23 maart
De Heere zal genade en eer geven.
Psalm 84:12
Waar de Heere genade geeft, daar geeft Hij met de genade heerlijkheid. Daarom lezen wij: „En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.” Dus heeft Hij hen alreeds, zelfs terwijl zij hier op aarde zijn, deelgenoten gemaakt van Zijn heerlijkheid, en dit door hen deelgenoten te maken van Zijn genade. Want gelijk in de knop de bloesem is en in de bloesem de vrucht, zo is in de genade de bloesem der heerlijkheid in de knop. Want genade is begonnen heerlijkheid, en de heerlijkheid volgt op de genade.
Maar wat is heerlijkheid? Gezien als toekomende, in haar volle voltooiing, is het met Jezus te zijn in het Koninkrijk van eeuwige zegeningen, waar de tranen van alle aangezichten zullen afgewist zijn. Het is Hem te zien gelijk Hij is; Zijn heerlijk beeld gelijkvormig te zijn en verlost te zijn van alle zonde en smart; volkomen bevrijd van alle verzoekingen, beproevingen, lasten en ongemakken, en voor eeuwig te wonen in dat zalig land, waar geen inwoner zal zeggen: „Ik ben ziek.” Aldaar wordt niet gevonden een vermoeid lichaam, een belaste consciëntie, een ontrust gemoed, een uitgeputte en vermoeide geest. In één woord, daar zal men hebben een verheerlijkt lichaam, verenigd met een verheerlijkte ziel, en voor beide, ziel en lichaam, een volkomen blijdschap en heiligheid en zaligheid, zoveel als een onsterfelijke geest zal kunnen bevatten en een onsterfelijk lichaam zal kunnen verdragen. Daar zal men ten volle verzadigd worden met liefelijkheden aan Gods rechterhand.
Maar geen mens kan zich een gedachte vormen, noch een tong het uitspreken, waarin de natuur en volkomenheid van deze heerlijkheid bestaat; want geen oog heeft het gezien, noch een oor gehoord, noch in eens mensen hart is het opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben. Zie, al deze heerlijkheid zal de Heere geven aan degenen die Hij hier bereids Zijn genade geschonken heeft. Hij geeft hun nu genade om hen door deze woeste wereld heen te helpen, door dit tranendal, dit toneel van verzoeking, zonde en smart; en wanneer Hij hen zal doen aanlanden op het hemels strand, dan zal Hij daar de volheid der heerlijkheid schenken. Dan zal ten volle des Verlossers bede en wil de vervulling krijgen: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld” (Joh. 17:24).
Hun recht en aanspraak tot de genieting van deze gepredestineerde erfenis zijn en worden vast bewaard in de handen van hun Verbondshoofd, en Hij zal, zittende aan Gods rechterhand, hen in alle weg bewaren, zodat al hun verzoekingen, vijanden, zonden en droefenissen hen niet zullen kunnen verhinderen het strand te bereiken waar God bepaald heeft dat zij veilig zullen landen. Satan moge duizend strikken spannen om hen te verstrikken; er moge geen dag, nauwelijks een uur passeren dat zij niet gekweld worden door de inwonende zonde; duizenden begeerten mogen vanuit de diepte van hun vleselijk gemoed de kop opsteken en menige benauwing over schuld en beroering van vertwijfeling moge hen bij tijden geheel van het eeuwige leven schijnen af te snijden, nochtans zal de Heere, waar Hij genade gegeven heeft, de heerlijkheid schenken.
Want als Hij genade geeft met de linkerhand, geeft Hij heerlijkheid met de rechter. Ja, wij mogen zeggen dat Hij met beide handen op hetzelfde ogenblik genade en heerlijkheid geeft, want waar genade en heerlijkheid uit hetzelfde liefdevolle hart stromen en geschonken worden door dezelfde liefdragende Jehova, daar mag gezegd worden dat ze door beide handen en op één en dezelfde tijd geschonken worden. Een voorproefje van deze heerlijkheid wordt op aarde geschonken in elke ontdekking van Christus, gelijk de Heere spreekt: „En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt.” Alreeds gegeven. En dit deed Hij toen Hij Zijn heerlijkheid openbaarde; „en Zijn discipelen geloofden in Hem” (Joh. 17:22 en 2:11).
Aan de lezer…
Misschien gaat er nauwelijks een uur voorbij dat u niet gekweld wordt door de inwonende zonde, en schijnt menige benauwing u bij tijden geheel van het eeuwige leven af te snijden. Waarde lezer, hoor dan wat hier geschreven staat: de Heere zal genade en eer geven. Waar Hij genade geeft, daar geeft Hij ook heerlijkheid. Gelijk in de knop de bloesem is en in de bloesem de vrucht, zo ligt in de geringste genade al de heerlijkheid besloten.
Hij geeft u nu genade om door dit tranendal heen te komen, door dit toneel van verzoeking, zonde en smart. Uw recht op de erfenis ligt niet in uw eigen hand, maar wordt vast bewaard in de handen van uw Verbondshoofd aan Gods rechterhand. Satan moge strikken spannen, begeerten mogen de kop opsteken, maar zij zullen u niet verhinderen het strand te bereiken. Wat Zijn linkerhand begon, zal Zijn rechterhand voltooien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere zal genade en eer geven.
Psalm 84:12
Waar de Heere genade geeft, daar geeft Hij met de genade heerlijkheid. Daarom lezen wij: „En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.” Zo heeft Hij hen al, zelfs terwijl zij hier op aarde zijn, deelgenoten gemaakt van Zijn heerlijkheid, en dat doordat Hij hen deelgenoten maakte van Zijn genade. Want zoals in de knop de bloesem zit en in de bloesem de vrucht, zo zit in de genade de bloesem van de heerlijkheid in de knop. Want genade is begonnen heerlijkheid, en de heerlijkheid volgt op de genade.
Maar wat is heerlijkheid? Gezien als iets toekomstigs, in haar volle voltooiing, is het met Jezus te zijn in het Koninkrijk van eeuwige zegeningen, waar de tranen van alle aangezichten afgewist zullen zijn. Het is Hem te zien zoals Hij is, gelijkvormig te zijn aan Zijn heerlijk beeld en verlost te zijn van alle zonde en smart. Het is volkomen bevrijd te zijn van alle verzoekingen, beproevingen, lasten en ongemakken, en voor eeuwig te wonen in dat zalige land waar geen inwoner zal zeggen: „Ik ben ziek.” Daar wordt niet gevonden: een vermoeid lichaam, een belast geweten, een onrustig gemoed, een uitgeputte en vermoeide geest. Kortom, daar zal men een verheerlijkt lichaam hebben, verenigd met een verheerlijkte ziel, en voor beide, ziel en lichaam, een volkomen blijdschap, heiligheid en zaligheid, zoveel als een onsterfelijke geest kan bevatten en een onsterfelijk lichaam kan verdragen. Daar zal men ten volle verzadigd worden met de liefelijkheden aan Gods rechterhand.
Maar geen mens kan zich voorstellen, en geen tong kan uitspreken, waarin de aard en volkomenheid van deze heerlijkheid bestaat; want geen oog heeft het gezien, geen oor gehoord, en in geen mensenhart is het opgekomen wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. Zie, al deze heerlijkheid zal de Heere geven aan hen aan wie Hij hier Zijn genade al geschonken heeft. Hij geeft hun nu genade om hen door deze woeste wereld heen te helpen, door dit tranendal, dit toneel van verzoeking, zonde en smart. En wanneer Hij hen laat aanlanden op het hemelse strand, dan zal Hij hun daar de volheid van de heerlijkheid schenken. Dan zal het gebed en de wil van de Verlosser ten volle vervuld worden: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld” (Joh. 17:24).
Hun recht op en hun aanspraak op het genieten van deze voorbeschikte erfenis zijn en worden veilig bewaard in de handen van hun Verbondshoofd. Hij zit aan Gods rechterhand en zal hen op hun hele weg bewaren, zodat al hun verzoekingen, vijanden, zonden en droefheden hen niet kunnen verhinderen het strand te bereiken waar zij volgens Gods bepaling veilig zullen landen. Satan mag duizend strikken spannen om hen te vangen; er mag geen dag, nauwelijks een uur voorbijgaan zonder dat zij gekweld worden door de inwonende zonde; duizenden begeerten mogen uit de diepte van hun vleselijk gemoed de kop opsteken, en menige benauwdheid over schuld en onrust door wanhoop mag hen soms helemaal van het eeuwige leven lijken af te snijden; toch zal de Heere, waar Hij genade gegeven heeft, de heerlijkheid schenken.
Want als Hij genade geeft met de linkerhand, geeft Hij heerlijkheid met de rechter. Ja, wij mogen zeggen dat Hij met beide handen op hetzelfde ogenblik genade en heerlijkheid geeft. Want waar genade en heerlijkheid uit hetzelfde liefdevolle hart stromen en geschonken worden door dezelfde liefhebbende Jehovah, daar mag gezegd worden dat ze met beide handen en op één en dezelfde tijd geschonken worden. Een voorproefje van deze heerlijkheid wordt op aarde geschonken in elke ontdekking van Christus, zoals de Heere zegt: „En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt.” Al gegeven. En dat deed Hij toen Hij Zijn heerlijkheid openbaarde; „en Zijn discipelen geloofden in Hem” (Joh. 17:22 en 2:11).
Aan de lezer…
Misschien gaat er nauwelijks een uur voorbij zonder dat u gekweld wordt door de inwonende zonde, en lijkt menige benauwdheid u soms helemaal van het eeuwige leven af te snijden. Hoor dan wat hier geschreven staat: de Heere zal genade en eer geven. Waar Hij genade geeft, daar geeft Hij ook heerlijkheid. Zoals in de knop de bloesem zit en in de bloesem de vrucht, zo ligt in de geringste genade al de heerlijkheid besloten.
Hij geeft u nu genade om door dit tranendal heen te komen, door dit toneel van verzoeking, zonde en smart. Uw recht op de erfenis ligt niet in uw eigen hand, maar wordt veilig bewaard in de handen van uw Verbondshoofd aan Gods rechterhand. Satan mag strikken spannen en begeerten mogen de kop opsteken, maar zij zullen u niet verhinderen het strand te bereiken. Wat Zijn linkerhand begon, zal Zijn rechterhand voltooien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The Lord will give grace and glory.”
Psalm 84:11
Wherever the Lord gives grace, He in and with that grace gives glory. We, therefore, read, “Moreover whom He did predestinate, them He also called; and whom He called, them He also justified; and whom He justified, them He also glorified.” Thus He has already made them, even while on earth, partakers of His glory; and this by making them partakers of His grace; for as in the bud is the bloom, and in the bloom the fruit, so in budding grace is blooming glory—grace being but glory begun, and glory being but grace finished.
But what is “glory?” Viewed as future, in its full consummation, it is to be with Jesus in realms of eternal bliss, where tears are wiped from off all faces; it is to see Him as He is; to be conformed to His glorious likeness; to be delivered from all sin and sorrow; to be perfectly free from all temptations, trials, burdens, and exercises, and to dwell forever in that happy land, “the inhabitants of which shall not say, I am sick;” where a weary body, a burdened conscience, a troubled heart, a faint and weary mind, are utterly and forever unknown.
In a word, it is to have a glorified body re-united to a glorified soul, and for both to be as full of happiness and holiness, bliss and blessedness, as an immortal spirit can hold, and an immortal frame can endure, drinking in to the full, with unutterable satisfaction but without satiety, the pleasures that are at God’s right hand for evermore.
But no human heart can conceive, nor human tongue unfold in what the nature and fullness of this glory consist; for “eye has not seen, nor ear heard, neither have entered into the heart of man, the things which God has prepared for those who love Him.” Yet all this glory will the Lord give to those upon whom He has already bestowed His grace. He gives them grace now, to bring them through this wilderness world, this valley of tears, this scene of temptation, sin, and sorrow; and when He lands them on that happy shore, He gives them there the fullness of His glory. Then will be fully accomplished the Redeemer’s prayer and will—“Father, I will that they also, whom Thou hast given Me, be with Me where I am; that they may behold My glory, which Thou hast given Me: for Thou lovedst Me before the foundation of the world” (John 17:24).
Their right and title to the enjoyment of this predestinated inheritance are securely lodged in the hands of their covenant Head; and He living at God’s right hand to save them to the uttermost, all their temptations, enemies, sins, and sorrows can never hinder them from reaching the shore on which God has decreed they shall safely land. Satan may spread a thousand snares to entangle their feet; not a day or scarcely an hour may pass that they are not burdened with indwelling sin; a myriad of lusts may start up in arms from the depths of their carnal mind; and many a pang of guilt and chill of despair may seem at times wholly to cut them off from eternal life.
But yet, where the Lord has given grace He will give glory; for when He gives grace with the left hand, He gives glory with the right; yes, we may say that with both hands He gives at once both grace and glory; for as grace and glory flow out of the same loving heart, and are given by the same loving God, they may be said to be given by both hands at one and the same time. A portion or foretaste of this glory is given on earth in every discovery of the glory of Christ; as the Lord speaks, “And the glory which Thou gavest Me I have given them”—already given them; and this He did when “He manifested forth His glory, and His disciples believed on Him” (John 17:22; 2:11).
To the reader…
Perhaps hardly an hour goes by without your being troubled by indwelling sin, and many a distress seems at times to cut you off altogether from eternal life. Then hear what is written here: the Lord will give grace and glory. Where He gives grace, He also gives glory. Just as the blossom lies in the bud and the fruit in the blossom, so the glory already lies enfolded in the least grace.
He gives you grace now to come through this valley of tears, through this scene of temptation, sin and sorrow. Your right to the inheritance does not lie in your own hand, but is kept safely in the hands of your covenant Head at God’s right hand. Satan may spread his snares and lusts may raise their heads, but they will not hinder you from reaching the shore. What His left hand began, His right hand will complete.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Gracia y gloria dará Jehová.”
Salmo 84:11
Dondequiera que el Señor da gracia, en esa gracia y con ella da gloria. Por eso leemos: “Y a los que predestinó, a estos también llamó; y a los que llamó, a estos también justificó; y a los que justificó, a estos también glorificó.” Así Él ya los ha hecho, aun estando en la tierra, partícipes de Su gloria; y esto haciéndolos partícipes de Su gracia; porque así como en el capullo está la flor, y en la flor el fruto, así en la gracia que brota está la gloria que florece: la gracia no es sino gloria comenzada, y la gloria no es sino gracia acabada.
Pero ¿qué es la “gloria”? Considerada como futura, en su plena consumación, es estar con Jesús en las regiones de la dicha eterna, donde se enjugan las lágrimas de todos los rostros; es verle como Él es; ser conformados a Su gloriosa semejanza; ser librados de todo pecado y tristeza; estar perfectamente libres de todas las tentaciones, pruebas, cargas y ejercicios, y morar para siempre en aquella tierra dichosa, donde “no dirá el morador: Estoy enfermo”; donde un cuerpo cansado, una conciencia cargada, un corazón turbado, una mente desfallecida y fatigada son del todo y para siempre desconocidos.
En una palabra, es tener un cuerpo glorificado reunido con un alma glorificada, y que ambos estén tan llenos de felicidad y santidad, dicha y bienaventuranza, como un espíritu inmortal puede contener y un cuerpo inmortal puede soportar, bebiendo hasta la plenitud, con satisfacción indecible pero sin hastío, los deleites que hay a la diestra de Dios para siempre.
Pero ningún corazón humano puede concebir, ni lengua humana desplegar, en qué consisten la naturaleza y la plenitud de esta gloria; porque “cosas que ojo no vio, ni oreja oyó, ni han subido en corazón de hombre, son las que ha Dios preparado para aquellos que Le aman”. Sin embargo, toda esta gloria la dará el Señor a aquellos a quienes ya ha otorgado Su gracia. Les da gracia ahora para llevarlos a través de este mundo desierto, este valle de lágrimas, este escenario de tentación, pecado y tristeza; y cuando los deja en aquella orilla dichosa, les da allí la plenitud de Su gloria. Entonces se cumplirán plenamente la oración y la voluntad del Redentor: “Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo; para que vean Mi gloria que Me has dado: por cuanto Me has amado desde antes de la constitución del mundo” (Juan 17:24).
Su derecho y título al goce de esta herencia predestinada están guardados con seguridad en las manos de su Cabeza del pacto; y viviendo Él a la diestra de Dios para salvarlos eternamente, todas sus tentaciones, enemigos, pecados y tristezas nunca podrán impedirles llegar a la orilla en la que Dios ha decretado que desembarcarán a salvo. Satanás puede tender mil lazos para enredar sus pies; quizá no pase un día, apenas una hora, sin que estén cargados con el pecado que mora en ellos; una miríada de concupiscencias puede alzarse en armas desde las profundidades de su mente carnal; y muchas punzadas de culpa y escalofríos de desesperación pueden parecer a veces cortarlos por completo de la vida eterna.
Pero aun así, donde el Señor ha dado gracia, dará gloria; porque cuando da gracia con la mano izquierda, da gloria con la derecha; sí, podemos decir que con ambas manos da a la vez gracia y gloria; porque, como la gracia y la gloria fluyen del mismo corazón amante y son dadas por el mismo Dios amante, puede decirse que son dadas con ambas manos al mismo tiempo. Una porción o anticipo de esta gloria se da en la tierra en cada descubrimiento de la gloria de Cristo; como dice el Señor: “Y Yo, la gloria que Me diste les he dado”, ya se la ha dado; y esto lo hizo cuando “manifestó Su gloria; y Sus discípulos creyeron en Él” (Juan 17:22; 2:11).
Al lector…
Quizá apenas pase una hora sin que le turbe el pecado que mora en usted, y muchas angustias parecen a veces cortarle por completo de la vida eterna. Escuche entonces lo que aquí está escrito: gracia y gloria dará Jehová. Donde Él da gracia, da también gloria. Así como la flor está en el capullo y el fruto en la flor, así la gloria está ya envuelta en la más pequeña gracia.
Él le da gracia ahora para atravesar este valle de lágrimas, este escenario de tentación, pecado y tristeza. Su derecho a la herencia no está en su propia mano, sino guardado con seguridad en las manos de su Cabeza del pacto, a la diestra de Dios. Satanás puede tender sus lazos y las concupiscencias pueden levantar la cabeza, pero no le impedirán llegar a la orilla. Lo que Su mano izquierda comenzó, Su mano derecha lo completará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl