29 de junio
Kastijd mij, Heere! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niete maakt.
Jeremia 10:24
„Verbolgenheid is niet in Mij”, zegt de Heere. Neen, er is geen toorn in Gods boezem tegen Zijn volk. Zij zijn voor eeuwig „aangenomen in de Geliefde” en staan voor Gods troon zonder vlek en zonder rimpel; maar er is misnoegen tegen hun zonde, en dit misnoegen doet hun goede en genadige Vader hen gevoelen, wanneer Hij het licht Zijns aanschijns van hen wegneemt en Zijn scherpe berispingen en bestraffingen in hun geweten zendt. Maar juist deze oordelen helpen hen (Ps. 119:175), want zij leiden tot een nauwkeurig onderzoek van het hart; en daar het dezelfde goede Geest is Die de berisping geeft en Die berouw mededeelt, gevoelen zij een droefheid naar God, en deze droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid (2 Kor. 7:10).
Indien dan onze droefenis, ons kruis, ons verlies, onze ontberingen, huiselijke rampen, beproevingen der Kerk, en meer bijzonder, indien de bestraffingen en berispingen van God in ons geweten het middel zijn geweest om onze trotse harten te vernederen, en ons te brengen tot een eerlijke belijdenis van en een droefheid naar God over onze zonden en afdwalingen; indien zij ons inderdaad meer van de wereld, haar vrienden, haar handelingen, haar beginselen en haar geest hebben afgescheiden; indien zij het middel in Gods hand geweest zijn om de Geest des gebeds en der smeking in ons hart te storten, ons gedeelten van Gods Woord te doen verstaan die tot nu toe voor ons verborgen waren; ons telkens en met meer behoefte geleid hebben tot de troon der genade; ons een dieper inzicht gegeven hebben in de weg der zaligheid; de barmhartigheid dierbaarder en de genade zoeter gemaakt hebben – zijn dan die beproevingen en bezoekingen vruchteloos en ongepast geweest?
Sla ied’re zucht, mijn hart ontgleden,
opmerkend ga. Schenk mij ’t genot
uws heils, mijn Koning en mijn God!
Ik zal tot U met mijn gebeden
eerbiedig treden.
Ps. 5:2
Aan de lezer…
Kind van God, heeft de Heere het licht Zijns aanschijns van u weggenomen, en voelt u Zijn scherpe berispingen in uw geweten? Dan zult u wellicht vrezen dat Hij in toorn tegen u is. Maar er is geen verbolgenheid in Hem tegen Zijn volk; wel misnoegen tegen hun zonde, en Hij laat dat voelen als een goede en genadige Vader, niet als een rechter die verdoemt.
Ziet u dan eens terug: hebben uw kruis, uw verlies en uw beproevingen uw trotse hart niet vernederd? Hebben zij u niet vaker en met meer behoefte tot de troon der genade gedreven, en de genade zoeter gemaakt? Dan zijn zij niet vruchteloos geweest. Bid dan met de profeet: „Kastijd mij, Heere, doch met mate”, en wees verzekerd dat Hij u niet te niete zal maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Kastijd mij, Heere! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niete maakt.
Jeremia 10:24
„Verbolgenheid is niet in Mij”, zegt de Heere. Nee, er is in Gods hart geen toorn tegen Zijn volk. Zij zijn voor eeuwig „aangenomen in de Geliefde” en staan voor Gods troon zonder vlek en zonder rimpel. Maar er is wel misnoegen over hun zonde, en dat misnoegen laat hun goede en genadige Vader hen voelen wanneer Hij het licht van Zijn aangezicht van hen wegneemt en Zijn scherpe berispingen en bestraffingen in hun geweten zendt. Maar juist deze oordelen helpen hen (Ps. 119:175), want zij leiden tot een nauwkeurig onderzoek van het hart. En omdat het dezelfde goede Geest is Die de berisping geeft en Die berouw schenkt, voelen zij een droefheid naar God, en deze droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid (2 Kor. 7:10).
Stel dan dat ons verdriet, ons kruis, ons verlies, onze ontberingen, rampen in ons gezin, beproevingen van de Kerk, en vooral de bestraffingen en berispingen van God in ons geweten, het middel zijn geweest om onze trotse harten te vernederen en ons te brengen tot een eerlijke belijdenis van onze zonden en afdwalingen en tot een droefheid naar God daarover. Stel dat zij ons werkelijk meer hebben losgemaakt van de wereld, van haar vrienden, haar praktijken, haar beginselen en haar geest. Stel dat zij in Gods hand het middel zijn geweest om de Geest van de genade en van de gebeden in ons hart uit te storten, en om ons gedeelten van Gods Woord te laten verstaan die tot nu toe voor ons verborgen waren. Stel dat zij ons steeds weer en met meer behoefte naar de troon van de genade hebben geleid, ons een dieper inzicht hebben gegeven in de weg van de zaligheid, en de barmhartigheid dierbaarder en de genade zoeter hebben gemaakt. Zijn die beproevingen en bezoekingen dan vruchteloos en ongepast geweest?
Sla ied’re zucht, mijn hart ontgleden,
opmerkend ga. Schenk mij ’t genot
uws heils, mijn Koning en mijn God!
Ik zal tot U met mijn gebeden
eerbiedig treden.
Ps. 5:2
Aan de lezer…
Kind van God, heeft de Heere het licht van Zijn aangezicht van u weggenomen, en voelt u Zijn scherpe berispingen in uw geweten? Dan zult u misschien vrezen dat Hij in toorn tegen u is. Maar er is in Hem geen verbolgenheid tegen Zijn volk; wel misnoegen over hun zonde, en Hij laat dat voelen als een goede en genadige Vader, niet als een rechter die verdoemt.
Kijk dan eens terug: hebben uw kruis, uw verlies en uw beproevingen uw trotse hart niet vernederd? Hebben zij u niet vaker en met meer behoefte naar de troon van de genade gedreven, en de genade zoeter gemaakt? Dan zijn zij niet vruchteloos geweest. Bid dan met de profeet: „Kastijd mij, Heere, doch met mate”, en wees ervan verzekerd dat Hij u niet te niet zal maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O LORD, correct me, but with judgment; not in thine anger, lest thou bring me to nothing.
Jeremiah 10:24
“Fury is not in Me,” says the Lord. No; there is no wrath in the bosom of God against His people. They are forever “accepted in the Beloved,” and stand in Him before the throne of God without spot or wrinkle. But there is displeasure against their sins; and this displeasure their kind and gracious Father makes them feel when He withdraws from them the light of His countenance, and sends His keen reproofs and sharp rebukes into their conscience. But these very “judgments” help them (Ps. 119:175), for they lead to deep searchings of heart; and as the same blessed Spirit Who sets home the reproof, communicates therewith repentance, they sorrow after a godly manner, and this godly sorrow works repentance to salvation not to be repented of (2 Cor. 7:10).
If, then, our afflictions, crosses, losses, bereavements, family troubles, church trials, and more especially if the rebukes and reproofs of God in our own conscience have been a means of humbling our proud hearts, bringing us to honest confession of, and godly sorrow for our sins and backslidings, if they have instrumentally separated us more effectually from the world, its company, its ways, its maxims, and its spirit; if they have, in the good hand of God, stirred up prayer and supplication in our hearts, led us into portions of the Word of truth before hidden from view, laid us more feelingly and continually at the footstool of mercy, given us a deeper insight into the way of salvation, made mercy more dear, and grace more sweet, have these trials and afflictions been either unprofitable or unseasonable?
To the reader…
Child of God, has the Lord withdrawn the light of His countenance from you, and do you feel His sharp rebukes in your conscience? Then perhaps you fear that He is angry with you. But there is no fury in Him against His people; there is displeasure at their sin, and He makes them feel it as a kind and gracious Father, not as a judge who condemns.
Look back, then: have your crosses, your losses and your trials not humbled your proud heart? Have they not driven you to the throne of grace more often and with greater need, and made grace sweeter? Then they have not been fruitless. Pray, then, with the prophet: “O Lord, correct me, but with judgment,” and be assured that He will not bring you to nothing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Castígame, oh Jehová, mas con juicio; no con Tu furor, porque no me aniquiles.
Jeremías 10:24
“No hay enojo en Mí”, dice el Señor. No; no hay ira en el seno de Dios contra Su pueblo. Ellos son para siempre “aceptos en el Amado”, y están en Él delante del trono de Dios sin mancha ni arruga. Pero hay desagrado contra sus pecados; y este desagrado se lo hace sentir su Padre bondadoso y lleno de gracia cuando retira de ellos la luz de Su rostro y envía Sus agudas reprensiones y severas correcciones a su conciencia. Pero estos mismos “juicios” les ayudan (Salmo 119:175), porque conducen a profundos escudriñamientos del corazón; y como el mismo bendito Espíritu que hace llegar la reprensión comunica con ella el arrepentimiento, se entristecen según Dios, y este dolor que es según Dios obra arrepentimiento saludable, de que no hay que arrepentirse (2 Corintios 7:10).
Si, pues, nuestras aflicciones, cruces, pérdidas, duelos, problemas de familia, pruebas en la iglesia, y más especialmente las reprensiones y correcciones de Dios en nuestra propia conciencia, han sido un medio para humillar nuestros corazones orgullosos, llevándonos a una sincera confesión de nuestros pecados y rebeliones y a un dolor según Dios por ellos; si nos han separado más eficazmente, como instrumentos, del mundo, de su compañía, sus caminos, sus máximas y su espíritu; si, en la buena mano de Dios, han despertado oración y súplica en nuestros corazones, nos han llevado a porciones de la Palabra de verdad antes ocultas a nuestra vista, nos han puesto más sentida y continuamente ante el estrado de la misericordia, nos han dado una visión más profunda del camino de la salvación, y han hecho la misericordia más preciosa y la gracia más dulce, ¿han sido estas pruebas y aflicciones sin provecho o fuera de tiempo?
Al lector…
Hijo de Dios, ¿ha retirado el Señor de usted la luz de Su rostro, y siente Sus agudas reprensiones en su conciencia? Quizá teme entonces que Él esté airado con usted. Pero no hay enojo en Él contra Su pueblo; hay desagrado por su pecado, y Él se lo hace sentir como un Padre bondadoso y lleno de gracia, no como un juez que condena.
Mire, pues, atrás: ¿no han humillado su corazón orgulloso sus cruces, sus pérdidas y sus pruebas? ¿No le han llevado al trono de la gracia más a menudo y con mayor necesidad, y no han hecho más dulce la gracia? Entonces no han sido infructuosas. Ore, pues, con el profeta: “Castígame, oh Jehová, mas con juicio”, y tenga la seguridad de que Él no le aniquilará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl