Zo is de gesteldheid van de ziel in de levende bevinding, hoe weinig die in onze dagen ook bekend is en hoe minder zij wordt geacht. In die gesteldheid past het hen die het ontkomen zullen in Israel (Jesaja 4:2) om te kijken naar het soevereine welbehagen van Jehova. Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde.
Velen strijden met alle wanhopige vijandschap en opstandigheid van de vleselijke gezindheid tegen het blote denkbeeld dat alle mensen en alle dingen ter vrije beschikking staan van de grote God van hemel en aarde. Anderen worden niet zo hard vastgehouden in de ketenen van opstand en dwaling. Maar zij houden de leer van de goddelijke soevereiniteit vast in een vleselijke en aanmatigende geest, zo niet in ongerechtigheid. Dat toont duidelijk dat zij haar nooit gevoelsmatig en uit eigen bevinding in hun ziel hebben geleerd onder het onderwijs en de zalving van de Heilige Geest.
Het is misschien moeilijk te zeggen wat voor wie geestelijk gezind is het meest weerzinwekkend is: de stoutmoedige ontkenning van de opstandige Arminiaan of de lichtvaardige vrijmoedigheid van de dode calvinist. Dwaling is hatelijk. Maar waarheid in een verhard geweten is vreselijk. De grote en heerlijke waarheden die in het Woord van God zijn geopenbaard moeten niet als louter bespiegelende leerstellingen worden aangenomen in het natuurlijke oordeel en het redenerende verstand.
Zij moeten worden aangenomen in het tedere hart en het levende geweten, als de genadige ontvouwing van de gedachten en raad, de wil en wijsheid van Hem van Wie geldt: God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn (Psalm 89:8).
Van alle waarheden die in de Schrift zijn geopenbaard verdient zeker geen enkele met meer bevende ontzag en heilige eerbied te worden bezien dan de soevereiniteit van Jehova. Hij verkiest sommigen tot het eeuwige leven en bestemt anderen tot het eeuwige verderf. Wij geloven dit op het gezag van Hem Die niet kan liegen.
Maar als wij omhoog kijken in de hemel en de onuitsprekelijke zaligheid en heerlijkheid ervan zien, en omlaag kijken in de hel en haar eeuwig brandende vlammen aanschouwen, kunnen wij wel even stilstaan en zeggen: Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend (Psalm 77:20).
Er zijn mensen die zich in een vleselijke geest bijna verheugen over het verderf van de verworpenen. Er bestaat inderdaad een plechtige onderwerping aan de soevereine wil van de Rechter der gehele aarde en een gelovig berusten daarin. Wij weten immers dat Hij recht moet doen. Zo zweeg Aaron stil toen een vuur van de Heere uitging en zijn twee zonen Nadab en Abihu verteerde (Leviticus 10:2-3). Ja, meer nog: er is een heilige vreugde in de overwinning van het Lam over Zijn vijanden.
Die klinkt in de woorden: Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld (Openbaring 18:20). En ook in deze woorden: Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o HEERE! die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in haar kracht (Richteren 5:31).
Maar dit is heel iets anders dan een vleselijke juichtoon over de verlorenen. Die toont een gemoedstoestand die op zijn zachtst gezegd precies het tegenovergestelde is van Paulus’ grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart voor zijn ongelovige broeders (Romeinen 9:2). Zij ademt een taal die heel anders is dan het gebed van Mozes: Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt (Exodus 32:32).
Wie kan zonder droefheid en smart van hart denken aan een dierbare vader of moeder, een kind of een echtgenoot die is heengegaan zonder enig bewijs van een genadewerk in de ziel? Wanneer u midden in de nacht wakker wordt en aan de overledene denkt, waar is dan uw juichen over die vaste besluiten die zijn eeuwige staat hebben bepaald? Onderwerping aan de wil van God kan en moet er zijn. Maar wie geen zucht of traan heeft voor zijn eigen familie bij de gedachte aan hun eeuwige ondergang, moet wel een heiden zijn: zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen (Romeinen 1:31).
Wanneer wij de soevereiniteit van God van haar lichtende kant bezien, kunnen wij ons erin verheugen. Wij kunnen haar de barmhartige en genadige kant noemen. Dan plukt zij ontelbare brandhouten uit het vuur. En vooral wanneer het besluit van de uitverkiezing zijn lachende gezicht naar ons toekeert, bewonderen en aanbidden wij de uitverkiezende liefde van God die onze zielen uit de bodemloze put heeft gered. En niet alleen wij die uit de doden levend zijn gemaakt, maar elke wedergeboren ziel is een levende getuige van de soevereiniteit van de genade.
Er is geen enkel openbaar geworden vat van barmhartigheid, er is er nooit een geweest en er zal er nooit een zijn dat geen gedenkteken is van de soevereine, uitverkiezende, verlossende, wedergevende en bewarende liefde van de drie-enige Jehova. Elke heilige van God voelt dit wanneer de barmhartigheid zijn hart bezoekt en hij door de Heilige Geest wordt verzegeld tot de dag van de verlossing.
Waarom ik? Waarom ik? moet altijd de verwonderde, bewonderende en aanbiddende kreet zijn van elk kind van God. Dat geldt wanneer hij wordt gezegend met een gevoelig en toeëigenend besef van zijn persoonlijk heilzaam aandeel in het dierbare bloed en de liefde van het Lam!
Toch zijn er voorbeelden die met bijzonderlijke glans lijken te schitteren. Zij steken boven de gewone handelwijze van God uit als uitstekende voorbeelden van de soevereiniteit van Zijn eeuwige liefde. In een tuin kan elke bloem op haar manier mooi zijn en alle zijn geplant door de hand van dezelfde tuinman om zijn bedden te versieren.
Toch kunnen sommige het oog meer treffen door de schoonheid van hun vorm en de helderheid van hun kleur dan de andere bewoners van de tuin. Zo zijn er ook in de gemeente van God bomen van Zijn rechterhand die duidelijker dan andere de wonderen laten zien van Zijn soevereine, onderscheidende genade.
Saulus van Tarsen en de stervende moordenaar aan het kruis zijn ons altijd opgevallen als twee van de treffendste voorbeelden van soevereine genade in de Schrift. Paulus was een eigengerechtigde farizeeër, doordrenkt van alle geleerdheid en hoogmoed van het Sanhedrin en overvloeiend van de vervolgingsgeest van de moordenaars van Stefanus. De stervende moordenaar was beladen met de misdaden van een leven vol geweld en bloedvergieten. Toch werd hij op zijn laatste adem uit de muil van de hel gerukt!
Lezer en bewonderaar van de genade van God, kunt u de balans opmaken tussen deze twee gedenktekens van uitverkiezende liefde? Kunt u beslissen wie van hen het meest aan de soevereine genade te danken had?
Maar u zegt misschien: Ik ken een groter gedenkteken van soevereine genade dan beiden. Dat zij zo. Maar kunt u, na uzelf, beslissen wie het meest verschuldigd was aan de hoogten en diepten, lengten en breedten van het verzoenende bloed en de verlossende liefde: Paulus of de stervende moordenaar? Wij kunnen het zelf werkelijk niet zeggen.
Wij zien PAULUS voor en na zijn bekering. Wij verwonderen ons over en bewonderen de genade van God die van zo’n farizeeër, zo’n dweper, zo’n strikt en consequent wettisch mens en zo’n bloeddorstige vervolger een heilige maakte. Hij werd rijk in elke genade en als apostel begiftigd met elke vrucht en gave van de Heilige Geest.
Saulus was op weg naar Damascus blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren. En Paulus had de woorden in zijn hart en op zijn lippen: Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam van den Heere Jezus (Handelingen 21:13). O, wat een genade om de leeuw zo te veranderen in het lam! De man die klaarstond om te martelen werd de man die klaarstond om gemarteld te worden.
Maar dan wenden wij ons tot de STERVENDE MOORDENAAR. Luister met verwonderde oren en een bewonderend hart naar zijn gelovige gebed. Dat richtte hij onder zulke omstandigheden en op zo’n ogenblik tot de Zoon van God in Zijn diepste vernedering. Op het laagste punt van schande en smaad hadden al Zijn discipelen Hem verlaten en waren zij gevlucht. Zijn heerlijkheid was verborgen onder de dichtste en donkerste sluier. Een verrezen Jezus verscheen aan Paulus in de volle gloed van hemelse heerlijkheid. Een gekruisigde Jezus hing voor de stervende moordenaar in nauwelijks minder schande en vernedering dan hijzelf en zijn mededader.
O, wat een geloof op zo’n ogenblik om Hem Heere te noemen en te geloven dat Hij een koninkrijk had! En wat een geloof om te verlangen deel te krijgen aan de tegenwoordige genade en toekomstige heerlijkheid daarvan! Is dit gebed, gelovige lezer, niet ook het mijne en het uwe geweest? Hebben wij niet getracht de gezegende Verlosser zo voor onze ogen te stellen? En terwijl wij ons hele hart en onze hele ziel in dit bede legden, hebben wij dan niet gezucht: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn?
Het gebed van de stervende moordenaar schittert in onze ogen als een van de grootste daden van geloof die de Schrift vermeldt, zo niet de grootste. Alleen Abrahams offer van zijn zoon is er een evenknie van. Wij durven niet te zeggen dat het die overtreft. Maar laten wij niet denken dat er nu geen soortgelijke gedenktekens van soevereine genade op de aarde rondlopen.
Daar, in dat steegje, in die zolderkamer, ligt een stervende Maria Magdalena uit wie de Heere zeven duivelen heeft uitgedreven. Ginds, in die kolenmijn, is er een van wie eens gold: niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. En: niemand was machtig om hem te temmen. Maar nu zit hij aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand. Onder die heg loopt iemand die nu eens weent, dan weer bidt, dan zingt en dan weer in zijn kleine Bijbel kijkt. Het is een teruggekeerde verloren zoon, een lage afvallige die de Heere heeft vergeven maar die zichzelf nooit kan vergeven.
In een hoek van de kerkbank verbergt iemand zijn gezicht. Hij heeft zijn arme, gebroken vrouw vervolgd. Zij is nu in de heerlijkheid en de Heere heeft hem sinds haar dood door Zijn genade geroepen. Zijn tranen en zuchten tonen hoe diep hij zijn zonden tegen haar en tegen Hem berouwt. Terwijl de wereld doorgaat met kopen en verkopen, eten en drinken, trouwen en ten huwelijk geven, verwekt God hier en daar zulke gedenktekens van Zijn genade. Zij zullen voor eeuwig en altijd in Zijn tegenwoordigheid leven, wanneer de wereld en haar hele gedaante volkomen voorbij zijn gegaan.
Wat een zoete spijs voor het geloof is dit voor een geestelijk gemoed! Wat een veld van heilige overdenking wordt geopend in de soevereiniteit van de genade, zoals die blijkt uit de wonderen van verlossende liefde die zo nu en dan onder onze bijzondere kennis en waarneming komen! Tot welke lof en aanbidding geeft dit aanleiding. Welke openingen worden er gegeven in de diepten van de liefde van de Vader. Wat een zicht krijgen wij op de volheid en volkomenheid van het bloed en de gehoorzaamheid van de Verlosser. Wat een zicht op de zaligheid als een vrije, onherroepelijke gave.
Hoe onafhankelijk blijkt de genade van alle werken van gerechtigheid van schepselen. Hoe onderscheidend is zij en hoe overvloedig boven alle overvloed van zonde en schuld. Welke liefde en verbondenheid worden gevoeld voor de voorwerpen van deze opvallende barmhartigheid. Hoe wordt de ziel daardoor meer en meer bevestigd in de waarheid van God. En zij weet: Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods!
Durft iemand de soevereiniteit van God in Zijn uitverkiezende liefde en onderscheidende genade een losbandige leer te noemen? De onwetendheid heeft die leugen gesmeed en de vijandschap heeft haar in omloop gebracht. De soevereiniteit van de genade die in een gelovig hart wordt ontvangen heeft menigeen van de zonde weggeleid. Onder de zalving van de Heilige Geest heeft zij nooit iemand tot zonde geleid.
Menige arme, wanhopige ellendeling heeft zij gered. Zij heeft hem niet alleen verlost van de schuld van de zonde die zijn geweten benauwde. Zij heeft hem ook verlost van de macht van de zonde die zijn neigingen verstrikte en hem gevangen meevoerde.
Dezelfde Christus Jezus die voor Zijn volk is gemaakt tot rechtvaardigheid en verlossing, is hun ook gemaakt tot wijsheid en heiligmaking (1 Korinthe 1:30). En van hen die zijn afgewassen en gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus geldt ook dat zij zijn geheiligd door de Geest van God: gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods (1 Korinthe 6:11).


