met Zijn doop gedoopt worden.

Als wij dit nagaan, kunnen wij het lijden van de Heere als verdienstelijk niet goed scheiden van Zijn lijden dat bedoeld was om Hem medelijden en medegevoel te leren. Al Zijn lijden was immers een deel van Zijn verzoenend offer: door Wiens striemen gij genezen zijt (1 Petrus 2:24). Van Hem staat geschreven: Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. En ook: Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. Van Hem mogen wij zeker ook zeggen dat Hij onze smarten heeft gedragen en ons verdrietigheden op Zich heeft genomen (Jesaja 53:4-5).

Eigenlijk werden door de smarten en het lijden van de gezegende Heere naar de soevereine wil en wijsheid van God meerdere doelen tegelijk bereikt. Vooral de volgende:

1. God werd verheerlijkt. Zo zei de Heere Zelf:

Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt (Johannes 13:31).

Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen (Johannes 17:4).

Door Zijn zachtmoedige verdraagzaamheid in het lijden dat Hem werd opgelegd en door Zijn vrijwillige en geduldige gehoorzaamheid aan de wil van Zijn hemelse Vader heeft Hij God in Zijn hele lijdensleven van de kribbe tot het kruis hoogst verheerlijkt.

2. Het werk van de verlossing werd volkomen volbracht.

3. Hij leerde gehoorzaamheid uit wat Hij heeft geleden (Hebreeën 5:8).

4. Hij liet ons een voorbeeld na opdat wij in Zijn voetstappen zouden treden (1 Petrus 2:21).

5. Hij is volmaakt gemaakt (Hebreeën 5:9). Dat wil zeggen dat Hij door het lijden volkomen toegerust werd voor Zijn hoge ambt als barmhartig en getrouw Hogepriester van wie geschreven staat: in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen (Hebreeën 2:18).

Het laatste punt vraagt nu vooral onze aandacht, omdat wij Hem nu in onze natuur aan de rechterhand van de Vader beschouwen. Het medegevoel en medelijden van de gezegende Heere, zoals Hij die nu in de hemelse hoven betoont, blijken vooral in de volgende omstandigheden:

1. Bij Zijn volk onder verdrukking.

2. Bij Zijn volk onder verzoeking.

1. Het volk van de Heere is zonder uitzondering een verdrukt volk. Dat was al sinds oude tijden hun beloofde kenmerk:

Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen. (Sefanja 3:12)

Hun verdrukkingen verschillen weliswaar sterk in aard, aantal, duur en zwaarte. Maar allen ondervinden de waarheid van de ernstige verklaring dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods (Handelingen 14:22).

1. Zo lijden sommigen in het lichaam. Zij worden gepijnigd door voortdurende pijn of lijden misschien jarenlang aan een zware ziekte. Die verkort hun leven misschien niet veel maar maakt het vaak wel tot een last. Als gezondheid de grootste van de tijdelijke zegeningen is, en dat moet iedereen toegeven, dan moet het gebrek eraan de grootste van alle tijdelijke ellenden zijn.

De gezegende Heere had geen persoonlijke ervaring van ziekte. In Zijn heilige onsterfelijke lichaam waren geen kiemen van ziekte of dood. Maar lichamelijke pijn kende Hij wel. Dat was zo toen Hij op bevel van Pilatus gegeseld werd, toen Hij de doornenkroon droeg, toen de ruwe Romeinse soldaten Hem sloegen en mishandelden en vooral toen Hij aan het kruis werd genageld. Ook wat lichamelijke pijn betreft kan onze genadige Heere dus uit eigen ervaring meeleven met Zijn arme verdrukte gezin dat nog in het vlees is en op zijn ziekbed van pijn wordt gepijnigd.

2. Velen van het volk van de Heere worden ook diep beproefd in de voorzienigheid. Armoede is het dagelijkse kruis van velen van de uitnemenden van de aarde. Maar wat een persoonlijke ervaring van deze scherpe beproeving had hun genadige Heere! Hij had geen beurs of buidel maar werd onderhouden door de bijdragen van de vrouwen die Hem van hun goederen dienden (Lukas 8:3). Had Hij geen honger in de woestijn en bij de onvruchtbare vijgenboom? Had Hij geen dorst bij de put van Samaria en aan het kruis? En zei Hij niet van Zichzelf:

De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge? (Mattheüs 8:20)

Hij is om onzentwil arm geworden zodat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Hij maakte Zichzelf niet alleen geestelijk arm door Zijn goddelijke heerlijkheid af te leggen. Hij maakte Zich ook werkelijk en letterlijk arm door vrijwillig de pijn en druk van lichamelijke armoede te dragen.

3. Anderen van het volk van de Heere ondergaan wrede vervolgingen. Dat is het lot geweest van alle heiligen sinds de dagen van de rechtvaardige Abel en het zal dat blijven tot het einde van de tijden. Want allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. Vuur en brandstapel zijn nu onbekend. De geest van de tijd laat, althans in dit land, geen boete en gevangenisstraf toe en ook niet de andere gewelddaden die onze godvruchtige voorvaderen om het geweten ondergingen. Maar de geseling van de tong wordt nog altijd gehanteerd. Er worden hoofden afgehouwen in plaats van oren en reputaties gebrandmerkt in plaats van voorhoofden.

Maar wat een diepe en persoonlijke ervaring van vervolging had de gezegende Heere vanaf de dag dat Herodes Hem naar het leven stond tot Hij aan het kruis werd genageld! Hoe werd elk woord bewaakt dat van Zijn lippen kwam en elke daad verkeerd uitgelegd! Zijn karakter werd gelasterd als dat van een vraat en een wijndrinker. Er werd schande en verachting over Hem uitgestort. Als hoogtepunt van haat en om Hem, zoals zij dachten, met eeuwige smaad te bedekken, kruisigden zij Hem tussen twee misdadigers.

4. Weer anderen van het volk van de Heere lijden onder het verraad van valse vrienden. Had onze gezegende Heere hiervan geen ervaring in het verraad van Judas, zodat Hij kon zeggen:

Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. (Psalm 41:10)

Wij hoeven echter niet langer stil te staan bij deze tijdelijke verdrukkingen die zovelen van het volk van de Heere neerdrukken en waarin hun genadig Hoofd toch met hen meeleeft. Hij die weende bij het graf van Lazarus had medelijden met de weduwe van Naïn (Lukas 7:13), met de smekende melaatse (Markus 1:41), met de man die van een boze geest bezeten was (Markus 5:19), met de blinden (Mattheüs 20:34) en met de bezweken en verstrooide menigten (Mattheüs 9:36). Zeker heeft Hij dan medelijden en leeft Hij mee met Zijn volk in al hun tijdelijke smarten hoe uiteenlopend ook.

Dit zijn echter, hoe zwaar ook, niet de zwaarste verdrukkingen die de heiligen van de Allerhoogste treffen. Wij richten onze gedachten daarom nu op het geestelijke leed en de geestelijke nood die het hele gezin van God ondervindt. Ook deze verschillen sterk in aantal en zwaarte. Toch wordt elk levend lid van het mystieke lichaam van Christus ze toebedeeld naar de vastgestelde maat. Juist hierin heeft Jezus een bijzonder medegevoel met Zijn verdrukte volk, want als eigen aan het volk van de Heere dronk Hij van deze kelk tot op de bodem. Hij werd gedoopt met deze doop terwijl alle golven en baren over Hem heen rolden.

Welke geestelijke moeiten en smarten het volk van de Heere ook moet doorstaan: hun genadige Heere en Meester leed er veel dieper onder. Geen hart kan dat voelen hoe diep verscheurd ook en geen tong kan het uitdrukken hoe welsprekend ook. Wij zullen enkele van dit GEESTELIJK LEED bekijken en proberen te tonen hoe de gezegende Heere het uit eigen ervaring kende en zo leerde meeleven met Zijn volk onder dit leed.

1. De grootste last van het levende gezin van de Heere is de zonde. Zij is de hoofdoorzaak van al hun zuchten en kermen vanaf de eerste levendmakende adem van de Geest van God in hun hart tot zij hun lichaam in het stof neerleggen. Maar men kan vragen welke ervaring van zonde de gezegende Heere kon hebben, aangezien Hij naar lichaam en ziel volkomen vrij van zonde was. Het is zeker een zeer vaste en gezegende waarheid dat onze genadige Verlosser geen zonde gekend heeft (2 Korinthe 5:21). Hij was een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:19) en heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren (Hebreeën 7:26).

Toch werd de zonde Hem zo toegerekend dat geldt: de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Hij voelde die zonden alsof het Zijn eigene waren. Hij is zonde voor ons gemaakt. Haar schuld en last werden op Zijn heilige hoofd gelegd en werden zo door toerekening de Zijne. Het was alsof Hij de zonden die Hem ten laste werden gelegd, zelf had begaan.

Neem de volgende illustratie. Zie de zonde als een schuld aan de gerechtigheid van God. Als u borg bent voor een ander en hij kan de schuld niet betalen, dan wordt zij de uwe alsof u haar zelf persoonlijk had aangegaan. De wet maakt geen onderscheid tussen zijn schuld en de uwe. De schuldeiser mag zelfs het bed onder u vandaan verkopen om de schuld te betalen alsof u de oorspronkelijke schuldenaar was. Zo nam de gezegende Heere door Borg te worden voor Zijn volk hun zonden op Zich en maakte ze zo tot de Zijne.

Hoe zouden wij anders de uitdrukkingen in de Psalmen kunnen verklaren die duidelijk de taal van Zijn hart en lippen zijn? Bijvoorbeeld deze:

Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten. (Psalm 40:13)

Spreekt de Heere hier niet van Zijn ongerechtigheden die Hem aangrepen zodat Hij onder hun gewicht en last niet kon opzien? En van het feit dat zij talrijker waren dan de haren van Zijn hoofd?

2. Met de last en het gewicht van de zonde komt de toorn van God in het geweten van de zondaar. Dit is het meest benauwende gevoel dat men buiten de hel kan ondervinden. Zo kwam ook de gezegende Heere toen Hij de last en het gewicht van de zonde droeg onder deze toorn. Dit was een ruisenden kuil waarin Hij wegzonk (Psalm 40:3). Het was grondeloze modder, waar men niet kan staan en de diepten der wateren waar de vloed Hem overstroomde (Psalm 69:3). Daarom zei Hij:

Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard. Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten. Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen. Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen. (Psalm 102:4-5 en 102:10-11)

Niemand die het woord van de waarheid met verlichte ogen leest, kan eraan twijfelen dat deze psalmen op de gezegende Heere slaan en dat Hij het is die erin spreekt.

3. Dan is er de vloek van de wet. Die laat zulke luide donderslagen horen en dringt zo diep in het hart en geweten van de wakker geschudde zondaar. Maar onderging Jezus ook dit niet? Zeker deed Hij dat, naar lichaam en ziel, zoals de apostel verklaart:

Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. (Galaten 3:13)

4. Dan zijn er de verbergingen van Gods aangezicht, het zich terugtrekken van Zijn tegenwoordigheid en Zijn verlating van de ziel die zich nog aan Hem vasthoudt en aan Hem blijft kleven. Kan onze genadige Heere hier niet diep meeleven met Zijn volk dat treurt en zucht onder de verbergingen van Gods aangezicht? Was dit niet de laatste bittere druppel uit de lijdenskelk die Hij tot op de bodem dronk? Heeft hemel of aarde ooit zo’n droevige kreet gehoord als toen de geliefde Zoon van God in de doodsstrijd van Zijn gefolterde ziel uitriep:

Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!

Hoe talrijk of zwaar de geestelijke smarten van het volk van de Heere ook zijn: Jezus heeft ze in de dagen van Zijn vlees allemaal ondervonden. Denk aan overtuigingen, lasten, droefheid, benauwdheden, gewetenskwellingen, twijfels, vrees en radeloosheid onder de toorn van God. Denk aan de vloek van de wet, de verbergingen van Zijn aangezicht en het zich onttrekken van het licht van Zijn gelaat. Waar zij ook onder mogen treuren en kermen: Hij, hun gezegende Voorloper, ondervond het in een mate en omvang die elke menselijke voorstelling oneindig te boven gaat.

Welk hart kan zich voorstellen of welke tong kan uitspreken wat de dierbare Verlosser onderging in de hof van Gethsemane? Zijn ziel was bedroefd tot de dood toe. Driemaal bad Hij dat de kelk van Hem mocht voorbijgaan en in Zijn doodsstrijd bad Hij nog ernstiger zodat Zijn zweet werd als grote druppels bloed die op de aarde vielen. Kon Hij niet waarlijk zeggen:

Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de HEERE mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns. (Klaagliederen 1:12)

Een wakker geschudde zondaar die door goddelijke levendmaking wordt aangeraakt, hoeft slechts het gewicht van zijn eigen zonden te dragen. Jezus moest de zonden van miljoenen dragen. Er vallen hooguit enkele druppels van Gods toorn in het geweten van een bevende zondaar en dan nog van een toorn die al is gestild. Maar Jezus moest heel de toorn van God ondergaan die verschuldigd was voor miljoenen vrijgekochte overtreders. Slechts het verre rollen van de donder van de wet klinkt in de ziel van een overtuigde zondaar. Maar de hele storm barstte los op het hoofd van de Borg. In een kleine toorn verbergt God Zijn aangezicht een ogenblik voor Zijn Sion. Maar in grote toorn verborg Hij Zijn aangezicht voor Zijn dierbare Zoon.

Welk geestelijk leed en welke geestelijke nood het verdrukte Sion ook treft, al is zij een door onweder voortgedrevene, ongetrooste, in alles heeft zij een Hoofd dat oneindig veel meer leed dan alle leden samen. Zij vervullen slechts de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus (Kolossenzen 1:24). Maar o, hoe klein is die maat van verdrukking vergeleken met de Zijne!

Het is dus Zijn persoonlijke ervaring van dit geestelijke leed die de gezegende Heere tot zo’n meevoelende Hogepriester maakt aan de rechterhand van God. Hoewel Hij nu verheven is tot de hoogten van de heerlijkheid, kan Hij nog altijd meevoelen met Zijn lijdende heiligen hier beneden. De hof van Gethsemane en het kruis van Golgotha zijn nog steeds in de herinnering van Zijn hart. Heel de tedere deernis en rijke ontferming van Zijn ziel smelt weg naar Zijn verdrukte heiligen. Zijn hart is geraakt van teerheid. Zijn liefde smelt van genegenheid.

Maar de genadige Heere kan ook meeleven met Zijn heiligen in al hun VERZOEKINGEN. Dit is een diep geheim maar niet dieper dan gezegend. Omdat het zwanger is van troost voor de beproefde en verzochte kinderen van God, zullen wij proberen het naar ons beste vermogen te ontvouwen. De Heilige Geest verklaart uitdrukkelijk dat onze gezegende Heere in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebreeën 4:15). Dit moeten wij dus aanvaarden als een zeer plechtige en, door het geloof bezien, zeer gezegende waarheid. Wij mogen de taal van de Heilige Geest niet beperken. Zoals Hij zegt „in alle dingen”, zo moeten wij het ontvangen op het getuigenis van Hem Die niet kan liegen.

Het woord „verzoekingen” heeft in de grondtaal twee betekenissen. Het omvat „beproevingen” evenzeer als „verzoekingen” in eigenlijke zin. Daarom zullen wij de betekenis van het woord uitbreiden en zowel de beproevingen als de verzoekingen van onze Heere bekijken. Het onderscheid ertussen is duidelijk genoeg. Beproevingen kunnen God tot auteur hebben, maar verzoekingen niet. Er staat immers uitdrukkelijk: God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand (Jakobus 1:13). Omdat verzoeking inhoudt dat de zonde aan de geest wordt voorgehouden, zou het God tot Auteur van de zonde maken als men Hem tot Auteur van verzoeking maakte.

Maar men kan vragen: lezen wij niet dat God Abraham verzocht? (Genesis 22:1) Het woord „verzocht” moet daar worden weergegeven als „beproefd”. In het Hebreeuws en het Grieks betekent hetzelfde woord zowel verzoeken als beproeven. God verzocht Abraham niet tot zonde zoals Satan Eva verzocht of David. Hij beproefde hem, zoals de apostel zegt, om te zien of zijn geloof echt was (Hebreeën 11:17).

Zo werd onze gezegende Heere beproefd en wel door God Zelf. Want Hij is een steen, een beproefden steen, door God Zelf gelegd (Jesaja 28:16). Toen de Vader Hem een lichaam bereidde om Zijn wil te doen, werd Hij Gods Knecht zoals er staat:

Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft (Jesaja 42:1).

Als Knecht bewees Hij gehoorzaamheid: gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Filippenzen 2:8). Zijn gehoorzaamheid was een beproefde gehoorzaamheid. God beproefde haar. Mensen beproefden haar. Duivels beproefden haar. Vijanden beproefden haar. Vrienden beproefden haar. Zijn discipelen waren zwak en onwetend. Judas verried Hem. Petrus liet Hem in de steek en verloochende Hem. De schriftgeleerden en farizeeën handelden met list en boosaardigheid. Het volk was ongelovig en trouweloos. Hij was omringd door zonden. Er waren de zondeloze zwakheden van het vlees en bloed dat Hij had aangenomen, zoals honger, dorst en vermoeidheid. Er waren lange reizen, nachtelijke wakes en het dagelijkse schouwspel van ziekte en ellende.

Al dit en duizend andere omstandigheden die ons voorstellingsvermogen te boven gaan, beproefden de gezegende Heere tijdens Zijn verblijf hier beneden.

Maar Hij droeg alles wat Hem werd opgelegd. De reinheid van Zijn menselijke natuur waarin geen kiemen van daadwerkelijke of erfelijke zonde waren, de kracht van Zijn goddelijke natuur waarmee zij verenigd was en de kracht van de Heilige Geest die zonder mate op Hem rustte, werkten allemaal samen om Hem door elke beproeving heen te brengen en Hem de overwinning te geven over elke vijand. Maar door deze beproevingen leerde Hij meeleven met Zijn beproefde volk. Hij kan medelijden hebben met onze zwakheden.

Wij mogen dus vrijmoedig met onze beproevingen tot Hem gaan. Wij mogen ze voor Zijn aangezicht uitspreiden zoals Hizkia de brief van Sanherib in de tempel. Wij mogen de zoete overtuiging voelen dat Hij met ons meeleeft onder onze zware lasten en ze zal verlichten of ons eronder zal ondersteunen. Als zij niet worden weggenomen, zal Hij ze heiligen en laten meewerken voor ons geestelijk en eeuwig welzijn.

Zo is het geloof in het medegevoel van onze gezegende Heere wonderlijk geschikt om gemopper, geklaag en zelfbeklag te bedwingen. Het leert ons onderwerping en berusting in verdrukkingen en verzoent ons met een weg van smart en verdrukking. Het houdt ons het lijden van de gezegende Heere hier beneden voor ogen, de beproevingen die Hij doorstond en Zijn heilige zachtmoedigheid en onderwerping eronder: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Als wij onze smarten en moeiten met de Zijne vergelijken, hoe licht lijken zij dan! Dat brengt berusting teweeg.

En als wij in geloof en liefde omhoog kunnen zien en de eens lijdende Heere nu met ons zien meeleven onder onze verdrukkingen, maakt het zelfs de smart zoet. Er wordt zo in de ziel een gelijkvormigheid aan het stervende beeld van Jezus gewerkt. Er wordt gemeenschap aan Zijn lijden gegeven, een kruisiging van het vlees met zijn bewegingen en begeerlijkheden, een afgestorvenheid aan de wereld, een doding van het hele lichaam van de zonde en een afscheiding van hart en geest van al wat goddeloos en slecht is. En er komt een gemeenschap tot stand met de gezegende Heere aan de rechterhand van de Vader.

Zo mogen wij God danken voor onze verdrukkingen en beproevingen, onze ziekten, onze sterfgevallen, onze verliezen en tegenslagen. Ook voor onze ergernissen en teleurstellingen, onze vervolgingen en het feit dat wij door de wereld en door belijders zonder genade veracht worden. Ook voor onze twijfels, vrezen en oefeningen, onze zuchten en kermen onder een lichaam van zonde en dood. Kortom, wij mogen God danken voor elke stap op de weg van verdrukking die ons dichter bij Jezus brengt.

Elke stap opent ons steeds meer van Zijn liefde en bloed, genade en heerlijkheid, medegevoel en medelijden en alles wat Hij is als barmhartig en getrouw Hogepriester. Hem heeft God uit de doden opgewekt en gezet aan Zijn eigen rechterhand in de hemelse gewesten:

Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel; Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult. (Efeze 1:20-23)

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!