February 21
Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel.
Deut. 32:39
Het werk der genade in de ziel dringt bij de aanvang in tot diep in de meest verborgen schuilhoeken. Het wondt en legt de consciëntie open voor het oog van de oneindige Zuiverheid en Heiligheid. De opening Uwer woorden — dat is de allereerste opening — geeft licht. Het Woord Gods is levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten. Alle overtuiging moet, zal zij ware overtuiging zijn, een doorgaande overtuiging zijn.
Het veld moet geploegd, opengelegd en van voren voorzien worden, aleer het zaad een geschikte plaats kan hebben om te kunnen ontkiemen en groeien. Er is veel te doen in het hart van een zondaar, vóór Christus door het geloof in hem wonen kan en hij hoop kan scheppen op de heerlijkheid. Het hart is van nature zeer hard; doornen en distelen en stekelen zijn er zeer overvloedig; het vuile onkruid van hoogmoed en boze lusten heeft diepe wortelen. Veel komt er voor de dag van deze boezemzonden, evenals van onze ingeschapen gerechtigheid en vleselijke heiligheid, eigen kracht en genoegzaamheid. En dit is nodig om ons vatbaar te maken voor vrije genade, ook om ons af te zonderen van de wereld en valse belijders; om ons dus de gewenste dingen van de tijd en het genoegen bitter te maken en te doen worstelen om genade aan de voet van het kruis.
Daarom moet het eerste werk der overtuiging diep indringen, teneinde plaats te maken voor Christus en de zaligheid. En zo is het met elke openbaring of ontdekking van de Heere Jezus Christus, met elke toepassing van Zijn bloed, met elk bezoek van Zijn tegenwoordigheid of uitstorting van Zijn liefde. Deze Goddelijke zaken drijven zo niet aan de oppervlakte, maar gaan dieper en dringen diep in het hart, in de binnenste schuilhoeken daarvan. Hoe spoedig is alles verloren en vergeten, behalve dan wat de gezegende Geest Zelf in het hart schrijft.
De mensen zeggen: „Wij hebben goed geluisterd”, maar alles is al verloren en vergeten vóór zij thuis zijn gekomen uit het huis des gebeds. Zij lezen een kapittel, doen de Bijbel toe en daarmede is ook al wat zij gehoord hebben toegesloten. Velen hebben voorbijgaande angsten of benauwdheden onder overtuiging; voorbijgaande begeerten, die maar weinig bewijs van het leven geven, door des Geestes zalving gewerkt.
De Geest Gods laat de kinderen van God niet zo los henen gaan. Hij houdt het werk der overtuiging gaande, totdat Hij hen in de dadelijkheid verslagen heeft. En wanneer Hij hen zegent, heelt Hij hen evenzeer als Hij hen wondt, en Hij openbaart het Evangelie even krachtig als Hij de wet toepast.
Aan de lezer…
Lezer, voelt u de wond nog? Heeft het Woord Gods als een tweesnijdend zwaard uw hart opengelegd, zodat u de hoogmoed, de boze lusten en uw eigen gerechtigheid ziet, die zulke diepe wortels hebben? Het is pijnlijk als het veld zo geploegd wordt, en misschien vreest u dat het nooit ophoudt. Maar dit diepe werk is geen teken van Gods toorn; het maakt plaats voor Christus en voor de vrije genade.
De Geest Gods laat Zijn kinderen niet los. Hij Die wondt, heelt ook; Hij Die de wet toepast, openbaart ook het Evangelie met dezelfde kracht. „Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel.” Wees dan niet tevreden met een voorbijgaande ontroering die vergeten is voordat u thuis bent, maar vraag dat Hij Zelf Zijn Woord in uw hart schrijve. Wat Hij daar schrijft, blijft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel.
Deut. 32:39
Het werk van de genade in de ziel dringt bij het begin door tot diep in de meest verborgen schuilhoeken. Het wondt het geweten en legt het open voor het oog van de oneindige Zuiverheid en Heiligheid. De opening van Uw woorden, dat is de allereerste opening, geeft licht. Het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van ziel en geest, van de samenvoegingen en het merg, en is een oordeler van de gedachten en de overleggingen van het hart. Alle overtuiging moet, als zij ware overtuiging wil zijn, een doordringende overtuiging zijn.
Het veld moet geploegd, opengebroken en van voren voorzien worden, voordat het zaad een geschikte plaats heeft om te kunnen ontkiemen en groeien. Er moet veel gebeuren in het hart van een zondaar voordat Christus door het geloof in hem kan wonen en hij hoop kan krijgen op de heerlijkheid. Het hart is van nature heel hard; doornen, distels en stekels groeien er in overvloed, en het vuile onkruid van hoogmoed en boze lusten heeft diepe wortels. Veel van deze boezemzonden komt aan het licht, evenals onze aangeboren gerechtigheid en vleselijke heiligheid, onze eigen kracht en genoegzaamheid. Dat is nodig om ons ontvankelijk te maken voor vrije genade, en ook om ons af te zonderen van de wereld en van valse belijders. Zo worden de begeerlijke dingen van de tijd en het genoegen ons bitter gemaakt, en leren wij worstelen om genade aan de voet van het kruis.
Daarom moet het eerste werk van de overtuiging diep indringen, om plaats te maken voor Christus en de zaligheid. En zo is het met elke openbaring of ontdekking van de Heere Jezus Christus, met elke toepassing van Zijn bloed, met elk bezoek van Zijn tegenwoordigheid of uitstorting van Zijn liefde. Deze Goddelijke zaken drijven niet zomaar aan de oppervlakte, maar gaan dieper en dringen diep in het hart door, tot in de binnenste schuilhoeken ervan. Hoe snel is alles verloren en vergeten, behalve wat de gezegende Geest Zelf in het hart schrijft.
De mensen zeggen: „Wij hebben goed geluisterd”, maar alles is al verloren en vergeten voordat zij uit het huis des gebeds thuisgekomen zijn. Zij lezen een hoofdstuk, doen de Bijbel dicht, en daarmee is ook alles wat zij gehoord hebben weggesloten. Velen hebben onder overtuiging voorbijgaande angsten of benauwdheden, voorbijgaande verlangens, die maar weinig bewijs geven van het leven dat door de zalving van de Geest gewerkt wordt.
De Geest van God laat de kinderen van God niet zo los gaan. Hij houdt het werk van de overtuiging gaande totdat Hij hen werkelijk verslagen heeft. En wanneer Hij hen zegent, heelt Hij hen evenzeer als Hij hen wondt, en Hij openbaart het Evangelie even krachtig als Hij de wet toepast.
Aan de lezer…
Lezer, voelt u de wond nog? Heeft het Woord van God als een tweesnijdend zwaard uw hart opengelegd, zodat u de hoogmoed, de boze lusten en uw eigen gerechtigheid ziet, die zulke diepe wortels hebben? Het is pijnlijk als het veld zo geploegd wordt, en misschien vreest u dat het nooit ophoudt. Maar dit diepe werk is geen teken van Gods toorn; het maakt plaats voor Christus en voor de vrije genade.
De Geest van God laat Zijn kinderen niet los. Hij Die wondt, heelt ook; Hij Die de wet toepast, openbaart ook het Evangelie met dezelfde kracht. „Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel.” Wees dan niet tevreden met een voorbijgaande ontroering die vergeten is voordat u thuis bent, maar vraag of Hij Zelf Zijn Woord in uw hart wil schrijven. Wat Hij daar schrijft, blijft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I kill, and I make alive; I wound, and I heal.
Deuteronomy 32:39
The work of grace in the soul, in its very beginnings, penetrates deeply into its inmost substance. It wounds and lays open the conscience to the eye of infinite Purity and Holiness. “The entrance of your word (that is, the very first entrance) gives light.” “The word of God is living and powerful, and sharper than any two-edged sword, piercing even to the dividing asunder of soul and spirit, and of the joints and marrow, and is a discerner of the thoughts and intents of the heart.”
All conviction to be true conviction must be thorough. The field must be ploughed, broken up, and furrowed, before the seed can find a home, a seed-bed for the seed to fall in so as to germinate and grow. There is much to be done in a sinner’s heart before Christ can dwell in him by faith, or be formed in him the hope of glory. The heart is naturally very hard; thorns, thistles, and briars overspread its surface; the noxious weeds of pride and lust have taken deep root; much grubbing up of these bosom sins, as well as of our inbred self-righteousness and fleshly holiness, creature strength and sufficiency, is needed to—prepare us to receive a free grace salvation—separate us from the world and false professors—embitter to us the loved things of time and sense—and lay us suing for mercy at the foot of the cross.
The first work, therefore, of conviction must be deep, or at least thorough, in order to make room for Christ and His salvation. And so it is with any manifestation or discovery of the Lord Jesus Christ, any application of His blood, any visitation of His presence, or shedding abroad of His love; these divine realities do not float upon the surface, but sink deep, and penetrate into his heart of hearts, into a man’s inmost and deepest soul. How soon is all lost and forgotten, but what the blessed Spirit writes Himself in the heart!
People say, “How well we have heard!” but all is lost and dropped before they get home from the house of prayer. They read a chapter, close the Bible, and with it, all they have read is closed too. Many have passing pangs of conviction, and passing desires, who give little proof of living under the Spirit’s anointings. That divine Spirit does not let the saints of God off so easily. He holds them fast and firm to the work of conviction until He has slain them outright; and when He blesses He heals as deep as He wounds, and reveals the gospel as powerfully as He applies the law.
To the reader…
Dear reader, do you still feel the wound? Has the Word of God, like a two-edged sword, laid your heart open, so that you see the pride, the evil lusts and your own righteousness, which have such deep roots? It is painful when the field is ploughed like this, and perhaps you fear that it will never stop. But this deep work is no sign of God’s wrath; it makes room for Christ and for free grace.
The Spirit of God does not let go of His children. He Who wounds also heals; He Who applies the law also reveals the gospel with the same power. “I kill, and I make alive; I wound, and I heal.” Do not be content, then, with a passing stirring that is forgotten before you get home, but ask Him to write His Word in your heart Himself. What He writes there remains.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Yo hago morir, y Yo hago vivir: Yo hiero, y Yo curo.
Deuteronomio 32:39
La obra de la gracia en el alma, ya en sus mismos comienzos, penetra profundamente hasta su sustancia más íntima. Hiere y pone la conciencia al descubierto ante el ojo de la Pureza y la Santidad infinitas. “El principio de Tus palabras (es decir, su primerísima entrada) alumbra.” “Porque la palabra de Dios es viva y eficaz, y más penetrante que toda espada de dos filos: y que alcanza hasta partir el alma, y aun el espíritu, y las coyunturas y tuétanos, y discierne los pensamientos y las intenciones del corazón.”
Toda convicción, para ser verdadera convicción, tiene que ser completa. El campo tiene que ser arado, roturado y surcado antes de que la semilla pueda hallar un hogar, un lecho donde caer para germinar y crecer. Hay mucho que hacer en el corazón de un pecador antes de que Cristo pueda habitar en él por la fe, o ser formado en él como la esperanza de gloria. El corazón es por naturaleza muy duro; espinos, cardos y zarzas cubren su superficie; las malas hierbas nocivas del orgullo y la concupiscencia han echado raíces profundas; hace falta arrancar mucho de estos pecados del pecho, así como de nuestra justicia propia innata y nuestra santidad carnal, de la fuerza y suficiencia de la criatura, para prepararnos a recibir una salvación de pura gracia, separarnos del mundo y de los falsos profesantes, amargarnos las cosas amadas del tiempo y de los sentidos, y ponernos a suplicar misericordia al pie de la cruz.
La primera obra de convicción, por tanto, tiene que ser profunda, o por lo menos completa, para hacer lugar a Cristo y a Su salvación. Y lo mismo sucede con cualquier manifestación o descubrimiento del Señor Jesucristo, cualquier aplicación de Su sangre, cualquier visitación de Su presencia o derramamiento de Su amor; estas realidades divinas no flotan en la superficie, sino que se hunden hondo y penetran en lo más íntimo del corazón, en lo más hondo y profundo del alma del hombre. ¡Cuán pronto se pierde y se olvida todo, excepto lo que el bendito Espíritu escribe Él mismo en el corazón!
La gente dice: “¡Qué bien hemos oído!”, pero todo se ha perdido y se ha dejado caer antes de llegar a casa desde la casa de oración. Leen un capítulo, cierran la Biblia, y con ella se cierra también todo lo que han leído. Muchos tienen punzadas pasajeras de convicción y deseos pasajeros, y dan poca prueba de vivir bajo las unciones del Espíritu. Ese divino Espíritu no deja a los santos de Dios salir tan fácilmente. Los sujeta firme y fuertemente a la obra de convicción hasta que les ha dado muerte por completo; y cuando bendice, sana tan hondo como hiere, y revela el evangelio con tanto poder como aplica la ley.
Al lector…
Querido lector, ¿siente todavía la herida? ¿Ha abierto la Palabra de Dios su corazón como una espada de dos filos, de modo que ve el orgullo, las malas concupiscencias y su propia justicia, que tienen raíces tan profundas? Es doloroso cuando el campo es arado así, y quizá teme que nunca termine. Pero esta obra profunda no es señal de la ira de Dios; hace lugar para Cristo y para la gracia gratuita.
El Espíritu de Dios no suelta a Sus hijos. El que hiere también sana; el que aplica la ley también revela el evangelio con el mismo poder. “Yo hago morir, y Yo hago vivir: Yo hiero, y Yo curo.” No se contente, pues, con una conmoción pasajera que se olvida antes de llegar a casa, sino pídale que escriba Él mismo Su Palabra en su corazón. Lo que Él escribe allí, permanece.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl