Riches of Philpot — Part 8 (Part 2 of 2): All Things Work Together for Good
Wat een schepsel is de mens! Wat een halsstarrige, verdraaide, opstandige ellendeling – dat toorn en oordelen hem niet kunnen verbeteren! De Heere vertelt ons hier waarom Hij Zijn volk sloeg. Het was om de ongerechtigheid van hun gierigheid. Het woord “gierigheid” wijst erop waarmee het menselijk hart zich vooral bezighoudt. Wij mogen de uitdrukking namelijk niet beperken tot hebzucht naar geld. Wij moeten haar opvatten als het uitgaan van het hart van de mens naar de dingen van tijd en zinnen – het onverzadigbare verlangen van de vleselijke gezindheid naar aardse en zinnelijke bevrediging.
Deze gierigheid noemt God ongerechtigheid. Zij ligt hierin dat de mens alles wat aards en zinnelijk is meer liefheeft dan God. Hij zoekt genot bij elk voorwerp behalve bij de Heere. Hij stort zich opzettelijk en gretig in elke lage lust en maakt van vleselijke dingen zijn vreugde en geluk.
Nu sloeg de Heere hem, tot toorn bewogen door de ongerechtigheid van zijn gierigheid – met slag op slag – met teleurstelling op teleurstelling – met ellende op ellende – met moeite op moeite. Maar al Zijn tuchtmiddelen waren tevergeefs! Zij wekten in hem geen geestelijk werk op – brachten hem niet aan de voeten van de Heere – veranderden zijn wil niet – en vernieuwden hem niet in de geest van zijn gemoed. Zij lieten hem zoals zij hem aantroffen – aards, zinnelijk en dood. Of liever: zij lieten hem slechter achter dan zij hem aantroffen. Want zijn hart werd harder en zijn geweten meer afgestompt dan tevoren!
Zo halsstarrig, opstandig, eigenzinnig en verdraaid is de mens dat geen stap die de Heere in oordeel of toorn kon zetten – los van de werkingen van de Geest, want dat is het punt dat ik probeer aan te dringen – ook maar het minste effect op hem kon hebben. Ziet u ouders dit niet vaak bij uw kinderen? Soms kunt u niets van hen maken. Er is zo’n eigenzinnigheid en verkeerdheid van aard in hen dat al uw kastijdingen en alle middelen die u gebruikt om hen beter te maken, hen alleen maar slechter lijken te maken. Met al de moeite die u zich voor hen getroost, kunt u hen geen haar beter maken!
Wat eigenzinnige kinderen vaak voor hun ouders zijn, zijn wij voor God. Zijn striemen – Zijn fronsen – Zijn Zich verbergen – Zijn scherpe ellende – brengen in ons niets geestelijks goeds voort. Wij gaan rechtdoor zondigen – mompelend van verkeerdheid, vol opstand, gemelijkheid en ontevredenheid. En al voelen wij de roede van God op ons, toch is er geen verbreking van hart – geen onderwerping van ziel – geen verslagenheid van geest voor Hem!
Zij doen hem treuren
Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde (Jesaja 61:3)
Het kind van God zal min of meer een geestelijk treurende zijn vanwege het kwaad dat in hem woont. Hoe meer hij zijn hart leert kennen – hoe langer hij wandelt in het goddelijke leven – en hoe meer de zonde voor hem wordt opengelegd in het licht van Gods aangezicht – des te meer zal hij een geestelijk treurende zijn.
Soms treurt hij over het kwaad van zijn hart – dat zijn lusten en verdorvenheden zo sterk zijn en hij zo zwak ertegen. Soms over de verzoekingen die Satan voor zijn voeten heeft gelegd, waarin hij verstrikt is geraakt en waardoor hij is neergeslagen. Soms over de afwezigheid van God en dat hij zo weinig toegang vindt tot Zijn gezegende Majesteit. Soms treurt hij omdat hij voelt hoe weinig genade hij heeft.
Soms treurt hij over zijn afvalligheden – hoe hij verstrikt is geraakt in zijn lusten en eraan heeft toegegeven – hoe zijn drift hem heeft overmeesterd – hoe hij heeft gemord en gemopperd tegen Gods handelingen met hem, zodat hij soms bijna losbarstte in vloeken of iets wanhopigs deed. Als deze en duizend andere kwaden in het hart van een mens worden gevoeld, doen zij hem treuren en hebben zij, zoals de tekst zegt, as tot zijn bedekking.
Hij treurt ook over zijn gebrek aan vruchtbaarheid – en dat hij niet kan zijn, doen of zeggen wat hij zou willen. Hij heeft sterke verlangens om de leer van God in alle dingen te sieren – geestelijkheid van gemoed en een teder geweten te hebben – en een leven van geloof, gebed en waakzaamheid te leiden. Maar hij moet met de apostel belijden: Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik (Romeinen 7:19). Want zijn gemoed doet vaak, zeer vaak, juist het tegenovergestelde.
Al deze dingen, samen met Satans krachtige verzoekingen en zijn vele bange twijfels vanwege het zich verbergen van Gods aangezicht om zijn zonden, en zijn volkomen onvermogen de lasten af te werpen die hem neerdrukken – maken hem diep neerslachtig. Daar komt bij dat hij ook nog vervolging moeten ondervinden om de waarheid van mensen die hem misschien na en dierbaar zijn. Zo heeft hij niet één maar vele smarten waar hij doorheen moet waden. Daardoor is hij soms in zijn gevoel van alle mensen het ellendigst!
Ik ben vol verwarring!
“Ik ben vol verwarring!” (Job 10:15)
God is de grote Heerser, Bestuurder en Beheerser van alle dingen! Wij moeten de velerlei gebeurtenissen die steeds in deze wereld plaatsvinden niet beschouwen als louter “toeval” – een verwarde mengelmoes – alsof al deze talloze omstandigheden als knikkers in een zak werden gegooid en er zonder enige orde of regeling weer uit werden geschud. God is een God van orde. In de natuurlijke wereld, de wereld van de schepping, is alles in orde. In de geestelijke wereld, de wereld van de genade, is alles in orde. En in de wereld van de voorzienigheid is ook alles orde.
Voor ons verstand lijkt het wel vaak wanorde. Maar dat komt door onze onwetendheid en doordat wij het geheel niet zien als één bepaald geordend plan.
Zag u een wever aan een weefgetouw werken en zag u niets dan de draden en de spoelen in voortdurende beweging op en neer springen – dan zou u niets dan verwarring zien. U zou zich niet het geringste denkbeeld kunnen vormen van het patroon dat geweven wordt. Maar is het geheel voltooid en de zijde van de rol gehaald, dan ziet u een patroon in prachtige orde – elke draad werkt mee aan één harmonieus ontwerp. Dat alles was echter vooraf bekend bij de kunstenaar die het patroon ontwierp en elke maatregel werd strikt daarop afgestemd.
Als dit zo is met Gods beschikkingen in de voorzienigheid – hoeveel te meer geldt het dan van Zijn heerlijke plannen in de genade. Elke beproeving, verzoeking, ellende en smart is slechts het gevolg van een bepaald plan in de eeuwige gedachte. Toch lijkt het ons zo vaak verwarring! Deze verwarring zit niet zozeer in de dingen zelf als in onze geest. Job riep, omringd door moeite: “Ik ben vol verwarring!” Toch kunnen wij bij het lezen van zijn geschiedenis zien dat al zijn beproevingen werkten naar een vastgesteld einde.
Elke beproeving, smart, verzoeking of ellende die ooit op uw pad heeft gelegen of ooit zal liggen is door oneindige, onfeilbare wijsheid afgebakend! Wordt niet de gewoonste weg uitgezet volgens een bepaald plan en plaatst de landmeter, wanneer hij hem uitzet, niet elke mijlpaal op de juiste plaats? Legt dan niet ook de Heere van tevoren de weg aan waarop Zijn volk moet wandelen? En plaatst Hij niet hier een beproeving en daar een smart – een ellende bij deze bocht en een moeite op die hoek? Alles is nauwkeurig vastgesteld in Zijn oneindige wijsheid om de reiziger veilig thuis te brengen in Sion!
Mijn innerlijke duivelsheid
“Ik heb een dagelijks kruis – een dagelijkse last – een dagelijkse ellende. Het is mijn vreselijke hart – mijn vleselijke gezindheid – mijn verdorven natuur – de zonde die in mij woont – mijn ongeloof – mijn goddeloosheid – mijn wereldgezindheid – mijn afvalligheid – mijn bedrieglijke, overspelige en afgodische hart – de begeerte van de ogen – de begeerte van het vlees en de grootsheid van het leven. Mijn innerlijke duivelsheid, waarmee ik vervuld ben, doet mij dagelijks diep kreunen, ontlokt mij menige zucht en doet mij treuren voor God dat ik zo’n goddeloos hard hart heb. Mijn zonden, mijn afvalligheden kwellen mij en bedroeven mij diep.”
De ellende die de Heere over Zijn volk zendt
Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren (Psalm 88:8)
Jezus was een Man van smarten, en verzocht in krankheid (Jesaja 53:3). En Zijn volk moet in hun mate hetzelfde ondergaan. De Heere heeft bepaald dat het zo zal zijn. Hij heeft Zijn Sion uitgekozen in de smeltoven van de ellende. Er is geen ontkomen aan. De ellende die de Heere over Zijn volk zendt, is van velerlei soort. De Heere acht het nodig ellende te zenden die past bij de omstandigheden, de staat en de toestand van ieder. Wat voor de een een ellende zou zijn, hoeft dat niet voor een ander te zijn. Ieder moet zijn eigen ellende dragen. Ieder moet zijn eigen last torsen – en ieder zijn eigen toegemeten lot doorstaan.
Onze wijze God ziet precies welke ellende Hij aan ieder en allen moet opleggen – wanneer zij komt – waar zij komt – waarom zij komt – hoe zij komt – hoe zij werkt – wat zij werkt – hoe lang zij duurt – wanneer zij wordt opgelegd – en wanneer zij wordt weggenomen. In deze dingen handelt de Heere als een soeverein. Wij hebben niet gekozen uit welke ouders wij geboren zouden worden – noch onze positie in het leven – noch hadden wij enige keus over onze gestalte of huidskleur. De Heere heeft al onze ellende voor ons bepaald – en wanneer Hij haar oplegt, kan geen menselijke arm haar wegnemen.
Hij kent onze gesteldheid en onze moeiten – onze eigenschappen en de geringste dingen in verband met onze positie in het leven. De Heere kent al onze zaken. Daarom legt Hij op ieder mens precies de ellende op die Hij ziet dat die mens nodig heeft – niet groter, niet kleiner. Het is precies de ellende die het door God bepaalde doel zal bewerken dat Hij bedoeld heeft – tot heil van de ziel en tot Gods eigen eer!
Wie zijn deze mensen?
tot Hem zal men komen (Jesaja 45:24)
Wie zijn deze mensen? Zijn het niet wedergeboren mannen en vrouwen – verlost door de Heere, wedergeboren door de Heilige Geest en levend gemaakt voor God door Zijn bijzonder onderwijs in het geweten? Deze mensen behoren tot Gods eigen gezegende, verloste en wedergeboren gezin. Het is Gods plechtige, onveranderlijke verklaring dat tot Hem zal men komen. Het rust dus niet op de wil van het schepsel – het hangt geheel en alleen af van het soevereine besluit van God Zelf.
Hoe brengt Hij dit teweeg? Door een bijzonder genadewerk in het hart. Hoe komen deze mensen? Onder het onderwijs, trekken en leiden van de gezegende Geest van God in hun ziel. Waar vindt de gezegende Geest hen? Vindt Hij hen bereid om te komen – bereid om alles te verlaten waarvan mensen van nature houden en waaraan zij vastkleven? Nee! Het moet het bijzondere werk van God Zelf zijn in hart en geweten. Hij brengt het teweeg door ons duidelijk te laten zien dat wij in onszelf verloren zijn.
Totdat een mens zich in zichzelf verloren en vernietigd voelt, zal hij nooit tot Jezus Christus komen. Want Hij is de Zaligmaker van de verlorenen. Zolang wij ons niet verloren voelen, is Hij voor ons geen Zaligmaker. Voelen wij ons verloren – wordt al onze gerechtigheid blootgelegd als vuile lompen – zien wij geen uitweg uit de vreselijke put – en behaagt het de Heere de Persoon van de Heere Jezus Christus voor ons te openen – Zijn verzoenend bloed – Zijn volmaakte gehoorzaamheid – Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid en stervende liefde – en legt Hij deze dingen met enige zoetheid en kracht op de ziel – dan komen wij.
Waarom komen wij? Omdat de gezegende Geest in ons werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filippenzen 2:13). Hij stelt ons in staat te komen onder Zijn gezegend onderwijs, leiden en werken.
Eigenwaan en zelfverheffing?
Opdat geen vlees zou roemen voor Hem (1 Korinthe 1:29) en Die roemt, roeme in den Heere (1 Korinthe 1:31)
Opdat wij in de Heere zouden roemen, is het volstrekt noodzakelijk dat wij ophouden in ZELF te roemen. Van nature zijn wij allen geneigd in onszelf te roemen door die vervloekte beginselen van eigenwaan en zelfverheffing. Niets dan de machtige kracht van God kan deze vervloekte beginselen neerhalen. Wij zijn geneigd tot deze hoogmoed en zij wordt versterkt en rijpt in het hart van een gevallen zondaar.
Het is het werk van de Geest in het geweten van de zondaar – om alle hoogmoed van de mens met verachting te overstelpen – de diepte van de val te openen – al zijn verborgen verdorvenheden aan het licht te brengen – alle kwaad van zijn hart te ontbloten en bloot te leggen – de diepe verdorvenheden van zijn gevallen natuur voor zijn verbaasde ogen om te keren – opdat hij met ware nederigheid van ziel, verbrokenheid van hart en verslagenheid van geest voor God leert zichzelf te verfoeien en te verafschuwen in stof en as als een monster van ongerechtigheid.
Is een mens niet door de sterke hand van God in zijn ziel onderwezen om zichzelf te verafschuwen, te verfoeien en tegen zichzelf uit te roepen als een van de snoodste ellendelingen die op Gods aarde kruipen – dan heeft hij nooit geleerd te roemen in de Heere Jezus Christus. Openbaart de Heere Jezus Christus aan zijn ziel een besef van Zijn liefde en ontvouwt Hij een zicht op Zijn heerlijkheid voor zijn verbaasde ogen – dan wordt hij ertoe gebracht uit zichzelf te kijken en weg van alles wat hij heeft – naar de Heere Jezus Christus!
Het hoogste voorrecht
Het hoogste voorrecht, de grootste zegen, de rijkste gunst die God aan iemand kan schenken, is hem tot Zijn eigen innig geliefd kind te maken. Want daarmee verheft Hij hem niet alleen tot de edelste waardigheid maar ook tot de hoogste top van heerlijkheid en geluk die in Zijn eigen eeuwige, zalige tegenwoordigheid genoten kan worden. Onze hemelse Vader schenkt ons, Zijn kinderen, al die nodige barmhartigheden en gunsten die Zijn wijsheid kan bedenken – Zijn liefde kan aanzetten – en Zijn macht kan volbrengen.
En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus (Romeinen 8:17)
Wat betekent het erfgenaam van God te zijn? Het is God te hebben als ons eeuwige bezit – dat alle liefde, heerlijkheid, zaligheid en gelukzaligheid van de zelfbestaande Jehova ons gegeven wordt om eeuwig te genieten. Wat de liefde van God ook kan geven – wat de genade van God ook kan schenken – wat de heerlijkheid van God ook kan openbaren – welke volheid van zaligheid er ook is in de eeuwige tegenwoordigheid van de grote en heerlijke Jehova – dat alles is het onze als wij kinderen van God zijn!
Een pelgrim en een vreemdeling
Het kind van God is als pelgrim en vreemdeling gescheiden van de wereld – en dringt door duizend vijanden en vrezen heen voort naar een hemels vaderland.
Zij hebben u goed gedaan
En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Romeinen 8:28)
Hebben uw beproevingen u vernederd? Hebben zij u zachtmoedig en nederig gemaakt? Zo ja, dan hebben zij u goed gedaan. Hebben zij een geest van gebed in uw boezem opgewekt – en u doen zuchten, roepen en kermen dat de Heere zal verschijnen, bezoeken of uw ziel zegenen? Dan hebben zij u goed gedaan. Hebben zij die gedeelten van Gods woord voor u geopend die vol barmhartigheid en troost zijn voor Zijn bedrukte volk? Dan hebben zij u goed gedaan.
Hebben zij u oprechter, ernstiger, geestelijker, hemelser gezind gemaakt en meer overtuigd dat de Heere Jezus alleen uw ziel kan zegenen en troosten? Dan hebben zij u goed gedaan. Hebben zij de Bijbel dierbaarder voor u gemaakt – de beloften zoeter – en Gods handelingen met uw ziel meer gewaardeerd? Dan hebben zij u goed gedaan.
Zo gebeurt het dat alle dingen medewerken ten goede. Niet door u op te blazen met hoogmoed – maar door uw hart te vullen met nederigheid. Niet door aanmatiging aan te moedigen – maar door uw genegenheden te verheffen naar waar Jezus aan de rechterhand van God zit. Niet door ons de wereld in te voeren – maar door ons eruit te brengen. Niet door ons te bedekken met een sluier van onwetendheid en aanmatiging – maar door deze sluier weg te nemen en licht, leven en kracht in de ziel te brengen!
Gods goddelijke beschikking
En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Romeinen 8:28)
“Alle dingen!” Kijk daar eens naar! Alles wat ons lichaam en onze ziel aangaat – alles in de voorzienigheid – alles in de genade – alles wat u hebt doorgemaakt – alles wat u doormaakt – alles wat u zult doormaken. “Alle dingen!” Wat! Is er dan geen enkel ding, hoe klein, hoe betrekkelijk onbelangrijk ook, dat niet tot mijn goed is als ik God liefheb? Nee! Niet één! Als er één ding was dat mij overkomt en niet medewerkt tot mijn goed, als ik een kind van God ben – dan zou, zeg ik het met eerbied, dit vers een leugen zijn in Gods boek.
En toch, als wij de verscheidenheid van dingen bedenken die ons raken – en geloven dat zij allemaal medewerken tot ons goed – hoe moeten wij dan de wonderlijke wijsheid, macht en regering van God bewonderen! Worden wij beproefd in onze omstandigheden? Dit is naar Gods goddelijke beschikking. Is het de wil en het welbehagen van de Heere ons in de wereld neer te halen door smarten en tegenspoed in de voorzienigheid? Ook dit is naar Gods goddelijke beschikking. Hebben wij ellende in het gezin? Ook dat is naar Gods goddelijke beschikking. Het komt van Hem. Niets kan gebeuren in het lichaam – in het bezit – in het gezin – dat niet voortkomt uit Gods goddelijke beschikking.
Worden kinderen weggenomen? Zij worden weggenomen door de hand van God! De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen (Job 1:21). Is vrouw of man getroffen? De hand van God is erin. Wordt het lichaam neergedrukt door ziekte? Het komt van God. Wordt de geest beproefd met duizend verlegenheden, zorgen en kommer? Ook dan is het de hand van God. Al deze zaken komen voort uit Zijn goddelijke beschikking! Niets kan plaatsvinden, noch in de voorzienigheid noch in de genade – behalve wat God in Zijn oneindige wijsheid heeft besloten uit te voeren – of besloten heeft toe te laten!
Behouden!
Hij zal komen en ulieden verlossen (Jesaja 35:4)
Behouden te worden! Wie kan de diepte van dat woord doorgronden? Pas in de eeuwigheid zal bekend zijn wat in het woord behouden ligt opgesloten. Want de verheerlijkte geest moet van de bolwerken van de hemel neerzien in de vreselijke put van de hel voordat hij een miljoenste deel kan begrijpen van wat in het woord behouden besloten ligt. Behouden van de hel – behouden van de uitstorting van Gods vreselijke toorn door ontelbare eeuwen heen – behouden van eeuwige straf met duivels en verloren geesten – en behouden tot die hemel die geen einde kent maar zich steeds opent met rijkere openbaringen van heerlijkheid en zaligheid!
Verdienste?
Verdienste? Ik ken maar één verdienste die wij hebben – de hel. Als de zaligheid uit menselijke verdienste was – dan zou geen enkele ziel behouden kunnen worden!
Met goddelijke kracht toegepast op het hart
En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden (Handelingen 20:32)
Wij worden niet opgebouwd door vleselijke heiligheid – door schepselvroomheid – door lange en luide gebeden – door de daden en plichten van het vlees – noch zelfs door gezonde leerstukken die in ons brein ronddrijven. Maar wij worden opgebouwd door “het woord van Gods genade”, met goddelijke kracht toegepast op het hart. Met andere woorden: door de zoete openbaring – de zalvende toepassing – en de goddelijke onthulling van het evangelie van de genade van God.
Hebt u geleden onder verzoeking – en bent u eruit verlost? Het was “het woord van Gods genade” dat u opbouwde. Bent u in zware beproeving geweest – en heeft de Heere u daarin gezegend en eruit geleid? Het was “het woord van Gods genade” dat u opbouwde.
Bent u verstrikt geraakt in een dwaling – en heeft de Heere u uit die dwaling gerukt door een gedeelte van Zijn waarheid op uw ziel toe te passen? Het was “het woord van Gods genade” dat u opbouwde. Bent u verstrikt geraakt in de lusten van het vlees – of neergeslagen door een strik van de duivel – en heeft de Heere u eruit verlost? Het was “het woord van Zijn genade” dat u opbouwde.
Als wij Hem verloochenen
indien wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen (2 Timotheüs 2:12)
Soms ontzeggen wij Jezus onze genegenheden. De wereld krijgt ons te pakken. Zij die wij liefhebben, slingeren zich om ons hart. De dingen van tijd en zinnen beginnen ons aangenaam en zoet te worden. Wij worden geleidelijk vleselijk, koud en dood. Dan zal Hij ons verloochenen – dat wil zeggen: Hij zal Zijn liefde niet laten druppelen in een ziel die al door een afgod in beslag is genomen. Zijn wij koud tegenover Hem, dan zal Hij Zich schuw tegenover ons gedragen. En zijn wij nalatig tegenover Zijn gunst en Zijn genade, dan zal Hij het ons vergelden door ze te onthouden.
Een voortdurende strik voor ons
Wij voelen dat de wereld, met al haar bekoringen – haar aantrekkingskracht – haar gewoonten – haar verzoekingen – een voortdurende strik voor ons is. Onze ogen worden gevangen door elke voorbijgaande ijdelheid. De glans en gloed van de dingen van tijd en zinnen trekken onze ogen aan. En zoals de mot rond de kaars fladdert totdat hij zijn vleugels verbrandt – zo fladderen ook wij voortdurend rond de glans en gloed van de wereld – en raken vaak treurig geschroeid!
Wij vragen de Heere dan dat Hij ons van de wereld scheidt – ons verlost van deze strikken – ons opvoert in zoete gemeenschap met Zichzelf – ons uit deze vleselijke gesteldheid haalt – en ons begunstigt met een gezegende verruiming van de ziel. Wij vragen de Heere dat Hij ons in staat stelt naar Hem op te zien – Hem te omhelzen in onze genegenheden – en Hem uit een rein hart vurig lief te hebben. De Heere verwaardigt Zich het gebed te verhoren – maar op een wijze waarvan wij nauwelijks dromen.
In plaats van het te beantwoorden door een zoete openbaring van Christus te geven – legt Hij schuld op ons geweten. Nieuwe verzoekingen brengen ons in een staat van strijd tot wij gedwongen worden ons aan de voet van het kruis neer te werpen – als schuldige, vuile rebellen. Wanneer de Heere de ziel daar heeft gebracht en haar door het geloof in staat stelt een gekruisigde Zaligmaker te zien – dan wordt er een kracht meegedeeld die het hart losmaakt van deze wereld en al haar ijdelheden!
En zijn wij in onze genegenheid van de wereld losgemaakt – dan wordt er een nieuw en onuitsprekelijk genoegen, een nieuwe zoetheid en zaligheid gevoeld in het uitstorten van het hart voor Hem – dat de wereld met al haar ijdele bekoringen nooit in ons kan teweegbrengen. Wordt hij in enige mate begunstigd met een zicht op een stervende Heere – krijgt hij door het geloof een blik op het kruis van Christus – en beginnen geloof, hoop en liefde, tederheid, droefheid en verslagenheid in zijn boezem op te komen – dan wordt de zonde gehaat – de verzoeking verzwakt – geestelijkheid van gemoed voortgebracht – en de vleselijke gezindheid voor een tijd afgestompt voor die lage begeerten die tevoren de bovenhand hadden!
De hemelse hardloper
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God (Hebreeën 12:1-2)
De hemelse hardloper kijkt geheel naar de vleesgeworden Zoon van God. Jezus trekt hem voort met Zijn onoverwinnelijke genade – en terwijl hij loopt en kijkt – en kijkt en loopt – geeft elke nieuwe blik hernieuwde kracht! En telkens als wij Zijn schoonheid en heerlijkheid aanschouwen, zien wij meer om te geloven, te bewonderen en Hem lief te hebben. Elke blik op Zijn schone Persoon doet de vlam van heilige liefde opnieuw ontbranden! En elke aanraking van Zijn heilige vinger doet het hart smelten tot gelijkvormigheid aan Zijn lijdend beeld.
Dit is het leven van een christen – dagelijks een wedloop voor de eeuwigheid te lopen. Hij snelt voort naar een hemels doel door voortdurend de verlangens van zijn ziel naar goddelijke werkelijkheden uit te ademen. En hij dringt steeds meer voort naar de Heere Jezus Christus die hem een hemelse kroon zal geven wanneer hij zijn loop met vreugde heeft voleindigd.
Maar terwijl hij loopt, wordt hij neergebogen onder lasten. Vele beproevingen en smarten – vele zorgen en vermoeiende angsten – vele krachtige verzoekingen – vele boezemzonden – vele innerlijke afgoden – vele twijfels en vrezen – vele wegzinkingen en bevingen – vele belemmeringen door zijn gevoelde koudheid en duisternis – hangen aan hem en drukken hem neer. Daardoor kan hij soms geen voet meer verzetten.
Maar ondanks belemmeringen van buiten en van binnen ziet hij elke keer weer Jezus aan het einde van de wedloop die de kroon uitreikt. Als hij Hem ziet, wordt hij aangemoedigd en in staat gesteld opnieuw te lopen – kijkend naar Hem – om kracht en deugd uit Zijn volheid te ontvangen.
Hij kan de wedloop niet met enige hoop op succes lopen dan door naar Jezus te kijken – en voorraden van kracht en macht uit Zijn volheid te ontvangen. Al bent u mat – blijf toch najagen. Loop door en loop door elke moeilijkheid heen. De gezegende Jezus, die u voorttrekt met blikken van liefde, zal u nooit loslaten – noch Zijn genadige werk in uw hart staken! Hij zal het geloof en de hoop die Hij u gegeven heeft onderhouden – en zal u nooit uit de wedloop laten vallen – maar u zeker als winnaar thuisbrengen en u kronen met eeuwige overwinning!
Vertroost uw harten
En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk (2 Thessalonicenzen 2:16-17)
Houd dit altijd in gedachten: welke ellende de kinderen van God ook overkomt, zij wordt hun opgelegd door de hand van God – en wel met het uitdrukkelijke doel hen in een toestand te brengen en in staat te stellen die vertroostingen te ontvangen die God alleen kan schenken. Al onze beproevingen en ellenden – tijdelijke of geestelijke – effenen de weg voor wat de apostel zo ernstig bidt in onze tekst – dat de Heere Zelf uw harten zou vertroosten.
Merk op dat Paulus geen melding maakt van aardse troost. Hij noemt alleen onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader – en over hen zegt hij: Vertrooste uw harten. O, niemand dan Jezus Zelf en de Vader kan een waarlijk bedrukt hart vertroosten! Maar Hij kan het en doet het van tijd tot tijd voor Zijn dierbaar volk – door een besef van Zijn tegenwoordigheid – door een machtig woord van Zijn genadige lippen – door het licht van Zijn aangezicht – door de balsem van Zijn verzoenend bloed en stervende liefde – door het werk en de getuigenis van de Geest van binnen. En wanneer zij deze vertroosting uit de mond van God ontvangen – worden hun harten getroost.
De hoop van de huichelaar
de verwachting des huichelaars zal vergaan (Job 8:13)
De hoop van de huichelaar is elke hoop die op het zelf is gebaseerd – in welke gedaante of vorm het zelf zich ook voordoet. De hoop van de huichelaar is elke verwachting dat God u zal belonen voor uw goede werken – elke hoop dat Hij u genadig zal zijn omdat u niet zo slecht bent geweest als anderen – elke hoop dat u door uw eigen kracht en wijsheid ooit in een betere positie zult zijn om te sterven dan nu – elke hoop gebaseerd op een louter belijdenis van de waarheid zonder gevoelde bevinding van haar kracht – elke hoop die steunt op de goede mening van anderen en niet rust op het getuigenis van de Geest van God in uw binnenste.
Kortom, elke hoop die niet door de adem van God in het hart is gelegd, is de hoop van de huichelaar.
Op weg naar de hemel?
opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden (Johannes 9:39)
Velen die denken dat zij naar de hemel gaan – gaan naar de hel. En velen die vrezen dat zij naar de hel gaan – gaan naar de hemel. Velen die zichzelf wijs achten en in het licht wanen – zijn in onwetendheid en duisternis. Terwijl velen die zich onwetend en dwaas voelen – ware kennis en wijsheid hebben.
Het was soevereine genade
De soevereiniteit van God is een groot geheim – een geheim zo diep dat het absoluut niet te doorgronden is voor het menselijk verstand. Daarom hebben mensen die niet kunnen of willen geloven wat zij niet kunnen begrijpen de soevereiniteit van God ontkend. Met zwakke handen hebben zij geprobeerd de scepter van de almacht te ontrukken aan de greep van de machtige Heere van hemel en aarde – de grote en heerlijke Beslisser van alle gebeurtenissen en Beschikker van alle omstandigheden.
Maar het kind van de genade, dat onder goddelijk onderwijs staat, wordt vroeg of laat gebracht tot het zien en erkennen van de soevereiniteit van God. Dat gebeurt hoe sterk zijn vooroordelen tegen de waarheid van de Schrift ook waren en hoe hevig zijn verzet daartegen ook was in de dagen van zijn onwetendheid. En wanneer hij in dit geheim wordt ingeleid, ontvangt hij het als een allergezegendste waarheid.
Wordt zijn oog geopend om de soevereine hand van God te zien in het bepalen en vaststellen van de omstandigheden van zijn aards bestaan – dan ziet hij hoe alles door oneindige wijsheid geregeld en door oneindige macht uitgevoerd is. En komt hij bij het gebied van de genade en kan hij met gelovig oog Gods handelingen met zijn ziel nagaan – dan straalt de soevereiniteit van God nog duidelijker in zijn hart.
Want hij weet heel goed dat de “vrije wil” daar geen plaats had – en dat het niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods was (Romeinen 9:16). Hoe duidelijk ziet en voelt hij dat het soevereine genade was – die hem eerst staande hield op zijn weg omlaag – die hem de last van de zonde deed voelen – die een kreet en een zucht in zijn ziel legde – die hem bracht aan de voetbank van de barmhartigheid – die de Zaligmaker openbaarde – en de boodschap van barmhartigheid en vrede op zijn hart toepaste.
Zo wordt hij ertoe gebracht wat sommigen ontkennen en anderen betwisten in de eenvoud van het geloof te aanvaarden als hoogst verheerlijkend voor God en passend voor de mens. En terwijl hij het aanvaardt – bewondert hij het – aanbidt hij het – en onderwerpt hij zich eraan!
Door Satan geplant
het onkruid zijn de kinderen des bozen … de vijand, die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel (Mattheüs 13:38-39)
De gemeente wordt overspoeld door belijders in naam die de vreze Gods missen en niets van de genade Gods in hun ziel hebben. Zij zijn door Satan in de gemeente geplant met een “belijdenis van godsdienst” terwijl hun harten geheel verstoken zijn van de kracht van levende godzaligheid. Deze hoge, torenende, verheven, zwevende, aanmatigende belijder heeft zijn hoofd grondig gevuld met de leerstukken van de genade – maar hij mist de gevoelde kracht van levende godzaligheid in zijn ziel.
Hij heeft nooit de krachtige hand van God op zich gevoeld die hem in het stof verbrijzelde. Hij is nooit neergevallen voor de troon van Gods majesteit en barmhartigheid als een verloren ellendeling zonder hoop of hulp. Hij is nooit schuldig bevonden voor de Heere. Hij is nooit tot volslagen bedelarij, armoede en insolventie in zichzelf teruggebracht. Hij is slechts een “natuurlijk mens in een belijdenis van godsdienst” en heeft niets ervaren van het soevereine onderwijs en de goddelijke werkingen van God de Heilige Geest in zijn geweten.
Niets weten, niets hebben, niets zijn
In het begin van mijn bevinding in de dingen van God – dat is nu meer dan negenentwintig jaar geleden – werd mij deze waarheid op mijn geweten gedrukt, naar ik reden heb te geloven, zeer krachtig en zeer duidelijk door de vinger van God: dat ik niets kon weten – dan door goddelijk onderwijs – niets kon hebben – dan door goddelijk geven – en niets kon zijn – dan door goddelijk maken.
Er zijn vele afgoden in het hart
Er zijn vele afgoden in het hart – vele aardse vreugden, boezemspeeltjes, lage lusten en schepseldingen – die allemaal sterk vat hebben op onze genegenheden. Deze moeten uiteengerukt worden en niets minder dan de kracht van God kan dat doeltreffend doen.
Met de hel zijn wij in overeenstemming
Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen (Jesaja 28:15)
Hoe legt de Heere hier de huichelarij en bedrieglijkheid bloot van een godsdienst die in schepselgerechtigheid staat! Als het ware legt Hij hun Zijn eigen kijk erop in de mond. Dit is dan hun taal: “Wij hebben een verbond met den dood gemaakt – en wij hebben elkaar de hand geschud en zijn door en door goede vrienden. Waarom zouden wij hem dan als vijand vrezen? Wij hebben een godsdienst om bij te sterven – en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt. Waarom zouden wij dan de hel vrezen? Onze godsdienst zal ons zeker bevrijden van het neergaan in de put en onze eigen gerechtigheid zal ons zeker toegang geven tot de poort van de hemel.
Ja, al verklaart God Zelf dat het een leugenachtige toevlucht is – toch zijn wij er, eenmaal ons ervoor geschuild hebbend, zeer tevreden mee en willen wij er niet uit verdreven worden. En al geldt: onder de valsheid hebben wij ons verborgen – toch nemen wij liever onze kans en leven en sterven erin dan de pijn en het ongemak te lijden dat wij eruit geslagen worden.”
Zo is de mens – zo is de wijsheid van het vlees – zo is alle schepselgodsdienst – zo is de hoogmoed en halsstarrigheid van het menselijk hart – zo is de dodelijke vijandschap van de vleselijke gezindheid tegen zaligheid uit genade – dat het liever op zijn eigen wijze sterft en verdoemd wordt dan op Gods wijze leeft en behouden wordt.
De vreugde van zijn hart en het thema van zijn tong
Paulus predikte een evangelie van vrije genade. De soevereine, vrije, overvloedige genade van God, zoals die geopenbaard is in de Persoon en het werk van de Heere Jezus Christus, was de vreugde van zijn hart en het thema van zijn tong. En tegen niets laaide de heilige ijver die in zijn boezem brandde heviger op dan tegen elke verdraaiing of vervalsing van dit zuivere evangelie.
Met dit evangelie in zijn hart en met dit evangelie in zijn mond ging hij naar verschillende plaatsen, zoals de gezegende Geest hem leidde. Hij predikte Jezus Christus en de zaligheid door Zijn bloed en gerechtigheid. God erkende zijn getuigenis.
What a creature man is!
“I was enraged by his sinful greed; I punished him, and hid My face in anger, yet he kept on in his willful ways.” Isaiah 57:17
What a creature man is! What an obstinate, perverse, rebellious wretch—that wrath and judgments will not mend him! The Lord tells us here why He smote His people. It was for the iniquity of their covetousness—the word “covetousness” pointing out what the human heart is chiefly engaged upon. For we must not limit the expression merely to avarice after money—but consider it as embracing the going out of the heart of man after the things of time and sense—the insatiable desire of the carnal mind after earthly and sensual gratification. This covetousness God speaks of as iniquity lies in this—that man loves everything earthly and sensual better than God—that he seeks pleasure from every object but the Lord—that he willfully and greedily runs into every base lust—making carnal things his delight and happiness.
Now the Lord, provoked by the iniquity of his covetousness, smote him—with stroke upon stroke—with disappointment upon disappointment—with affliction upon affliction—with trouble upon trouble. But His corrective measures were all thrown away! They did not raise up in him a spiritual work—nor bring him to the Lord’s feet—nor change his will—nor renew him in the spirit of his mind. They left him as they found him—earthly, sensual, and dead. Or rather, they left him worse than they found him—for his heart became more hardened, and his conscience more stupefied than before!
So obstinate, rebellious, wayward, perverse a wretch is man, that no step which the Lord could take in a way of judgment or anger, (independent of the Spirit’s operations, for that is the point I am endeavoring to enforce)—could ever have the least effect upon him. Now do not you parents often see this very thing in your children naturally? You sometimes cannot make anything of them—there is such a frowardness and perversity of disposition in them—that all your chastisements and every means you employ to make them better—only seem to make them worse. You cannot, with all the pains you take with them, make them one whit better!
Now what froward children often are to their parents, such are we toward God—His stripes—His frowns—His hiding Himself—His sharp afflictions—do not produce in us any spiritual good. But we go right on sinning—muttering perverseness, full of rebellion, peevishness, and discontent. And though we may feel the rod of God upon us, yet there is—no breaking down of heart—no submission of soul—no contrition of spirit before Him!
They make him mourn
“To all who mourn in Israel, He will give beauty for ashes, joy instead of mourning, praise instead of despair. For the Lord has planted them like strong and graceful oaks for His own glory.” Isaiah 61:3
The child of God will be more or less a spiritual mourner on account of the evil that dwells in him. The more that he knows of his heart—the longer he walks in the divine life—and the more that sin is opened up to him as seen in the light of God’s countenance—the more will he be a spiritual mourner. Sometimes he will mourn over the evils of his heart—that his lusts and corruptions are so strong—and he so weak against them. Sometimes over the temptations that Satan has laid for his feet, in which he has been entangled, and by which he has been cast down. Sometimes over the absence of God, and that he finds so little access to His blessed Majesty. Sometimes he will mourn as feeling how little grace he has. Sometimes he will mourn over his backslidings—how he has been entangled in, and given way to his lusts—how he has been overcome by his temper—how he has murmured and fretted against God’s dealings with him, so as at times to have been almost ready to break forth into cursing, or do something desperate.
As these and a thousand other evils are felt in a man’s heart, they make him mourn, and as the text speaks, have ashes for his covering. He mourns also over his lack of fruitfulness—and that he cannot be, do, or say what he would. He has strong desires to adorn the doctrine of God in all things—to have spirituality of mind and a tender conscience—and to lead a life of faith, prayer, and watchfulness. But he is obliged to confess with the apostle—“For the good that I would, I do not: but the evil that I would not, that I do.” For his mind is often, very often, doing the exact contrary. All these things, combined with Satan’s powerful temptations—and his many misgivings on account of the hidings of God’s face from him on account of his sins—with his thorough inability to cast off the burdens that press him down—sink him very low.
In addition to all this, he may have also to experience persecution for the truth’s sake from those, perhaps, near and dear to him. So that it is not one, but many sorrows, that he has to wade through, so as at times to make him, in his feelings, of all men most miserable!
I am full of confusion!
“I am full of confusion!” Job 10:15
God is the great Ruler, Director, and Controller of all things! We must not look on the varied events that are ever taking place in this world, as a mere matter of ‘chance’—a confused medley—as though these multitudinous circumstances were all thrown like marbles into a bag, and thrown out without any order or arrangement. God is a God of order. In the natural world, the world of creation—all is in order. In the spiritual world, the world of grace—all is in order. And in the providential world, the world of providence—all is order also. To our mind, indeed, all often seems disorder. But this arises from our ignorance, and not seeing the whole as one definitely arranged plan.
If you were to see a weaver working at a loom, and saw nothing but the threads and needles jumping up in continual motion—you would see nothing but confusion—nor could you form the slightest conception of the pattern which was being worked. But when the whole was completed, and the silk taken off the roller, then you would see a pattern arranged in beautiful order—every thread concurring to form one harmonious design. But all this was known beforehand by the artist who designed the pattern, and every arrangement was made in strict subserviency to it.
But if this is the case as to God’s appointments in providence, how much more is it true of His glorious designs in grace. Every trial, temptation, affliction, sorrow—are but the result of a definite plan in the eternal mind. Yet to us how often all seems confusion! This confusion is not so much in the things themselves—as in our mind. Job surrounded by trouble cried out, “I am full of confusion!” Yet we can see in reading his history that all his trials were working toward an appointed end. So every trial, sorrow, temptation or affliction, which has ever lain, or ever will lie, in your path—has been marked out by infinite, unerring wisdom!
Is not the commonest road laid out according to a definite plan, and does not the surveyor, when he lays it out, put every mile-stone in its proper place? So, does not the Lord lay out beforehand the road in which His people should walk? And does He not put a trial here and a sorrow there—an affliction at this turning, and a trouble at that corner? All is definitely planned in His infinite wisdom, to bring the traveler safely home to Zion!
My inward diabolism
“I have a daily cross, a daily burden, a daily affliction. It is my dreadful heart, my carnal mind, my corrupt nature—sin dwells in me—my unbelief, my infidelity, my worldly mindedness, my backsliding, my deceptive, adulterous, idolatrous heart—the lust of the eye, the lust of the flesh, and the pride of life. My inward diabolism, with which I am filled, daily makes me deeply groan, draws forth many a sigh, and makes me mourn before God—that I have such a wicked hard heart. My sins, my backslidings afflict me, and deeply grieve me.”
The afflictions the Lord sends on His people
“You have afflicted me with all Your waves.” Psalm 88:7
Jesus was a man of sufferings—a man of sorrows and acquainted with grief. And His people, in their measure, must have the same. The Lord has appointed it should be so. He has chosen His Zion in the furnace of affliction. There is no escape. The afflictions the Lord sends on His people are of varied kinds. The Lord sees necessary to send afflictions suitable to the case, state and condition of each. What might be an affliction to one, might not be so to another. Each must carry his own affliction. Each must bear his own load—and each endure his own appointed lot.
Our wise God sees exactly what affliction to lay on each and all—when it shall come—where it shall come—why it shall come—how it shall come—how it shall work—what it shall work—how long it shall endure—when it shall be put on—and when taken off. In these matters, the Lord acts as a sovereign. We did not choose of what parents we would be born—nor our situation in life—nor had we any choice of our stature or skin color.
The Lord appointed all our afflictions for us—and when He puts them on—no human arm can take them off. He knows our constitution and troubles—our characteristics and the minutest things relating to our situation in life. The Lord knows all our concerns. Therefore He lays on each individual the very affliction He sees that individual needs—no greater, no less—exactly the very affliction which shall bring about the very appointed purpose intended by God to be brought about—which shall be for the soul’s good and God’s own glory!
Who are these men?
“To Him shall men come.” Isaiah 45:24
Who are these men? Are they not regenerated men and women—redeemed of the Lord, regenerated by the Holy Spirit, and made alive to God, by His special teaching in the conscience? These men belong to God’s own blessed, redeemed, regenerated family. It is God’s solemn, unalterable declaration, that “to Him shall men come.” It does not rest, therefore, in the will of the creature—it hangs wholly and solely on the sovereign determination of God Himself. How does He bring it about? By a special work of grace in the heart. How do these men come? Under the teaching, drawing, and leading of the blessed Spirit of God in their soul. Where does the blessed Spirit find them? Does He find them willing to come, willing to leave all those things that men, by nature, love, and to which they cleave? No! It must be the special work of God Himself in the heart and conscience. He brings it about by showing us plainly, that in ourselves, we are lost.
Until a man feels in himself lost and undone, he will never come to Jesus Christ, for He is the Savior of the lost. Until we feel lost, He is no Savior to us. When we feel lost, all our righteousness opened up as filthy rags, see no way of escape from the horrible pit—and the Lord is pleased to open up to us the person of the Lord Jesus Christ—His atoning blood—His perfect obedience—His justifying righteousness, and dying love—laying these things with some degree of sweetness and power on the soul—we come. Why do we come? Because the blessed Spirit works in us to will and do of His good pleasure—He enables us to come, under His blessed teachings, leadings, and actings.
Self-esteem & self-exaltation?
“That no flesh should boast before God. . . .He who boasts, let him boast in the Lord.” 1 Corinthians 1:29, 31
In order that we should glory in the Lord, it is absolutely necessary that we should cease to glory in SELF. By nature, we are all prone to glory in self through those cursed principles of self-esteem and self-exaltation. Nothing but the mighty power of God can put down these cursed principles. We are prone to this pride, and it is strengthened and matured in a fallen sinner’s heart.
It is the work of the Spirit in the sinner’s conscience—to pour contempt on all the pride of man—to open up the depth of the fall—to bring to light all his hidden corruptions—to unbosom and lay bare all the evils of his heart—to upturn the deep corruptions of his fallen nature before his astonished eyes—that he may learn with true humility of soul, brokenness of heart, and contrition of spirit before God—to loathe and abhor himself in dust and ashes, as a monster of iniquity.
If a man has not been taught by the strong hand of God in his soul to abhor, loathe, and cry out against himself as one of the vilest wretches that crawls on God’s earth—he has never learned to glory in the Lord Jesus Christ. When the Lord Jesus Christ reveals to his soul a sense of His love, and unfolds a sight of His glory before his astonished eyes, he is brought to look out of himself, and from all he has—to the Lord Jesus Christ!
The highest privilege
The highest privilege, the greatest blessing, the richest favor that God can bestow upon any person is to make him His own dearly beloved child. For in so doing he not only advances him to the noblest dignity, but to the highest summit of glory and happiness that can be enjoyed in His own eternal, blissful presence. Our heavenly Father bestows upon us His children all those needful mercies and favors which—His wisdom can devise—His love prompt—and His power perform. “And if children, then heirs; heirs of God, and joint-heirs with Christ.” What is it to be an heir of God? It is to have God for our eternal possession—for all the love, glory, bliss, and blessedness of the self-existent Jehovah to be given to us for our everlasting enjoyment. Whatever the love of God can give—whatever the grace of God bestow—whatever the glory of God reveal—whatever fullness of bliss there is in the eternal presence of the great and glorious Jehovah—all that is ours if we are the children of God!
A pilgrim & a stranger
The child of God is separated from the world as a pilgrim and a stranger—and is pressing onward through a thousand foes and fears, to a heavenly country.
They have done you good
“And we know that all things work together for good to those who love God, to those who are called according to His purpose.” Romans 8:28
Have your trials humbled you? Have they made you meek and lowly? If so, they have done you good. Have they stirred up a spirit of prayer in your bosom—and made you sigh, cry, and groan for the Lord to appear, visit, or bless your soul? Then they have done you good. Have they opened up those parts of God’s word which are full of mercy and comfort to His afflicted people? Then they have done you good. Have they made you more sincere, more earnest, more spiritual, more heavenly-minded, more convinced that the Lord Jesus can alone bless and comfort your soul? Then they have done you good. Have they made the Bible more precious to you, the promises more sweet, the dealings of God with your soul more prized? Then they have done you good.
Now this is the way that “all things work together for good.” Not by puffing you up with pride—but by filling your heart with humility. Not by encouraging presumption—but by raising your affections to where Jesus sits at the right hand of God. Not by carrying us into the world—but by bringing us out of it. Not by covering us with a veil of ignorance and arrogance—but by stripping this veil off, and bringing light, life, and power into the soul!
God’s divine appointment
“And we know that all things work together for good to those who love God, to those who are called according to His purpose.” Romans 8:28
“All things!” Look at that! All that concerns our body and soul—everything in providence—everything in grace—everything you have passed through—everything you are passing through—everything you shall pass through. “All things!” What! is there not a single thing, however minute, however comparatively unimportant, that is not for my good, if I love God? No! Not one! If there were a single thing which befalls me, which is not working together for my good, if I am a child of God, I say it with reverence—that this verse would be a lie in God’s book. And yet, when we consider the variety of things that affect us—to believe that all of them are working together for our good—how must we admire the wonderful wisdom, and power, and government of God!
Are we tried in our circumstances? This is according to God’s divine appointment. Is it the Lord’s will and pleasure to bring us down in the world, by sorrows and adversities in providence? This is still according to God’s divine appointment. Have we afflictions in the family? It is still according to God’s divine appointment. It comes from Him. Nothing can happen in body—in property—in family—that does not spring from God’s divine appointment. Are children taken away? They are taken by the hand of God! The Lord gives—and the Lord takes away! Is wife or husband afflicted? The hand of God is in it. Is the body brought down with sickness? It comes from God. Is the mind tried with a thousand perplexities, anxieties, and cares? It is still the hand of God. All these matters spring from His divine appointment! Nothing can take place, either in providence or in grace—except as God in His infinite wisdom has decreed to perform—or decreed to allow!
Saved!
“He will come and save you.” Isaiah 35:3
To be saved! Who can fathom the depth of that word? Only in eternity will it be known what is implied in the word saved! For the glorified spirit must look down from the battlements of heaven into the dreadful pit of hell, before it can comprehend a millionth part of what is contained in the word saved. Saved from hell—saved from the pouring out of God’s terrible wrath through countless ages—saved from eternal punishment with devils and lost spirits—and saved into that heaven which knows no end, but is ever opening up with richer manifestations of glory and bliss!
Merit?
Merit? I know of only one merit that we have—hell. If salvation were of human merit—not a soul could be saved!
Applied with a divine power to the heart
“And now, brethren, I commend you to God, and to the word of His grace, which is able to build you up.” Acts 20:32
We are not built up—by fleshly holiness—by creature piety—by long and loud prayers—by the doings and duties of the flesh—nor even by sound doctrines floating in our brain. But we are built up by ‘the word of God’s grace,’ applied with a divine power to the heart. In other words, by the sweet manifestation—unctuous application—and divine revelation of the gospel of the grace of God.
Have you suffered from temptation— and been delivered out of it? It was ‘the word of God’s grace’ that built you up. Have you been in severe trial— and the Lord has blessed you in it, and brought you out of it? It was ‘the word of God’s grace’ that built you up. Have you been entangled in some error—and the Lord snatched you out of that error by applying some portion of His truth to your soul? It was ‘the word of God’s grace’ that built you up. Have you been entangled in the lusts of the flesh—or cast down by some snare of the devil—and the Lord has delivered you out of it? It was ‘the word of His grace’ that built you up.
If we deny Him
“If we deny Him, He also will deny us.” 2 Timothy 2:12
Sometimes we deny Jesus our affections. The world gets hold of us; those whom we love entwine themselves around our hearts—the things of time and sense begin to be pleasant and sweet to us—we gradually get carnal, cold, and dead. Then He will deny us—that is, He will not drop His love into a soul that is preoccupied with an idol. If we are cold to Him, He will be shy with us—and if we are negligent of His favor and His grace, He will requite us by withholding them.
A continual snare to us
We feel the world, with all its charms—its attractions—its habits—its temptations—to be a continual snare to us. Our eyes are caught with every passing vanity. The glare and blaze of the things of time and sense attract our eyes. And as the moth flits around the candle until it burns its wings—so are we continually flitting around the glare and blaze of the world—and get often sadly singed!
We ask the Lord, then, that He would—separate us from the world, deliver us from these snares—lead us up into some sweet communion with Himself—bring us out of this carnal frame—and favor us with some blessed enlargement of soul. We ask the Lord that He would enable us to—look to Him—embrace Him in our affections—and love Him with a pure heart fervently. The Lord condescends to answer the prayer—but in a way that we little dream of.
Instead of answering it by bringing in some sweet manifestation of Christ—He lays guilt upon our consciences. Fresh temptations bring us into a state of conflict, until we are forced to cast ourselves at the foot of the cross—as guilty, filthy rebels. Now, when the Lord has brought the soul there, and enables it by faith to get sight of a crucified Savior—there is a power communicated which separates the heart from this world and all its vanities! And getting separated in affection from the world—there is a new and inexpressible pleasure, sweetness, and blessedness felt, in pouring out the heart before Him—which the world with all its vain charms never can produce within. When he is, in any measure, indulged with a sight of a dying Lord—when he gets, by faith, a view of Christ’s cross—and faith, hope, and love, tenderness, sorrow, and contrition begin to rise up in his bosom—sin becomes hated—temptation is weakened—spirituality of mind produced—and the carnal mind for a while is deadened to those base desires which before were uppermost!
The heavenly runner
“Let us lay aside every weight, and the sin which so easily entangles us, and let us run with patience the race that is set before us, looking unto Jesus, the author and finisher of our faith.” Hebrews 12:1, 2
The heavenly runner looks wholly to the incarnate Son of God. Jesus draws him onward with His invincible grace—and as he runs and looks—and looks and runs—every fresh look gives renewed strength! And every time we view His beauty and glory we see more to believe, to admire, and to love Him. Every glance at His beauteous Person renews the flame of holy love! And every touch of His sacred finger melts the heart into conformity to His suffering image. This is the life of a Christian—daily to be running a race for eternity—and, as speeding onward to a heavenly goal, by continually breathing forth the yearnings of his soul after divine realities, and to be pressing forward more and more toward the Lord Jesus Christ as giving him a heavenly crown when he has finished his course with joy.
But as he runs he is bowed down with weights—many trials and sorrows—many cares and wearying anxieties—many powerful temptations—many bosom sins—many inward idols—many doubts and fears—many sinkings and tremblings—many hindrances from his felt coldness and darkness—hang upon him and press him down—so that at times he is utterly unable to move a single foot forward. But in spite of hindrances from without and within, every now and then he sees Jesus at the end of the race holding out the crown—and seeing Him, he is encouraged and enabled once more to run looking unto Him—that he may derive strength and virtue out of His fullness.
He cannot run the race with any hope of success but as he looks unto Jesus—and derives supplies of strength and power out of His fullness. Though faint, be still pursuing. Run on and run through every difficulty. The blessed Jesus, who is drawing you on by looks of love, will never let you go—nor cease His gracious work upon your heart! He will maintain the faith and hope He has given to you—and will never allow you to fall out of the race—but will certainly bring you off a winner, and crown you with eternal victory!
Comfort your hearts
“Now our Lord Jesus Christ Himself, and God, even our Father, who has loved us, and has given us everlasting consolation and good hope through grace, comfort your hearts.” 2 Thessalonians 2:16, 17
Let this be ever borne in mind—that whatever affliction befalls the children of God, it is laid upon them by the hand of God—and that for the express purpose of putting them into a situation and making them capable of receiving those comforts which God only can bestow. All our trials and afflictions, whether temporal or spiritual, pave the way for what the apostle prays for so earnestly in our text—that the Lord Himself would comfort your hearts.
Observe that Paul makes no mention of earthly comfort. “May our Lord Jesus Christ himself and God our Father. . . .comfort your hearts.” O none but Jesus Himself and the Father can comfort a truly afflicted heart! But He can and does from time to time comfort His dear people—by a sense of His presence—by a word of power from His gracious lips—by the light of His countenance—by the balm of His atoning blood and dying love—by the work and witness of the Spirit within. And as they receive this consolation from the mouth of God—their hearts are comforted.
The hypocrite’s hope
“The hypocrite’s hope shall perish.” Job 8:13
The hope of the hypocrite is any hope based upon self—whatever shape or form self may assume. The hope of the hypocrite is—any expectation that God will reward you for your good works—any hope that He will be merciful to you because you have not been so bad as others—any hope that by the exertion of your own strength and wisdom you may some day be in a better position to die than you are now—any hope based upon a mere profession of truth without a feeling experience of its power—any hope that stands upon the good opinion of others, and does not rest upon the testimony of the Spirit of God within. In a word, every hope which is not lodged by the breath of God in the heart, is the hope of the hypocrite.
Going to heaven?
“That those who don’t see may see; and that those who see may become blind.” John 9:39
Many who think themselves going to heaven—are going to hell. And many who fear they are going to hell—are going to heaven. Many who think themselves wise and in the light—are in ignorance and darkness; while many who feel themselves ignorant and foolish—have true knowledge and wisdom.
It was sovereign grace
The sovereignty of God is a great mystery—a mystery so profound as to be absolutely unfathomable by the human intellect. Unable, therefore, or unwilling to believe what they cannot comprehend—men have denied the sovereignty of God, and sought, with feeble hands, to wrest the scepter of omnipotence out of the grasp of the mighty Lord of heaven and earth—the great and glorious Arbiter of all events, and Disposer of all circumstances. But the child of grace, who is under divine teaching, whatever may have been his strong prejudices against, or his violent opposition to scripture truth in the days of his ignorance—is brought sooner or later to see and acknowledge the sovereignty of God. And when he is led into the mystery, he receives it as a most blessed truth.
As his eye is opened to see the sovereign hand of God in fixing and determining the circumstances of his earthly being—he sees how all was arranged by infinite wisdom and executed by infinite power. And when he comes to the department of grace, and can with believing eye trace out the dealings of God with his soul, then, in a more conspicuous manner still, does the sovereignty of God beam upon his heart. For well he knows that ‘free will’ had no place there—and that it was not of him who wills, or of him who runs—but of God who shows mercy. How plainly he sees and feels that it was sovereign grace—which first arrested him on his downward course—which made him feel the burden of sin—which put a cry and a sigh into his soul—which brought him to the footstool of mercy—which revealed the Savior—and applied the message of mercy and peace to his heart. Thus what some deny and others dispute—he is brought to receive in the simplicity of faith, as most glorifying to God and suitable to man—and as he receives it, he admires it, adores it, and submits to it!
Planted by Satan
“The tares are the children of the wicked one. The enemy who sowed them is the devil.” Matthew 13:38, 39
The Church is overrun with nominal professors, who are destitute of the fear of God, and who have nothing of the grace of God in their souls. They have been planted by Satan into the Church with a ‘profession of religion,’ while their hearts are utterly devoid of the power of vital godliness. This high, towering, lofty, soaring, presumptuous professor has his head thoroughly stored with the doctrines of grace, but he is destitute of the feeling power of vital godliness in his soul. He has never felt the powerful hand of God upon him to crush him into the dust—he has never fallen down before the throne of God’s majesty and mercy as a ruined wretch without hope or help—he has never been brought in guilty before the Lord—he has never been reduced to complete beggary, poverty, and insolvency in self. He is but a ‘natural man in a profession of religion,’ and has experienced nothing of the sovereign teachings and Divine operations of God the Holy Spirit in his conscience.
Know nothing, have nothing, be nothing
In the beginning of my experience in the things of God, which is now more than twenty-nine years ago, I had this truth impressed upon my conscience, as I have reason to believe, very powerfully and very distinctly, by the finger of God—that I could know nothing—but by divine teaching; have nothing—but by divine giving; and be nothing—but by divine making.
There are many idols in the heart
There are many idols in the heart—many earthly joys, bosom toys, vile lusts, and creature things—all which take great hold upon our affections.These have to be torn asunder, and nothing short of the power of God can do it effectually.
With hell are we at agreement
“Because you have said, We have made a covenant with death, and with hell are we at agreement; when the overflowing scourge shall pass through, it shall not come to us; for we have made lies our refuge, and under falsehood have we hid ourselves.” Isaiah 28:15
How the Lord here lays bare the hypocrisy and deceitfulness of a religion which stands in creature righteousness, putting as it were into the mouths of its professors His own view of it. This then is their language, “We have made a covenant with death—and we have shaken hands, and are thorough good friends. Why need we fear it then as an enemy? We have a religion to die by. And with hell are we at agreement. Why then need we fear hell? Our religion will surely deliver us from going down to the pit; and our own righteousness will surely give us an entrance into the gate of heaven. Yes, though God Himself declares it to be a lying refuge, yet having once taken shelter in it we are well satisfied with it, and do not want to be driven out of it. And though under falsehood we have hidden ourselves, yet we would sooner take our chance and live and die in it than suffer the pain and annoyance to be beaten out of it.”
Such is man, such the wisdom of the flesh—such all creature religion—such the pride and obstinacy of the human heart—such the deadly enmity of the carnal mind against salvation by grace—that it would sooner die and be damned in its own way—than live and be saved in God’s way.
The joy of his heart & the theme of his tongue
Paul preached a free-grace gospel. The sovereign, free, superabounding grace of God, as revealed in the Person and work of the Lord Jesus Christ, was the joy of his heart and the theme of his tongue. And against nothing did the holy zeal that burned in his bosom flame forth more vehemently than against any perversion or adulteration of this pure gospel. It was with this gospel in his heart, and with this gospel in his mouth, that he went forth into different places, as he was led by the blessed Spirit, preaching Jesus Christ and salvation through His blood and righteousness. God owned his testimony—the Holy Spirit accompanied the word with divine power—and many Gentile sinners, formerly worshipers of idols, and abandoned to every lust—were brought to repentance toward God and faith toward the Lord Jesus Christ.