The Riches of Philpot — Part 5: They Shall Come with Weeping
O, hoeveel is er nodig om de ziel tot haar enige Rust en Middelpunt te brengen. Wat een beproevingen en ellenden — wat een ovens, vloeden, roeden en slagen — maar ook wat een glimlachen, beloften en genadige trekkingen! Uit wat een hoogmoed en eigen ik moet zij worden gebracht! Tot wat een liefde en bloed moet zij worden gebracht! Wat een lessen moet zij leren over de vrijheid en volheid van de zaligheid!
Wat een zinken in het eigen ik! Wat een rijzen in Christus! Wat een schuld en veroordeling vanwege de zonde! Wat een zelfverfoeiing en zelfvernedering! Wat een wantrouwen jegens zichzelf! Wat een vrees om te vallen! Wat een gebeden en verlangens om bewaard te worden! Wat een vastklemmen aan Christus! Wat een opzien naar en tot Zijn goddelijke majesteit! Wat een verlangens om nooit meer tegen Hem te zondigen — maar te leven, te bewegen en te handelen in de heilige vreze van God vinden wij, min of meer dagelijks, in een levende ziel!
Wanneer het lichaam bezwijkt
Wanneer het lichaam bezwijkt onder een last van pijn en ziekte en alle bronnen van geluk en genot uit gezondheid en kracht zijn afgesneden — wanneer vlees en hart bezwijken en de oogzenuwen breken in de dood — wat kan de ziel dan ondersteunen of haar veilig door de zwellende Jordaan dragen?
Alleen die ontdekkingen van de heerlijkheid van Christus die haar doen walgen van aarde, zonde en eigen ik. Zij maken haar bereid het arme lichaam in het graf te leggen om voor eeuwig verrukt te worden door Zijn heerlijkheid en Zijn liefde! Zo zien wij hoe de heerlijkheid van Christus niet alleen in de hemel is — maar ook het onuitsprekelijke vermaak van de heiligen hier op aarde, in hun dagen van verdrukking en droefheid.
Christus, zoals Hij aan hun harten geopenbaard is, ondersteunt en schraagt hun schreden — trekt hen uit de wereld — verlost hen van de macht van de zonde — maakt hen gelijkvormig aan Zijn beeld — troost hen in de dood — en brengt hen in de heerlijkheid! Zo zien wij Christus ook het pad van Zijn volk op aarde verlichten. Hij werpt Zijn gezegende stralen op al hun moeiten en verdriet en verlicht de weg waarop zij Hem volgen van het lijdende kruis naar de zegevierende kroon.
De algemene godsdienst van de dag
Er zijn weinig dingen die ons meer tegenstaan dan deze wijdverbreide belijdenis van godsdienst — zonder de levende kracht. Openlijke goddeloosheid is slecht. Het is smartelijk de zonde te zien die als water door onze straten stroomt. De taferelen die het oog te zien krijgt, vooral in Londen, zijn smartelijk. Maar zij dragen hun eigen veroordeling in zich en dringen zich niet op in het heilige gebied van waarheid en godzaligheid.
Maar een luide, rumoerige belijdenis, met net genoeg ‘waarheid in de letter’ om de overtuigingen van het natuurlijke geweten te sussen en te weinig leven of kracht om te redden of te heiligen, om te verlossen van de heerschappij van de zonde of af te scheiden van de wereld — is als het zout dat zijn smaak verloren heeft: Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden (Mattheüs 5:13). De ware godsdienst verschilt zo veel van de algemene godsdienst van de dag als genade verschilt van natuur, geest van vlees en de kracht van God van de wijsheid van de mens!
Wandelen met God
Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn? (Amos 3:3)
Wat God haat, moeten wij leren haten. Wat God liefheeft, moeten wij geleerd worden lief te hebben. De zonde is het bijzondere voorwerp van Gods haat — en zij moet het bijzondere voorwerp van onze haat zijn. Christus is het bijzondere voorwerp van Gods liefde — en Hij moet het voorwerp zijn van de warmste, tederste genegenheid van ons hart. Hoogmoed, huichelarij, eigengerechtigheid, de lusten van het vlees, hebzucht — in één woord alles wat wereldlijk en slecht, aards, zinnelijk en duivels is — is en moet altijd haatlijk en gruwelijk zijn in de ogen van de oneindige Reinheid en Heiligheid. Als het niet ook voor ons haatlijk wordt gemaakt, waar is dan de overeenstemming, waar het wandelen met God?
Nederigheid — gebrokenheid — godvruchtige vrees — tederheid van geweten — geestelijkheid van gemoed — eenvoud van oog voor Gods eer — afscheiding van de wereld; geloof — hoop — liefde — onderwerping — berusting in de goddelijke wil — kinderlijke gehoorzaamheid — hemelse vruchtbaarheid in elk goed woord en werk. Als deze en alle andere genaden en gaven van de Heilige Geest God behagen en aangenaam zijn, moeten zij dan ook niet ons behagen en aangenaam zijn, als wij met Hem in heilige overeenstemming willen wandelen?
Als er geen oven was
Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende (Jesaja 48:10)
En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver (Maleachi 3:3)
Als er geen oven was, zouden er geen vruchten van de oven zijn — geen wegnemen van het schuim en het tin — geen voortbrengen van het goud dat zevenmaal in het vuur is gelouterd — geen zachtmoedigheid, onderwerping, berusting, belijdenis, zelfverfoeiing — geen verlaten van de afgoden — geen uitbraken van de vergiftige drank van zonde en dwaasheid!
Door een goddelijke kracht aan ons hart bekendgemaakt
De enige werkelijke kennis die wij van de waarheid van God of van één tak van die waarheid kunnen bezitten, komt voort uit een levende, bevindelijke, hartelijke bekendheid ermee door de onderwijzing van de Heilige Geest. Mensen, geleerd of ongeleerd, priester of volk, kunnen theoretiseren en speculeren, denken dat zij zien en begrijpen, redeneren en twisten, preken en praten, spreken en schrijven — wijs en goed over dit en dat leerpunt of over dit of dat gedeelte van de Schrift. Maar tenzij de heilige waarheid van God door een goddelijke kracht aan ons hart bekendgemaakt en door een levend geloof aangegrepen wordt, hebben wij er geen ware kennis van — zoals wij er ook geen zaligmakend aandeel in hebben.
Wat zullen de zuiverste, helderste, gezondste leerstellingen — zelfs door een apostel gepredikt — ons baten, tenzij er dat levende beginsel van goddelijk geloof in ons hart is dat zich met het woord vermengt en zo de ziel nut brengt? Wij zien dus dat het niet de waarheid is — hoe zuiver en helder ook, zelfs wanneer zij van de lippen van de Verlosser Zelf komt — die de ziel kan redden, tenzij zij door de bijzondere macht van God op het hart wordt toegepast!
Maar wanneer de waarheid van God door goddelijk onderwijs en goddelijke getuigenis aan het hart bekendgemaakt wordt, wat een heilige zoetheid en hemelse geur worden er dan in geproefd, gevoeld en beseft! Wanneer de ziel de gunst heeft neer te zitten onder de schaduw van haar Beminde en Zijn vrucht zoet te vinden voor haar gehemelte, zegt zij met Jeremia: Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten (Jeremia 15:16). Laten wij dus oppassen voor ongeheiligde kennis of onbetoepaste waarheid!
Een man die zich blind leest!
Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert (1 Korinthe 2:13)
Het is niet lezen, leren of studeren dat een bekwaam dienaar van het Nieuwe Testament kan maken. Was dat zo, dan zouden de academies ons een ruime voorraad leveren. Maar de grootste lezers en de ijverigste studenten zijn gewoonlijk het meest onwetend over de onderwijzing van de Geest en het werk van het geloof met kracht. Deze geleerdheid komt niet van de scholen! Een man die zich blind leest, kan zeer onwetend zijn — want hij kan niets weten zoals hij behoort te weten. En een man die niets leest dan zijn Bijbel, kan zeer geleerd zijn — want hij kan de zalvende onderwijzingen van de Heilige Geest hebben.
Heiligheid en waarheid
Zoals liefde tot heiligheid noodzakelijk haat tegen de zonde en het vluchten ervoor insluit en inhoudt — zo zal ook liefde tot de waarheid haat tegen dwaling en het vluchten ervoor in zich dragen. Mensen ontkennen de waarheid, spelen ermee of staan er onverschillig tegenover — omdat zij geen dringende persoonlijke behoefte eraan voelen.
Zulke buitengewoon godsdienstige mensen
Totdat de gezegende Geest de ziel levend maakt tot geestelijk leven, weten wij niets werkelijks of juists van de waarheid zoals die in Jezus is. Wij kunnen streng orthodox zijn in de leer — ongeloof en dwaling verafschuwen — geschokt zijn door goddeloosheid en oneerbiedigheid — nauwgezet letten op elke onderlinge plicht — onze gebeden en devoties met onafgebroken regelmaat opzeggen — en onszelf en anderen buitengewoon godsdienstig toeschijnen — terwijl wij in het oog van een hartenkennende God nog steeds dood zijn in overtredingen en zonden! De wereld is vol van zulke buitengewoon godsdienstige mensen! Elke kerk en elke kapel kan in overvloed voorbeelden opleveren van zulke ‘godsdienstige en eerlijke’ mannen en vrouwen.
Wij kunnen een gedaante van godzaligheid hebben in een belijdenis van de waarheid. Wij kunnen van jongs af zijn gezoogd en opgevoed in een gezonde geloofsbelijdenis en de leer van de genade in theorie en als godsdienstig stelsel hebben geleerd. Wij kunnen in ons geweten overtuigd zijn van hun wezenlijke overeenstemming met het Woord van God en ervoor strijden in discussie en ze bewijzen met teksten. Wij kunnen met genoegen onder het geluid van het evangelie zitten of het zelfs met welsprekendheid en gloed prediken — en toch niets van de waarheid weten, zaligmakend en bevindelijk, door goddelijke onderwijzing en goddelijke getuigenis!
Geeft de Schrift ons geen voorbeeld van zulke mensen? Wie was meer godsdienstig, strenger, nauwgezetter en orthodoxer dan de ‘farizeeër’ van weleer? Hij zat op de stoel van Mozes als leraar van het volk. Hij gaf met de grootste zorgvuldigheid tienden van zijn munt, dille en komijn. Hij zeefde zijn drank opdat geen onrein mugje hem onverhoeds zou verontreinigen. Hij bad en vastte strikt en regelmatig en leek zichzelf en anderen de grote lieveling van de hemel. Maar wat was hij werkelijk? Wat was hij in het oog van God? Volgens de eigen getuigenis van de Heere — een huichelaar — een adderengebroed — een gewit graf, dat zich rijpmaakte voor de verdoemenis van de hel!
Wie waren zij tegen wie de heilige Johannes, de vurige Judas en de ernstige Petrus de gemeenten zo sterk waarschuwden? Wie waren die vlekken in hun liefdemaaltijden, die zichzelf zonder vrees weidden? Wie waren die wolken zonder water, door winden omgedreven — die bomen wier vrucht verdorde, tweemaal gestorven, met wortel en al uitgerukt? Wie anders dan genadeloze belijders van de waarheid! Het is dus niet de vorm, de letter, de loutere buitenkant, de kale schil en bolster van de waarheid die de christen maakt of openbaart — maar het levende bezit ervan als een goddelijk geschonken gave en schat!
Hard als een steen, koud als ijs, bewegingloos als een lijk
Dienaren van de waarheid worden soms beschuldigd te sterk te spreken over de vreselijke toestand van de mens door de val. Maar in feite is het onmogelijk de blindheid en duisternis van het menselijk hart te overdrijven — en geen pen of tong kan de ellende en volslagen hulpeloosheid van de onwedergeboren mens voldoende uitbeelden. De Schriften worden weliswaar veel en wijd gelezen, maar louter als een plicht, een dagelijkse of wekelijkse zelfopgelegde taak, een godsdienstige prestatie waarin een zekere hoeveelheid verdienste is belegd.
Zo worden zij bij sommigen een middel om het geweten te sussen. Bij anderen komen zij hoogstens neer op het met het oog doorlopen van een zekere hoeveelheid woorden en letters, hoofdstukken en verzen, met tegenzin opgepakt en slecht neergelegd. De schoonheid en zaligheid — goddelijke zoetheid en onuitsprekelijke kracht en geur — die een gelovig hart in de Schriften ziet en voelt, zijn voor de ongelovige menigte onbekend, ongeproefd, ongevoeld en onbelangrijk!
Wat het onderwerp ook is, hoe plechtig of gewichtig ook — en wat kan zo plechtig en gewichtig zijn als het eeuwig geluk of de eeuwige ellende van de ziel? — het woord van de waarheid maakt zonder goddelijke toepassing absoluut geen indruk op het geweten. De bedreigingen wekken geen schrik of beven — brengen geen vrees of overtuiging teweeg — lokken geen zucht of kreun uit — ja, doen niet eens één zwakke, matte kreet opgaan: O God! wees mij zondaar genadig! (Lukas 18:13)
De beloften, de uitnodigingen, de gedeelten die spreken over Christus en Zijn lijden — doen hun geweten niet smelten of bewegen, niet raken of vertederen. Het onwedergeboren hart reageert noch op oordeel noch op barmhartigheid. Niets beweegt het naar God toe. Hard als een steen, koud als ijs, bewegingloos als een lijk — ligt het dood in overtredingen en zonden!
Maar zo is het niet met het hart dat de vinger van God heeft aangeraakt. Het vreest, het beeft, het smelt, het wordt zacht. Het wordt omhoog geheven en het wordt neergeworpen. Het zucht, het bidt, het gelooft, het hoopt, het bemint. Het treurt, het verheugt zich, het bedroeft zich en het bekeert zich — in één woord, het leeft het leven van God en ademt, handelt en beweegt zoals de gezegende Geest het bezoekt en erin werkt door Zijn genadige kracht en invloed.
Onder Zijn onderwijs worden de Schriften een nieuw boek — als het ware met nieuwe ogen gelezen — met nieuwe oren gehoord — met nieuwe gevoelens doordacht en overwogen — met een nieuw verstand begrepen — en in een nieuw geweten gevoeld.
Wanneer wij dan verwaardigd worden met een geestelijke, bevindelijke kennis van Gods waarheid, wordt ons een hoofdsleutel in handen gegeven om kabinetten te openen die voor de wijzen en verstandigen gesloten zijn. Wij krijgen een leidraad om de voeten te leiden in de doolhoven waar geleerde doctoren en studerende theologen dwalen en verloren gaan. En wij krijgen een licht dat doordringt in de verborgen diepten van het heiligdom, op de drempel waarvan de schriftgeleerde en de farizeeër struikelen en vallen.
Die goddelijke en hemelse waarheden
Hoe weinig beseffen wij meestal — en leven en voeden wij ons er dagelijks, ieder uur van — die goddelijke en hemelse waarheden die wij als christenen belijden te geloven! Meestal is het alleen op bepaalde tijden en in bepaalde seizoenen dat wij zo beseffen wie en wat Jezus is dat wij enige voelbare overwinning behalen over — de kwaden van ons hart — de kracht van de zonde — de strikken van de wereld — of de aanvallen van Satan!
Het grote bedrog van Satan
Naar ons gevoel is een van de grootste geheimen in de godsdienst het verschil tussen de kracht van de waarheid op het natuurlijke geweten en de kracht van de waarheid op het geestelijke geweten. Het is het verschil tussen het geloof dat in het natuurlijke verstand wordt voortgebracht door de ‘letter van het woord’ en het geloof dat in het hart wordt gewerkt door de Geest van God door het woord. En toch ligt hierin het hele verschil tussen een belijder en een bezitter — tussen de verdoemden en de geredden.
Hier ligt het grote bedrog van Satan als een engel van het licht: dat een mens in zijn natuurlijke verstand het sterkste en meest onwankelbare geloof kan hebben, daar voortgebracht door ‘de loutere letter van het woord’ — en toch in zijn zonden leeft en sterft als een niet vergeven misdadiger, een ongeheiligde rebel — het voorschrift kan gehoorzamen en toch verdoemd worden wegens ongehoorzaamheid!
Dit is de grote sleutel van het kabinet. Wie deze sleutel niet in zijn hand houdt, of hij nu prediker of schrijver is die het werk van de Geest probeert te beschrijven, zal slechts rommelen. Want zonder hem kan hij geen enkele geheime la van het hart openen of in enige binnenste schuilhoek van de natuur of van de genade doordringen!
Een geweldig geheim, en toch niet geweldiger dan waar, dat tussen een geestelijk en een natuurlijk geloof het hele verschil ligt — tussen David en Saul — tussen Johannes en Judas — en dat daaraan leven of dood, hemel of hel, onuitsprekelijke gelukzaligheid of eeuwige wanhoop hangt!
Goddelijke ademtochten
In de Schrift staan wat wij ‘devotionele geschriften’ kunnen noemen. De Heilige Geest heeft mannen van God niet alleen ingegeven gebed en lofprijs uit te ademen. Hij heeft hen niet alleen geleerd te zuchten en te kreunen, zich te verheugen en te zingen. Hij heeft hen ook onderwezen die ademtochten van hun ziel naar de levende God op schrift te stellen. Omdat deze goddelijke ademtochten gewoonlijk op muziek werden gezet en in de tabernakeldienst gezongen, werden zij ‘Psalmen’ genoemd.
Wat een handboek van levende bevinding, wat een blijvend model en voorbeeld van levende gemeenschap met God en wat een voortdurende stroom van troost en stichting voor de gemeente van Christus deze goddelijke composities zijn en altijd zijn geweest — het is hier niet nodig te vermelden. Van de laagste diepten van moeite en droefheid tot de hoogste toppen van vreugde en lof is er geen toestand of stadium, beweging of gevoel van goddelijk leven in de ziel dat niet in de eenvoudigste en zoetste taal in de Psalmen wordt uitgedrukt.
Zij zijn dus niet alleen een toets en gids van de christelijke bevinding — een hemels gebedenboek — een dagelijkse devotionele metgezel — een boezemvriend in verdriet en vreugde — een zekere zeekaart voor de reiziger naar de hemel — en een onfeilbare maatstaf van goddelijke onderwijzing. Zij zijn ook een schatkamer van kracht en troost waaruit de Heilige Geest de wachtende ziel zegent!
Wij zullen de eeuwigheid te kort vinden
Wij zullen de eeuwigheid te kort vinden — om Christus’ schoonheid te zien — om Christus’ heerlijkheid te aanschouwen — en om Christus’ lof te zingen!
In geheimenis gehuld
De wegen van God en Zijn handelingen met Zijn volk in voorzienigheid en genade zijn meestal in het begin in geheimenis gehuld — en toch stralen zij uiteindelijk helder uit, getekend met de volmaaktste wijsheid, barmhartigheid en genade!
Samengesteld uit de hersens van dode mensen!
Wij kunnen mannen hebben die duidelijk zijn in de leer — maar waar vinden wij dat leven en die kracht, die vurige ijver, die brandende welsprekendheid, die toewijding aan het werk, die verbazingwekkende arbeid, dat zelfverloochenende leven, die eenvoud van oog voor de eer van God, die onvermoeibare volharding en die vlam van heilige liefde — die het leven en de kracht in de ziel van een dienaar zijn? Louter boekengeleerdheid is slechts een flikkerende vlam, samengesteld uit de hersens van dode mensen, te zwak om te verlichten, te koud om te ontsteken.
Gezonde opvattingen over de waarheid zijn zeer waardevol — nee, onmisbaar. Maar er kan de gezondste geloofsbelijdenis in het hoofd zijn met de dood in het hart en de zonde in het leven. Gezonde opvattingen zonder goddelijk leven bekoren slechts het oor. Een woordenstroom zo onophoudelijk als een babbelend beekje, een stem zo muzikaal als de avondnachtegaal, gebaren zo sierlijk als ooit het toneel sierden, een pathos zo roerend als ooit vrouwenwangen met tranen bedauwde, een bezieling zo hevig als ooit een gehoor in beweging bracht en een welsprekendheid zo gloeiend als ooit mannen aanspoorde de bres te bestormen of een bataljon aan te vallen? Helaas! wat zijn zij allemaal, zonder geestelijk leven?
De wolf in de kooi
Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen (Jeremia 13:23)
De wolf in de kooi verliest zijn dorst naar bloed niet doordat hij in de dierentuin is afgezet. Zo kan ook het zinnelijke, verdorven hart van de mens niet wedergeboren worden door de uiterlijke beteugelingen van zedelijkheid of godsdienst.
Wij hebben hier geen blijvende stad
Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen (2 Korinthe 5:1)
Nu wij dan zien en voelen dat alles voorbijgaat, wat een genade is het als wij voorbij dit ijdele toneel kunnen kijken naar dat wat voor eeuwig en altijd blijft! Want wij hebben hier geen blijvende stad (Hebreeën 13:14) is een les die de Heere op het hart van al Zijn pelgrims schrijft. En naarmate zij dieper in hun boezem wordt gegraveerd en in leesbaarder letters wordt gebeiteld, zien zij op en uit zichzelf naar de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is (Hebreeën 11:10).
Het is zeer gezegend wanneer wij de gunsten van God in de voorzienigheid kunnen gebruiken zonder ze te misbruiken — wanneer wij Zijn goede hand in de gave kunnen zien en er geen afgod van maken — wanneer wij Hem kunnen zegenen voor Zijn voorzienige weldaden en toch voelen dat zij zonder Hemzelf niet alleen waardeloos maar ellendig zijn.
Hoevelen hebben hun hele leven in prachtige huizen geleefd, hebben nooit een dag honger gekend en het vette gegeten en het zoete gedronken al de dagen van hun leven! Zij hebben ’s nachts neergelegen in een luxueus bed waar zij geen koude of vorst hebben gevoeld — en toch aan het einde, toen hun sterfelijk bestaan ten einde liep, hun bed in de hel gespreid!
Een toevlucht voor ons zondige, snode en schuldige zelf!
Wij kunnen terugblikken op alle verzoekingen, beproevingen, zonden, afvallingen, afdwalingen en zijsprongen waaraan wij ons schuldig hebben gemaakt. Er waren alle harde gedachten en mopperige, opstandige opwellingen. Er was alle droevige onvruchtbaarheid, afkerigheid van het goede, neiging tot het kwade en vastbeslotenheid om onze eigen wil en weg te hebben. En er was heel die massa van inconsequentie die ons soms in het terugblikken beangstigt. Wanneer wij deze dingen overzien, welke reden hebben wij dan om ons dicht aan het kostbare bloed en de rechtvaardigheid van Christus vast te klemmen? Zo vinden wij in Hem een toevlucht voor ons zondige, snode en schuldige zelf!
Het lijkt droevig dat wij nog zoveel zonde, vleselijkheid, ongeloof, ontrouw en elk ander kwaad levend en levendig in ons vinden! Wij hebben zovele jaren de goedheid en barmhartigheid van God ervaren. Wij hebben alles gezien, gekend, geproefd, gevoeld en betast van de Persoon en het werk van de Heere Jezus — van Zijn geschiktheid, schoonheid, gelukzaligheid, genade en heerlijkheid.
Hoe toont het de diepte van de val en het ongeneeslijke bederf van onze natuur dat noch de tijd, noch het klimmen van de jaren, noch lichamelijke zwakte, noch enige andere verandering van omstandigheden dit ellendige hart kan veranderen, het op een goede koers kan brengen of gehoorzaam en vruchtbaar kan maken! Het is als de dorre heide waaruit geen bebouwing bloem of vrucht kan voortbrengen. Maar wat een onuitsprekelijke barmhartigheid is het voor ons dat de Heere ons niet ziet staan in al onze lompen en ons verderf, al onze vuiligheid en dwaasheid — maar in de Persoon van Zijn dierbare Zoon, in Wie Hij altijd welbehagen heeft!
Een gladde, gemakkelijke weg
De weg van het kruis is haatlijk voor vlees en bloed. Daarom wordt een gladde, gemakkelijke weg die — zoals zij denken — de voordelen en zegeningen van de zaligheid verzekert zonder zelfverloochening, doding van het vlees, pijnlijke oefeningen en vele beproevingen, gretig omarmd en in de plaats gesteld van de enge en smalle weg die tot het leven leidt.
En door dit of enig ander bedrog van het vlees of misleiding van de duivel zouden allen in hun zonden omkomen — als de Heere niet een bijzonder volk had uitgekozen in de oven van de ellende en hen niet had voorbeschikt om gelijkvormig te worden aan het beeld van Zijn dierbare Zoon — hier in lijden en hierna in heerlijkheid.
Zij zouden, net als alle anderen, voor zover het het vlees betreft, graag zo een verbond met de dood en de hel sluiten opdat zij door vrees voor geen van beide gestoord zouden worden. Zal dit niet alles ruim vergoeden?
O, wat is deze ellendige wereld en dit arme ijdele leven van ons, dat elke dag korter wordt en tot zijn bestemde einde komt! Terecht is ervan gezegd dat het alles is ijdelheid en kwelling des geestes (Prediker 1:14). Maar in zoete hoop en vertrouwen te kunnen uitzien voorbij dit ellendige leven naar een staat van eeuwige gelukzaligheid waar geen zonde is — het grootste van alle kwaad — en geen ziekte, geen verdriet: zal dit niet alles ruim vergoeden?
Onze godsdienst op zo’n pijnlijke manier leren
Mijn waarde vriend, het speet mij uit uw laatste vriendelijke brief te vernemen dat de Heere u opnieuw Zijn kastijdende hand had opgelegd. Maar het was uw barmhartigheid dat u voordeel vond bij de oven en dat de pijnlijke beproeving tot uw geestelijk goed werd geheiligd. Wij zijn zulke arme, stompzinnige, koude, levenloze ellendelingen als alles ons gladjes en gemakkelijk gaat dat wij beproeving en ellende nodig lijken te hebben om ons wakker te schudden en uit vleselijkheid en dood te brengen.
Het Woord van God is geschreven voor een ellendig en arm volk — en alleen zij begrijpen het, geloven het, voelen het en beseffen het. Hoe vaak hebt u het woord gelezen zonder in de zoetheid, geschiktheid en zaligheid ervan door te dringen — zoals u dat deed in uw recente beproeving. Luther placht te zeggen dat hij, voordat hij werd bezocht met ellende, het Woord van God nooit had begrepen. Dit getuigenis is waar. Er is werkelijk geen plaats voor het in ons geweten of in onze genegenheden.
En toch, hoe hard lijkt het en hoe zwaar voor het vlees om onze godsdienst op zo’n pijnlijke manier te leren — maar elke weg is beter dan aan het eind de prijs te missen. En als wij de gunst hebben de hemelse oever te bereiken, zullen wij alle gevaren en lijden van de reis vergeten!
De som en de kern van de Schriften
Als wij de eerste hoofdstukken van Leviticus met een verlicht oog lezen, hoeveel is er dan in te vinden ter verduidelijking van het ene grote offer van onze genadige Heere. In Hem zien wij het brandoffer, als Hij Zichzelf zonder gebrek aan God offert — het zondoffer, als Hij onze zonden in Zijn eigen lichaam op het hout draagt — het schuldoffer, als bijzonder van toepassing op zonden van daad — en het spijsoffer, als Hem voorstellend als het voedsel van onze zielen.
CHRISTUS is de som en de kern van de Schriften! Zonder Hem zijn zij een dode letter, vol duisternis en onduidelijkheid. Maar in en met Hem zijn zij vol licht en gelukzaligheid. Het woord van Christus wone rijkelijk in u (Kolossenzen 3:16)
Beproevingen en ellenden
Hoe verschillend zijn de beproevingen en ellenden van hen die God willen vrezen en in Zijn wegen wandelen. Maar hoewel zij in aard en mate kunnen verschillen, zijn zij toch meestal zoveel als zij maar kunnen dragen. De Heere is inderdaad zeer genadig door hun niet meer op te leggen dan zij kunnen dragen. Maar Hij zal hun allen genoeg te vinden en te voelen geven — dat deze wereld vol zonde en verdriet is — dat hun eigen hart vol kwaad is — dat niets dan de zuivere, rijke, overvloedige, vrije genade van God hun ziel kan redden of zegenen!
Een grote les
ik niets ben (2 Korinthe 12:11)
Het is een grote les, en toch een pijnlijke — om niets gemaakt te worden — zichzelf zwakker dan de zwakste en snoder dan de snoodste te voelen — een bedelaar te zijn die van dagelijkse aalmoezen leeft — en vaak te moeten bedelen en toch voelbaar niets te krijgen. Waarin wij dwalen is dat wij iets willen zijn terwijl wij niets zijn. Wij willen onszelf op de een of andere manier bij God aanbevelen en iets doen of zijn waarmee wij tevreden kunnen zijn en waarvan wij daarom denken dat het Hem zal behagen.
Het is zeer moeilijk te leren — de diepte van onze geestelijke armoede — de grootte van onze zonde — onze volkomen verloren, ruïneuze en hulpeloze toestand.
Wat een genade is het ook maar enige genade en goddelijk leven in de ziel te hebben — gemaakt te worden om de leegheid van de wereld — de zondigheid van de zonde — de kwaden van het hart te zien en te voelen en bovenal de kostbaarheid van Christus te zien en te voelen in Zijn bloedende, stervende liefde!
Als wij geheel aan onszelf werden overgelaten
Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt (Hebreeën 12:5-6)
Onze ellenden en beproevingen stropen als het ware de wereld en de wereldse dingen van onze rug — evenals al onze eigen wijsheid, kracht en rechtvaardigheid. De Heere Zelf tuchtigt Zijn kinderen! De aard, het tijdstip, de duur en alle bijkomende omstandigheden van al hun beproevingen zijn — voor hen bepaald — door oneindige wijsheid uitgekozen — door onveranderlijk voornemen besloten — door eeuwige liefde geleid en door almachtige kracht tot stand gebracht. Minder dan dit geloven is heimelijk ongeloof en zal altijd uitlopen op morren, opstand, eigengerechtigheid, wereldse droefheid en zelfmedelijden. Maar met het geloof in oefening zal er onderwerping en berusting in de wil van God zijn.
Wanneer de Heere Zijn verborgen raadsbesluiten ten uitvoer brengt, zijn zij zo tegengesteld aan de wil van het vlees en zo strijdig met onze gedachten en wegen — dat wij Zijn hand erin nauwelijks kunnen zien. Ons vlees mort en komt in opstand onder de zware slagen. Het wil gemak, toegeeflijkheid en zelfbevrediging — niet gedood en gekruisigd worden. Ons lafhartige vlees deinst terug voor de beproeving van ellende waardoor de zegen komt. Werden wij geheel aan onszelf overgelaten — dan zouden wij gretig en vurig de weg van het verderf kiezen!
Wanneer wij in de oven zijn
Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende (Jesaja 48:10)
Beproevingen, lijden, ellenden, ergernissen en teleurstellingen zijn ons bestemde lot. En hoewel zij het vlees pijnlijk zijn, worden zij — wanneer zij tot het welzijn van de ziel zijn geheiligd — gemaakt tot enkele van onze uitgelezenste zegeningen! Lichtzinnigheid, zorgeloosheid en onverschilligheid, met een algemene hardheid en doodsheid in de dingen van God, sluipen spoedig over het gemoed — tenzij het goed met beproevingen en ellenden wordt verzwaard.
Maar wanneer wij in de oven zijn, zien wij zelden welk voordeel hij oplevert — of welk nut ervan voor onszelf of anderen te verwachten is. Ons lafhartige vlees deinst terug voor het kruis. En totdat onderwerping en berusting door een goddelijke kracht in ons gewerkt worden en de vreedzame vruchten van de Geest zich beginnen te tonen, kunnen wij de Heere niet zegenen voor de beproeving en ellende.
Onze beproevingen verschillen zoveel als onze uiterlijke omstandigheden of innerlijke gevoelens en elk mens denkt misschien dat zijn eigen beproeving de zwaarste is. Maar zonder twijfel wijst oneindige wijsheid aan elk vat van barmhartigheid die bijzondere beproevingen toe, naar aard of mate, die nodig zijn om Gods verborgen voornemens uit te werken.
Veel beter dan leven in deze ijdele wereld
hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste (Filippenzen 1:23)
De Heere maakt Zijn volk meestal van dit leven grondig moe voordat Hij hen eruit wegneemt. Ziekte van het lichaam, beproevingen in de voorzienigheid, ellende in het gezin en bovenal de slijtende strijd onder een lichaam van zonde en dood, met een gezegend uitzicht op een heerlijke onsterfelijkheid — maken hen vroeg of laat bereid om heen te gaan en met Christus te zijn, als zeer veel beter dan het leven in deze ijdele wereld!
De bekoringen van de wereld en de genoegens van de zonde
Mijn waarde vriend, ik zou wensen dat uw pad vrijer was van verlegenheid, bezorgdheid en zorg. Maar zonder twijfel ziet Hij Die het einde van het begin af ziet — en Wiens wegen allemaal wegen van barmhartigheid en waarheid zijn voor wie Zijn Naam vrezen — dat deze zorgen en verlegenheden tot uw geestelijk welzijn zijn.
Deze wereld is spreekwoordelijk een dal van tranen. Doornen en distels schieten aan alle kanten op, omdat de grond waarop wij treden onder de vloek ligt. En als volgelingen van de Heere, het Lam, mogen wij ons deel van verdriet verwachten. En hoewel ons zwakke vlees vaak wankelt en bezwijkt onder de last, worden wij toch — omdat de zegen van God meestal alleen op deze weg komt — bereid gemaakt de ellende te dragen vanwege het voordeel dat eraan verbonden is.
Ik twijfel er niet aan dat wij hoe langer wij leven des te meer moeite, bezorgdheid en verdriet voor lichaam en ziel zullen vinden. Zo worden wij ten slotte bereid gemaakt onze arme, versleten gestellen in het stof neer te leggen — als alleen vol zonde en bederf. Dit lijkt de conclusie waartoe de Heere al Zijn verloste volk gewoonlijk brengt — bereid te zijn heen te gaan en met Christus te zijn, als zeer veel beter dan voort te leven in een lichaam van zonde en dood.
Wij hebben iets nodig om ons van het leven te spenen en ons te doden en dood te maken voor de bekoringen van de wereld en de genoegens van de zonde, die maar voor een ogenblik zijn. Christus is niet te vinden op het pad van vleselijk gemak en wereldse vreugde. Het is alleen in verdrukking en moeite dat Hij werkelijk gezocht en werkelijk gevonden wordt. Wij kunnen niet voor onszelf kiezen wat die moeite zal zijn — maar haar vruchten en gevolgen moeten goed zijn als zij ons opvoeren tot de Heere Jezus Christus of enige mate van zegen van Hem neerbrengen.
Beproevingen en ellenden
Beproevingen en ellenden zijn het bestemde lot van de familie van God — en als wij tot dat bevoorrechte getal behoren, zullen wij er zeker ons deel van hebben. Sommige van deze ellenden zijn van het lichaam — andere van de geest — sommige hangen samen met het gezin — andere met onze omstandigheden in het leven — sommige komen van de verzoekingen van Satan — en andere van ons eigen boze hart.
Tedere barmhartigheden
Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden (Psalm 51:3)
Omdat onze zonden in gedachten, woorden en daden een ontelbare menigte zijn waarvan elke afzonderlijke de hel verdient — hebben wij de menigte van Zijn allerzachtste barmhartigheden nodig om ze uit te wissen. Als wij een oceaan van tranen konden storten, zou die niet één zonde wegwassen — maar het bloed van Christus reinigt van alle zonde.
Wij kunnen de sterren aan de hemel zien — het zand aan de zeekust — de dauwdruppels op het gras — de golven die op het strand aanrollen — maar zowel onze zonden als Gods tedere barmhartigheden overtreffen ze alle.
Hoe heeft Hij deze tedere barmhartigheden getoond door Zijn dierbare Zoon te geven om te lijden, te bloeden en te sterven voor ellendige zondaren — en hoe hebben wij al deze tedere barmhartigheden nodig om ons te beklagen en onze overtredingen te vergeven!
De bijzondere en onophoudelijke genade van God
Het is een zeer rijke en onuitsprekelijke barmhartigheid dat Jezus wie Hij liefheeft tot het einde toe liefheeft en dat Zijn schapen nooit zullen verloren gaan en niemand ze uit Zijn hand zal rukken. Dit is de grote veiligheid van de heiligen van God. Want hun eigen zondigheid en zwakheid zijn zo groot — Satan zo listig en zo sterk — de zonde zo machtig en bedrieglijk — en de wereld zo verstrikkend en verlokkend — dat zij, zonder de bijzondere en onophoudelijke genade van God, zouden omkomen en wat het geloof betreft een zekere en vreselijke schipbreuk zouden lijden!
Uit elk van hen zou een adder komen!
Wat een paradox zijn wij! Wat een bundel tegenstrijdigheden! Wij beminnen wat wij haten — en haten wat wij beminnen. Wij volgen wat wij vlieden — en vlieden wat wij volgen. De zonde is ons zoetste genot — en de zonde is ons bitterste brokje. God is onze grootste vriend — en onze meest gevreesde vijand. Maar ik mag niet doorgaan met mijn tegenstrijdigheden of ik vul mijn vel ermee vol. U hebt zowel het raadsel als de sleutel opgesloten in uw hart.
Ik kan niet zeggen wat ik niet zou doen — of wat ik niet zou zijn — als ik aan mijzelf werd overgelaten. Want ik hoor nooit van kwaad of dwaling door belijder of goddeloze begaan dat ik niet in mijn hart zie werken — en nog veel erger ook! Want geen mens heeft ooit in woord en daad kunnen uitvoeren wat onze verbeelding kan uitbroeden en bebroeden tot het uitgekomen is, als een slang op haar eieren. Het is een barmhartigheid wanneer onze eieren worden vermorzeld voordat zij uitkomen, want — reken erop — uit elk ervan zou een adder komen!
Een raadsel voor mijzelf
Ik ben inderdaad zeer ver van te weten wat ik wens te weten of te zijn wat ik wens te zijn — en ben vaak een raadsel voor mijzelf, daar ik niet meer genade zie en voel dan de meest vleselijke ellendeling die geen belijdenis aflegt — en toch beteugelingen heb
O, how much is needed to bring the soul to its only Rest and Center. What trials and afflictions—what furnaces, floods, rods, and strokes—as well as smiles, promises, and gracious drawings! What pride and self to be brought out of! What love and blood to be brought unto! What lessons to learn of the freeness and fullness of salvation! What sinkings in self! What risings in Christ! What guilt and condemnation on account of sin! What self-loathing and self-abasement! What distrust of self! What fears of falling! What prayers and desires to be kept! What clinging to Christ! What looking up and unto His divine majesty! What desires never more to sin against Him—but to live, move, and act in the holy fear of God, do we find, more or less daily, in a living soul!
When the body sinks
When the body sinks under a load of pain and disease, and all sources of happiness and enjoyment from health and strength are cut off—when flesh and heart fail, and the eye-strings are breaking in death—what can support the soul or bear it safe through Jordan’s swelling flood, but those discoveries of the glory of Christ that shall make it sick of earth, sin, and self; and willing to lay the poor body in the grave, that it may be forever ravished with His glory and His love! Thus we see how the glory of Christ is not only in heaven—but also the unspeakable delight of the saints here on earth, in their days of tribulation and sorrow.
Christ, as revealed to their hearts—supports and upholds their steps—draws them out of the world—delivers them from the power of sin—conforms them to His image—comforts them in death—and lands them in glory! We thus see Christ irradiating also the path of His people on earth, casting His blessed beams on all their troubles and sorrows, and lighting up the way wherein they follow Him from the suffering cross to the triumphant crown.
The general religion of the day
There are few things more sickening to us than this widespread profession of religion—without the vital power. Open profanity is bad. It is grievous to see the sin which runs down our streets like water. The scenes which meet the eye, especially in London, are grievous—but they carry with them their own condemnation, and do not intrude into the sacred precincts of truth and godliness. But a loud, noisy profession, with just enough ‘truth in the letter’ to salve over the convictions of the natural conscience—but not enough of life or power either to save or sanctify—to deliver from the dominion of sin or separate from the world—like the salt that has lost its savor, is good for nothing but to be cast out and to be trodden under foot of men. True religion differs as much fromthe general religion of the day as grace differs from nature, spirit from flesh, and the power of God from the wisdom of man!
Walking with God
“Do two walk together, unless they have agreed?” Amos 3:3
What God hates we must learn to hate. What God loves we must be taught to love. Sin is the especial object of God’s hate—and it must be the special object of ours. Christ is the especial object of God’s love—and He must be the object of our heart’s warmest, tenderest affection. Pride, hypocrisy, self-righteousness, the lusts of the flesh, covetousness—in a word, everything worldly and wicked, earthly, sensual, and devilish—is and ever must be hateful and abominable in the eyes of infinite Purity and Holiness. If not made hateful to us, where is the agreement, where the walking with God?
Humility, brokenness, godly fear, tenderness of conscience, spirituality of mind, singleness of eye to God’s glory, separation from the world; faith, hope, love, submission, resignation to the divine will, filial obedience, heavenly fruitfulness in every good word and work—if these, and all other graces and gifts of the Holy Spirit, are pleasing and acceptable to God, must they not be also to us, if we are to walk with Him in holy agreement?
If there were no furnace
“Behold, I have refined you, but not as silver; I have chosen you in the furnace of affliction.” Isaiah 48:10
“And He will sit as a refiner and purifier of silver, and He will purify the sons of Levi, and refine them as gold and silver.” Malachi 3:3
If there were no furnace, there would be no fruits of the furnace—no taking away the dross and tin—no bringing forth the gold seven times refined in the fire—no meekness, submission, resignation, confession, self-abhorrence—no forsaking idols—no vomiting up the poisonous draughts of sin and folly!
Known to our hearts by a divine power
The only real knowledge which we can possess of the truth of God, or of any one branch of that truth, is from a vital, experimental, heartfelt acquaintance with it through the teaching of the Holy Spirit. Men, learned or unlearned, priest or people, may theorize and speculate, may think they see and understand, may reason and argue, preach and prate, talk and write—wisely and well upon this and that point of doctrine, or upon this or that portion of Scripture. But unless the sacred truth of God is made known to our hearts by a divine power, and laid hold of by a living faith, we have no true knowledge of, as we have no saving interest in it.
What good will the purest, clearest, soundest doctrines—even if preached by an apostle—do us, unless there be that living principle of divine faith in our hearts which mixes with the word, and so profits the soul? We see, then, that it is not truth—the purest and clearest, even when uttered by the Redeemer’s own lips, that can save the soul—unless applied to the heart by the special power of God! But when the truth of God is made known to the heart by divine teaching and divine testimony, what a holy sweetness and heavenly savor are then tasted, felt, and realized in it! When thus favored to sit down under the shadow of its Beloved, and find His fruit sweet to its taste, the soul says, with Jeremiah, “Your words were found, and I ate them; and Your word was to me the joy and rejoicing of my heart.” Let us beware, then, of unsanctified knowledge, or unapplied truth!
A man who reads his eyes out!
“Which things also we speak, not in words which man’s wisdom teaches, but which the Holy Spirit teaches.” 1 Corinthians 2:13
It is not reading, learning, or study that can make an able minister of the New Testament. If so, the academies would give us an ample supply. But the greatest readers and most laborious students are usually the most ignorant of the teaching of the Spirit, and the work of faith with power. This learning is not of the schools!A man who reads his eyes out may be most ignorant—for he may know nothing as he ought to know. And a man who reads nothing but his Bible may be most learned—for he may have the unctuous teachings of the Holy Spirit.
Holiness & truth
As a love of holiness necessarily includes as well as implies a hatred of, and a fleeing from sin—so will a love of truth contain in it a hatred of, and a fleeing from, error. People deny the truth, trifle with it, or are indifferent to it—because they feel no urgent personal need of it.
Such exceedingly religious people
Until the Blessed Spirit quickens the soul into spiritual life, we know nothing really or rightly of the truth as it is in Jesus. We may be strictly orthodox in doctrine—may abhor infidelity and error—may be shocked at profanity and irreverence—may be scrupulously attentive to every relative duty—may repeat, with undeviating regularity, our prayers and devotions—may seem to ourselves and to others exceedingly religious—when, in the sight of a heart-searching God, we are still dead in trespasses and sins!
The world is full of such exceedingly religious people! Every church and every chapel can produce samples in abundance of such “devout and honorable” men and women. We may have a form of godliness in a profession of truth—may have been suckled and bred up from childhood in a sound creed—may have learned the doctrines of grace in theory and as a religious system—may be convinced in our conscience of their substantial agreement with the Word of God—may contend for them in argument, and prove them by texts—may sit under the sound of the gospel with pleasure—or even preach it with eloquence and fervor; and yet know nothing of the truth savingly and experimentally, by divine teaching and divine testimony!
Does the Scripture afford us no example of these characters? Who more religious, more strict, scrupulous, and orthodox than the ‘Pharisee’ of old? He sat in Moses’ seat, as the teacher of the people—he tithed his mint, anise, and cummin with the most scrupulous care—he strained his drinks, that no unclean gnat might unawares pollute him—he prayed and fasted rigidly and regularly—and seemed to himself and to others the prime favorite of heaven. But what was he really and truly? What was he in the sight of God? According to the Lord’s own testimony—a hypocrite—a viper—a whited sepulcher, ripening himself for the damnation of hell!
Who were those against whom holy John, fervent Jude, and earnest Peter warned the churches so strongly? Who were those spots in their feasts of charity, feeding themselves without fear? Who were those clouds without water, carried about with winds—those trees whose fruit withered, twice dead, plucked up by the roots? Who else but graceless professors of the truth! It is not then, the form, the letter, the mere outside, the bare shell and husk of truth, that makes or manifests the Christian—but the vital possession of it as a divinely bestowed gift and treasure!
Hard as a stone, cold as ice, motionless as a corpse
Ministers of truth are thought sometimes to speak too strongly of the dreadful state of man through the fall—but, in fact, it is impossible to exaggerate the blindness and darkness of the human heart—nor can pen or tongue adequately set forth the misery and utter helplessness of the unregenerate man.
The Scriptures are much and widely read, it is true, but merely as a duty, a daily or weekly self-imposed task, a religious performance in which a certain amount of merit is invested. It thus becomes a mere sop for conscience in some, and in others amounts at best to a perusing with the eye a certain quantity of words and letters, chapters and verses, unwillingly taken up, badly laid down. The beauty and blessedness—divine sweetness and inexpressible power and savor—seen and felt in the Scriptures by a believing heart are, to the unbelieving multitude unknown, untasted, unfelt, uncared for! Whatever be the subject, however solemn or weighty—and what can be so solemn and weighty as the soul’s eternal happiness or misery?—the word of truth, without a divine application, absolutely makes no impression on the conscience. The threatenings produce no terror or trembling—create no fear or conviction—draw out neither sigh nor groan—no, nor raise up one faint, feeble cry, “God be merciful to me a sinner!” The promises, the invitations, the portions that speak of Christ and His sufferings—neither melt nor move, touch nor soften their conscience. The unregenerate heart responds to neither judgment nor mercy. Nothing stirs it Godwards. Hard as a stone, cold as ice, motionless as a corpse—it lies dead in trespasses and sins!
But not so with the heart which the finger of God has touched. It fears, it trembles, it melts, it softens—it is lifted up, it is cast down—it sighs, it prays, it believes, it hopes, it loves, it mourns, it rejoices, it grieves, it repents—in a word, it lives the life of God, and breathes, acts, and moves just as the Blessed Spirit visits and works in it by His gracious power and influence. Under His teaching, the Scriptures become a new book—read, as it, were, with new eyes—heard with new ears—thought and pondered over with new feelings—understood with a new understanding—and felt in a new conscience.
When, then, we are favored with a spiritual, experimental knowledge of God’s truth, it is putting into our hands a master-key to open cabinets closed against the wise and prudent—a clue to guide the feet amid the mazes, where learned doctors and studious theologians wander and are lost—a light penetrating and pervading the hidden depths of the sanctuary, on the threshold of which the scribe and the Pharisee stumble and fall.
Those divine & heavenly truths
How little do we, for the most part, realize—and daily, hourly, live and feed upon—those divine and heavenly truths which we, as Christians, profess to believe! For the most part, it is only at times and seasons that we so realize who and what Jesus is, as to obtain any sensible victory over—the evils of our heart—the strength of sin, the snares of the world—or the assaults of Satan!
The grand deceit of Satan
To our mind one of the greatest mysteries in religion is the difference between the power of truth on the natural conscience, and the power of truth on the spiritual conscience—between the faith produced in the natural mind by the ‘letter of the word,’ and the faith wrought in the heart by the Spirit of God through the word. And yet in this lies all the difference between a professor and a possessor—between the damned and the saved.
Here is the grand deceit of Satan as an angel of light—that a man may have the strongest and most unwavering faith in his natural mind, generated there by the ‘mere letter of the word’—and yet live and die in his sins an unpardoned criminal, an unsanctified rebel—may obey the precept, and yet be damned for disobedience! This is the grand key of the cabinet—and he who holds not this key in his hand, be he preacher or writer that attempts to describe the work of the Spirit, will but fumble—for without it he cannot unlock one secret drawer of the heart, or penetrate into any one innermost recess of nature, or of grace!
Tremendous mystery, yet not more tremendous than true, that between a spiritual and a natural faith lay all the difference—between David and Saul—between John and Judas—and that on it hangs life or death, heaven or hell, unutterable bliss or eternal despair!
Divine breathings
There are what we may call ‘devotional writings’ in Scripture. The Holy Spirit not only inspired men of God to breathe forth prayer and praise, not only taught them to sigh and groan, rejoice and sing—but instructed them to commit to writing those breathings of their soul after the living God. As these divine breathings were usually set to music and sung in the tabernacle worship, they were called “Psalms.” What a manual of living experience—what a standing model and exemplar of vital communion with God—what a perpetual stream of consolation and edification to the church of Christ these divine compositions are and ever have been—it is unnecessary for us here to mention. From the lowest depths of trouble and sorrow to the loftiest heights of joy and praise, there is no state or stage, movement or feeling of divine life in the soul, which is not expressed in the simplest and sweetest language in the Psalms. They are thus not only a test and guide of Christian experience—a heavenly prayer-book—a daily devotional companion—a bosom friend in sorrow and joy—a sure chart for the heaven-bound voyager—and an infallible standard of divine teaching—but a treasury of strength and comfort, out of which the Holy Spirit blesses the waiting soul!
We will find eternity too short
We will find eternity too short—to see Christ’s beauty—to behold Christ’s glory—and to sing Christ’s praise!
Shrouded in mystery
The ways of God and His dealings with His people in providence and in grace are usually at the outset shrouded in mystery—and yet in the end shine resplendently forth as stamped with the most perfect wisdom, mercy, and grace!
Composed out of dead men’s brains!
We may have men who are clear in doctrine—but where can we find that life and power, that ardent zeal, that burning eloquence, that devotedness to the work, those astonishing labors, that self-denying life, that singleness of eye to the glory of God, that unwearied perseverance, and that flame of holy love—which is the life and power in the soul of a minister? Mere book learning is but a flickering flame, composed out of dead men’s brains, too faint to illuminate, too cold to kindle. Sound views of truth are most valuable—no, indispensable. But there may be the soundest creed in the head, with death in the heart and sin in the life. Sound views without divine life merely charm the ear. A flow of words as unceasing as a babbling brook, a voice as musical as the evening nightingale, gestures as elegant as ever graced the stage, pathos as touching as ever bedewed female cheeks with tears, animation as vehement as ever stirred an audience, and eloquence as ardent as ever led men on to mount the breach or charge a battalion? Alas! what are they all, destitute of spiritual life?
The caged wolf
“Can the Ethiopian change his skin or the leopard its spots? Neither can you do good who are accustomed to doing evil.” Jeremiah 13:23
The caged wolf does not lose his thirst for blood because it is fenced off in the zoo. Likewise, the sensual, depraved heart of man cannot be regenerated by the outward restraints of morality or religion.
We have no abiding city here
“For we know that when this earthly tent we live in is taken down—when we die and leave these bodies—we will have a home in heaven, an eternal body made for us by God Himself and not by human hands.” 2 Corinthians 5:1
As then we see and feel that all is passing away, what a mercy it is if we can look beyond this vain scene to that which abides forever and ever! “We have no abiding city here,” is a lesson which the Lord writes upon the heart of all His pilgrims. And as it is more deeply engraved upon their bosom, and cut into more legible characters, they look up and out of themselves, to that City which has foundations—of which the maker and builder is God.
It is very blessed when we can use the favors of God in providence without abusing them—when we can see His kind hand in the gift, and not make an idol of it—when we can bless Him for His providential mercies, and yet feel that without Himself they are not only worthless but miserable. How many have lived all their lives in beautiful houses—have never known a day’s hunger—have eaten of the fat and drunk of the sweet all the days of their life—have lain down at night in a luxurious bed, where they have felt neither cold nor frost—and yet at last when their mortal existence has come to a close, have made their bed in hell!
A refuge from our sinful, vile & guilty selves!
When we take a review of all the temptations, trials, sins, backslidings, wanderings, and startings-aside that we have been guilty of—all the hard thoughts, peevish and rebellious uprisings, with all the sad unprofitableness, backwardness to good, proneness to evil, determination to have our own will and way—and all that mass of inconsistency which sometimes seems to frighten us in the retrospect—when we look over these things, what reason we have to cling close to the precious blood and righteousness of the Christ, that we may find in Him a refuge from our sinful, vile and guilty selves!
It seems sad that, after so many years experience of the goodness and mercy of God, and after all we have seen, known, tasted, felt, and handled—of the Person and work of the Lord Jesus—of His suitability, beauty, blessedness, grace, and glory—we should still find so much sin, carnality, unbelief, infidelity, and every other evil, alive and lively within! How it shows the depth of the Fall, and the incurable corruption of our nature, that neither time, nor advancing years, nor bodily infirmity, nor any other change of circumstances can alter this wretched heart, turn it into a right course, or make it obedient and fruitful—but that like the barren heath, no cultivation can bring out of it either flower or fruit! But what an unspeakable mercy it is for us, that the Lord views us—not as standing in all our rags and ruin, all our filth and folly—but in the Person of His dear Son, in whom He is ever well pleased!
A smooth easy path
The way of the cross is hateful to flesh and blood, and therefore asmooth easy path securing, as they think—the benefits and blessings of salvation, without self-denial, mortification of the flesh, painful exercises, and many trials—is eagerly embraced and substituted for the straight and narrow way which leads unto life. And by this, or some other deceit of the flesh or delusion of the devil, all would perish in their sins—unless the Lord had chosen a peculiar people in the furnace of affliction and predestinated them to be conformed to the image of His dear Son—here in suffering, and hereafter in glory. They, like all the rest, would gladly, as far as the flesh is concerned, thus make a covenant with death and hell that they might be disturbed by fears of neither.
Will not this make ample amends for all?
Oh, what is this wretched world, and this poor vain life of ours, which every day is shortening and bringing to its appointed close! Surely, well has it been said of it, that it is all “vanity and vexation of spirit.” But to be able, in sweet hope and confidence, to look beyond this wretched life to a state of eternal bliss, where there is neither sin—the greatest of all ills; nor sickness, nor sorrow, will not this make ample amends for all?
To learn our religion in such a painful way
My dear friend, I was sorry to learn from your last kind letter that the Lord had again laid upon you His afflicting hand. But it was your mercy to find profit from the furnace, and that the painful trial was sanctified to your spiritual good. We are such poor, stupid, cold, lifeless wretches when things are smooth and easy with us, that we seem to need trial and affliction to stir us up, and bring us out of carnality and death.
The Word of God is written for an afflicted and poor people—and they alone understand it, believe it, feel it, and realize it. How often you had read the word, and yet did not enter into its sweetness, suitability, and blessedness—as you did in your late affliction. Luther used to say that, before he was afflicted, he never understood the Word of God. This witness is true. There is no real place for it in our conscience or affections. And yet how hard it seems, and trying to the flesh, to learn our religion in such a painful way—but any way is better than to miss the prize at last. And if we are favored to reach the heavenly shore, we shall forget all the perils and sufferings of the voyage!
The sum & substance of the Scriptures
If we read the early chapters of Leviticus with an enlightened eye, how much there is in them to illustrate the one great sacrifice of our gracious Lord. In Him we see the burnt offering as offering Himself without spot to God—the sin offering as bearing our sins in His own body on the tree—the trespass offering as especially applicable to sins of commission—and the grain offering as representing Him to be the food of our souls. CHRIST isthe sum and substance of the Scriptures! Without Him they are a dead letter, full of darkness and obscurity. But in and with Him they are full of light and blessedness. “Let the word of Christ dwell in you richly!”
Trials & afflictions
How various are the trials and afflictions of those who desire to fear God, and walk in His ways. But though they may differ in nature and degree, yet they are, for the most part—as much as they can well bear. The Lord indeed is very gracious in not laying upon them more than they can bear; but He will give them all enough to find and feel—that this world is full of sin and sorrow—that their own hearts are full of evil—that nothing but the pure, rich, superabounding, free grace of God can save or bless their souls!
A great lesson
“I am nothing.” 2 Corinthians 12:11
It is a great lesson, and yet a painful one—to be made nothing—to feel one’s self weaker than the weakest, and viler than the vilest—to be a pauper living upon daily alms—and to be made often to beg, and yet sensibly to get nothing. Where we err is, that we want to be something, when we are nothing. We want in some way to recommend ourselves to God, and do or be something that we can be pleased with, and which we think will therefore please Him. It is very hard to learn—the depth of our spiritual poverty—the greatness of our sin—our thoroughly lost, ruined, and helpless condition.
What a mercy it is to have any grace and divine life in the soul—to be made to see and feel—the emptiness of the world—the sinfulness of sin—the evils of the heart—and above all, to see and feel the preciousness of Christ in His bleeding, dying love!
If we were wholly left to ourselves
“My son, don’t take lightly the chastening of the Lord, nor faint when you are reproved by Him: For whom the Lord loves He chastens, and scourges every son whom He receives.” Hebrews 12:5, 6
Our afflictions and trials strip, as it were, the world and worldly things off our backs—as well as all our own wisdom, and strength, and righteousness. The Lord Himself disciplines His children! The nature, season, duration, and all attending circumstances of all their trials, are—determined for them—selected by infinite wisdom—decreed by unalterable purpose—guided by eternal love, and brought to pass by almighty power. To believe less than this is secret infidelity, and will always result in murmuring, rebellion, self-righteousness, worldly sorrow, and self-pity. But with faith in exercise, there will be submission and resignation to the will of God.
When the Lord is carrying into execution His secret counsels, they are so contrary to the will of the flesh, and so opposed to our thoughts and ways—that we can hardly see His hand in them. Our flesh murmurs and rebels under the heavy strokes. It wants ease, indulgence, and self-gratification—not to be mortified and crucified. Our coward flesh shrinks from the trial of affliction through which the blessing comes. If we were wholly left to ourselves—we would greedily and eagerly choose the way of destruction!
When we are in the furnace
“Behold, I have refined you, but not as silver; I have chosen you in the furnace of affliction.” Isaiah 48:10
Trials, sufferings, afflictions, vexations, and disappointments are our appointed lot. And though grievous to the flesh, yet when they are sanctified to the soul’s good—are made to be some of our choicest blessings! Levity, carelessness, and indifference, with a general hardness and deadness in the things of God, soon creep over the mind—unless it be well weighted with trials and afflictions.
But when we are in the furnace, we rarely see what benefit it is producing—or what profit is likely to arise to ourselves or to others out of it. Our coward flesh shrinks from the cross, and until submission and resignation are wrought in us by a divine power, and the peaceable fruits of the Spirit begin to show themselves, we cannot bless the Lord for the trial and affliction. Our trials vary as much as our outward circumstances or inward feelings, and each person perhaps, thinks his own trial the heaviest. But no doubt infinite wisdom appoints to each vessel of mercy, those peculiar trials in nature, or degree, which are required to work out God’s hidden purposes.
Far better than living in this vain world
“For I am in a dilemma between the two, having the desire to depart and be with Christ, which is far better.” Philippians 1:23
The Lord, for the most part, will make His people thoroughly weary of this life, before He takes them out of it. Sickness of body, trials in providence, afflictions in the family, and above all, the wearing conflict under a body of sin and death, with a blessed view of a glorious immortality—sooner or later will make them willing to depart and be with Christ, as far better than living in this vain world!
The charms of the world & the pleasures of sin
My dear friend, I could wish that your path were more free from perplexity, anxiety, and care—but no doubt He who sees the end from the beginning, and all whose ways are ways of mercy and truth to those who fear His name—sees that these cares and perplexities are for your spiritual good. This world is proverbially a valley of tears. Thorns and briers spring up on every side, because the very ground on which we tread is under the curse. And as followers of the Lord the Lamb—we may expect our portion of sorrow.
And indeed, though our weak flesh often staggers and sinks under the load, yet as the blessing of God for the most part only comes in this way, we are made willing to endure the affliction—from the benefit connected with it. I have no doubt, the longer we live, the more we shall find of trouble, anxiety, and sorrow, both to body and soul—so as to be made willing at last to lay down our poor, worn-out frames in the dust—as being only full of sin and corruption. This seems to be the conclusion to which the Lord usually brings all His redeemed people—to be willing to depart and be with Christ, as far better than continuing in a body of sin and death.
We need something to wean us from life, and to deaden and mortify us to the charms of the world and the pleasures of sin, which are but for a moment. Christ is not to be found in the path of carnal ease and worldly joy. It is in tribulation and trouble alone—that He is really sought and really found. We cannot choose for ourselves what that trouble shall be—but its fruits and effects must be good, if they lead us up to the Lord Jesus Christ, or bring down any measure of blessing from Him.
Trials & afflictions
Trials and afflictions are the appointed lot of the family of God—and if we belong to that favored number, we shall certainly have our share of them. Some of these afflictions are of the body—others of the mind—some are connected with the family—others with our circumstances in life—some come from the temptations of Satan—and others from our own evil hearts.
Tender mercies
“Have mercy on me, O God, according to Your lovingkindness. According to the multitude of Your tender mercies, blot out my transgressions.” Psalm 51:1
As our sins in thought, word, and deed are a countless multitude, of which every one deserves hell—we need the multitude of His most tender mercies to blot them out. If we could shed an ocean of tears, it would not wash away one sin—but the blood of Christ cleanses from all sin. We may see—the stars in the sky—the sands on the sea-shore—the drops of dew on the grass—the waves rolling in upon the beach—but both our sins, and God’s tender mercies exceed them all! How He showed these tender mercies in giving His dear Son to suffer, bleed, and die for miserable sinners—and how we need all these tender mercies to pity and pardon us and our transgressions!
The special & unceasing grace of God
It is a most rich and unspeakable mercy, that those whom Jesus loves, He loves to the end, and that His sheep shall never perish, neither shall anyone pluck them out of His hand. This is the grand security of the saints of God; for—their inherent sinfulness and weakness are so great—Satan is so crafty and so strong—sin so powerful and deceptive, and—the world so entangling and alluring—that but for the special and unceasing grace of God, they must perish, and concerning faith make sure and awful shipwreck!
An adder would come out of every one of them!
What a paradox are we! What a bundle of contradictions! We love what we hate—and hate what we love. We follow what we flee—and flee what we follow. Sin is our sweetest delight—and sin is our bitterest morsel. God is our greatest friend—and most dreaded enemy. But I must not run on with my contradictions, or I shall fill up my sheet with them. You have got both the riddle and the key locked up in your heart. I cannot say what I would not do—or what I would not be—were I left to myself. For I never hear of evil or error committed by professor or profane which I do not find working within my heart—and a great deal worse too! For no man ever did, or ever could, carry out in word and act what our imagination can breed and sit upon until hatched, like a serpent upon its eggs. It is a mercy when our eggs are crushed before they are hatched, for, depend upon it—an adder would come out of every one of them!
A puzzle to myself
I am indeed very far from knowing what I desire to know, or being what I wish to be; and am often a puzzle to myself, seeing and feeling no more grace than the most carnal wretch who makes no profession; and yet having restraints and inward checks, breathings, and sighings of which I am persuaded such know nothing.