Riches from Philpot — Part 6 (continued): The Veil Is Taken Away
De sluier is weggenomen!
Wat een bont samengesteld monster is de mens in zijn natuurlijke staat! Hij is vol kwaad en pleegt voortdurend zonde. Hij tart God in Zijn gezicht met duizend misdaden — en toch richt hij zijn eigen gerechtigheid op!
We zouden net zo goed kunnen verwachten dat een misdadiger die in de dodencel wacht op de verdiende straf voor zijn zware misdaden — zijn moorden, zijn roverijen en zijn voortdurende vergrijpen tegen alle menselijke wetten — hoopt uit de gevangenis te komen door zijn goede daden en zijn gehoorzaamheid aan de wetten van zijn land. Even goed kunnen we verwachten dat zo’n verachtelijk wezen als de mens hoopt langs de ladder van zijn goede woorden, goede gedachten, goede werken en goede bedoelingen naar de hemel te klimmen.
Zelfgerechtigheid is in al haar vormen zo verweven met elke gedachte van ons hart en zo verstrengeld met elke vezel van onze natuurlijke geest dat eigenroem en zelfvoldaanheid ons toeroepen toch iets te doen om Gods gunst te winnen — hoewel we weten dat we zondaars zijn! O, in wat een diepgezonken staat verkeert de mens! We kunnen de mens nooit te diep vernederen. O, de afgrond van ellende en ondergang waarin hij is gevallen! O, de diepten van verdorvenheid waarin hij is neergeslingerd! O, de bodemloze kolk van verderf en schuld waarin hij zich bij Adams val met heel zijn geslacht heeft gestort!
Maar hoe vreselijk de staat van de mens ook is — “de sluier” op zijn hart verhindert hem de diepten van zijn eigen val te zien. Dit is een van de ergste kenmerken van zijn ondergang: ze is voor hem verborgen. Hij weet er niets van totdat hij door een wonder van genade uit de put van verschrikking wordt getrokken en gered van het neerdalen naar de afgrond van de hel met al zijn zonden en misdaden op zijn hoofd!
Predikers kunnen de mens daarom nooit te diep vernederen en nooit te duidelijk wijzen op de vreselijke afgrond van ondergang en vernedering waarin hij is gevallen. Maar “de sluier” op het hart van de mens verbergt zijn ondergang voor hem! En zolang die sluier niet ten dele is weggenomen, kent hij geen enkele waarheid goed, ziet hij er geen en voelt hij er geen.
Twee grote lessen
Er zijn twee grote lessen te leren in de school van Christus. Al het goddelijk onderwijs ligt daarin besloten en wordt erin samengevat. De ene is dat we door het onderwijs van de Geest leren wat WIJ van nature zijn. Zo zien en voelen we de volkomen ondergang en het totale wrak van het eigen ik en de volslagen armoede, zwakheid en hulpeloosheid van het schepsel in de dingen van God. Dit is de eerste grote tak van het goddelijk onderwijs.
Deze les moeten we dag aan dag leren — regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. Door deze tak van onderwijs moeten we bijna dagelijks heen waden en soms wegzinken in zeer pijnlijke diepten onder het besef van onze verdorven natuur.
De andere grote tak van het goddelijk onderwijs is te weten wie JEZUS is en wat Hij voor ons is. We leren de kracht van Zijn verzoenend bloed om het schuldige geweten te reinigen. We leren de macht van Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid om van alle zonde vrij te spreken en te ontslaan. We leren het geheimenis van Zijn stervende liefde die de hardheid van ons hart breekt en enige liefde tot Hem in ons opwekt. En met het oog van het geloof zien we Zijn heilige wandel en Zijn lijdend beeld. Zo worden we enigszins aan Hem gelijkvormig en wordt Zijn gelijkenis enigszins in onze ziel gedrukt.
Door deze twee takken van onderwijs maakt en houdt de Geest de kinderen van God nederig. Al onze voorzienigheden, beproevingen, verzoekingen en verlossingen leiden hiertoe — alles wat we doormaken in de natuur en alles wat we doormaken in de genade. Kortom: de hele loop van omstandigheden waarmee het kind van God zich omringd vindt, brengt hem op deze twee wegen. Hij krijgt een diepere kennis van zichzelf of een diepere kennis van Christus — om hem te vernederen en de Heere van leven en heerlijkheid te verhogen.
Hierheen is alles gericht wat de Geest doet en in dit kanaal stromen al Zijn lessen. Elk onderwijs en elke bevinding die niet in dit kanaal stroomt en niet naar dit doel leidt komt niet voort uit het onderwijs van God de Heilige Geest in het hart. Zo’n onderwijs moet ons vernederen en tot in het stof neerbrengen. Tegelijk moet het de Heere van leven en heerlijkheid verhogen en de kroon op Zijn gezegend hoofd zetten. Want het is Zijn verbondsambt om van de dingen van Christus te nemen en ze aan de ziel bekend te maken, zodat Jezus wordt verheerlijkt en verhoogd.
Die afgod, het religieuze zelf
Niets hebben en niets zijn dan een bedelaar en een arme — wat breekt dat de menselijke hoogmoed! We moeten niets in onszelf hebben om op te rusten en op te steunen. Maar de waarheid is dat we pas binnengaan in de kracht, de zaligheid en de werkelijkheid van het koninkrijk van Christus als het eigen ik van de troon is gestoten. Eerst moeten de gerechtigheid, de vroomheid, de inspanningen en de kracht van het schepsel tot niets zijn gebracht. Eerder zijn we geen geschikte gasten om aan te zitten bij het bruiloftsmaal van het Lam.
We kunnen niet binnengaan in de schatten van vergevende liefde, de rijkdommen van het verzoenende bloed niet zien en de heerlijkheid en schoonheid van de rechtvaardigmakende gerechtigheid niet voelen — voordat die afgod, het religieuze zelf, van zijn voetstuk is geslingerd!
Zolang we vol hoogmoed en eigenliefde zijn, kunnen we Jezus niet volgen naar de hof van Gethsemane. Dan zien we met het oog van het geloof de lijdende, zuchtende, worstelende, bloedende Zoon van God niet. We kunnen onze plaats niet innemen aan de voet van het kruis om het wonderbare geheimenis te aanschouwen van Immanuël, de God-Mens, die daar bloedt en sterft.
Zolang we onze eigen farizeïsche godsdienst bekijken — onze vroomheid, onze inspanningen, ons eigen doen — hebben we geen ogen om Jezus te zien en geen oor om Zijn stem te horen. We zijn zo verliefd op onszelf dat de Koning van de koningen geen schoonheid heeft in onze ogen. Hij is voor ons als een wortel uit een dorre aarde en er is geen gestalte in Hem waarom we Hem zouden begeren.
Maar als we de lelijkheid, de verdorvenheid en de afschuwelijke werkingen van het eigen ik gaan zien, dan zien we hoe onmogelijk het is dat dit ooit voor God kan bestaan. En als we de ondergang van het eigen ik voelen, dan beginnen we te voelen wat een heerlijke zaligheid er tot stand is gebracht naar de raad en de wil van God. Dan zien we de Heere van leven en heerlijkheid neerbuigen om ellendigen te redden die nooit tot Hem hadden kunnen opklimmen. Hij vergeeft misdadigers die geen eigen gerechtigheid hebben. Hij ontsluit de schatten van Zijn stervende liefde en opgestane heerlijkheid voor wie zonder Hem volkomen moeten omkomen.
Wordt dit aan het geloof geopenbaard, dan omhelst het geloof dit als de grote verborgenheid der godzaligheid. De hoop werpt haar anker uit en gaat binnen achter de voorhang. En de liefde stroomt uit naar Jezus en omhelst Hem met armen van genegenheid vanwege zo’n stervende liefde als de Zoon van God aan het kruis van Golgotha heeft getoond.
Deze bevinding plaatst de zondaar op zijn juiste plaats. Ze vernedert hem in zijn gevoelens — maakt hem nederig in zijn ziel en breekt hem tot niets. Tegelijk verhoogt ze de Heere Jezus in zijn genegenheden en Hij wordt kennelijk in zijn geweten zijn alles in allen.
De smeltkroes van de ellende
Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende. (Jesaja 48:10)
Van tijd tot tijd brengt God Zijn volk in zware situaties en benauwende omstandigheden. Zo hebben ze niemand anders om naar op te zien. Ze hebben geen andere hulp, beschutting of toevlucht. Uit pure noodzaak zijn ze gedwongen hun ziel te werpen op Hem Die machtig is te redden. De Heere heeft Zijn volk uitgekozen in de smeltkroes van de ellende.
En O, hoe verdooft echte ellende ons voor al het andere! Zolang er geen ellende is, danst de “wereld” voor ons met een zonnestraal erop — aantrekkelijk, schitterend en mooi. In onze vleselijke gezindheid vliegen we dan van bloem tot bloem als een vlinder in de zon. Onze godsdienst staat dan op een heel laag peil. Er is misschien een fatsoenlijke belijdenis, maar hoe weinig leven en kracht is er, behalve wanneer de ellende de ziel neerdrukt!
We kunnen heel goed zonder Jezus zolang de wereld ons toelacht en vleselijke dingen in ons hart bovenaan staan. Maar laat de ellende komen — een zwaar kruis, een last die ons neerdrukt — dan zakken we weg naar de plaats waar de Heere Jezus Christus alleen te vinden is. Wanneer de ziel neergedrukt wordt in het dal van de ellende, behaagt het de Heere haar daar te ontmoeten!
Verzoeking
Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen (2 Petrus 2:9)
O, wat wordt het arme kind van God voortdurend verzocht! En wat een sterke verzoekingen! Hoe pijnlijk! Hoe krachtig! Hoe verwarrend! Hoe verstrikkend! Hoe kwellend! Hoe betoverend! Hoe satanisch is de zwarte duivel! Hoeveel satanischer nog is de witte duivel! Hoe voortdurend wordt het kind van God geoefend met verzoeking! Verzoekingen — zo passend — zo krachtig — zo overweldigend — dat niets dan de genade van God de verzoeking ooit kan overwinnen of de ziel eruit kan verlossen!
Hij viel door de zeef!
Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Lukas 22:31-32)
De Heere bad niet voor Judas. Hij was de zoon der verderfenis en daarom viel hij door de zeef en viel hij in de hel. Daar is hij nu en daar zal hij zijn tot in alle eeuwigheid! En u en ik zouden er zeker ook doorheen vallen als we geen zaligmakend aandeel hadden in de liefde en het bloed van het Lam. U kunt een tijd ontkomen. Maar als u geen deel hebt aan Zijn verzoenend bloed en Zijn genade en Hij niet voor u pleit, dan valt u vroeg of laat door de zeef en zinkt u weg in de hel — en misschien wel snel!
Mager, dor, dood en onvruchtbaar
Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken (1 Timotheüs 6:10)
Wie met ziende ogen heeft dit niet telkens weer duidelijk gezien? Een lid van een gemeente is, zolang hij in armoedige omstandigheden verkeert, een nederig, berouwvol en verbroken mens. Zijn gesprek is smakelijk, zoet en stichtelijk. Hij ontvangt veel tekenen van Gods gunst, barmhartigheid en liefde.
Maar dan krijgt hij geld nagelaten — of zijn zaken gaan goed — of hij trouwt met een rijke vrouw. En wat is het gevolg? Hij wordt mager, dor, dood en onvruchtbaar. Zijn gesprek is niet meer zoals eerst smakelijk en zoet en over de dingen van God. Het lijkt alsof de wereld en de dingen van de wereld al het groen in zijn ziel opeten. En is dit geen pijnlijke bewerking?
al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage (Johannes 15:2)
Wat zijn we van nature? Zijn we niet nauw vastgeklonken en vastgekleefd aan de wereld — aan de dingen van tijd en zinnen — aan onze eigen gerechtigheid — aan alles wat God met volkomen haat haat? Moet het scherpe zwaard van Gods Woord deze nauwe verbondenheid niet doorsnijden — met de wereld, met de dingen van tijd en zinnen en met onze eigen gerechtigheid? Zeker!
Voordat we in enige levende vereniging met Christus kunnen worden gebracht of enige geestelijke gemeenschap kunnen hebben met Zijn allergenadigste Majesteit, moet het scherpe mes doorgaan tussen ons en het eigen ik. Het moet doorgaan tussen ons en onze eigen gerechtigheid en tussen ons en onze eigen vleselijke gehoorzaamheid. Zo scheidt het ons van die dingen.
En is dit geen pijnlijke bewerking?
Kan het scherpe mes tussen ons en de wereld doorgaan — tussen ons en onze vleselijke gehoorzaamheid — tussen ons en onze eigen gerechtigheid — tussen ons en die afgod, het eigen ik, waar we zo van houden en die we zo vroom aanbidden — zonder littekens en sporen in ons vlees achter te laten of zonder zeer pijnlijke en scherpe gewaarwordingen te veroorzaken? Het kan niet! En wie deze dingen heeft ondervonden, weet dat het niet kan. Maar hoe onmisbaar — hoe volstrekt onmisbaar — is deze bewerking in de handen van de Geest om ons van het eigen ik af te snijden, zodat we een levende vereniging met de Heere Jezus Christus krijgen.
Want Christus en het eigen ik kunnen nooit samengaan. Christus’ gerechtigheid en onze eigen gerechtigheid, de liefde van God en de liefde van de wereld, de aanbidding van Jezus en de aanbidding van afgoden, bewondering voor onszelf en bewondering voor Hem: ze kunnen nooit op dezelfde troon zitten! Het eigen ik moet in puin liggen voordat Jezus daadwerkelijk in het hart kan worden opgericht. Er moet een scheiding komen van alles waaraan de natuur zich vastklemt, voordat een levende vereniging met de Heere Jezus Christus tot stand kan komen.
Dit is de reden waarom het volk van de Heere door zulke zware oefeningen en verlegenheden moet — door strijd, beproevingen, krachtige verzoekingen, wisselende gevoelens en diepe ellende. Zo worden ze ontworteld en geheel van het eigen ik afgesneden — opdat ze door goddelijk geloof een levende vereniging met de Heere Jezus Christus krijgen. Wanneer Jezus in het hart komt, dan komt Hij als Koning! Omdat Hij de rechtmatige Heerser is, regeert Hij over de vermogens van de ziel en maakt Hij haar gehoorzaam aan Zijn scepter. O Heere onze God, andere meesters hebben over ons geheerst — maar wij aanbidden U alleen.
Als Christus in ons blijft, zullen er enkele kenmerken en vruchten uit dat blijven voortvloeien. Er zullen enkele uiterlijke en innerlijke bewijzen zijn dat we van een andere geest zijn dan zij die dood zijn in zonden of dood in louter belijdenis. Er zal nederigheid zijn — oprechtheid — godzalige eenvoud — kinderlijke vreze — afgestorvenheid voor de wereld — afzondering van het kwaad — geringe gedachten over onszelf — verbrokenheid van hart — berouw van geest — tederheid van geweten.
Er zal een vluchten zijn van alles hier beneden om onze zoete woning te maken in de schoot van een opgestane Heere. Vinden we deze dingen in onze ziel? Zo niet, dan mogen we onszelf christenen noemen, maar dan hebben we weinig bewijs dat we die naam waardig zijn!
Aards, zinnelijk, duivels
Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels (Jakobus 3:15)
Jakobus stelt hier de wijsheid die van God komt tegenover de wijsheid die van de mens komt. Welk beslissend stempel drukt deze grote apostel op alle menselijke wijsheid? Hij schrijft er drie bijvoeglijke naamwoorden op als onderscheidende kenmerken — en zo veroordeelt hij haar tot de diepste vernedering.
Ten eerste heeft deze wijsheid die uit het schepsel en het vlees voortkomt haar oorsprong in de AARDE. Boven die aarde waaruit zij haar oorsprong heeft kan zij zich nooit verheffen. Omdat ze uit de aarde geboren is, moet ze altijd over de grond kruipen. Uit de aarde groeit zij en ze kan nooit uitstijgen boven de mist en de nevel die haar geboortegrond bedekken.
Ten tweede is zij “ZINNELIJK” of “natuurlijk”, zoals we lezen in de kantlijn van de Engelse Bijbel.
Het is dus een wijsheid die past bij onze gevallen natuur — een wijsheid die zich helemaal richt tot onze zintuigen. Ze weet niets van God, niets van hemelse dingen, niets van eeuwige werkelijkheden en niets van bovennatuurlijke en geopenbaarde waarheid. Ze komt voort uit verstand en zintuigen en past daarbij. Ze kent alleen die voorwerpen waarvan oog, oor, tastzin, smaak en reuk weet hebben en waarmee ze vertrouwd zijn. Het is dus een wijsheid die in het eigen ik begint — en in het eigen ik eindigt — en nooit boven de gevallen natuur van de ondergegane mens uitkomt.
En ten derde komt dat woord dat alle menselijke wijsheid in de zaak van de zaligheid vernedert en vernietigt tot in de diepste hel. Met één woord drukt hij er een noodlottig stempel op, alsof hij haar volkomen wil verwerpen — “DUIVELS.” Het is alsof hij zou zeggen: de mens met al zijn geroemde wijsheid wordt in dit opzicht zelfs door duivels overtroffen. De gevallen geesten, die vijanden van God die een eeuwige oorlog voeren tegen God en Zijn dierbare Zoon, zijn de ouders van die wijsheid die aards en zinnelijk is. Zo zijn de trekken van de hel erop gestempeld.
Bedenk echter dat deze bijvoeglijke naamwoorden alleen gelden voor menselijke wijsheid voor zover zij zich met goddelijke zaken bemoeit. Op haar eigen terrein is menselijke wijsheid nuttig en nodig. Alleen wanneer zij zich opdringt in goddelijke dingen en driest het heiligdom binnentreedt — en heilige en hemelse werkelijkheden omlaag haalt naar haar eigen niveau — moet zij worden veroordeeld. Omdat hij zag dat natuurlijke wijsheid in goddelijke dingen werd binnengebracht, veroordeelde hij haar oorsprong als aards, haar aard als zinnelijk en haar einde als duivels!
De mens in zijn natuurlijke staat heeft dus geen greintje hemelse wijsheid. Hij weet niets uit eigen bevinding van de weg van zaligheid — van zijn eigen ondergang en ellende — van de genade van God — van de Persoon en de werkingen van de Trooster — van Zijn leidingen, geleidingen, onderwijzingen en zalvingen.
Hij kan inderdaad een grote hoeveelheid aardse wijsheid bezitten. En is hij een belijder van de godsdienst, dan kan hij die tot de grootste hoogte opvoeren in de “letter van de waarheid”. Hij kan wijs zijn in de Schriften, wijs in het plan van zaligheid, wijs in het vergelijken van tekst met tekst, Schrift met Schrift en gedeelte met gedeelte. Maar tenzij er een maat van goddelijke wijsheid uit de mond van God in zijn hart is gevallen, heeft hij voorlopig niets dan die wijsheid die “aards, zinnelijk en duivels” is.
Goddelijke ogenzalf
zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt (Openbaring 3:18)
We weten niets dan door goddelijk onderwijs. Dit brengt ons naar de troon van de genade om de Heere te smeken ons te leren en te tonen wat we zijn, de sluier van ons hart weg te nemen en ons onze werkelijke staat te ontdekken. Goddelijk licht in het geweten van een mens leert hem wat hij is. Goddelijk leven in zijn ziel doet hem voelen wat hij is.
Heeft hij Gods licht niet, dan is hij duister. Heeft hij Gods onderwijs niet, dan is hij onwetend. Heeft hij Gods wijsheid niet, dan is hij louter dwaasheid. Heeft hij Gods leiding niet, dan dwaalt hij. Heeft hij Gods ondersteuning niet, dan valt hij. Heeft hij Gods bewaring niet, dan wijkt hij af op kromme paden en in dwaling. We kunnen onszelf niet zien, we kunnen anderen niet zien, we kunnen de waarheid niet zien. We kunnen Jezus niet zien in Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid, Zijn verzoenend bloed en Zijn stervende liefde — behalve voor zover de gezegende Geest onze ogen zalft met ogenzalf, zodat we zien!
Waar zijn zij?
door Jezus Christus bewaard (Judas 1)
O, het is een weldaad om te volharden! Als we om ons heen kijken en zien wie met ons aan de christelijke wedloop zijn begonnen — waar zijn zij? Sommigen zijn naar de wereld gegaan. Anderen zijn in zonde gevallen. Anderen hebben dodelijke teugen van ketterij en dwaling gedronken. Maar als wij één jaar of zelfs maar één dag volharden, dan is het alleen door de genade van God! Hij Die het werk van genade in de zielen van Zijn volk is begonnen, zal het voortzetten en zal hen doen volharden — opdat Hij Zijn genade kroont met eeuwige heerlijkheid.
Let op het contrast!
Ik ben wel ellendig en nooddruftig (Psalm 40:18)
Wat een eerlijke belijdenis! Hoe passend voor de bevinding van elke door God onderwezen ziel! Laten we deze nederige belijdenis stellen tegenover de grootspraak die uit de mond van de gemeente van de Laodicensen kwam: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek! Let op het contrast!
De dode, vleselijke, levenloze belijder schept op: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek! Het geoefende, beproefde, verzochte kind van God belijdt: Ik ben wel ellendig en nooddruftig. De een is vol hoogmoed en roemt in het eigen ik! De ander is gebroken, nederig, berouwvol en neergelegd aan de voetbank van de genade!
Hij kan niet zien, niet weten en niet voelen
Als we de Schriften als gezag nemen, in wat een vreselijke staat verkeert de mensheid in het algemeen! O, hoe vreselijk is de mens gevallen — o, hoe diep gezonken! En toch is één kenmerk van de ondergang van de mens zijn volkomen onwetendheid over de diepten van de val. Hij is het zondige kind van een zondige ouder. Hij staat onder de vloek van een wrekende wet. Hij is een vijand van God en van de godzaligheid. Hij snelt voort langs de brede weg die naar het eeuwig verderf leidt — en toch weet hij het niet!
De sluier van onwetendheid en blindheid ligt op zijn hart. Zoals de Schrift zegt is hij vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is. God heeft over hem een geest des diepen slaaps uitgegoten. Daarom kan hij niet zien, niet weten en niet voelen wie hij is, wat hij is en waar hij heen gaat! Geen taal kan de vreselijke staat van de mens beschrijven.
Maar door genade — oneindige genade — is er een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. Zij worden diep en gevoelig gebracht om hun verloren en ondergane staat te zien, te weten en te voelen. De gezegende Geest legt in hun hart een zucht en een roep om Gods grote zaligheid te kennen. En dezelfde gezegende Geest, Die hen eerst van hun ondergang overtuigde en die roep in hun ziel legde, voert hen uiteindelijk tot een gelukkig genieten van de zaligheid die in Christus Jezus is.
Het is de Heilige Geest — Hij alleen — Die ons onze schuldige, verloren en teniet gedane staat doet voelen. Hij en Hij alleen verwondt en doorboort ons hart met overtuiging. Hij opent de diepten van de val, brengt de kwaden van onze natuur aan het licht en doet ons zuchten en klagen onder de last van schuld op het geweten. Hij geeft ons niet alleen de last van de zonde te voelen, maar legt in ons hart een zucht en een roep dat Gods zaligheid aan ons hart geopenbaard mag worden.
Hij en Hij alleen ontvouwt voor onze ogen wie de Heere is. Hij openbaart Christus in het hart, sprengt Zijn bloed op het geweten en maakt Zijn rechtvaardigmakende gerechtigheid openbaar. Hij geeft ons ogen om Zijn heerlijke Persoon te zien en stort Zijn stervende liefde uit in de ziel.
Werp een blik
Als we een blik werpen op het lijdende en stervende Lam van God, hoe toont dat ons de vreselijke en afschuwelijke aard van de zonde! Als we met het oog van het geloof de Zoon van God kunnen zien komen in deze lagere wereld en onze natuur in eenheid met Zijn eigen goddelijke Persoon aannemen — als we de Man van smarten door het geloof kunnen vergezellen naar de sombere hof van Gethsemane of Hem zien zuchten, bloeden en sterven aan het kruis als een voorwerp van smaad en schande — en geloven dat alleen op deze weg de zaligheid kon worden bewerkt: o, wat een zicht geeft dat op de strafwaardigheid en de vreselijke aard van de zonde!
Niets minder dan de menswording van Gods eniggeboren Zoon, niets minder dan zo’n geweldig offer kon de zonde wegdoen en de uitverkorenen terugbrengen tot God! Een gelovige aanblik van de Heere Jezus, hangend aan het hout van Golgotha, toont ons enerzijds de vreselijke aard van de zonde. Maar anderzijds toont ze ons hoe vol, hoe volkomen, hoe heerlijk en hoe werkzaam die zaligheid moet zijn waarvan de stervende Zoon van God kon zeggen: Het is volbracht!
Strikken, vallen, lokaas
Het volk van de Heere wordt van tijd tot tijd diep geoefend door de macht van de zonde. Ze vinden zulke goddeloze lusten in zich. Ze voelen zulke verschrikkelijke kwaden. De verdorvenheden van hun hart liggen zo naakt en bloot, en ze vinden in zichzelf zo’n roekeloze neiging tot alle goddeloosheid. Ze voelen de zonde zo sterk — en zichzelf zo zwak! O, hoeveel van het volk van de Heere worden ’s morgens, ’s middags en ’s avonds met zonde verzocht! Hoeveel kwaden, afschuwelijke kwaden, openen als het ware hun kaken om hen geheel te verslinden!
Waar ze ook gaan en waar ze zich ook wenden: strikken, vallen en lokaas liggen aan alle kanten, dik gestrooid op hun pad! Ze voelen zich zo hulpeloos en zijn zich er zo innerlijk van bewust dat niets dan Gods almachtige kracht hen kan ondersteunen op dit gevaarlijke pad vol strikken aan elke kant, dat ze tot de Heere worden gebracht om te roepen: Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn! Niets minder dan Gods zaligheid — in haar vrijheid, in haar volheid, in haar goddelijke openbaring, in haar zondebedwingende en lustdodende invloed — kan hen van de macht van de zonde redden!
Vleselijke blijdschap
Vleselijke blijdschap is gedood voor een kind van God. Ik bedoel niet dat de “vleselijke gezindheid” gedood is. We hebben maar al te bittere en pijnlijke bevinding van het tegendeel. Maar de bronnen van vleselijke blijdschap zijn gedood. Waarom? Omdat die dingen die vroeger vreugde gaven, nu leeg blijken en niets meer bieden van het genoegen dat men er eens in vond. Gezondheid — kracht — rijkdom — eer — wereldse vermakelijkheden — zondige genoegens: dit alles kon eens de vleselijke gezindheid verheugen en bevredigen. Maar God heeft in Zijn barmhartigheid bitterheid in deze beker gedaan.
Onze vleselijke gezindheid kan er een tijdlang nog door worden vermaakt. Maar o, wat een sombere terugblik! En hoe doorboort het het geweten dat we een ogenblik genot konden smaken of een ogenblik geluk konden ontlenen aan dingen die zo hatelijk en verfoeilijk zijn in de ogen van God! Is er nog enige echte blijdschap of geluk of troost, dan is ze alleen in Christus. Ze is in Zijn bloed — Zijn gerechtigheid — Zijn liefde — Zijn kostbaarheid — Zijn geschiktheid — Zijn tedere ontferming — de rijkdom van Zijn genade — Zijn heerlijke Persoon — alles wat Hij is en alles wat Hij voor ons heeft.
Als we ooit, terwijl we door deze woestijn trekken, één druppel degelijke blijdschap en waar geluk voelen, dan moet die voortvloeien uit één bron en kan ze alleen daaruit voortvloeien: de openbaringen van Christus aan onze ziel. In Hem alleen kunnen we blijdschap en vrede vinden. Zonde — de wereld — de dingen van tijd en zinnen — zaken — vermaak — zogenaamd genot: ze geven nu geen echte blijdschap. Er is een knagende leegte, een gevoel van somberheid en ellende dat verbonden is met alles buiten de goddelijke mededelingen van barmhartigheid, gunst en liefde.
Eén glimlach van de Heere, één woord uit Zijn mond, één genadig doorbreken van het licht van Zijn aangezicht geeft, zolang het duurt, blijdschap. En uit geen andere hoek en uit geen andere bron kan een ogenblik blijdschap worden geput.
Snuisterijen, speelgoed, voorbijgaande schaduwen
opdat gij in Mij vrede hebt (Johannes 16:33)
Vrede in het eigen ik! Die kan nooit gevonden worden. Vrede in de wereld! Die is nooit te krijgen. Vrede in de zonde! God verhoede dat een van Zijn kinderen daar ook maar een ogenblik van zou dromen. Vrede in de dingen van tijd en zinnen! Zijn ze niet allemaal bezoedeld — allemaal snuisterijen, speelgoed, voorbijgaande schaduwen — rook uit de schoorsteen, kaf van een zomerse dorsvloer?
Kan een beproefde, verzochte, neerslachtige gelovige, terneergeslagen door de moeilijkheden van de weg, in deze dingen enige vrede vinden? Zijn vleselijke gezindheid kan zich er, tot zijn schande, een tijdlang door laten afleiden. Zijn goddeloze lusten en hartstochten kunnen erin verstrikt raken en zijn gevallen natuur kan rondkruipen tussen deze arme vergankelijke dagdromen. Maar vrede? Er is geen vrede in deze dingen! En zolang onze goddeloze harten uitgaan naar goddeloze dingen, zal er geen echte, hechte vrede binnenin zijn.
Het is de bedoeling van de Heere dat heel Zijn dierbare gezin vrede in Hem heeft. Daarom drijft Hij hen uit elke toevlucht van leugens, zodat ze in het eigen ik geen vrede vinden. Hij brengt hen uit de wereld, zodat ze daar geen vrede vinden. Hij jaagt hen weg uit de zonde, zodat ze daar geen vrede vinden. Hij acht het ook goed hun gemoed te oefenen en hen telkens weer te beproeven. Zo vinden ze nergens anders vrede en komen ze als arme, gebroken zondaars naar de voetbank van de genade, zien ze op naar Jezus en vinden ze vrede in Hem!
Vastgekleefd en geboeid
De Heere heeft beloofd dat we in de wereld verdrukking zullen hebben. Maar wat doet dit een kind van God wankelen! Hij kan niet begrijpen dat zijn toegewezen pad in de wereld verdrukking zou zijn. En toch, hoe nodig — hoe volstrekt nodig — is het om verdrukking in de wereld te hebben, want hoe nauw is ons hart ermee verbonden. Hoe vastgekleefd en geboeid is ons vleselijke hart aan de dingen van tijd en zinnen! Wat een neiging — wat een dagelijkse, uurlijkse neiging — is er om afgoden na te lopen, onze ijdele geest te vermaken met voorbijgaande vertoningen en belang te stellen in de kleinste beuzelingen om ons heen.
Zo verlaten we de Fontein van levend water en houwen we voor onszelf bakken uit — gebroken bakken, die geen water houden.
Wat een betovering ligt er ook vaak over onze ogen! Wat een reeks van moeiten — wat dagen, weken, maanden en jaren van beproeving zijn er daarom nodig om ons te overtuigen dat de wereld niet ons thuis is, niet onze rust en niet onze blijvende woning. Maar de Heere gebruikt barmhartig en genadig verdrukking in allerlei gedaanten om ons uit de wereld te brengen.
Zo worden we niet met haar veroordeeld en maken we haar niet tot onze rust en ons thuis. Zo trekt Hij ons tot Zijn gezegende voeten, opdat we in Hem die vrede vinden die we nooit hebben gevonden en nergens anders ooit kunnen vinden. In de wereld kunnen we nooit — zullen we nooit — iets anders hebben dan verdrukking en beproeving.
Maar wat is het gevolg — het barmhartige gevolg — van deze moeiten? Is er niet een stem bij? Wanneer het oor geopend is, spreekt de verdrukking. Zijn er geen zeer heilzame vruchten en gevolgen die uit verdrukking voortvloeien? Bijvoorbeeld: is ons hart van nature niet sterk aan de wereld vastgekleefd? Houden we er niet van en hechten we ons er niet aan? Als we de verschillende bewegingen van ons hart gadeslaan, gaan ze dan niet voortdurend uit naar iets afgodisch? Naar iets om ons vleselijke gemoed te bevredigen en te vermaken, te boeien, bezig te houden en te behagen?
Om ons uit de wereld te brengen en ons te laten voelen dat ze niet onze blijvende woonplaats is en dat er in haar geen geluk te vinden is, acht de Heere het nodig verdrukking op ons te leggen. Het is verdrukking van die eigen aard die ons werkelijk van de wereld zal scheiden. Als we door verdrukking gaan, wat een arm, ijdel ding lijkt de wereld ons dan! We hebben innerlijke troost nodig, maar de wereld kan die niet geven. We hebben balsem nodig voor ons geweten, maar de wereld giet die balsem niet in en scheurt de wond liever open.
Zo hebben we verdrukking na verdrukking nodig — beproeving op beproeving — ellende na ellende — slag op slag — smart op smart — verdriet op verdriet. Dat is nodig om die nauwe verwantschap tussen ons en de wereld door te snijden. Het moet ons in ons hart en geweten overtuigen dat er geen rust, geen vrede, geen geluk en geen troost te vinden is in wat de wereld ook aanbiedt!
Donkere vlekken op deze heldere belijdenis!
Werpen we een blik op de belijdenis van sommigen, dan is die geheel aan de lichtzijde van de dingen. Ze willen u graag laten geloven dat ze werkelijk en bevindelijk voor God zijn wat ze voor mensen belijden te zijn. Maar wanneer we met een scherp en doorzoekend oog de vruchten gadeslaan die uit deze “schitterende belijdenis” voortkomen, hoe weinig stemmen die dan overeen met de belijdenis zelf! Hoogmoed — hebzucht — wereldgezindheid — lichtzinnigheid en frivoliteit — een harde en twistzieke geest — oneerbiedigheid in goddelijke dingen — onbezonnen schulden maken — algemene losbandigheid van gedrag.
Hoe vaak zijn deze donkere vlekken op deze heldere belijdenis gedrukt! Ze houden de waarheid leerstellig vast — maar het werk van de Geest aan het hart is onbekend!
Dat enorme, mismaakte, lelijke afgodsbeeld
Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben (Hosea 14:5)
Bent u nooit van God afgeweken? De Heere heeft u in barmhartigheid misschien bewaard voor openlijk afvallen of voor het brengen van smaad op Zijn zaak. Maar afvalligheid beperkt zich niet tot openlijke zonden. Zijn er geen afgoderijen van het hart? Geen overspel van het oog? Geen afwijken van de levende God? Geen uithouwen van bakken — gebroken bakken, die geen water houden? Geen vastklampen aan de wereld? Geen behagen scheppen in de dingen van tijd en zinnen?
Geen koesteren aan uw borst van dat enorme, mismaakte, lelijke afgodsbeeld — lelijker dan een hindoe ooit met zijn hand heeft vervaardigd? Dat bent u zelf: dat monster, het eigen ik. U houdt zo van hem en u bewondert en aanbidt hem bijna. Dat lelijke monster, het eigen ik, zal uw ogen en genegenheden voortdurend wegtrekken van de levende God om zich te richten op dat waardeloze en verfoeilijke afgodsbeeld.
Nu — wanneer we diep en dagelijks onze innerlijke afgoderijen, afvalligheden, overspelen en afwijkingen van de levende God voelen — heeft de Heere dan geen genadige belofte gegeven dat deze afvalligheden genezen zullen worden? Hij zegt: Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben.
Ons spinnenwebben kleed van schepselsgerechtigheid
Ons spinnenwebben kleed van schepselsgerechtigheid moet ons worden afgenomen! We moeten ontdaan worden van die “vuile lompen” die ons niet kunnen beschermen tegen het oog van de alwetende Rechtvaardigheid. Wanneer de verdorvenheden van ons hart worden blootgelegd — wanneer de zonde als een vloed binnen mag komen, zodat al die “dromen van vleselijke heiligheid en schepselsvolmaaktheid” worden weggespoeld — dan verliezen we deze “vleselijke heiligheid” die we eens zo hoog schatten en zo vurig en angstvuldig wensten te verkrijgen.
Dat gebeurt ook wanneer we in de zeef van de satan worden gelegd en onze godsdienst heen en weer wordt geschud totdat elk gezond graan verdwenen lijkt en er niets bovenkomt dan het kaf dat de wind wegblaast. En ook wanneer de Heere de ziel in de smeltkroes van de ellende zet en er niets aan de oppervlakte komt dan het schuim en de slakken die door de Smelter worden weggenomen. Dan gaat die heiligheid verloren — volkomen verloren — wanneer de Heere ons een blik geeft op wat wij zijn en een glimp op wat Hij is!
Weinig anders dan onwetendheid en dwaasheid!
Er was ongetwijfeld een tijd dat we onszelf zeer wijs achtten. Dat was vooral toen we, naar we meenden, enige vooruitgang hadden gemaakt in de godsdienst en enkele leerstukken in ons hoofd hadden opgeslagen. Het was toen we enkele schrijvers hadden gelezen of de Bijbel hadden bestudeerd en gedeelte met gedeelte en hoofdstuk met hoofdstuk hadden vergeleken. We feliciteerden onszelf ongetwijfeld met een grote hoeveelheid wijsheid en dachten dat we alles wisten, omdat we enig begrip hadden van de “letter van Gods Woord”.
Maar als we in moeilijkheden, beproevingen, verzoekingen en verlegenheden komen, dan verdwijnt al onze wijsheid en blijkt ze weinig anders dan onwetendheid en dwaasheid! Ze baat ons niet wanneer we haar het meest nodig hebben. Ze kan ons niet leiden op paden van vrede. Ze kan ons niet bewaren voor kwaad of dwaling. Als een ontwrichte voet geeft ze mee zodra er enig gewicht of enige druk op komt!
De beeldhouwer
God handelt met de ziel in genade zoals de kundige beeldhouwer met het marmerblok. Hij houwt hier een stuk weg en laat daar een stuk naar voren komen, en brengt ten slotte de prachtige gestalte te voorschijn. Zo ook de gezegende Geest — die ware beeldhouwer Die Christus’ beeld in het hart graveert. Soms geeft Hij en soms neemt Hij, soms schaaft Hij hier en zet Hij daar iets bij, totdat Hij ten slotte het beeld van Christus in de ziel te voorschijn brengt!
De lusten van het vlees!
Hoe sterk zijn de lusten van het vlees! Wat een macht hebben ze over de verbeelding! En hoe verleidelijk worden ze als ze in de minste mate worden toegegeven, totdat het hart een kooi van onreine vogels wordt! De lust van het vlees en de lust van de ogen hebben menig arm kind van God in de diepste slavernij gestort! Hoogmoed — hebzucht — wereldgezindheid — overdreven bezorgdheid in zaken — aanpassing aan wereldse mode in kleding en meubilair — omgang met wie God niet vrezen: wat een schreeuwende kwaden zijn dit in onze tijd en in ons geslacht!
Als u uw eten in ellende wilt nuttigen
Geef ons elken dag ons dagelijks brood (Lukas 11:3)
Het is het zien van de voorzienige hand van de Heere dat de gewoonste tijdelijke weldaden zoet maakt. Ons dagelijks brood, onze verschillende aardse en geheel onverdiende gemakken, onze kleding, ons huis en haard, ons gezin en onze vrienden — ze worden ons allemaal geschonken door Gods goedgunstige voorzienigheid!
Het is dubbel zoet wanneer we ze rechtstreeks uit Gods handen kunnen ontvangen, alsof Hijzelf ze ons bracht! Telkens wanneer we dus Gods goedheid kunnen zien in het schenken van de gaven van de voorzienigheid, drukt dat er als het ware een dubbele waarde op. Dan genieten we ervan met als het ware een dubbele smaak, omdat ze komen uit Zijn mildadige hand!
Wilt u uw eten in ellende nuttigen, neem het dan met een ondankbaar, weerspannig hart. Wilt u het in zoetheid eten, neem het dan met een dankbaar hart en zie het gestempeld met Gods goedheid. Een korst brood, dankbaar ontvangen als gave van God, is zoeter dan de rijkste en heerlijkste maaltijd waarin Zijn hand niet wordt gezien. Aan een zo gedekte tafel kunt u met ontevredenheid aanzitten en met ondankbaarheid opstaan.
Mijn zuchten!
HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen (Psalm 38:10)
Het volk van de Heere is zeer onderhevig aan vleselijkheid, duisternis, hardheid, doodsheid, onvruchtbaarheid en lauwheid. En soms lijkt er maar net zoveel leven in hun ziel te zijn om deze dingen te voelen en eronder te zuchten. Onder deze gevoelens roepen ze daarom tot de Heere. Ze kunnen die vleselijkheid en duisternis, onvruchtbaarheid en dood niet verdragen die zich van hen lijkt te hebben meester gemaakt. Met deze lasten komen ze tot de troon van de genade en smeken ze de Heere Zijn werk in hun hart te doen herleven.
Wat ligt er in de uitdrukking “mijn zuchten”? Zuchten wij niet onder een gevoel van pijn? Het is de meest natuurlijke uiting van onze gevoelens wanneer we hevig lijden. De barende vrouw, de patiënt onder het scherpe mes van de chirurg, de man die lijdt aan een pijnlijke inwendige ziekte — zij kunnen hun smartelijke gevoelens alleen luchten door te kreunen. En is het geestelijk niet zo? Wanneer het volk van de Heere zucht, laat zien dat ze binnenin een pijnlijk gevoel ervaren. Die pijnlijke gevoelens kunnen ze alleen uitdrukken door hardop te zuchten voor de voetbank van de genade!
The veil is taken away!
“For being ignorant of God’s righteousness, and seeking to establish their own righteousness, they didn’t subject themselves to the righteousness of God.” Romans 10:3
What a motley monster is man in his natural state—full of evil—continually committing sin—daring God to His face by a thousand crimes—and yet setting up his own righteousness! We might just as well expect that a felon in prison, who is there awaiting in the condemned cell the merited punishment of his aggravated crimes—of his murders, robberies, and continued outrage against all human laws—should hope to come out of prison by his good deeds and obedience to the laws of his country—as expect such a vile wretch as man to hope to climb up to heaven by the ladder of his—good words—good thoughts—good works—and good intentions.
Self-righteousness in all its forms is so interlaced with every thought of our heart, so intertwined with every fiber of our natural mind, that though we know ourselves to be sinners, yet self-applause and self-complacency bid us do something to gain God’s favor! O, in what a sunken state man is! We never can abase man too much. O, the gulf of misery and ruin into which he has fallen! O, the depths of depravity into which he has been hurled! O, the bottomless abyss of destruction and guilt into which, when Adam fell, he cast himself and all his race!
But though so awful is man’s state, yet, “the veil” upon his heart prevents him from seeing the depths of his own fall. This is one of the worst features of man’s ruin—that it is hidden from him—and that he knows nothing of it until, through a miracle of grace, he is plucked out of the pit of horror, and saved from going down to the abyss of hell, with all his sins and crimes upon his head! Ministers, therefore, can never abase man too much, nor point out too clearly the awful abyss of ruin and degradation into which he has fallen. But “the veil” on man’s heart hides from him his own ruin! And until the veil in a measure is removed—he never knows, never sees, never feels one truth aright.
Two grand lessons
There are two grand lessons to be learned in the school of Christ, and all divine teaching is comprehended and summed up in them. One is to learn by the Spirit’s teaching, what WE are by nature—so as to see and feel the utter ruin and thorough wreck of self, and the complete beggary, weakness, and helplessness of the creature in the things of God. This is the first grand branch of divine teaching. And we have to learn this lesson day by day—line upon line, line upon line—here a little, and there a little. Through this branch of divine teaching we have almost daily to wade, and sometimes to sink into very painful depths under a sense of our depraved nature.
And the other grand branch of divine teaching is to know who JESUS is, and to know what He is to us—to know the efficacy of His atoning blood to purge the guilty conscience—the power of His justifying righteousness to acquit and absolve from all sin—the mystery of His dying love to break down the hardness of our heart, and raise up a measure of love towards Him—and to see, by the eye of faith, His holy walk and suffering image, so as to be in some measure conformed to Him, and have His likeness in some measure stamped upon our souls.
By these two branches of divine teaching does the Spirit make and keep the children of God humble. And all our various providences, trials, temptations, and deliverances—all we pass through in nature, and all we pass through in grace—in a word, the whole course of circumstances by which the child of God finds himself surrounded—all tend to lead him into these two paths—either into a deeper knowledge of himself, or a deeper knowledge of Christ—in order to humble him, and exalt the Lord of life and glory. To this point all the dealings of the Spirit tend, and in this channel all the teachings of the Spirit run. And every teaching and every experience that does not run in this channel, and does not tend to this point—to abase us, and to bring us down to the dust; and at the same time exalt the Lord of life and glory, and put the crown on his blessed head—does not spring from the teachings of God the Spirit in the heart—for His covenant office is, to take of the things of Christ, and make them known to the soul, so as to exalt and glorify Jesus.
That idol, religious self
To have nothing and to be nothing but a beggar and a pauper—how this crushes human pride! We must have nothing in self to rest and hang upon. But the truth is, that until self is dethroned—until creature righteousness, creature piety, creature exertions, and creature strength are brought to nothing, we do not enter into the power, blessedness, and reality of Christ’s kingdom—we are not fit guests to sit down at the marriage supper of the Lamb. We cannot enter into the treasures of pardoning love—see the riches of atoning blood—and feel the glory and beauty of justifying righteousness—until that idol, religious self, is hurled from its pedestal!
While full of pride and self, we cannot follow Jesus into the garden of Gethsemane—nor see, by the eye of faith, the suffering, groaning, agonizing, bleeding Son of God—we cannot take our station at the foot of the cross, and behold the wondrous mystery of Immanuel, the God-Man, bleeding and dying there. While we are engaged in looking at our own pharisaic religion, our own piety, our own exertions, our own doings—we have no eyes to see Jesus, no ear to hear His voice. We are so enamored with ourselves that the King of kings has no beauty in our eyes—He is to us as a root out of a dry ground, and there is no loveliness in Him that we should desire Him.
But when we begin to see the ugliness, the depravity, the dreadful workings of self—we see how impossible it is that self can ever stand before God. And when we feel the ruin of self, then we begin to feel what a glorious salvation has been accomplished, according to the counsel and mind of God. We then see the Lord of life and glory stooping down to save wretches who could never climb up to Him—pardoning criminals that have no righteousness of their own—and opening up the treasures of His dying love and risen glory to those who without Him, must utterly perish.
As this is revealed to faith, faith embraces it as the great “mystery of godliness”; hope casts out her anchor, and enters within the veil; and love flows out to Jesus, and embraces Him in the arms of affection, for such dying love as that which the Son of God manifested on the cross of Calvary.
Now this experience puts the sinner in his right place—it debases him in his feelings—humbles him in his soul—and breaks him to nothing. And at the same time, it exalts the Lord Jesus in his affections—and He becomes manifestly in his conscience as his all in all.
The furnace of affliction
“Behold, I have refined you, but not as silver; I have chosen you in the furnace of affliction.” Isaiah 48:10
From time to time God puts His people in severe situations and trying circumstances—so that they have no one else to look unto. They have no other help, shelter, or refuge—but out of sheer necessity are obliged to cast their souls on Him who is able to save. The Lord has chosen His people in the furnace of affliction. And O, how real affliction deadens us to everything else! When there is no affliction, the “world” dances before us with a sunbeam upon it—attractive, dazzling, and beautiful—and we, in our carnal minds, can fly from flower to flower as a butterfly in the sun. Our religion is at a very low ebb when this is the case—there may be a decent profession—but as to any life and power, how little is there except when affliction presses the soul down! We can do without Jesus very well when the world smiles, and carnal things are uppermost in our heart. But let affliction come—a heavy cross, a burden to weigh us down—then we drop into the place where the Lord Jesus Christ alone is to be found. When the soul gets pressed down into the valley of affliction, the Lord is pleased to meet with it there!
Temptation
“The Lord knows how to deliver the godly out of temptation.” 2 Peter 2:9
O, how continually is the poor child of God tempted! And what strong temptations! How painful! How powerful! How distracting! How entangling! How harassing! How bewitching! How Satanic is the black devil! How much more Satanic is the white devil! How continually is the child of God exercised with temptation! Temptations—so suitable—so powerful—so overpowering—that nothing but the grace of God can ever subdue the temptation, or deliver the soul out of it!
He fell through the sieve!
“Simon, Simon, behold, Satan has desired to have you, that he may sift you as wheat. But I have prayed for you, that your faith fail not.” Luke 22:31, 32
The Lord did not pray for Judas—he was the son of perdition—and therefore he fell through the sieve, and fell into hell—where he now is—and where he will be to all eternity! And you and I would surely fall through too, unless we have a saving interest in the love and blood of the Lamb. You may escape for a time—but if you have no part in His atoning blood and grace—if He is not pleading for you—sooner or later you will fall through the sieve and will drop into hell—and that perhaps speedily!
Lean, barren, dead & unprofitable
“For the love of money is a root of all kinds of evil. Some have been led astray from the faith in their greed, and have pierced themselves through with many sorrows.” 1 Timothy 6:10
Who that has eyes to see, has not seen this plainly again and again? There shall be a member of a church, and he shall be, while in poor circumstances—a humble, contrite, broken-hearted character. His conversation shall be savory, sweet, and profitable—and receiving many marks of God’s favor, mercy, and love. But he shall have money left to him—or business shall prosper—or he shall marry a rich wife. And what is the effect? He becomes lean, barren, dead and unprofitable—and instead of his conversation being as before—savory and sweet, and upon the things of God—the world, and the things of the world, seem to eat up every green thing in his soul.
And is not this a painful operation?
“Every branch that bears fruit, He prunes, that it may bear more fruit.” John 15:2
What are we by nature? Are we not closely riveted and glued—to the world—to the things of time and sense—to our own righteousness—to all that God hates with complete hatred? Must not the sharp sword of God’s Word cut asunder this close union—with the world—with the things of time and sense—with our own righteousness? Surely! Before we can be brought into any vital union with Christ, or any spiritual communion with His most gracious Majesty—the keen knife must pass between—us and self—us and our own righteousness—us and our own fleshly obedience—and thus separate us from these things. And is not this a painful operation? Can the keen knife pass between—us and the world—us and our fleshly obedience—us and our own righteousness—us and that idol self which we so dearly love and pay such devout worship to—without leaving marks and scars upon our flesh—or without causing some grievous and acute sensations? It cannot! And those who have experienced these things know it cannot.
But how indispensable, how utterly indispensable, is this operation in the hands of the Spirit—to cut us off from self—that we may have living union with the Lord Jesus Christ. For Christ and self can never unite. Christ’s righteousness—and our own righteousness; the love of God—and the love of the world; the worshiping of Jesus—and the worshiping of idols; admiring of ourselves—and admiring of Him; can never sit upon the same throne! Self must be laid in ruins before Jesus can be set up effectually in the heart. There must be a divorce from everything that nature cleaves to, before a living union with the Lord Jesus Christ can be brought about.
This is the reason why the Lord’s people pass through such severe exercises, perplexities, conflicts, trials, powerful temptations, varied feelings, deep afflictions—to uproot them—to cut them wholly off and out of self—that they may be brought by divine faith to have a vital union with the Lord Jesus Christ. When Jesus comes into the heart, He comes as King! Being therefore, its rightful Sovereign, He sways the faculties of the soul, and makes it obedient to His scepter. O Lord our God, other masters have ruled us—but we worship You alone.
If Christ abides in us, there will be some marks and fruits flowing out of that abiding. There will be some outward, as well as inward evidences, that we are of another spirit from those dead in sins, or dead in mere profession. There will be humility, sincerity, godly simplicity, filial fear, deadness to the world, separation from evil, lowly thoughts of ourselves, brokenness of heart, contrition of spirit, tenderness of conscience, a fleeing from all things here below to make our sweet abode in the bosom of a risen Lord. Can we find these things going on in our souls? If not, we may call ourselves Christians—but we have little evidence that we are worthy of the name!
Earthly, sensual, devilish
“This wisdom descends not from above, but is earthly, sensual, devilish.” James 3:15
James is here contrasting the wisdom which comes from God, with the wisdom which comes from man. What is the decisive stamp which this great Apostle puts upon all human wisdom? He writes upon it three epithets as its distinctive marks—and thus condemns it to the lowest depth of abasement.
First, then, this wisdom which springs from the creature and the flesh has its origin in the EARTH—and above that earth whence it has its source, it can never rise. It must always, therefore, being earth-born, grovel on the ground—out of the earth it grows—and it can never rise above the mists and fogs which cover its native soil.
Secondly, it is “SENSUAL,” or “natural” as we read in the margin. Thus, it is a wisdom adapted to our fallen nature—a wisdom which addresses itself entirely to our senses. It knows nothing of God—nothing of heavenly things—nothing of eternal realities—nothing of supernatural and revealed truth—but flows out of and is adapted to reason and sense, knowing only such objects as eye, ear, touch, taste, and smell are cognizant of, and conversant with. It is a wisdom, therefore, which begins in self—and ends in self—and never rises beyond the fallen nature of ruined man.
And thirdly, comes that word which debases and degrades all human wisdom, in the matter of salvation—to the lowest hell. By one word he puts upon it a fatal stamp, as though he would entirely reprobate it—“DEVILISH.” It seems as though he would say, “Man, with all his boasted wisdom, is even exceeded by devils in that matter. The fallen spirits, those enemies of God, who are waging eternal war against God and His dear Son, are the parents of that wisdom which is earthly and sensual—and thus are stamped upon it the very features of hell.”
But bear in mind, that these epithets are applicable to human wisdom—only so far as it interferes with divine matters. In its own province, human wisdom is useful and necessary. It is only when it intrudes itself into divine things, and makes a bold entry into the sanctuary, bringing down sacred and heavenly realities to its own level—that it is to be condemned. It is because he saw that the carrying of natural wisdom into divine things that he condemned its origin as earthly—its nature as sensual—its end as devilish!
Man, then, in a state of nature, has not a grain of heavenly wisdom. He knows nothing experimentally of—the way of salvation—his own ruin and misery—the grace of God—the Person and operations of the Comforter—of His leadings, guidings, teachings, anointings. He may indeed possess a large amount of earthly wisdom—and if a professor of religion, he may carry it up to the greatest height in the ‘letter of truth’—he may be wise in the Scriptures—wise in the plan of salvation—wise in comparing text with text, Scripture with Scripture, and passage with passage—but unless a measure of divine wisdom has dropped into his heart from the mouth of God, he has at present nothing but that wisdom which is “earthly, sensual, and devilish.”
Divine eye-salve
“Anoint your eyes with eye-salve, that you may see.” Revelation 3:18
We know nothing except by divine teaching. This leads us to the throne of grace to beg of the Lord to teach us and show us what we are—take the veil off our heart—and discover to us our real state. Divine light in a man’s conscience will teach him what he is—and divine life in a man’s soul will make him feel what he is. When he has not God’s light—he is dark. When he has not God’s teachings—he is ignorant. When he has not God’s wisdom—he is all folly. When he has not God’s guidance—he goes astray. When he has not God’s upholding—he falls. When he has not God’s preserving—he turns aside into the paths of crookedness and error. We cannot see ourselves—we cannot see others—we cannot see truth—we cannot see Jesus, in His justifying righteousness—atoning blood—dying love—except so far as the blessed Spirit anoints our eyes with eye-salve that we may see!
Where are they?
“Preserved in Jesus Christ.” Jude 1
Oh, it is a mercy to endure! When we look around, and see those who started with us in the Christian race—where are they? Some have gone into the world. Others have fallen into sin. Others have drunk down deadly draughts of heresy and error. But if we endure for a single year, or a single day—it is only by the grace of God! He who has begun the work of grace in the souls of His people will carry it on, and will make them endure—that He may crown His grace with eternal glory.
Mark the contrast!
“But I am poor and needy.” Psalm 40:17
What an honest confession! How suitable to the experience of every God-taught soul! Let us contrast this humble confession with the boast that fell from the lips of the Laodicean church—I am rich, and increased with goods, and have need of nothing! Mark the contrast! The dead, carnal, lifeless professor, boasting—I am rich, and increased with goods, and have need of nothing! The exercised, tried, tempted child of God, confessing, “But I am poor and needy.” The one, full of pride, and glorying in self! The other, broken, humble, contrite, and laid low at the footstool of mercy!
He cannot see, nor know, nor feel
If we take the Scriptures as our authority, in what a fearful state is mankind at large! O, how awfully fallen—O, how deeply sunk, man is! And yet one feature of man’s ruined state is his complete ignorance of the depths of the fall. Though the sinful child of a sinful parent—though under the curse of an avenging law—though an enemy to God and godliness—though passing rapidly down the broad road that leads to eternal destruction—he knows it not! The veil of ignorance and blindness is upon his heart, and he is, as the Scripture speaks, “alienated from the life of God through the ignorance that is in him.” God has poured upon him the spirit of slumber—therefore, he cannot see, nor know, nor feel who he is—nor what he is—nor where he is going! Language cannot describe the awful state in which man is.
But, through mercy, infinite mercy—there is “a remnant according to the election of grace,” who are made deeply and sensibly to see, to know, and to feel their ruined and lost condition—into whose hearts the blessed Spirit puts a sigh and cry that they may know God’s great salvation—and whom the same blessed Spirit, who first convinced them of their ruined state and implanted that cry in their souls, eventually brings to a happy enjoyment of the salvation which is in Christ Jesus. It is the Holy Spirit, and He alone—who makes us feel our guilty, lost, and undone condition. It is He, and He alone—who wounds and pierces our heart with conviction—who opens up the depths of the fall—brings to light the evils of our nature—and makes us sigh and lament beneath the load of guilt upon the conscience—and gives us not only to feel the burden of sin, but puts into our hearts a groan and a cry after God’s salvation to be made manifest to our heart. It is He, and He alone—who unfolds to our eyes who the Lord is—who reveals Christ in the heart, who sprinkles His blood upon the conscience—who manifests His justifying righteousness—who gives us eyes to see His glorious Person—and sheds abroad His dying love in the soul.
Take a glance
As we take a glance at the suffering and dying Lamb of God, how it shows us the awful and abominable nature of sin! When we can see the Son of God, by the eye of faith, coming down into this lower world, taking our nature into union with His own divine Person—when, by faith, we can accompany the Man of Sorrows into the gloomy garden of Gethsemane—or behold Him groaning, bleeding, and dying on the cross—an object of ignominy and shame—and believe that in this way, and this alone, salvation could be wrought out—O, what a view it gives us of the demerit and awful nature of sin—that nothing short of the incarnation of God’s only begotten Son—nothing short of such a tremendous sacrifice could put away sin—and bring the elect back unto God!
A believing sight of the Lord Jesus hanging upon Calvary’s tree, not only on the one hand shows us the awful nature of sin—but on the other, how full, how complete, how glorious, and how effectual must that salvation be of which the expiring Son of God could say, “It is finished!”
Snares, traps, baits
The Lord’s people are, from time to time, deeply exercised with the power of sin. They find such ungodly lusts—they feel such horrid evils—the corruptions of their hearts are laid so naked and bare—and they find in themselves such a reckless propensity to all wickedness—they feel sin so strong—and themselves so weak! O how many of the Lord’s people are tempted with sin morning, noon, and night! How many evils, horrid evils, are opening, as it were, their jaws to wholly swallow them up! Wherever they go, wherever they turn, snares, traps, baits seem lying on every side—strewed thickly in their path! They feel so helpless—and so inwardly sensible that nothing but the almighty power of God can uphold them as they walk in this dangerous path—a path strewed with snares on every hand—that they are made to cry to the Lord—Hold me up, and I shall be safe! Nothing short of God’s salvation—in its freeness—in its fullness—in its divine manifestation—in its sin-subduing, lust-killing influence—can save them from the power of sin!
Carnal joy
Carnal joy is killed to a child of God. I do not mean to say, that the ‘carnal mind’ is killed. We have too bitter and painful experience to the contrary. But the sources of carnal joy are killed. Why? Because those things which in time past did afford joy, are now discovered to be empty and destitute of the pleasure once found in them. Health, strength, wealth, honor, worldly amusements, sinful pleasures—all these things could once delight and gratify the carnal mind—but God in mercy has put bitterness into this cup. Our carnal mind may still be amused by them for a time. But O, what a gloomy retrospect! and how it pierces the conscience, that we could take a moment’s pleasure, or derive an instant’s happiness from those things which are so hateful and abominable in the sight of God! But if there be any real joy, or happiness, or consolation—it is only in Christ—His blood—His righteousness—His love—His preciousness—His suitability—His tender compassion—the riches of His grace—His glorious Person—all that He is—and all that He has for us.
If ever, as we pass through this wilderness, we feel one drop of solid joy, of true happiness, it must flow, it can flow only from one source—the manifestations of Christ to our souls. We can find joy and peace in Him alone. Sin, the world, the things of time and sense—business, amusement, so-called pleasure—afford now no true joy—there is an aching void—a feeling of dreariness and misery connected with everything short of divine communications of mercy, favor, and love. One smile from the Lord—one word from His lips—one gracious breaking in of the light of His countenance—does, while it lasts, communicate joy—and from no other quarter, from no other source can a moment’s joy be drawn.
Baubles, toys, passing shadows
“That in Me you may have peace.” John 16:33
Peace in self! That never can be found. Peace in the world! That never can be had. Peace in sin! God forbid any of His children should dream of peace there for a moment. Peace in the things of time and sense! Are they not all polluted—all baubles, toys, passing shadows—smoke out of the chimney—chaff on of the summer threshing floor? Can a tried, tempted, dejected believer, cast down with the difficulties of the way—can he find any peace in these things? His carnal mind may, to his shame, for a while be drawn aside by them—his wicked lusts and passions may be entangled in them—his fallen nature may grovel amid these poor perishing daydreams. But peace? There is no peace in these things! And so long as our wicked hearts are going out after wicked things, there will be no true, solid peace within.
Now the Lord designs that all His dear family should have peace in Him. He therefore drives them out of every refuge of lies that they may find no peace in self. He brings them out of the world, that they may find no peace there. He hunts them out of sin, that they may find no peace there. He sees fit also to exercise their minds, and to try them again and again, that finding no peace in anything else—they may come as poor broken-hearted sinners to the footstool of mercy, look unto Jesus, and find peace in Him!
Glued & fettered
The Lord has promised, that in the world we shall have tribulation. But how this staggers a child of God! He cannot understand that his allotted path in the world should be tribulation. And yet how needful—how indispensably needful it is—to have tribulation in the world—for how closely bound up our heart is in it. How glued and fettered our carnal heart is to the things of time and sense! What proneness—what daily, hourly proneness there is—to go after idols—to amuse our vain mind with passing shows—to take an interest in the smallest trifles which surround us—and thus forsake the Fountain of living waters—and hew out to ourselves cisterns—broken cisterns, that hold no water. What a veil of enchantment, too, is often over our eyes—and therefore, what a series of troubles—what days, and weeks, and months, and years of trial does it take to convince us that the world is—not our home—not our rest—not our enduring habitation.
But the Lord mercifully and graciously makes use of tribulation in various shapes and forms, to bring us out of the world—that we may not be condemned with it—nor make it our rest and home. Thus He draws us to His blessed feet, that in Him we may find that peace which we never have found—which we never can find anywhere else. In the world we never can have—we never will have—anything but tribulation and trial. But what is the effect—the merciful effect, of these troubles? Is there not a voice with them? When the ear is opened—tribulation speaks. Are there not most beneficial fruits and effects that flow out of tribulation? For instance. Is not our heart by nature very much glued to the world? Do we not naturally love and cleave to it? As we watch the varied movements of our hearts—are they not perpetually going out after something idolatrous—something to gratify and amuse, to interest, occupy, and please our carnal mind?
It is in order to bring us out of the world, and make us feel it is not our abiding place, and that no happiness is to be found in it—that the Lord sees necessary to lay tribulation upon us—and tribulation of that peculiar nature which will genuinely separate us from the world. When we are passing through tribulation, what a poor vain thing the world appears to us! We need inward consolation—the world cannot give it. We need balm for our conscience—the world, instead of pouring in that balm, rather rips the wound asunder. So that we need—tribulation after tribulation—trial upon trial—affliction upon affliction—stroke upon stroke—grief upon grief—sorrow upon sorrow—to cut asunder that close affinity which there is between us and the world, and to convince us in our very heart and conscience that there is—no rest—no peace—no happiness—no consolation—to be found in anything that the world presents!
Dark marks stamped upon this bright profession!
If we cast a glance at the profession of some, it is all upon the bright side of things. They would gladly have you believe that they are actually and experimentally before God, what they profess to be before men. But when we come with close and searching eye to watch the fruits that spring from this ‘splendid profession,’ how little do they correspond with the profession itself! Pride, covetousness, worldly-mindedness, levity and frivolity, a hard, contentious spirit, irreverence in divine things, running heedlessly into debt, general looseness of conduct. How often are these dark marks stamped upon this bright profession! They hold the truth doctrinally—but the work of the Spirit upon the heart is unknown!
That huge, that deformed, that ugly idol
“I will heal their backsliding, I will love them freely.” Hosea 14:4
Have you never backslidden from God? The Lord in mercy may have kept you from backsliding openly, or bringing a reproach upon His cause. But backslidings are not limited to open sins. Are there no heart idolatries? No eye adulteries? No departing from the living God? No hewing out cisterns, broken cisterns, which hold no water? No cleaving to the world? No delighting in the things of time and sense? No hugging in your bosom that huge, that deformed, that ugly idol, more ugly than the hand of Hindu ever framed—yourself, that monster self—which you so love, admire, and almost adore? Self, that ugly monster, will be perpetually drawing away your eyes and affections from the living God—to center in that worthless and abominable idol. Now, when we feel, deeply and daily feel, our inward idolatries, backslidings, adulteries, and departings from the living God—has not the Lord given a gracious promise that these backslidings shall be healed? He says, “I will heal their backsliding, I will love them freely.”
Our cobweb garment of creature righteousness
Our cobweb garment of creature righteousness must be taken from us! We need to be stripped of those ‘filthy rags’ which cannot shield us from the eye of omniscient Justice. When the corruptions of our heart are laid bare—when sin is allowed to come in like a flood, so as to sweep away all those ‘dreams of fleshly holiness and creature perfection’—when we are put into Satan’s sieve and have our religion shaken backwards and forwards until every sound grain seems gone, and nothing rises to the top but the chaff which the wind blows away—when the Lord puts the soul into the furnace of affliction, and nothing comes to the surface but the dross and scum which are taken away by the Refiner—then we lose this ‘fleshly holiness’ that we once so dearly prized—and so ardently and anxiously longed to obtain. It is lost, utterly lost, when the Lord gives us a sight of what we are, and gives us a glimpse of what He is!
Little else than ignorance & folly!
There was a time, doubtless, with us, when we fancied ourselves very wise—especially when we had made some little progress, as we fancied, in religion, and had stored a few doctrines in our heads—when we had read a few authors, or had studied the Bible, and compared passage with passage and chapter with chapter. We doubtless congratulated ourselves on possessing a vast amount of wisdom—and thought we knew everything because we had some understanding in the ‘letter of God’s word.’
But when we get into difficulties, trials, temptations, and perplexities—then our wisdom all disappears, and we find it little else than ignorance and folly! It does not avail us when most needed. It cannot guide us into paths of peace. It cannot keep us from evil or error. Like a foot out of joint, it gives way the moment any weight or stress is laid upon it!
The Sculptor
God deals with the soul in grace, as the clever sculptor deals with the marble block. He chips out a piece here, and makes prominent a piece there—and at last brings out the beautiful figure. So the blessed Spirit—that true sculptor, who engraves Christ’s image in the heart—sometimes gives and sometimes takes—sometimes pares here, sometimes puts on there—until at last He brings forth the image of Christ in the soul!
The lusts of the flesh!
How strong are the lusts of the flesh! What power they have over the imagination! And how seductive they become, if in the least degree indulged—until the heart becomes a cage of unclean birds! The lust of the flesh and the lust of the eye have sunk many a poor child of God into the deepest bondage! Pride, covetousness, worldly-mindedness, over-anxiety in business, conformity to worldly fashions in dress and furniture, society with those who fear not God—what crying evils are these in our day and generation!
If you want to eat your food in misery
“Give us day by day our daily bread.” Luke 11:3
It is seeing the Lord’s providential hand which makes the commonest temporal mercies sweet. Our daily bread—our various earthly and most undeserved comforts—our clothing—our house and home—our family and friends—are all bestowed upon us by God’s kind providence! It is doubly sweet when we can receive them as immediately from the hands of God—as though He Himself brought them unto us! Whenever, then, we can see the goodness of God in giving us the bounties of providence, it seems to stamp upon them a double value—and we enjoy them, as it were, with a twofold relish—as coming from His bounteous hand!
If you want to eat your food in misery, take it with a thankless, rebellious heart. If you want to eat in sweetness, take it with a thankful heart—seeing it stamped with the goodness of God. A crust of bread, received thankfully as the gift of God, is sweeter than the richest and daintiest meal in which His hand is not seen—at a table so spread, you may sit down with discontent, and rise up with ingratitude.
My groaning!
“Lord, all my desire is before You. My groaning is not hidden from You.” Psalm 38:9
The Lord’s people are very subject to carnality, darkness, hardness, deadness, barrenness, and lukewarmness. And sometimes there seems to be only just so much life in their souls as to feel these things—and groan under them. Under these feelings, therefore, they cry to the Lord—they cannot bear that carnality and darkness, barrenness and death—which seems to have taken possession of them. They come with these burdens to the throne of grace, beseeching the Lord to revive His work in their hearts.
What is implied in the expression, ‘my groaning’? Do we not groan under a sense of pain? It is the most natural expression of our feelings when we are under acute suffering. The woman in travail of childbirth—the patient under the keen knife of the surgeon—the man afflicted with some painful internal disease—can only give vent to their distressing feelings by groaning. And is it not so spiritually? When the Lord’s people groan, it shows there is some painful sensation experienced within them—and these painful feelings they can only express by groaning aloud before the footstool of mercy!