23 de julio
Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.
Klaagliederen 5:21
Indien wij onszelf niet wensen te bedriegen: als God ons eerlijk gemaakt heeft, als Hij Zijn vrees in onze harten geplant heeft, als Hij een goed werk in ons begonnen is, dan zullen er bewijzen van het leven Gods in ons zijn. Het leven is het begin der zaligheid als een inwendige werkelijkheid. Want hoedanig de eeuwige bedoelingen Gods ook zijn, of wat stand of plaats het vat der genade in Christus ook heeft, vóór het daadwerkelijk geroepen wordt, is er net zomin beweging in de ziel naar God als er natuurlijk leven en beweging is in een zielloos lichaam dat op het kerkhof begraven ligt. Doch waar het Goddelijk leven is ingeplant, daar zullen zekere vruchten uit dat leven gezien worden.
Eén van die vruchten is dat men een klacht voortbrengt, en deze zal somtijds ontstaan uit een gevoel van de zondelast, of wel uit een besef van de verdiende kastijding van God om de zonde. Maar waar dit een geestelijk klagen inhoudt, daar zal het vergezeld gaan van het aanvaarden der straf vanwege onze ongerechtigheid, en zal men de mond in het stof steken. Dus waar geestelijk leven gevonden wordt, daar zal men een klagen, een belijden en een onderwerping vinden, waarvan het gevolg is ootmoedigheid, verbrokenheid en vernedering. Dit breekt onze laatdunkendheid en eigengerechtigheid aan stukken en baart een onderzoeken en beproeven van onze wegen, of zij uit God zijn.
Dit onderzoek zal meestentijds een pijnlijke overtuiging voortbrengen, namelijk dat het grootste deel daarvan in het vlees geweest is, of er zullen ten minste bange verdenkingen opdoemen, die niet verholpen kunnen worden dan door een bijzonder getuigenis van de Heere alleen. Dit veroorzaakt een uitgang der ziel tot Hem, en zij roept uit: „Laat ons wederkeren tot de Heere”, en het hart keert zich tot Hem als de enige Bron en Auteur van alle goede gaven. En waar de levendgemaakte ziel weet dat Hij een hartdoorzoekend God is, zullen deze indrukken alle huichelarij en onoprechtheid uitdrijven, en zij zullen de oprechtheid en Goddelijke vrees doen toenemen. En de gezegende vrucht en het gevolg van al dit onderzoek zal zijn dat wij dierbare antwoorden, Goddelijke getuigenissen, toelachingen van het vriendelijke gezicht van de Zaligmaker, zoete inspraken van Gods eeuwige gunst en het gezegend getuigenis des Geestes in ons zullen ontvangen.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u vreest dat er geen leven Gods in u is, omdat u meer klaagt dan juicht. Weet dan dat een zielloos lichaam op het kerkhof niet klaagt. Waar de last der zonde gevoeld wordt, waar de mond in het stof gaat, waar men zijn wegen onderzoekt of zij uit God zijn, daar is het Goddelijk leven ingeplant. Dat pijnlijke onderzoek, dat u zo vaak doet vrezen dat het meeste in het vlees geweest is, is zelf een vrucht van Zijn werk.
Laat het u dan uitdrijven tot Hem, met de bede: „Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn.” Uw bange verdenkingen kunnen door geen mens worden verholpen, maar wel door een getuigenis van de Heere alleen. Hij is een hartdoorzoekend God, en Hij weet wat Hij in u begonnen is. Wacht op Hem; Hij kan u nog verkwikken met een toelachen van Zijn vriendelijk aangezicht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.
Klaagliederen 5:21
Als wij onszelf niet willen bedriegen, dan geldt dit: als God ons oprecht gemaakt heeft, als Hij Zijn vrees in onze harten geplant heeft, als Hij een goed werk in ons begonnen is, dan zullen er bewijzen van het leven van God in ons zijn. Het leven is het begin van de zaligheid als een innerlijke werkelijkheid. Want wat de eeuwige bedoelingen van God ook zijn, en welke staat of plaats het vat van genade in Christus ook heeft, vóórdat het daadwerkelijk geroepen wordt, is er net zomin beweging in de ziel naar God als er natuurlijk leven en beweging is in een zielloos lichaam dat op het kerkhof begraven ligt. Maar waar het Goddelijk leven is ingeplant, daar zullen bepaalde vruchten van dat leven gezien worden.
Een van die vruchten is dat men klaagt. Dat klagen zal soms voortkomen uit een gevoel van de last van de zonde, of uit een besef van de verdiende kastijding van God om de zonde. Maar waar het een geestelijk klagen is, zal het samengaan met het aanvaarden van de straf voor onze ongerechtigheid, en zal men de mond in het stof steken. Waar geestelijk leven gevonden wordt, zal men dus een klagen, een belijden en een onderwerping vinden, met als gevolg ootmoed, verbrokenheid en vernedering. Dat breekt onze verwaandheid en eigengerechtigheid aan stukken, en brengt een onderzoeken en beproeven van onze wegen voort, of zij uit God zijn.
Dit onderzoek zal meestal een pijnlijke overtuiging opleveren, namelijk dat het grootste deel daarvan in het vlees geweest is; of er zullen in elk geval bange vermoedens opkomen, die alleen verholpen kunnen worden door een bijzonder getuigenis van de Heere. Dat doet de ziel naar Hem uitgaan, en zij roept uit: „Laat ons wederkeren tot de Heere”; en het hart keert zich tot Hem als de enige Bron en Auteur van alle goede gaven. En waar de levendgemaakte ziel weet dat Hij een God is Die het hart doorzoekt, zullen deze indrukken alle huichelarij en onoprechtheid uitdrijven en de oprechtheid en de Goddelijke vrees doen toenemen. De gezegende vrucht en het gevolg van al dit onderzoek zal zijn dat wij dierbare antwoorden ontvangen, Goddelijke getuigenissen, de glimlach van het vriendelijk aangezicht van de Zaligmaker, zoete inspraken van Gods eeuwige gunst en het gezegend getuigenis van de Geest in ons.
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u vreest dat er geen leven van God in u is, omdat u meer klaagt dan juicht. Weet dan dat een zielloos lichaam op het kerkhof niet klaagt. Waar de last van de zonde gevoeld wordt, waar de mond in het stof gaat, waar men zijn wegen onderzoekt of zij uit God zijn, daar is het Goddelijk leven ingeplant. Dat pijnlijke onderzoek, dat u zo vaak doet vrezen dat het meeste in het vlees geweest is, is zelf een vrucht van Zijn werk.
Laat het u dan naar Hem uitdrijven, met de bede: „Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn.” Uw bange vermoedens kunnen door geen mens worden weggenomen, maar wel door een getuigenis van de Heere alleen. Hij is een God Die het hart doorzoekt, en Hij weet wat Hij in u begonnen is. Wacht op Hem; Hij kan u nog verkwikken met de glimlach van Zijn vriendelijk aangezicht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Turn thou us unto thee, O LORD, and we shall be turned; renew our days as of old.”
Lamentations 5:21
If we do not wish to deceive ourselves, if God has made us honest, if He has planted His fear in our hearts, if He has begun and is carrying on a good work in us, there will be evidences of the existence of the life of God within. Life is the commencement of salvation as an inward reality; for whatever the eternal purposes of God are, or whatever standing the vessel of mercy has in Christ previous to effectual calling, there is no more movement in the soul Godwards until life is imparted, than there is natural life and motion in a breathless corpse that lies interred in the churchyard.
But wherever divine life is implanted there will be certain fruits and feelings that spring out of this life. One fruit will be ‘complaint’, and this will arise sometimes from a feeling of the burden of sin, and at others from a sense of merited chastisement from God on account of it. But wherever this complaining is spiritual, there will be accompanying it “an accepting the punishment of our iniquity,” and “a putting of our mouth in the dust.” Thus where there is spiritual life there will be complaint, confession, and submission; the effect being meekness, brokenness, and humility.
This breaks to pieces self-conceit and self-justification, and the result is a searching and trying our ways whether they are of God. The fruit of this search will be, for the most part, a solemn and painful conviction that the greater part have been in the flesh; or, at least, there will be many anxious suspicions which cannot be relieved except by an express testimony from the Lord Himself. This produces a going out of soul unto Him, the cry now being, “Let us turn again to the Lord;” and towards Him the heart turns as to the only Source and Author of every good and perfect gift.
As the quickened soul knows that He is a heart-searching God, this appeal will purge away much hypocrisy and insincerity, and deepen uprightness, sincerity, and godly integrity. And the blessed fruit and end of all this sifting work will be a coming down of gracious answers, divine testimonies, smiles of the Saviour’s loving countenance, soft whispers of God’s eternal favor, and the blessed witness of the Spirit within.
To the reader…
There are days when you fear there is no life of God in you, because you complain more than you rejoice. Know, then, that a lifeless body in the churchyard does not complain. Where the burden of sin is felt, where the mouth is put in the dust, where one searches one’s ways whether they are of God, there divine life has been implanted. That painful searching, which so often makes you fear that most of it has been in the flesh, is itself a fruit of His work.
Let it drive you out to Him, then, with the prayer, “Turn Thou us unto Thee, O Lord, and we shall be turned.” Your anxious suspicions cannot be taken away by any man, but only by a testimony from the Lord Himself. He is a heart-searching God, and He knows what He has begun in you. Wait upon Him; He can yet refresh you with the smile of His loving countenance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Vuélvenos, oh Jehová, á ti, y nos volveremos: renueva nuestros días como al principio.”
Lamentaciones 5:21
Si no queremos engañarnos a nosotros mismos, si Dios nos ha hecho sinceros, si ha plantado Su temor en nuestros corazones, si ha comenzado y está llevando adelante una buena obra en nosotros, habrá evidencias de la existencia de la vida de Dios dentro de nosotros. La vida es el comienzo de la salvación como realidad interior; pues, sean cuales sean los propósitos eternos de Dios, o sea cual sea la posición que el vaso de misericordia tiene en Cristo antes del llamamiento eficaz, no hay más movimiento del alma hacia Dios hasta que se imparte la vida, del que hay vida y movimiento natural en un cadáver sin aliento enterrado en el cementerio.
Pero dondequiera que se implanta la vida divina, habrá ciertos frutos y sentimientos que brotan de esa vida. Un fruto será la ‘queja’, y esta surgirá a veces de un sentimiento de la carga del pecado, y otras veces de un sentido del castigo merecido de parte de Dios a causa de él. Pero dondequiera que esta queja sea espiritual, irá acompañada de “un aceptar el castigo de nuestra iniquidad” y de “un poner nuestra boca en el polvo”. Así, donde hay vida espiritual habrá queja, confesión y sumisión; y el efecto será mansedumbre, quebranto y humildad.
Esto hace pedazos la presunción y la justificación propia, y el resultado es un escudriñar y examinar nuestros caminos, para ver si son de Dios. El fruto de este examen será, en su mayor parte, una solemne y dolorosa convicción de que la mayor parte de ellos han sido en la carne; o, al menos, habrá muchas sospechas ansiosas que no pueden aliviarse sino por un testimonio expreso del Señor mismo. Esto produce una salida del alma hacia Él, siendo ahora el clamor: “Volvámonos á Jehová”; y hacia Él se vuelve el corazón como a la única Fuente y Autor de toda buena dádiva y todo don perfecto.
Como el alma vivificada sabe que Él es un Dios que escudriña los corazones, esta apelación purgará mucha hipocresía y falta de sinceridad, y hará más honda la rectitud, la sinceridad y la integridad piadosa. Y el bendito fruto y fin de toda esta obra de zarandeo será que desciendan respuestas llenas de gracia, testimonios divinos, sonrisas del amoroso rostro del Salvador, suaves susurros del favor eterno de Dios y el bendito testimonio del Espíritu dentro.
Al lector…
Hay días en que usted teme que no haya vida de Dios en usted, porque se queja más de lo que se regocija. Sepa, entonces, que un cuerpo sin vida en el cementerio no se queja. Donde se siente la carga del pecado, donde se pone la boca en el polvo, donde uno examina sus caminos para ver si son de Dios, allí ha sido implantada la vida divina. Ese doloroso examen, que tantas veces le hace temer que la mayor parte ha sido en la carne, es él mismo un fruto de Su obra.
Deje, pues, que le lleve hacia Él con la oración: “Vuélvenos, oh Jehová, a Ti, y nos volveremos.” Sus sospechas ansiosas no puede quitarlas ningún hombre, sino solo un testimonio del Señor mismo. Él es un Dios que escudriña los corazones, y sabe lo que ha comenzado en usted. Espere en Él; aún puede refrescarle con la sonrisa de Su amoroso rostro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl