Disease and Remedy
DOOR J.C. PHILPOT
Geen menselijk hart kan het volledig begrijpen, en geen tong kan het naar waarheid uitspreken, hoe diep ellendig, beschadigd en verdorven de zonde de mens heeft gemaakt. Afgesneden van God – de Fontein van leven, heiligheid en geluk – is de mens geworden tot een gebroken en beroofd schepsel, een wrak van wat hij eens was. De zonde heeft zijn lichaam aangetast met ziekte en pijn, zijn ziel ontsierd, en het beeld van God, waarin hij oorspronkelijk geschapen was, verduisterd en geschonden. Al zijn vermogens heeft zij te gronde gericht, het heeft:
- al zijn geestelijke vermogens verwoest;
- zijn beoordelingsvermogen vernietigd,
- zijn voorstellingsvermogen vervuild,
- zijn gevoelensvermogen vervreemd.
De zonde heeft de mens zover gebracht dat hij het kwade liefheeft en de Heere, die het hoogste Goed is, haat. Van top tot teen is hij door en door besmet met hoogmoed, hartstocht en wreedheid. Zo is de zonde geworden tot de bron van die eindeloze stroom van misdaden en gruwelen waaronder de hele aarde zucht. Alleen al het opsommen van enkele voorbeelden vervult menig hart met afschuw — en toch zijn dit slechts de zichtbare vruchten van de zondeval.
Maar, geliefden, laten wij ons niet enkel om ons heen richten, maar vooral naar binnen kijken, in ons eigen hart. Dáár hebben wij ervaren en gevoeld hoe verwoestend de macht van de zonde werkelijk is. Want welk bewijs kan sterker zijn van onze vervreemding van God, dan dat wij willens en wetens ons vermaak hebben gezocht in dingen die Zijn heilige majesteit verafschuwt?
En wie van het huisgezin van God kan zeggen vrij te zijn van deze schuld? Was niet elke neiging van ons denken, elk verlangen en elke lust van ons hart in de oude natuur gericht op genoegen vinden in wat de levende God verwerpt? Weinigen van ons waren er die in de dagen van ons vlees niet hun vermaak hebben gezocht in een of andere vorm van werelds genot: het toneel, de renbaan, de dans, het spel, de kaarttafel, of het nachtelijke feestgedruis – ja, die “genoegens van de zonde”, zoals de Schrift ze noemt.
Hoe vaak heeft onze dorst naar opwinding, ons dwaze en rusteloze geroep: “Geef, geef!”, ons meegesleept in de maalstroom van ongerechtigheid! Hoe dikwijls heeft onze lichtzinnigheid en roekeloze vastberadenheid, om koste wat het kost onszelf te vermaken, ons doen wegzinken in de modderpoel van de zonde! En waar zouden wij nu zijn, als Gods soevereine en genadige hand ons daaruit niet had opgeheven? Ja, dan lagen wij verzonken, onherroepelijk verloren, zonder ooit nog op te staan.
En zelfs wanneer de grenzen van de moraal ons terughielden van grove en openlijke zonden, bleven wij ons vermaak zoeken in wat wij noemden “onschuldige genoegens”: reizen naar verre plaatsen, het lezen van romans en verzinsels, het dragen van mooie kleren, het zoeken van gezelligheid, het bouwen van dromen over liefde en romantiek, het najagen van applaus van mensen, of het bedenken van plannen om onszelf te verbeteren en te bevredigen. Anderen gaven zich aan studie die aangenaam was, of volgden natuurlijke aanleg in muziek, tekenen en poëzie; weer anderen hielden zich bezig met ernstiger arbeid, zoals wetenschap en onderzoek.
Wij zagen dit alles als meer beschaafde, ja zelfs verantwoorde vormen van vermaak, in vergelijking met grove zonden als dronkenschap en losbandigheid, die wij beschouwden als behorend tot de lagere kringen. Maar in Gods licht dragen al deze dingen hetzelfde dodelijke merkteken: de dood in de zonde. Het morele én het immorele, het verfijnde én het ruwe, de geleerde enkeling én de ongepolijste massa — allen zijn “zonder God en zonder hoop in de wereld”.
En hoe vaak wordt er niet gevraagd: “Wat is er eigenlijk verkeerd met dit vermaak of dat genoegen?” Het antwoord is dit: omdat het gezocht en genoten wordt om zichzelf; omdat het de geest bezighoudt en het hart vult, waardoor God buitengesloten wordt; omdat het de smaak voor geestelijke zaken wegneemt; omdat het een afgod opricht in het hart en plaats inneemt waar alleen God recht op heeft.
Maar dit zien en beseffen wij pas werkelijk, wanneer het licht van God onze geest verlicht en Zijn leven onze ziel doet ontwaken. Dan ontdekken wij in wat voor rampzalige toestand de zonde ons gebracht heeft: dat ons hele leven niets anders was dan Hem mishagen; dat elke gedachte van ons hart boos was en niets dan boos; dat wij onszelf gesteld hadden onder het oordeel van Zijn gerechtigheid en onder de vloek van Zijn heilige wet; en dat voor ons niets restte dan dood en verderf, tenzij wij zouden worden verlost uit de slavernij aan zonde, dood en duivel, en met God verzoend.
En toch: in die ellende en hopeloosheid wekt God, door Zijn genade, nieuwe verlangens in het hart — verlangens naar Hemzelf, de Vader van barmhartigheid. Dit zijn als het ware de eerste ademtochten van gemeenschap met God, de eerste bewegingen van een ziel die door het leven van boven is aangeraakt.
Waar komen die bewegingen vandaan? Wat is het vaste fundament waarop een zondaar zich durft te wagen, dat hem nader brengt tot God, en hem laat verstaan wat de apostel Johannes zegt: “Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.” (1 Joh. 1:3)?
Dat fundament heeft God zelf gelegd in de gave van Zijn geliefde Zoon. Had de Heere Jezus onze menselijke natuur niet aangenomen in vereniging met Zijn eeuwige Godheid, dan zou gemeenschap tussen God en mens voor eeuwig onmogelijk zijn geweest. Daarom zegt de Schrift (Hebr. 2): “Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood tenietdoen zou dengene die het geweld des doods had, dat is den duivel, En verlossen zou al degenen die met vreze des doods door al hun leven der dienstbaarheid onderworpen waren.”
De kinderen die God aan Christus gegeven had, deelden in vlees en bloed. Maar dit vlees en bloed was door de zonde verdorven: het was vervreemd van God, gebonden door de macht van de duivel, onderworpen aan dood en oordeel, en in voortdurende slavernij door de angst voor de dood. Daarom was ware gemeenschap met God onmogelijk, tenzij zij bevrijd werden.
Daarom nam de Zoon van God “het zaad van Abraham” aan. Hij nam onze menselijke natuur aan door Zijn geboorte uit de maagd Maria, die afstamde van Abraham. Zo werd Hij geboren uit een vrouw, en kwam onder de wet, om hen die onder de wet waren te verlossen, zodat wij aangenomen zouden worden tot kinderen van God. Daarom werd Hij in alles aan Zijn broeders gelijk, behalve in de zonde — want in Hem was geen smet of vlek te vinden. En zo is Hij ons geworden tot een barmhartige en trouwe Hogepriester, die verzoening gebracht heeft voor de zonden van het volk
Zonder verlossing, zonder verzoening, is er geen gemeenschap met God mogelijk. Gemeenschap betekent vriendschap; en vriendschap is altijd wederkerig — een delen met elkaar, een uitwisseling van gedachten, gevoelens en wegen. Ware gemeenschap veronderstelt overeenstemming van aard, belang en liefde, waarin zowel geven als ontvangen plaatsvindt.
Daarom ligt de grondslag van alle echte gemeenschap met God in deze grote en heerlijke waarheid: dat de Zoon van God ons mens-zijn heeft aangenomen. Hierdoor kon Hij gemeenschap hebben met de mens. Maar omdat Hij ook zelf God is, heeft Hij gemeenschap met de Vader. Zo is Hij de Middelaar die in zichzelf God en mens verenigt. Te vergelijken met de ladder die Jakob in een droom zag: de voet stond op de aarde, maar de top reikte tot in de hemel. Zo raakt de menselijke natuur van Christus onze aarde met haar smarten, terwijl Zijn Goddelijke natuur stijgt tot in de hemelse heerlijkheid. En daardoor kan de arme en ellendige mens, door gemeenschap met Christus in Zijn lijden, gemeenschap ontvangen met God in Zijn liefde.
Johannes drukt dit prachtig uit in zijn eerste brief: HETGEEN van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens” (1 Joh. 1:1). Wat had hij gehoord, gezien en aangeraakt? Het was de Zoon van God in het vlees. Zijn oren hoorden Zijn stem, zijn ogen zagen Zijn gestalte, zijn handen raakten Zijn doorboorde handen en voeten aan. Toch gaf dat uitwendig zien en aanraken op zichzelf geen leven — de Joden die Hem bonden en de Romeinen die Hem kruisigden zagen en raakten Hem immers ook aan. Het beslissende was dat Johannes de geestelijke openbaring van het Woord des Levens in zijn ziel ontving, zoals hij zelf verklaart: “Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben Het gezien, en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was en ons is geopenbaard” (1 Joh. 1:2). Dáárom kon hij zeggen: “Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.” (1 Joh. 1:3).
Wanneer deze goddelijke weg door Christus voor ons hart geopend wordt, vinden wij toegang tot God in Hem die zei: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.” Want zolang Hij niet door openbaring aan de ziel bekendgemaakt wordt, is er geen grond om tot God te naderen. Zonde staat in de weg, schuld drukt zwaar, de wet vervloekt, het geweten klaagt aan en de duivel beschuldigt. In onszelf is geen hulp en geen hoop. Maar wanneer Christus wordt geopenbaard en de kracht en waarde van Zijn bloed ons geopenbaard wordt, dan wordt het geloof gesterkt om door Hem tot de Vader te naderen. En zo, na vele innerlijke worstelingen tussen hoop en vrees, stort de liefde van God zich uit in het hart. Dáárin bestaat de ware gemeenschap met God.
“In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade.” (Ef. 1:7)
As no heart can sufficiently conceive, so no tongue can adequately express, the state of wretchedness and ruin into which sin has cast guilty, miserable man.
In separating him from God, it has severed him from the only Source and fountain of all happiness and all holiness. It has ruined him, body and soul. The body it has filled with sickness and disease. The soul it has defaced, and destroyed the image of God in which it was created. It has . . . shattered all his mental faculties; broken his judgment, polluted his imagination, alienated his affections.
It has made him love sin—and hate God. It has filled him from top to toe with pride, lust, and cruelty, and has been the prolific parent of all those crimes and abominations under which earth groans, the bare recital of some of which has filled so many hearts with disgust and horror. These are the more visible fruits of the fall.
But nearer home, in our own hearts—in what we are or have been, we find and feel what wreck and ruin sin has made! There can be no greater mark of alienation from God than willfully and deliberately to seek pleasure and delight in things which His holiness abhors.
But who of the family of God has not been guilty here? Every movement and inclination of our natural mind, every desire and lust of our carnal heart, was, in times past, to find pleasure and gratification in something abhorrent to the will and word of the living Jehovah.
There are few of us who, in the days of our flesh, have not sought pleasure in some of its varied but deceptive forms. The theater, the race-course, the dance, the sports, the card-table, the midnight revel, “the pleasures of sin” were resorted to by some of us.
Our mad, feverish, thirst after excitement—the continued cry of our wicked flesh, “Give, give!”—our miserable recklessness or headlong, daring determination to ‘enjoy ourselves’, as we called it, cost what it would, plunged us again and again into the sea of sin, where, but for sovereign grace, we would have sunk to rise no more!
Or, if the ‘restraints of morality’ put their check upon gross and sinful pleasures, there still was a seeking after such “allowable amusements” (as we deemed them), as change of scene and place, foreign travel, the reading of novels and works of fiction, fine dress, visiting, building up airy castles of love and romance, studying how to obtain human applause, devising plans of self-advancement and self-gratification, occupying the mind with cherished studies, and delighting ourselves in those pursuits for which we had a natural taste—as music, drawing, poetry, or, it might be, severer studies and scientific researches.
We have named these middle-class pursuits as less obvious sins—than such gross crimes as drunkenness and vile debauchery in the lower walks of life. But, viewed with a spiritual eye, all are equally stamped with the same fatal brand of death in sin.
The moral and the immoral,
the refined and the unrefined,
the polished few or the crude many,
are alike “without God and without hope in the world.”
We are often met with this question, “What harm is there in this pursuit—or in that amusement?” The harm is, that the amusement is delighted in for its own sake; that it occupies the mind, and fills the thoughts, shutting God out; that it renders spiritual things distasteful; that it sets up an idol in the heart, and is made a substitute for God.
Now this we never really know nor feel, until divine light illuminates the mind, and divine life quickens the soul. We then begin to see and feel into what a miserable state sin has cast us; how all our life long we have done nothing but what God abhors; that every imagination of the thoughts of our hearts has been evil, and only evil continually; that we have brought ourselves under the stroke of God’s justice, under the curse of His righteous law, and now there appears nothing but death and destruction before our eyes, and unless we poor slaves of sin, Satan, and death were redeemed, we could not be reconciled to God.
And yet, with all this misery and wretchedness, through all this remorse for the past—and dread for the future, there are raised up desires after God—the fruit and work of his grace in the heart. These are the first breathings after communion with God, the first movement of the soul quickened from above towards its Father and Friend.
But whence comes this movement of the soul upward and heavenward? What is the foundation on which a sinner may venture near, yes, as brought near, may realize what holy John speaks of, “And truly our fellowship is with the Father, and with his Son Jesus Christ?” (1 John 1:3.)
God himself has laid the foundation in the gift of his dear Son. Had Jesus not taken our nature into union with his own divine Person, there never could have been any communion of man with God. This is beautifully unfolded by the Apostle. (Heb. 2.) “Forasmuch, then, as the children are partakers of flesh and blood, he also himself likewise took part of the same, that, through death, he might destroy him that had the power of death, that is the devil, and deliver them who, through fear of death, were all their lifetime subject to bondage.” “The children whom God had given him” were partakers of flesh and blood. But this flesh and blood had sinned, was become alienated from God, was tyrannized over by the devil, was subject to death, and the judgment that comes after death, and the fear of death held them in continual bondage. Unless these poor slaves of sin, Satan, and death were redeemed, they could not be reconciled to God, or brought near so as to have any fellowship or communion with him. But the Son of God “took on him the seed of Abraham,” that is, he assumed human nature as derived from Abraham; for the Virgin Mary, of whose flesh he took, was lineally descended from Abraham; and thus was “made of a woman, made under the law, to redeem them that were under the law, that we might receive the adoption of sons.” And so “in all things being made like unto his brethren,” (sin only excepted, of which he had no taint or stain,) “he became a merciful and faithful high priest to make reconciliation for the sins of the people.”
Without this redemption, without this reconciliation, there could be no communion. Communion means fellowship; fellowship implies mutual participation and mutual interest. It is not single, but twofold—a community of nature, or interest, or affection, in which each party gives and takes. Thus the foundation of all communion with God is laid in this blessed truth, that the Son of God has taken our flesh; this gives him communion with man. He is himself God; this gives him communion with God. In the ladder that Jacob saw in vision, the lowest part rested on earth, the highest was lost in heaven. Thus the human nature of Christ touches earth with its sorrows, but his divine rises up to heaven with its glory; and man, poor, wretched man, may, by having communion with Christ in his sufferings, have communion with God in his love. John blessedly opens up this in his first epistle—“That which was from the beginning, which we have heard, which we have seen with our eyes, which we have looked upon, and our hands have handled of the Word of life.” (1 John 1:1.)
What had John heard from the beginning? What had he seen with his eyes? What had he looked upon, and his hands had handled of the Word of life? What but the Son of God in the flesh? His ears had heard the voice; his eyes had seen the form; his hands had handled the feet and hands of the Word of life; and not merely bodily, for that would no more have given him life than it did the Jewish officers who bound his hands, or the Roman soldiers who nailed him to the cross. It was the spiritual manifestation of the Word of Life to his soul, (as he himself declares—“For the life was manifested, and we have seen it, and bear witness, and show unto you that eternal life which was with the Father, and was manifested unto us,”) which enabled him to say, “That which we have seen and heard, declare we unto you, that you also may have fellowship with us, and truly our fellowship is with the Father and with his Son Jesus Christ.” (1 John 1:3.)
Now, as this divine way is opened up to our hearts, we begin to find access to God through Jesus Christ, as “the way, the truth, and the life.” Until he is in some measure revealed and made known to the soul, there is no ground of access to God. Sin, guilt, and condemnation block up the path; the law curses, conscience condemns, Satan accuses, and in self there is neither help nor hope. But as Christ is revealed and made known, and the virtue and efficacy of his blood is seen and felt, faith becomes strengthened to approach the Father through him, until after many a struggle between hope and despair, the love of God is shed abroad in the heart, and this gives fellowship with God.