The Burial of Christ
Wij stonden het laatst aan de voet van het kruis. Daar zagen wij door het geloof het bloedvergieten en de dood van onze aanbiddelijke Heere. Wij zagen Hem Zijn leven overgeven door een vrijwillige daad van Zijn heilige wil. En wij hoorden Zijn genadige woorden Het is volbracht, vlak voordat Hij Zijn hoofd boog en de geest gaf.
Maar wij laten Hem daar niet. Wij hebben Hem zien sterven en zien nu door het geloof Zijn heilige lichaam nog aan het kruis. Maar het hing daar niet lang als een schouwspel voor engelen en mensen. [Omdat de gezegende Heere om het negende uur, of drie uur ’s middags, de geest gaf en de voorbereiding van het Pascha omstreeks vier uur begon, lijkt het dat Zijn dode lichaam niet langer dan een uur, en hoogstwaarschijnlijk korter, aan het kruis bleef voordat het werd afgenomen voor de begrafenis.]
Zijn naaste discipelen waren gevlucht. Maar er waren mensen die kwamen om die liefdediensten te bewijzen waardoor een veilige en beschutte plaats werd bereid waar dat heilige lichaam kon rusten. Wij zien dan door het geloof dat bleke lichaam, waarvan geen been was gebroken hoewel handen en voeten verscheurd en doorboord waren en de zijde doorstoken. Het werd met alle gelovige eerbied en aanbiddende liefde afgenomen door Jozef van Arimathea en Nicodemus. Zij werden ongetwijfeld bijgestaan door die heilige vrouwen wier namen de Heilige Geest heeft opgetekend. Zij zagen daarna toe en zaten tegenover het graf waar dat reine lichaam werd gelegd.
De oorspronkelijke straf was: ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. En de bezoldiging der zonde is de dood. Daarom moest de Borg en Zondedrager de straf dragen en letterlijk en werkelijk sterven in de plaats en het stede van de zondaar. Zo was het noodzakelijk dat de Verlosser van zondaren stierf. Maar de Zoon van God kon niet sterven, daar de Godheid niet in staat is te lijden en te sterven. Daarom nam de gezegende Heere een natuur aan die kon sterven. Niet door aangeboren sterfelijkheid of uitwendig geweld, maar door een vrijwillige daad. Die was even vrijwillig als de daad waardoor Hij die natuur aannam in de schoot van de maagd of Zijn lichaam hernam bij de opstanding.
[Het is opmerkelijk dat drie van de evangelisten drie verschillende woorden in de grondtekst gebruiken om de vrijwillige wijze uit te drukken waarop de Heere Jezus Zijn leven overgaf. In Mattheüs 27:50 staat ‘gaf de geest’, letterlijk ‘liet Zijn geest gaan’. In Markus 15:39 en Lukas 23:46 staat hetzelfde woord, ‘Hij gaf de geest’, letterlijk ‘ademde hem uit’. In Johannes 19:30 staat ‘gaf de geest’, letterlijk ‘leverde hem over’. Dit alles wijst op een vrijwillige daad.]
Onze gedachten leiden ons nu naar het lichaam van Jezus in het GRAF. Hier zien wij veel dat onze overdenking bezighoudt. Het eerste dat ons treft bij het zien van deze levenloze gedaante is de scheiding van lichaam en ziel die plaatsvond toen de aanbiddelijke Heere door een vrijwillige daad Zijn leven aflegde. De laatste woorden die de Verlosser sprak waren: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Onder Zijn ‘geest’ moeten wij Zijn menselijke ziel verstaan. Die ging onmiddellijk naar het paradijs, in de directe tegenwoordigheid van God, zoals Hij te kennen gaf met de woorden: Maar nu kom Ik tot U (Johannes 17:13).
Hij ging daar die dag niet alleen heen. Een zegeteken zou Hem spoedig volgen: de ziel van die berouwvolle, gelovige boosdoener. Als deelgenoot van Zijn lijden was hij door Zijn soevereine genade deelgenoot van Zijn heerlijkheid geworden.
Er was dus een werkelijke scheiding van lichaam en ziel van de Verlosser. Maar dit vernietigde of beïnvloedde de vereniging van Zijn Godheid met Zijn mensheid niet. Die vereniging bleef geheel bestaan. Zijn heilige ziel ging in vereniging met Zijn Godheid naar het paradijs. Zo was Hij daar nog evenzeer Godmens als bij het graf van Lazarus of bij het Laatste Avondmaal. Maar Zijn heilige lichaam bleef, hoewel het leven er door de dood uit was gegaan, zoals tevoren dat Heilige. De dood bezoedelde dat heilige lichaam niet, zoals de zonde het ook niet bezoedelde in de schoot van de maagd.
De belofte was daarom: Gij zult mijn ziel in de hel (liever: in de Hades, of dat paradijs waarin zij zich na de dood bevond) niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie (Psalm 16:10). Dit heilige lichaam was wezenlijk onverderfelijk, omdat het door de Heilige Geest was verwekt. Het was verwekt door een bijzondere en bovennatuurlijke generatie uit het vlees van de maagd.
Maar zoals bij alle andere daden van de heilige Drie-eenheid waren Vader, Zoon en Heilige Geest alle drie ervoor bezig dat geen smet van verderf het in de dood zou aantasten. De Vader beloofde en voerde uit, als een God Die niet kan liegen, door Zijn almachtige, waakzame kracht. De Zoon bewaarde het onbesmet en onverdorven in het graf. Dat deed Hij door dezelfde aangeboren, werkzame, goddelijke energie waarmee Hij dat lichaam in de schoot van de maagd had aangenomen. En de Heilige Geest, Die dat lichaam in zijn eerste ontvangenis had gevormd, ademde er Zijn heilige invloed over om het te bewaren. Ondanks dood en graf hield Hij het zo rein en onverderfelijk als toen Hij het voor het eerst schiep.
Deze dingen zijn inderdaad moeilijk te begrijpen of ook maar te bevatten. Maar het zijn hemelse verborgenheden die het geloof aanneemt en vasthoudt tegen zintuig, verstand en ongeloof in. Want zie de ontzaglijke gevolgen als men enige smet van verderf dat gezegende lichaam zou laten aantasten. Zou een bedorven lichaam bij de opstanding hernomen kunnen worden? Het verderf zou het hebben geschonden zoals het het onze zal schenden. En hoe zou een verdorven lichaam opnieuw de woonplaats van de Zoon van God kunnen zijn? Wij worden vaak middellijk voor dwaling bewaard. Dat gebeurt niet alleen doordat wij de zoetheid en kracht van de waarheid kennen en voelen. Het gebeurt ook doordat wij als in één oogopslag de ontzaglijke gevolgen zien van het ontkennen van wezenlijke, fundamentele waarheden.
Maar wij gaan verder naar Jezus in de TOMBE. Een graf uit de rots uitgehouwen, dus rein, schoon en droog, en waarin nog nooit iemand gelegd was, zodat het vrij was van elke smet van verderf. Een grote steen die voor de deur van het graf werd gewenteld om het heilige onderpand te behoeden voor uitwendig geweld of onbetamelijke indringing. Romeinse soldaten die elke toegang van vreemde voeten tot de heilige ruimte verboden. Een wacht van engelen die waakte over dat lichaam waarin hun God en Schepper had gewoond. Al deze omstandigheden strekten en werkten samen tot hetzelfde resultaat: de veilige bewaking en onschendbare bewaring van dat heilige lichaam dat de Heere had aangenomen tot verlossing van Zijn volk.
Maar kunnen wij hier geen nuttig onderricht opdoen? De heilige vrouwen die bij het kruis rouwden en weenden, vergaten hun dierbare Heere ook bij het graf niet. Daar gingen hun gedachten heen gedurende die sabbatsdag waarop zij rustten volgens het gebod. Bij het eerste ochtendlicht van de volgende dag, de eerste dag van de week, haastten zij hun schreden met specerijen om dat dierbare Voorwerp van hun geloof en liefde te zalven. De verborgenheid van de opstanding was inderdaad voor hun ogen verborgen. Maar zij hielden niet op in de dood en in het graf die heilige gedaante lief te hebben die zij in het leven hadden liefgehad.
Mogen ook onze gedachten niet naar het graf gaan? En mogen wij niet met deze genadige vrouwen daarheen gaan, naar de slaapplaats van het lichaam van Jezus? De natuur deinst terug voor de dood, ook afgezien van datgene dat na de dood volgt en hem voor velen tot een koning van de verschrikkingen maakt. Zelfs waar de genade haar troon heeft opgericht en de barmhartigheid zegeviert over het oordeel, kruisen soms vele ongelovige gedachten de geest. Zij verwarren het oordeel over de scheiding van lichaam en ziel en over het wegvaren van de geest naar een onzichtbare, onbekende wereld.
Het geloof kan deze verwarrende gedachten wel overwinnen, die beter aangeduid dan beschreven kunnen worden. Maar het geloof heeft een vaste grond nodig om op te bouwen en te rusten. Als dan de ziel gezegend is met enige zekere hoop of zoete overtuiging van deel te hebben aan het bloed en de gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus, zodat schuldige vrees is weggenomen, hoe versterkend is voor het geloof dan een blik op Zijn dood. Niet alleen als het enige zondeoffer maar ook als het voorbeeld, om zo te zeggen, van ons eigen sterven!
Wij zullen allen moeten sterven. Daarom kan het een nuttige overdenking zijn door het geloof naar de dood van Jezus te zien, als verlichting tegen de verwarrende gedachten waarop wij hierboven hebben gezinspeeld. In de handen van Zijn Vader beval de stervende Heere Zijn geest. De Vader ontving die, want Hem hoort de Vader altijd (Johannes 11:42). Zo keerde Zijn geest terug tot Hem Die hem gegeven had (Prediker 12:7). Zo werden door het sterven ziel en lichaam van de gezegende Verlosser voor een tijd volledig en werkelijk gescheiden, even volledig en werkelijk als de onze bij de dood zullen worden.
Maar volg door het geloof die ziel van Jezus toen Hij haar uitblies en zie haar onmiddellijk het paradijs binnengaan, in de zalige tegenwoordigheid van God. Wat een voedsel voor het geloof is dit! Hoe versterkend en bemoedigend voor een gelovig hart dat vaak verward is geweest door zulke gedachten als wij noemden, om de ziel van Jezus zo meteen in het paradijs te zien binnengaan! En mogen wij door het geloof ook niet de ziel van de gelovige boosdoener zien, toen de tijd van bevrijding gekomen was? Zij vloog op vleugels naar hetzelfde paradijs waar de ziel van Jezus haar was voorgegaan.
Kennen wij iets, pijnlijk en bevindelijk, van de aanvallen van het ongeloof, van de pijlen van de ongodsdienstigheid en van de vurige pijlen des bozen? En weten wij hoe zij allemaal gedoofd worden door het schild des geloofs? Dan hebben wij gevonden dat het geloof, om vast te staan, het woord van de waarheid moet hebben, een ‘Zo zegt de Heere’, waarop het kan rusten.
Laten wij nu dan zien hoe dit samenhangt met de dood van de gezegende Heere. Versterkt door Zijn heilig voorbeeld kan de stervende gelovige, als hij met geloof in Zijn Persoon, bloed en gerechtigheid gezegend is, zijn geest in de handen van Christus bevelen zoals de gemartelde Stefanus deed. Hij doet dat met hetzelfde vertrouwen waarmee de Heere Jezus Zijn geest in de handen van Zijn hemelse Vader beval.
Maar er is nog een zoete en gezegende gedachte verbonden met het graf waarin Jezus lag. Wij hebben misschien het graf zijn donkere mond zien openen om een dierbare vriend en broeder te ontvangen, of een innig geliefde verwant, die een zoet getuigenis heeft achtergelaten van zijn deel in het voleindigde werk van de Zoon van God. Wij keken neer in die enge cel, zagen de kist langzaam zakken en hoorden de kluiten zwaar op het deksel vallen. Wij voelden hoe het geliefde wezen uit ons gezicht werd begraven om nooit meer hier beneden met ons te wandelen. Hoe is de natuur dan teruggedeinsd voor elk somber gezicht en geluid!
Wat kon het bezwaarde gemoed dan verlichten en de bedroefde geest troosten, behalve een zoete overtuiging door het geloof van twee dingen? Ten eerste dat de ziel van de ontslapene bij de Heere was. Dat was veel beter dan opnieuw belast te zijn met het lichaam van zonde en dood, dat nu voor altijd was neergelegd. Ten tweede dat de Heere Jezus, door Zelf in het graf te liggen, het had gewijd als de slaapplaats van Zijn volk. Hij had het als het ware geparfumeerd door toe te staan dat het de bewaarplaats was van Zijn eigen onverderfelijke lichaam.
Wat een beproeving voor hun geloof moet de dood van Jezus zijn geweest voor Zijn discipelen en gelovige volgelingen! Toen hun Heere en Meester stierf, schenen hun hoop, althans voor de tijd, bijna met Hem gestorven. Dat blijkt uit de woorden van de twee discipelen die naar Emmaüs reisden: Maar wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israel verlossen zou (Lukas 24:21). Hoe schokkend voor hun geloof dat de Heere van het leven ter dood werd gebracht, de Koning van de heerlijkheid met schaamte en schande werd bedekt en dat Hij, Die de hemel van de hemelen niet kon bevatten, in het enge omheinde van een hofgraf lag!
Maar nog een andere gedachte treft ons uit dit vruchtbare onderwerp van geestelijke overdenking: de schijnbare zege van het kwaad en van de machten van de duisternis in de dood en begrafenis van de Heere Jezus. Voor het oog van de zinnen werden waarheid, heiligheid en onschuld alle verpletterd door de arm van het geweld toen Jezus aan het kruis hing. Voor de toeschouwer daar waren al Zijn wonderen van liefde en barmhartigheid uitgedoofd. Zijn woorden van genade en waarheid, Zijn heilige smetteloze leven en Zijn aanspraak de Zoon van God te zijn, de beloofde Messias en de Verlosser van Israël, met elke belofte en elke profetie over Hem, waren verdwenen. Dat gebeurde toen Hij te midden van de triomf van Zijn vijanden in pijn, schaamte en schande Zijn leven gaf.
Wij zien nu dat de gezegende Heere door Zijn bloedvergieten en dood de verlossing heeft bewerkt. Hij heeft het werk voleindigd dat de Vader Hem te doen gaf. Hij heeft de zonde weggedaan door het offer van Zichzelf en de gemeente met God verzoend. Hij heeft over dood en hel getriomfeerd en Satan overwonnen. Hij heeft de wet groot en eerbaar gemaakt, de gerechtigheid verheven en de barmhartigheid ingevoerd. Hij heeft elke schijnbaar strijdige eigenschap van God in overeenstemming gebracht, Zijn hemelse Vader verheerlijkt en miljoenen met een eeuwige zaligheid behouden.
Maar zouden wij dit zo hebben gezien als wij het nu zien, als wij bij het kruis hadden gestaan met de wenende Maria en de diepbedroefde Johannes? Als wij de honende spot van de schriftgeleerden en farizeeën hadden gehoord, het ruwe gelach van de Romeinse soldaten en het spottend geschreeuw van het Joodse gepeupel? Als wij de verduisterde hemel boven ons hadden gezien en de vaste aarde onder onze voeten hadden voelen schudden? Waar zou ons geloof dan zijn geweest? Wat anders dan een wonder van almachtige genade en kracht had het kunnen dragen te midden van zulke wolken van duisternis, zoveel zinnelijke kracht, zo’n menigte van strijdige hartstochten en zo’n tegenstand van ongeloof?
Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd zijn in deze tijdelijke staat. Waarheid, oprechtheid, godzaligheid en de zaak van God, als onderscheiden van en tegengesteld aan dwaling en kwaad, hebben altijd de kruisiging geleden. Dat was niet alleen in de Persoon maar ook in het voorbeeld van een gekruisigde Jezus. Het is een goddeloze wereld. Satan, niet Jezus, is haar god en vorst. Daarom hebben niet de waarheid maar de leugen, niet het goede maar het kwade, niet de liefde maar de vijandschap, niet oprechtheid en rechtschapenheid maar sluwheid en bedrog, niet gerechtigheid en heiligheid maar zonde en goddeloosheid de overhand en triomferen zoals bij het kruis.
Dit beproeft het geloof. Maar de verlichting en het geneesmiddel zijn om te midden van deze wolken omhoog te zien naar het kruis en daarop de lijdende Zoon van God te zien. Dan zien wij dat het triomferen van de goddelozen maar voor een ogenblik is. Wij zien dat de waarheid, hoewel zij nu lijdt, met Christus lijdt. En dat zij, zoals Hij stierf en weer opstond, een heerlijke opstanding en een eeuwige zegepraal zal hebben.
Nog een of twee gedachten voordat wij dit deel van ons onderwerp van overdenking afsluiten. Om deel te hebben aan de kroon van Christus moeten wij deel hebben aan het kruis van Christus. Vereniging met Hem in het lijden moet voorafgaan aan vereniging met Hem in heerlijkheid. Dit is het uitdrukkelijke getuigenis van de Heilige Geest: zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden (Romeinen 8:17). En: indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven; Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen (2 Timotheüs 2:11-12).
Het vlees en de wereld moeten voor ons gekruisigd worden en wij voor hen. Dit kan alleen door de kracht van een levende vereniging met een gekruisigde Heere. Dit deed de apostel zeggen: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft (Galaten 2:20). En ook: Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld (Galaten 6:14).
Een bevindelijke kennis van de kruisiging met zijn gekruisigde Heere deed Paulus het kruis prediken, niet alleen in zijn kracht om te redden maar ook in zijn kracht om te heiligen. Maar zoals toen zo ook nu wordt deze prediking van het kruis gehoond. Het kruis is niet alleen de verdienstelijke oorzaak van alle zaligheid maar ook het middellijke werktuig van alle heiliging. En het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid (1 Korinthe 1:18).
Zoals mensen een andere weg van zaligheid hebben gevonden dan door het bloed van het kruis, zo hebben zij ook een andere weg van heiligheid ontdekt dan door de kracht van het kruis. Of liever, zij hebben gehoorzaamheid, vruchtbaarheid, zelfverloochening, het doden van de werken van het lichaam en de kruisiging van het vlees en van de wereld geheel terzijde gesteld. Men zegt dat uitersten elkaar raken. En zeker kunnen mensen met de meest tegengestelde opvattingen elkaar vinden in het verachten van het kruis en het dwaasheid achten.
De Arminiaan veracht het voor de rechtvaardiging en de antinomiaan voor de heiliging. ‘Geloof en wees heilig’ is voor de laatste een even vreemd geluid als ‘Geloof en wees zalig’ voor de eerste. Maar het woord de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal staat evenzeer geschreven op de poort van het leven als het woord uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof.
Door het kruis, dat wil zeggen door vereniging en gemeenschap met Hem Die daaraan heeft geleden, is er niet alleen een fontein geopend voor alle zonde maar ook voor alle onreinheid: tegen de zonde en tegen de onreinigheid (Zacharia 13:1). Bloed en water stroomden uit de zijde van Jezus toen die door de Romeinse speer werd doorstoken.
Deze zo dierbare bron deelt Hij gul en vrij mee;
door de speer ontsloten stroomde zij uit Zijn hart,
met bloed en met water: het eerste om te verzoenen,
het laatste om te reinigen; de bron is slechts één.
‘Al mijn bronnen zijn in U’ (Psalm 87:7), zei de man naar Gods hart. En terecht mogen wij zijn woorden herhalen. Al onze bronnen: niet alleen van vergeving en vrede, aanneming en rechtvaardiging, maar van geluk en heiligheid, van wijsheid en kracht, van overwinning over de wereld en van het doden van een lichaam van zonde en dood. Van elke nieuwe opleving en vernieuwing van hoop en vertrouwen. Van alle gebed en lof. Van elke nieuwe uitbotting van de ziel, zoals de staf van Aäron, in bloesem en vrucht. Van elk genadig gevoel, geestelijk verlangen, warme smeking, eerlijke belijdenis, smeltend berouw en godzalige droefheid over de zonde.
Al deze bronnen van dat leven dat is met Christus verborgen in God zijn in een gekruisigde Heere. Zo geldt van de gekruisigde Christus: ons, die behouden worden, is het een kracht Gods. En omdat Christus ons is geworden wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing, kunnen wij alleen bij het kruis wijs gemaakt worden tot zaligheid. Alleen daar worden wij rechtvaardig door een vrije rechtvaardigmaking. Daar ontvangen wij van Zijn Geest om heilig te worden en worden wij door bloed en kracht verlost en bevrijd van zonde, Satan, dood en hel.
Er is ook geen andere weg om voor de wet, onze eerste man, dood te worden met dit doel: opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden (Romeinen 7:4). Door de doop van de Heilige Geest, waarvan de waterdoop een type en afbeelding is, worden wij gedoopt in Jezus Christus en met name in Zijn dood (Romeinen 6:3). Door Zijn bloedvergieten en dood heeft Hij de wet vervuld en haar vloek gedragen. Zo heeft Hij uitgewist wat er staat: Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende (Kolossenzen 2:14).
We last stood at the foot of the cross, where we saw by faith the blood-shedding and death of our adorable Lord; we viewed him yielding up his life by a voluntary act of his holy will, and heard his gracious words, “It is finished,” just before he bowed his head and gave up the spirit. But we leave him not there. We have seen him die and by faith now view his sacred body still on the cross. But he did not long hang there as a spectacle to angels and men. [As the blessed Lord breathed out his life about the ninth hour, or three o’clock in the afternoon, and the preparation of the Passover begun about four o’clock, it would seem that his dead body did not remain above, and most probably under an hour upon the cross before taken down for burial.] His immediate disciples had fled, but there were those who came to perform those offices of love by which a safe and secure place was provided wherein that sacred body might lie. We see, then, by faith, that pallid body of which not a bone was broken though hands and feet were mangled and torn, and side pierced, taken down with all believing reverence and adoring affection by Joseph of Arimathaea and Nicodemus, aided, doubtless, by those holy women whose names the Holy Spirit has recorded as afterwards beholding and sitting over against the sepulcher where that pure body was laid.
As the original penalty was, “In the day that you eat thereof, you shall surely die,” and as “the wages of sin is death,” the Surety and Sin-bearer must endure the penalty, and literally, actually die in the sinner’s stead and place. Thus there was a necessity that the Redeemer of sinners should die; but as the Son of God could not die, Deity being incapable of suffering and death, the blessed Lord took a nature which could die—not by inherent mortality or external violence, but by a voluntary act [It is remarkable that three of the evangelists use three distinct words in the original, to express the voluntary way in which the Lord Jesus yielded up his life. In Matthew 27:50, it is “yielded up the spirit,” literally, “dismissed his spirit;” in Mark 15:39. and Luke 23:46. it is the same word, “he gave up the spirit,” literally, “breathed it out,” and John 19:30, “gave up the spirit,” literally, “delivered it,” all implying a voluntary act.]—as voluntary as that by which he assumed that nature in the womb of the Virgin, or resumed his body at the resurrection.
Our thoughts, then, now lead us to the body of Jesus in the GRAVE; and here we see much to engage our meditations. The first thing that strikes our mind in beholding this lifeless form, is the separation of body and soul which took place when the adorable Lord by a voluntary act laid down his life. The last words that the Redeemer spoke were, “Father, into your hands I commend my spirit.” By his “spirit” we are to understand his human soul which at once went into paradise, into the immediate presence of God, as he intimated in the words, “And now come I to you.” John 17:13. Nor did he go there that day alone. A trophy was soon to follow him—the soul of that repenting, believing malefactor, who, a partner with him in suffering, had become by his sovereign grace a partner with him in glory.
There was, then, an actual separation of the Redeemer’s body and soul; but this did not destroy or affect the union of his Deity with his humanity. That union remained entire, as his holy soul went into paradise in union with his Deity, and thus he was still God-man as much in paradise as he was at the tomb of Lazarus, or at the Last Supper. But his sacred body, though by the act of death life was gone out of it, still remained as before, “that holy thing.” Death did not taint that sacred body any more than sin did not taint it in the womb of the Virgin. The promise was, therefore, “You will not leave my soul in hell (rather, in Hades, or that paradise in which it was after death), nor allow your Holy One to see corruption.” Psalm 16:10.
This holy body was essentially incorruptible, as being begotten of the Holy Spirit, by special and supernatural generation, of the flesh of the Virgin; but as in all other acts of the sacred Trinity, Father, Son, and Holy Spirit, were all engaged that no taint of corruption should in death assail it. The Father promised, and, as a God who cannot lie, performed by his almighty, superintending power; the Son, by the same innate, active, divine energy by which he assumed that body in the womb of the Virgin preserved it untainted, uncorrupted in the grave; and the Holy Spirit, who formed that body in its first conception, breathed over it his holy influence to maintain it, in spite of death and the tomb, as pure and as incorruptible as when he first created it. These things are indeed difficult to understand or indeed conceive; but they are heavenly mysteries, which faith receives and holds fast in spite of sense, reason, and unbelief.
For see the tremendous consequences of allowing any taint of corruption to assail that blessed body. Could a tainted body be resumed at the resurrection? Corruption would have marred it as it will mar ours; and how could a corrupt body have been again the habitation of the Son of God? We are often instrumentally preserved from error not only by knowing and feeling the sweetness and power of truth, but by seeing, as at a glance, the tremendous consequences which a denial of vital, fundamental truths involves.
But we pass on to Jesus in the TOMB. A sepulcher hewn out in the rock, and therefore pure, clean, and dry, and “wherein never man before was laid,” so as to be free from any taint of corruption; a great stone rolled to the door of the sepulcher to preserve the sacred deposit from external violence or unbecoming intrusion; Roman soldiers forbidding all access of strange feet into the sacred precinct; a guard of angels watching over that body in which their God and Creator had dwelt—how all these circumstances tended, and all worked together to the same result—the safe guardianship and inviolable preservation of that holy body which the Lord had assumed for the redemption of his people.
But may we not gather up profitable instruction here? The holy women who mourned and wept at the cross did not forget their dear Lord at the sepulcher. There their thoughts ran during that Sabbath Day on which they rested according to the commandment; and with the first dawn of the next day—the first day of the week, they sped their steps, with spices, to anoint that dear Object of their faith and love. The mystery of the resurrection was indeed hidden from their eyes; but they ceased not to love in death and in the sepulcher that sacred form which they had loved in life.
May not our thoughts turn to the sepulcher too; and may we not, with these gracious women, resort there as to the sleeping-place of the body of Jesus? Nature shrinks from death, even apart from that which following after death makes it to so many a king of terrors. Even where grace has set up its throne, and mercy rejoices over judgment, many unbelieving, infidel thoughts at times will cross the mind and perplex the judgment about the separation of body and soul, and the launching of the spirit into an unseen, unknown world. Faith, it is true, can subdue these perplexing thoughts, better hinted at than described, but faith needs some solid ground on which to build and rest. If, then, the soul is blessed with any assured hope or sweet persuasion of interest in the blood and obedience of the Lord Jesus Christ, so as to remove guilty fears, how strengthening to faith is a view of his death, not merely as the only sacrifice for sin, but as the exemplar so to speak, of our own!
We all shall have to die, and therefore to look by faith at the death of Jesus may be a profitable subject of meditation as a relief against the perplexing thoughts to which we have before alluded. Into his Father’s hands the dying Lord commended his spirit. The Father received it, for him the Father hears always; John 11:42, and thus his spirit returned unto him who gave it. Ec 12:7. Thus, by the act of dying, the soul and body of the blessed Redeemer were, for a time, fully and actually separated—as fully and actually as ours will also be at death.
But follow by faith that soul of Jesus when he breathed it forth, and view it at once and immediately entering paradise, into the blissful presence of God. What food for faith is here! How strengthening, how encouraging to a believing heart which has often been perplexed by such thoughts as we have named, to view the soul of Jesus thus passing at once into paradise. And may we not, by faith, view the soul also of the believing malefactor, when the time of release was come, winging its flight into the same paradise where the soul of Jesus had preceded it? If we know anything painfully and experimentally of the assaults of unbelief, the arrows of infidelity, and the fiery darts of the wicked one, and how they are all quenched by the shield of faith, we have found that faith, in order to stand firm, must have the word of truth, a “Thus says the Lord,” upon which to rest.
Let us now, then, see how this stands as connected with the death of the blessed Lord. Fortified by his holy example, if blessed with faith in his Person, blood, and righteousness, the dying believer may commend his spirit into the hands of Christ as did martyred Stephen, in the same confidence that the Lord Jesus commended his spirit into the hands of his heavenly Father.
But, there is another sweet and blessed thought connected with the grave in which Jesus lay. We may have seen the grave open its dark mouth to receive a dear friend and brother, or some fondly-loved relative, who has left a sweet testimony behind of his interest in the finished work of the Son of God; and as we have looked down into that narrow cell, seen the coffin lowered slowly into it, heard the clods fall heavily on its lid, and felt how the beloved object was buried out of our sight, no more again to walk with us here below, how nature has shrunk from each gloomy sight and sound! What could then relieve the burdened mind, and soothe the sorrowing spirit, but a sweet persuasion by faith of these two things—First, that the soul of the departed one was with the Lord, which was far better than again to be burdened with the body of sin and death, now forever laid down; and second, that the Lord Jesus, by lying himself in the grave, had consecrated it as his people’s sleeping-place, and perfumed it, as it were, by permitting it to be the deposit of his own incorruptible body.
What a trial to their faith must the death of Jesus have been to his disciples and believing followers! When their Lord and Master died, their hopes, for the time at least, seem almost to have died with him. This seems evident from the language of the two disciples who were journeying to Emmaus. “But we had hoped that it had been him who would have redeemed Israel.” Luke 24:21. How staggering to their faith that the Lord of life should be put to death; the King of glory be covered with shame and ignominy; and that he, whom the heaven of heavens could not contain, should lie in the narrow precinct of a garden sepulcher.
But another thought strikes our mind as arising out of this fruitful subject of spiritual meditation—the apparent triumph of evil and of the powers of darkness, in the death and burial of the Lord Jesus.
To the eye of sense—truth, holiness, innocence, all fell crushed by the arm of violence as Jesus hung on the cross. To the spectator there—all his miracles of love and mercy, his words of grace and truth, his holy spotless life, his claims to be the Son of God, the promised Messiah, the Redeemer of Israel, with every promise and every prophecy concerning him, were all extinguished when, amid the triumph of his foes, in pain, shame, and ignominy, he yielded up his life. We now see that, by his blood-shedding and death, the blessed Lord wrought out redemption, finished the work which the Father gave him to do, put away sin by the sacrifice of himself, reconciled the church unto God, triumphed over death and hell, vanquished Satan, magnified the law and made it honorable, exalted justice, brought in mercy, harmonized every apparently jarring attribute of God, glorified his heavenly Father, and saved millions with an everlasting salvation.
But would we have seen this as we see it now, had we stood at the cross with weeping Mary and broken-hearted John, heard the railing taunts of the Scribes and Pharisees, the crude laughter of the Roman soldiery, and the mocking cries of the Jewish mob, viewed the darkened sky above, and felt the solid earth beneath rocking under our feet? Where would our faith have been then? What but a miracle of Almighty grace and power could have sustained it amid such clouds of darkness, such strength of sense, such a crowd of conflicting passions, such opposition of unbelief?
So it ever has been, so it ever will be, in this time state. Truth, uprightness, godliness, the cause of God as distinct from, as opposed to error and evil, have always suffered crucifixion, not only in the person, but in the example of a crucified Jesus. It is an ungodly world; Satan, not Jesus, is its god and prince; and, therefore, not truth but falsehood, not good but evil, not love but enmity, not sincerity and uprightness but craft and deceptiveness, not righteousness and holiness but sin and godlessness prevail and triumph as they did at the cross. This tries faith; but its relief and remedy are to look up, amid these clouds, to the cross, and see on it the suffering Son of God. Then we see that the triumphing of the wicked is but for a moment; that though truth is now suffering, it is suffering with Christ; and that as he died and rose again, so it will have a glorious resurrection, and an eternal triumph.
One or two thoughts more before we close this part of our present subject of meditation.
To be partakers of Christ’s crown, we must be partakers of Christ’s cross. Union with him in suffering must precede union with him in glory. This is the express testimony of the Holy Spirit—“If so be that we suffer with him, that we may be also glorified together.” Ro 8:17. “If we died with him, we shall also live with him; if we suffer, we shall also reign with him.” 2Ti 2:11,12. The flesh and the world are to be crucified to us, and we to them; and this can only be by virtue of a living union with a crucified Lord. This made the apostle say, “I am crucified with Christ—nevertheless I live; yet not I, but Christ lives in me—and the life which I now live in the flesh, I live by faith in the Son of God, who loved me and gave himself for me.” Ga 2:20. And again, “But God forbid that I should glory save in the cross of our Lord Jesus Christ, by whom the world is crucified unto me and I unto the world.” Ga 6:14. An experimental knowledge of crucifixion with his crucified Lord made Paul preach the cross, not only in its power to save, but in its power to sanctify.
But as then so now, this preaching of the cross, not only as the meritorious cause of all salvation, but as the instrumental cause of all sanctification, is “to those who perish foolishness.” 1Co 1:18. As men have found out some other way of salvation than by the blood of the cross, so have they discovered some other way of holiness than by the power of the cross; or rather have altogether set aside obedience, fruitfulness, self-denial, mortification of the deeds of the body, crucifixion of the flesh and of the world. Extremes are said to meet; and certainly men of most opposite sentiments may unite in despising the cross and counting it foolishness. The Arminian despises it for justification, and the Antinomian for sanctification. “Believe and be holy,” is as strange a sound to the latter as “Believe and be saved,” to the former. But, “Without holiness no man shall see the Lord,” is as much written on the portal of life as, “By grace are you saved through faith.” Through the cross, that is, through union and communion with him who suffered upon it, not only is there a fountain opened for all sin, but for all uncleanness. Zec 13:1. Blood and water gushed from the side of Jesus when pierced by the Roman spear.
This fountain so dear, he’ll freely impart;
Unlocked by the spear, it gushed from the heart,
With blood and with water; the first to atone,
To cleanse us the latter; the fountain’s but one.
“All my springs are in you,” Psalm 87:7, said the man after God’s own heart; and well may we re-echo his words. All our springs, not only of pardon and peace, acceptance and justification, but of happiness and holiness, of wisdom and strength, of victory over the world, of mortification of a body of sin and death; of every fresh revival and renewal of hope and confidence; of all prayer and praise; of every new budding forth of the soul, as of Aaron’s rod, in blossom and fruit; of every gracious feeling, spiritual desire, warm supplication, honest confession, melting contrition, and godly sorrow for sin—all these springs of that life which is hid with Christ in God are in a crucified Lord. Thus Christ crucified is, “to them who are saved, the power of God.” And as he “of God is made unto us wisdom, righteousness, sanctification, and redemption,” at the cross alone can we be made wise unto salvation, become righteous by a free justification, receive of his Spirit to make us holy, and be redeemed and delivered by blood and power from sin, Satan, death and hell.
Nor is there any other way to become dead to the law, our first husband, so as “to be married to another, even him who is raised from the dead, that we may bring forth fruit unto God.” Romans 7:4.
By the baptism of the Holy Spirit of which water baptism is a type and figure we are baptized into Jesus Christ, and specially into his death. Romans 6:3. By his blood-shedding and death he fulfilled the law, bearing its curse, and thus he “blotted out the handwriting of ordinances that was against us, which was contrary to us, nailing it to his cross.” Col 2:14.