Philpot’s Pearls — Second Collection: To Bathe in the Ocean of Endless Bliss (Part 1 of 2)
Elke levende ziel die uit eigen bevinding is onderwezen over haar verloren staat — die iets heeft gekend van een rustplaats in Christus — die zowel de wereld als de belijdende kerk de rug heeft toegekeerd — en wenend naar Sion is gegaan om … in Jezus te leven, Zijn kracht te voelen, Zijn liefde te proeven, Zijn bloed te kennen en zich in Zijn genade te verheugen: elke ziel van dit soort zal zoals Israël vroeger veilig door deze woeste en huilende wildernis worden gedragen.
Zij zal door dit dal van tranen worden gebracht en de eeuwige zaligheid en heerlijkheid in de tegenwoordigheid van Jezus mogen genieten — om te baden in de oceaan van eindeloze zaligheid! Uw ogen zullen den Koning zien in Zijn schoonheid!
Uw ogen zullen den Koning zien in Zijn schoonheid (Jesaja 33:17)
Waar in de hemel of op aarde is zo’n lieflijk Voorwerp te vinden als de Zoon van God? Als u nooit enige schoonheid in Jezus hebt gezien … dan hebt u Jezus nooit gezien. Hij heeft Zich nooit aan u geopenbaard. U hebt nooit een glimp van Zijn lieflijk gelaat opgevangen, nooit een besef van Zijn tegenwoordigheid gehad, nooit een woord van Zijn lippen gehoord en nooit een aanraking van Zijn hand gevoeld.
Maar als u Hem met het oog van het geloof hebt gezien — en Hij Zich aan u heeft geopenbaard, al is het maar in geringe mate — dan hebt u in Hem een schoonheid gezien boven alle andere schoonheid. Want het is … een heilige schoonheid, een goddelijke schoonheid, de schoonheid van Zijn hemelse genade, de schoonheid van Zijn ongeschapen en eeuwige heerlijkheid.
Hoe schoon en heerlijk toont Hij Zich in Zijn verzoenend bloed en in Zijn sterven uit liefde. Zelfs wanneer Hij grote droppels bloed zweet in de sombere hof van Gethsemane en in foltering en doodsangst aan het kruis van Golgotha hangt — ook dan kan het geloof een schoonheid zien in de heerlijke Verlosser, zelfs in de diepste diepten van smaad en schande!
Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder de vrouwen! Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend (Hooglied 5:9-10)
Kan ook een Moorman zijn huid veranderen?
Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. (Jeremia 13:23)
Voordat de ziel iets kan weten van de zaligheid moet zij diep en uit bevinding de aard van de zonde leren kennen — en van zichzelf als door de zonde bevlekt en bezoedeld.
De ziel is hoogmoedig — en moet vernederd worden.
De ziel is zorgeloos — en moet wakker geschud worden.
De ziel is levend — en moet gedood worden.
De ziel is vol — en moet geleegd worden.
De ziel is gezond — en moet verwond worden.
De ziel is gekleed — en moet ontkleed worden.
De ziel is van nature … eigengerecht en zelfzuchtig, diep verzonken in wereldsgezindheid en vleselijkheid, volkomen blind en onwetend en vervuld van aanmatiging, arrogantie, verwaandheid en vijandschap.
Zij haat alles wat hemels en geestelijk is.
De zonde is in al haar gedaanten haar natuurlijke element.
Om de mens het rechte tegendeel te maken van wat hij oorspronkelijk is … om hem God te laten liefhebben in plaats van Hem te haten; om hem God te laten vrezen in plaats van Hem te bespotten; om hem God te laten gehoorzamen in plaats van tegen Hem in opstand te komen; om hem te laten sidderen voor Zijn geduchte majesteit in plaats van er uitdagend tegenin te gaan.
Om dit machtige werk te doen en deze wonderlijke verandering te bewerken is de inplanting van een nieuwe natuur nodig door de rechtstreekse hand van God Zelf!
Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. (Jeremia 13:23)
Die hemelse Leraar
Wij leren niet dat wij zondaars zijn door het louter in de Bijbel te lezen. Het moet in ons worden gewerkt — ik zou kunnen zeggen: ingebrand.
Ook zal niemand oprecht en geestelijk om genade roepen — totdat de zonde geestelijk wordt gevoeld en gekend … in haar ellende en haar heerschappij, in haar schuld en haar verstrikkingen, in haar listen en lokkingen, in haar vuil en bezoedeling en in haar veroordeling.
Waar de Heilige Geest werkt, wekt Hij … verzuchtingen en gekerm, smekingen en worstelingen. Hij wekt pleitingen om Christus te kennen en Zijn liefde te voelen, om de kracht van Zijn verzoenend bloed te proeven en Hem te omhelzen als onze gehele zaligheid en ons gehele verlangen.
En hoewel er veel dorheid, hardheid, doodsheid en ogenschijnlijke onverschilligheid gevoeld kan worden en dat ongetwijfeld ook zal worden — toch zal die hemelse Leraar Zijn werk doen herleven, al is het vaak op pijnlijke wijze. Hij zal de levend gemaakte ziel niet laten rusten voordat zij een persoonlijk en bevindelijk genieten heeft van Christus en Zijn heerlijke zaligheid.
Bewarende genade vóór de wedergeboorte
aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard (Judas 1)
Wat een genade is het voor Gods volk dat zij, voordat zij een ‘levende vereniging’ met Christus hebben — voordat zij uit bevinding in Hem zijn ingeënt — al vóór alle werelden een ‘eeuwige, immanente vereniging’ met Hem hebben. Krachtens deze eeuwige vereniging komen zij in de wereld … op zulk een tijd, op zulk een plaats, uit zulke ouders en onder zulke omstandigheden als God heeft bepaald.
Krachtens deze eeuwige vereniging zijn de omstandigheden van hun leven verordend. Krachtens deze eeuwige vereniging worden zij in Christus bewaard voordat zij krachtdadig geroepen worden.
Zij kunnen niet sterven voordat God een levende vereniging met Christus tot stand heeft gebracht!
Door welke ziekte zij ook heengaan — aan welke verwondingen zij ook blootstaan — welke gevaren hen ook bedreigen ter zee of te land — sterven zullen zij niet, sterven kunnen zij niet, totdat Gods voornemens zijn uitgevoerd door hen in een levende vereniging te brengen met de Zoon van Zijn liefde.
Zo heeft deze eeuwige vereniging gewaakt over elke omstandigheid van hun geboorte en over hun kinderjaren. Zij heeft over hen gewaakt in hun mannelijke leeftijd, tot op de bestemde tijd en plaats. Toen heeft de God van alle genade, naar Zijn eeuwig voornemen, het behaagd hun zielen levend te maken en zo een vereniging uit bevinding tot stand te brengen met de Heere van het leven en de heerlijkheid.
Vrij!
Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn. (Johannes 8:36)
Vrijgemaakt zijn betekent een vrijheid van de WERELD en van de geest van hebzucht in het hart. Als wij sommigen die veel over ‘evangelievrijheid’ praten tot in hun winkels zouden volgen, zouden wij misschien merken dat de boei van de wereld niet van hun hart is afgeslagen. Dan bleek dat zij een ‘gouden’ keten hadden — onzichtbaar voor hun eigen ogen — die zich heel nauw om hun hart had gewonden.
En er is een vrijgemaakt worden van de macht van de ZONDE. Ik vrees zeer dat wij, als wij velen die over evangelievrijheid babbelen in hun hoeken en gaten en binnenkamers zouden volgen, zouden zien dat de zonde haar greep op hen nog niet had verloren. Er was een of andere heimelijke of openlijke zonde die hen verstrikte, er was … een of andere lust, hartstocht, kwade bui of ellendige hoogmoed die zijn boeien heel dicht om hun hart legde.
En ook is er een vrijgemaakt worden van het ZELF … het hoogmoedige zelf, het aanmatigende zelf, het zichzelf verheffende zelf. Het vleesbehagende zelf, het huichelachtige zelf, het zelf in al zijn verschillende gedaanten en wendingen, het zelf in al zijn kromme huichelarij en kronkelingen.
Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn. (Johannes 8:36)
Deze vluchtige, voorbijgaande dingen
En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. (1 Johannes 2:17)
Er is een werkelijkheid in ware godsdienst en, goed beschouwd, in niets anders. Want al het andere gaat voorbij als een droom van de nacht en komt ten einde als een verhaal dat is verteld. Van iets wat voorbijgaat en ten einde komt, kunt u niet zeggen dat het werkelijk is. Het kan de schijn van werkelijkheid hebben — terwijl het in feite slechts een schaduw is.
Geld, juwelen, schilderijen, boeken, meubels en waardepapieren zijn vergankelijk. Geld kan worden uitgegeven, juwelen kunnen verloren gaan, boeken kunnen verbranden en meubels vergaan. Schilderijen verdwijnen door tijd en ouderdom, waardepapieren kunnen worden gestolen.
Niets is werkelijk dan wat een blijvend wezen heeft.
Gezondheid vergaat en kracht neemt af. De schoonheid verlaat de wang, gezicht en gehoor worden dof en de geest zelf wordt zwak. De rijkdom maakt zich vleugelen en vliegt weg. Kinderen sterven, vrienden vertrekken, de ouderdom sluipt aan en het leven zelf loopt ten einde.
Deze vluchtige, voorbijgaande dingen zijn dus louter schaduwen. Er is geen wezen in hen, geen blijvend wezen. Zij zijn voor de tijd en zijn voor een tijd nuttig. Zoals ons dagelijks voedsel en onze kleding, huis en haard ondersteunen en vertroosten zij ons op onze reis door het leven. Maar daar blijft het bij — als het leven ophoudt, houden zij met het leven op.
Maar ware godsdienst — en daaronder versta ik het werk van God aan de ziel — blijft in de dood en na de dood bestaan, gaat met ons mee door het donkere dal en brengt ons veilig aan in een gezegende eeuwigheid. Zij is daarom het enige in deze wereld waarvan wij kunnen zeggen dat het werkelijk is.
En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. (1 Johannes 2:17)
Een droevige, bonte mengelmoes
(Het volgende is een uittreksel uit Philpots brief aan een gemeente die wenste dat hij als haar herder zou komen)
Ik ben den allerminste van al de heiligen (Efeze 3:8)
dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben (1 Timotheüs 1:15)
Velen denken dwaas genoeg dat een predikant geestelijker is dan wie ook. Maar ik word dagelijks meer bewust van de wanhopige boosheid van mijn bedrieglijke hart en van mijn ellendige, ten verderve gebrachte staat als zondaar van nature en in de praktijk. Ik voel mij volstrekt onwaardig de naam christen te dragen en gerekend te worden onder de volgelingen van het Lam.
Ik heb er geen behoefte aan mijzelf bij een gemeente aan te prijzen alsof ik iets was. Ik ben bereid een lage plaats in te nemen.
Hoe meer u van mij ziet, hoe zekerder u meer van mijn zwakheden en tekortkomingen zult ontdekken, van mijn eigenzinnigheid, zelfzucht, koppigheid en slechte buien. Ik ben vleselijk en zeer hoogmoedig, zeer dwaas in mijn verbeelding, zeer lui en zeer wereldsgezind. Ik ben duister, dom, blind, ongelovig en onwetend.
Ik moet wel belijden dat ik een vreemd samenstel ben — een droevige, bonte mengelmoes van alle meest hatelijke en gruwelijke ondeugden die in mij opkomen en mij bij elke stap tegemoet treden.
Wanneer Gij mijn hart verwijd zult hebben
Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben. (Psalm 119:32)
Het Woord van God is vol geboden — maar wij zijn volstrekt niet in staat ze in eigen kracht te volbrengen. Zonder goddelijke hulp kunnen wij het gebod niet … met een enkel oog op Gods eer volbrengen, uit hemelse beweegredenen en op een voor de Heere aanvaardbare wijze, zonder bijzondere kracht van omhoog.
Wij hebben een buitengewone kracht nodig die in onze harten wordt uitgeoefend — een bijzonder werk van de Geest aan het geweten — om ook maar in de geringste mate het minste van Gods geboden geestelijk te vervullen.
Niemand dan de Heere Zelf kan het hart van Zijn volk verwijden. Niemand dan de Heere kan hun harten naar God toe verruimen en die bekrompenheid en beperktheid in goddelijke dingen wegnemen — die de plaag en de last van een godvrezende ziel is.
Wanneer de Heere afwezig is, wanneer Hij Zijn lieflijk aangezicht verbergt, wanneer Hij niet nadert om te bezoeken en te zegenen, krimpt het hart ineen binnen zijn eigen enge ruimte.
Maar wanneer de Heere de ziel wil begunstigen met Zijn eigen genadige tegenwoordigheid en Zichzelf nabij het hart brengt, opent, verruimt en verwijdt Zijn gevoelde tegenwoordigheid de ziel — zodat zij Hem ontvangt in al Zijn liefde en genade.
Onze toevlucht!
De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek. (Psalm 18:3)
Aan alle kanten zijn legers van vijanden die voortdurend onze ziel binnenvallen en alles wat goed is in onze harten vertrappen. Zij worden vergezeld door een vliegende troep van verzoekingen, twijfels, vrees, schuld en slavernij die over onze ziel heen vegen. En wij zijn, wat onze eigen kracht betreft, hulpeloos tegen hen.
Maar er is een toevlucht voor ons neergezet in het evangelie van de genade van God. De Heere Jezus Christus wordt daar als Koning op Sion ons voor ogen gehouden als … de Rots van onze toevlucht, onze sterke Toren, onze onneembare Vesting.
En wanneer wij door deze rondzwervende, verwoestende, plunderende stammen worden overlopen en benauwd, worden wij door elke dierbare belofte en elke uitnodiging van het evangelie aangemoedigd om tot Hem te vluchten en bij Hem een veilige toevlucht te vinden.
Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U (Psalm 16:1)
HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij (Psalm 7:2)
Bovennatuurlijk licht
Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. (2 Korinthe 4:6)
Totdat dit bovennatuurlijke licht van God in de ziel binnenkomt, heeft een mens dus geen zaligmakende kennis van Jehova. Hij kan … zijn gebeden zeggen, zijn Bijbel lezen, de prediking bijwonen, de verordeningen onderhouden, al zijn goederen uitdelen om de armen te voeden of zijn lichaam overgeven om verbrand te worden — maar hij is zo onwetend van God als het vee dat in de weiden graast!
Hij kan zich christen noemen en door anderen daarvoor gehouden worden. Hij kan veel over Jezus Christus praten, een zuivere geloofsbelijdenis aanhangen, een bestendige belijdenis handhaven, op een gebedssamenkomst met vlotheid en schijnbaar gevoel bidden en op een kansel staan om ernstig te strijden voor de leer van de genade. Hij kan honderden kinderen van God overtreffen in ijver, kennis en wandel.
En toch, als deze straal van bovennatuurlijk licht nooit in zijn ziel heeft geschenen, is hij slechts tweemaal zozeer een kind van de hel als zij die geen belijdenis afleggen!
Kleine heidenen?
(uit Philpots biografie, geschreven door zijn zoon)
Er was niets wat mijn vader meer wantrouwde dan ‘kinderlijke vroomheid’. Hij hield vol dat men kinderen nooit mocht leren of toestaan de taal van ‘persoonlijk bezit’ te gebruiken met betrekking tot God. Bijvoorbeeld om te zingen: “Rots der eeuwen, voor MIJ gekliefd” of “MIJN Jezus”.
Hierin was hij zeer logisch. Want door vroege invloed en voorbeeld kunt u een kind opvoeden tot … een kleine patriot, een kleine katholiek, een kleine calvinist of een kleine bolsjewiek.
Maar geen macht op aarde kan van hem een kind van God maken.
Hij zorgde er nauwgezet voor dat wij, zijn kinderen, de genademiddelen bijwoonden en nooit de kapel of het gezinsgebed misten. Maar hij verwachtte nooit dat wij iets anders zouden zijn dan kleine heidenen. Wij moesten, dat is waar, welgemanierde kleine heidenen zijn. Zo niet, dan kregen wij ‘de stok’ of iets daarmee vergelijkbaars.
Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn (Johannes 1:13)
Mijn verlangen is … de genade van God te verheffen; zaligheid door Jezus Christus alleen te verkondigen; de zondigheid, hulpeloosheid en hopeloosheid van de mens in zijn natuurlijke staat te verklaren; en de levende bevinding van de kinderen van God te beschrijven in hun … beproevingen, verzoekingen, smarten, vertroostingen en zegeningen.
En hoe raakt hij verloren?
bezoek mij met Uw heil (Psalm 106:4)
Zaligheid past alleen de veroordeelden — de verlorenen. Een mens moet verloren zijn — volkomen verloren — voordat hij Gods zaligheid op prijs kan stellen.
En hoe raakt hij verloren? Doordat hij … al zijn godsdienst en al zijn gerechtigheid verliest, al zijn kracht en al zijn vertrouwen, al zijn hoop en al wat vleselijk is. Hij verliest het doordat het hem ontnomen en weggestript wordt door de hand van God.
Vermoeid, gescheurd en half stervend
Het arme schaap is dwaalgegaan en moet, nu het de schaapskooi eenmaal heeft verlaten, wel op een of andere vreemde plek terecht zijn gekomen. Het is van een rots gevallen — of in een sloot gerold — of het ligt verborgen onder een struik — of het is in een grot gekropen — of het ligt in een diepe, verre kloof waar niemand dan een ervaren oog en een ervaren hand het kan vinden.
Zo is het met de verloren schapen van de Heere. Zij raken op vreemde plaatsen. Zij … vallen van rotsen, glijden in gaten, verbergen zich tussen de struiken en kruipen soms weg om in grotten te sterven.
Wanneer het schaap is dwaalgegaan, gaat de herder het zoeken om het te vinden. Hier ziet hij een voetafdruk, daar een plukje wol dat door de doornen is afgescheurd. Hij doorzoekt elke hoek — hij kijkt in elke uithoek — totdat hij eindelijk het arme schaap vindt, vermoeid, gescheurd en half stervend, met nauwelijks kracht genoeg om zijn ellende te kreunen. De herder slaat het niet naar huis en steekt de prikstok niet in zijn rug — maar hij tilt het zachtjes op, legt het op zijn schouder en brengt het juichend naar huis.
Ik ben zwak en onwetend, vol zonde
Ik ben zwak en onwetend, vol zonde en omringd met zwakheid. Maar ik dank God dat Hij mij in zekere mate de kracht van de eeuwige dingen heeft getoond en mij door vrije en soevereine genade heeft aangehouden in die loopbaan van ijdelheid en zonde waarin ik, naar alle uiterlijke schijn, snel afstevende op de binnenkamers van de dood.
Door de genade van God
Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben (1 Korinthe 15:10)
Wat anders dan soevereine genade — rijke, vrije en overvloedig toenemende genade — heeft het verschil gemaakt tussen u en de wereld die Hem niet kan ontvangen?
Zonder Zijn goddelijke werking aan uw ziel zou u nog van de wereld zijn, uw hart verhardend tegen alles wat goed en Godgelijk is. U zou voortgaan in de hoogmoed en onwetendheid van ongeloof en eigengerechtigheid, totdat u wegzonk in de binnenkamers van de dood!
De uitstorting van de eeuwige toorn van God
de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen (Jesaja 53:6)
Welk hart kan zich voorstellen en welke tong kan uitdrukken wat de heilige ziel van Christus verduurde toen dit gebeurde: de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen?
In de hof van Gethsemane … welk een last van schuld, welk een gewicht van zonde, welk een ondraaglijke last van de toorn van God verduurde die heilige menselijkheid, totdat de druk van smart en wee de bloeddruppels als zweet van Zijn voorhoofd deed vallen!
Toen de gezegende Heere zonde (of een zondoffer) voor ons werd gemaakt, verduurde Hij in Zijn heilige ziel alle benauwdheid van … nood, schrik, ontzetting, ellende en schuld. Die zouden alle uitverkorenen voor eeuwig in de hel hebben gevoeld, onder de uitstorting van de eeuwige toorn van God. Het was … de angst en de nood, de duisternis en de veroordeling, de schaamte en de schuld, de onuitsprekelijke ontzetting.
Welk hart kan zich voorstellen — welke tong kan uitspreken — de bittere angst die de ziel van onze lijdende Plaatsvervanger moet hebben doorboord onder deze benauwende ondervinding?
Strijdend tegen de macht van de zonde?
Hoeveel arme zielen worstelen tegen de macht van de zonde en behalen er toch nooit de overwinning op!
Hoevelen worden dagelijks gevangen weggevoerd door … de lusten van het vlees, de liefde voor de wereld en de hoogmoed van het leven en behalen nooit de overwinning daarop!
Hoevelen vechten en worstelen met tranen, geloften en sterke voornemens tegen hun aanklevende zonden en worden er toch telkens opnieuw door verstrikt en overwonnen! Waarom is dat?
Omdat zij het geheim van geestelijke kracht tegen de zonde en van geestelijke overwinning erop niet kennen.
Alleen krachtens een levende vereniging met de Heere Jezus Christus — door in Zijn lijden en dood in te drinken en uit Zijn volheid te ontvangen — kunnen wij enige overwinning behalen op … de wereld, de zonde, de dood of de hel.
De zonde wordt op geen andere wijze ooit werkelijk of krachtig bedwongen.
De zonde kan niet worden overwonnen door wettische inspanningen en ernstige voornemens, geloften en tranen — de vergeefse strijd van ‘religieus vlees’ om ‘zondig vlees’ te bedwingen.
Maar het is door een gelovige kennismaking met en een geestelijk binnentreden in het lijden en de smarten van de Zoon van God — door een levend geloof in Hem en door uit Zijn volheid voorraden van genade en kracht te ontvangen.
De zalving
En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u (1 Johannes 2:27)
Alle machten van aarde en hel zijn verenigd tegen deze heilige zalving waarmee de kinderen van God zo hoog begunstigd zijn. Maar als God in de boezem van een heilige ook maar één druppel van deze goddelijke zalving heeft opgesloten, is die ene druppel een wapenrusting tegen … alle aanvallen van de zonde, alle aanslagen van Satan, alle vijandschap van het ZELF en alle bekoringen, genoegens en vermaken van de wereld.
Golven en baren van verdrukking mogen over de ziel rollen — maar zij kunnen deze heilige druppel zalfolie niet wegspoelen.
Satan mag duizend vurige pijlen afschieten om al het brandbare materiaal van onze vleselijke gezindheid te ontsteken — maar al zijn vurige pijlen kunnen die ene druppel olie niet verbranden die God in de diepten van een gebroken geest heeft weggelegd.
De wereld met al haar bekoringen en genoegens en haar dodelijke tegenstand tegen de waarheid van God mag golven van goddeloosheid opjagen tegen deze heilige zalving — maar alle machten van de aarde samen kunnen die ene druppel nooit doven die God Zelf in de diepten van het hart van een gelovige heeft gelegd.
En zo is het gegaan met alle dierbare heiligen van God. Al hun … smarten en afvallen, uitglijders en vallen, ellende en armzaligheid hebben tezamen nooit de zalving opgedronken die God hun heeft geschonken. Als de zonde dat had gekund, zouden wij onszelf allang de hel in gezondigd hebben. En als de wereld of Satan haar of ons hadden kunnen vernietigen, zouden zij allang beide vernietigd hebben. Als onze vleselijke gezindheid het had gekund, zou zij ons weggevaagd hebben in vloeden van verderf.
Maar de zalving blijft zeker en kan niet worden vernietigd. Waar zij eenmaal in de ziel is neergelegd, is zij veilig tegen alle aanvallen van aarde, zonde en hel.
En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u (1 Johannes 2:27)
Kan ik een kind van God zijn en toch zo zijn?
Misschien bent u een arm, verzocht schepsel. Uw dagelijkse smart en uw voortdurende zorg is dat u zo snel wordt overwonnen — dat … uw humeur en uw lusten, uw hoogmoed en uw wereldsgezindheid en uw vleselijke, verdorven hart voortdurend de overhand krijgen.
En hieruit trekt u soms bittere conclusies. U zegt in de diepte van uw hart: “Kan ik een kind van God zijn en toch zo zijn? Welk kenmerk heb ik van Gods gunst te genieten, terwijl ik zo gemakkelijk — zo voortdurend — word overwonnen?”
To bathe in the ocean of endless bliss!
“Blessed are those whose strength is in You, who have set their hearts on pilgrimage. As they pass through the Valley of Baca, (“weeping”) they make it a place of springs;
the autumn rains also cover it with pools. They go from strength to strength,
until each appears before God in Zion.”
Psalm 84:5-7
Every living soul that has been experimentally taught his lost condition—that has known something of a resting place in Christ—that has turned his back upon both the world and the professing church—and gone weeping Zionward, that he may . . .
live in Jesus
feel His power,
taste His love,
know His blood,
rejoice in His grace;
every such soul shall, like Israel of old, be borne safely through this waste howling wilderness—shall be carried through this valley of tears—and taken to enjoy eternal bliss and glory in the presence of Jesus—to bathe in the ocean of endless bliss!
Your eyes will see the King in His beauty!
“Your eyes will see the King in His beauty!” Isaiah 33:17
Where in heaven or on earth can there be found such a lovely Object as the Son of God? If you have never seen any beauty in Jesus . . .
you have never seen Jesus,
He has never revealed Himself to you,
you never had a glimpse of His lovely face, nor a sense of His presence,
nor a word from His lips,
nor a touch from His hand.
But if you have seen Him by the eye of faith—and He has revealed Himself to you even in a small measure—you have seen a beauty in Him beyond all other beauties, for it is . . .
a holy beauty,
a divine beauty,
the beauty of His heavenly grace,
the beauty of His uncreated and eternal glory. How beautiful and glorious does He show Himself to be in His atoning blood and dying love. Even as sweating great drops of blood in Gethsemane’s gloomy garden, and as hanging in torture and agony upon Calvary’s cross—faith can see a beauty in the glorious Redeemer, even in the lowest depths of ignominy and shame! “How is your Beloved better than others?” “My Beloved is dark and dazzling, better than ten thousand others!” Song 5:9-10
Can the Ethiopian change his skin?
“Can the Ethiopian change his skin or the leopard its spots? Neither can you do good who are accustomed to doing evil.”
Jeremiah 13:23
Before the soul can know anything about salvation, it must learn deeply and experimentally the nature of sin—and of itself, as stained and polluted by sin. The soul is proud—and needs to be humbled. The soul is careless—and needs to be awakened. The soul is alive—and needs to be killed. The soul is full—and requires to be emptied. The soul is whole—and needs to be wounded. The soul is clothed—and requires to be stripped. The soul is, by nature . . .
self-righteous,
self-seeking,
buried deep in worldliness and carnality, utterly blind and ignorant,
filled with . . .
presumption,
arrogance,
conceit,
and enmity.
It hates all that is heavenly and spiritual. Sin, in all its various forms, is its natural element. To make man the direct opposite of what he originally is . . . to make him love God—instead of hating Him; to make him fear God—instead of mocking Him; to make him obey God—instead of rebelling against Him; to make him to tremble at His dreadful majesty— instead of defiantly charging against Him; to do this mighty work, and to effect this wonderful change—requires the implantation of a new nature by the immediate hand of God Himself!
“Can the Ethiopian change his skin or the leopard its spots? Neither can you do good who are accustomed to doing evil.”
Jeremiah 13:23
That Heavenly Teacher
We do not learn that we are sinners merely by reading it in the Bible. It must be wrought— I might say, burnt into us.
Nor will anyone sincerely and spiritually cry for mercy—until sin is spiritually felt and known . . . in its misery,
in its dominion,
in its guilt,
in its entanglements,
in its wiles and allurements,
in its filth and pollution, and in its condemnation.
Where the Holy Spirit works, He kindles . . . sighs,
groans,
supplications,
wrestlings, and pleadings to know Christ, feel His love, taste the efficacy of His atoning blood, and embrace Him as all our salvation and all our desire.
And though there may, and doubtless will be, much barrenness, hardness, deadness, and apparent carelessness often felt—still that heavenly Teacher will revive His work—though often by painful methods—nor will He let the quickened soul rest short of a personal and experimental enjoyment of Christ and His glorious salvation.
Preserving grace before regeneration
“To those who have been called,
who are loved by God the Father and preserved in Jesus Christ.”
Jude 1
What a mercy it is for God’s people that before
they have a ‘vital union’ with Christ—before they are grafted into Him experimentally—they have an ‘eternal, immanent union’ with Him before all worlds. It is by virtue of this eternal union that they come into the world . . .
at such a time,
at such a place,
from such parents,
under such circumstances,
as God has appointed.
It is by virtue of this eternal union that the circumstances of their lives are ordained. By virtue of this eternal union they are preserved in Christ before they are effectually called.
They cannot die until God has brought about a vital union with Christ!
Whatever sickness they may pass through—whatever injuries they may be exposed to—whatever perils assault them on sea or land—die they will not, die they cannot; until God’s purposes are executed in bringing them into a vital union with the Son of His love.
Thus, this eternal union watched over every circumstance of their birth, watched over their childhood, watched over their manhood, watched over them until the appointed time and spot, when “the God of all grace,” according to His eternal purpose, was pleased to quicken their souls, and thus bring about an experimental union with the Lord of life and glory.
Free!
“If the Son sets you free, you will be free indeed.” John 8:36
To be made free implies a liberty from the WORLD and the spirit of covetousness in the heart. If we were to follow into their shops some who talk much of ‘gospel liberty’, we might find that the world’s fetter had not been struck off their heart—that they had a ‘golden’ chain, though invisible to their own eyes, very closely wrapped round their heart. And there is a being made free from the power of SIN. I greatly fear, if we could follow into their holes and corners, and secret chambers, many who prattle about gospel liberty, we would find that sin had not yet lost its hold upon them, that there was some secret or open sin that entangled them, that there was . . . some lust,
some passion,
some evil temper,
some wretched pride or other,
that wound its fetters very close round their heart. And also there is a being made free from SELF . . . proud self,
presumptuous self,
self-exalting self, flesh-pleasing self, hypocritical self,
self in all its various shapes and turns, self in all its crooked hypocrisy and windings. “If the Son sets you free, you will be free indeed.”
These fugitive, transitory things
“The world and its desires pass away, but the man who does the will of God lives forever.” 1 John 2:17 There is a reality in true religion, and indeed, rightly viewed, a reality in nothing else. For every other thing passes away like a dream of the night, and comes to an end like a tale that is told. Now you cannot say of a thing that passes away and comes to an end—that it is real. It may have the appearance of reality—when in fact it is but a shadow. Money, jewels, pictures, books, furniture, securities, are transitory. Money may be spent, jewels be lost, books be burnt, furniture decay, pictures vanish by time and age, securities be stolen.
Nothing is real but that which has an abiding substance. Health decays,
strength diminishes,
beauty flees the cheek,
sight and hearing grow dim,
the mind itself gets feeble,
riches make to themselves wings and flee away, children die,
friends depart,
old age creeps on,
and life itself comes to a close.
These fugitive, transitory things are then mere shadows. There is no substance, no enduring substance in them. They are for time, and are useful for a time. Like our daily food and clothing, house and home—they support and solace us in our journey through life. But there they stop—when life ends they end with it.
But real religion—and by this I understand the work of God upon the soul—abides in death and after death, goes with us through the dark valley, and lands us safe in a blessed eternity. It is, therefore, the only thing in this world of which we can say that it is real.
“The world and its desires pass away, but the man who does the will of God lives forever.” 1 John 2:17
A sad motley mixture
(The following is an excerpt from Philpot’s letter to
a church which desired him to come as their pastor) “I am less than the least of all God’s people.” Ephesians 3:8
“Christ Jesus came into the world to save sinners; of whom I am the worst.” 1 Timothy 1:15
Many are foolishly apt to think that a minister is more
spiritual than anyone else. But I am daily more and more sensible of the desperate wickedness of my deceitful heart, and my miserable ruined state as a sinner by nature and by practice. I feel utterly unworthy of the name of a Christian, and to be ranked among the followers of the Lamb. I have no desire to palm myself off on any church, as though I were anything. I am willing to take a low place. The more you see of me, you will be sure to find out more of my infirmities, failings, waywardness, selfishness, obstinacy, and evil temper. I am carnal, very proud, very foolish in imagination, very slothful, very worldly, dark, stupid, blind, unbelieving and ignorant.
I cannot but confess that I am a strange compound—a sad motley mixture of all the most hateful and abominable vices that rise up within me, and face me at every turn.
When You shall enlarge my heart.
“I will run the way of Your commandments, when You shall enlarge my heart.” Psalm 119:32 The Word of God is full of precepts—but we are totally unable to perform them in our own strength. We cannot, without divine assistance, perform the precept . . . with a single eye to the glory of God,
from heavenly motives, and in a way acceptable to the Lord,
without special power from on high.
We need an extraordinary power to be put forth in our hearts—a special work of the Spirit upon the conscience, in order to spiritually fulfill in the slightest degree, the least of God’s commandments.
None but the Lord Himself can enlarge the heart of His people. None but the Lord can expand their hearts Godwards, and remove that narrowedness and contractedness in divine things—which is the plague and burden of a God-fearing soul. When the Lord is absent,
when He hides His lovely face,
when He does not draw near to visit and bless, the heart contracts in its own narrow compass. But when the Lord is pleased to favor the soul with His own gracious presence, and bring Himself near to the heart, His felt presence opens, enlarges, and expands the soul—so as to receive Him in all His love and grace.
Our refuge!
“The Lord is my rock, my fortress and my deliverer; my God is my rock, in whom I take refuge. He is my shield and the horn of my salvation—my stronghold.” Psalm 18:2
On every side are hosts of enemies ever invading our souls—trampling down every good thing in our hearts—accompanied by a flying troop of temptations, doubts, fears, guilt and bondage sweeping over our soul. And we, as regards our own strength,
are helpless against them.
But there is a refuge set before us in the gospel of the grace of God. The Lord Jesus Christ, as King in Zion, is there held up before our eyes as . . .
the Rock of our refuge,
our strong Tower,
our impregnable Fortress;
and we are encouraged by every precious promise and every gospel invitation when we are overrun and distressed by these wandering, ravaging, plundering tribes—to flee unto and find a safe refuge in Him.
“Keep me safe, O God, for in You I take refuge.” Psalm 16:1
“O Lord my God, I take refuge in You; save and deliver me from all who pursue me.”
Psalm 7:1
Supernatural light
“For God, who commanded the light to shine out of darkness, has shined in our hearts, to give the light of the knowledge of the glory of God in the face of Jesus Christ.” 2 Cor. 4:6
Until, then, this supernatural light of God enters into the soul, a man has no saving knowledge of Jehovah. He may . . .
say his prayers,
read his Bible, attend preaching,
observe ordinances,
bestow all his goods to feed the poor,
or give his body to be burned;
but he is as ignorant of God as the cattle that graze in the fields!
He may—call himself a Christian, and be thought such by others—talk much about
Jesus Christ, hold a sound creed—maintain a consistent profession—pray at a prayer meeting with fluency and apparent feeling, stand up in a pulpit and contend earnestly for the doctrines of grace—excel hundreds of God’s children in zeal, knowledge and conversation.
And yet, if this ray of supernatural light has never shone into his soul—he is only twofold more the child of hell than those who make no profession!
Little heathen?
(from Philpot’s biography, written by his son) There was nothing my father mistrusted more than ‘childhood piety.’ He insisted that children should never be taught or allowed to use the language of ‘personal possession’ in reference to God. To sing, for instance, “Rock of Ages, cleft for ME” or, “MY Jesus”.
Herein he was most logical. For by early influence and example you can train up a child to be . . . a little patriot,
a little Catholic,
a little Calvinist, or
a little Bolshevist.
But no power on earth can make him a child of God.
He took great care that we, his children, attended
the means of grace, and never missed chapel or family prayers. But he never expected us to be anything but little heathen. We had, it is true, to be well behaved little heathen. If not, we got “the stick”, or its equivalent.
“Who were born, not of blood, nor of the will of the flesh, nor of the will of man—but of God.” John 1:13
My desire is . . .
to exalt the grace of God;
to proclaim salvation through Jesus Christ alone; to declare the sinfulness, helplessness and hopelessness of man in a state of nature; to describe the living experience of the children of God in their . . .
trials,
temptations,
sorrows,
consolations
and blessings.
And how is he lost?
“O visit me with Your salvation.” Psalm 106:4
Salvation only suits the condemned—the lost. A man must be lost—utterly lost—before he can prize God’s salvation.
And how is he lost? By . . .
losing all his religion,
losing all his righteousness,
losing all his strength,
losing all his confidence,
losing all his hopes,
losing all that is of the flesh;
losing it by its being taken from him,
and stripped away by the hand of God.
Wearied, torn, and half expiring
The poor sheep has gone astray; and having once left the fold, it is pretty sure to have gotten
into some strange place or other. It has fallen
down a rock—or has rolled into a ditch—or is hidden beneath a bush—or has crept into a cave—or is lying in some deep, distant ravine, where none but an experienced eye and hand can find it out.
Just so with the Lord’s lost sheep. They get into strange places. They . . .
fall off rocks,
slip into holes,
hide among the bushes, and sometimes creep off to die in caverns.
When the sheep has gone astray, the shepherd goes after it to find it. Here he sees a footprint; there a little lock of wool torn off by the thorns. Every nook he searches—into every corner he looks— until at last he finds the poor sheep wearied, torn, and half expiring, with scarcely strength enough to groan forth its misery. The shepherd does not beat it home, nor thrust the goad into its back—but he gently takes it up, lays it upon his shoulder, and brings it home rejoicing.
I am weak and ignorant, full of sin
I am weak and ignorant, full of sin and compassed with infirmity. But I bless God that He has in some measure shown me the power of eternal things, and by free and sovereign grace stopped me in that career of vanity and sin in which, to all outward appearance, I was fast hurrying down to the chambers of death.
By the grace of God
“By the grace of God I am what I am.”
1 Cor. 15:10
What but sovereign grace—rich, free and super-abounding grace—has made the difference between you and the world who cannot receive Him?
But for His divine operations upon your soul, you would still be of the world, hardening your heart against everything good and godlike, walking on in the pride and ignorance of unbelief and self-righteousness, until you sank down into the chambers of death!
The outpouring of the everlasting wrath of God
“The Lord has laid on Him the iniquity of us all.” Isaiah 53:6
What heart can conceive, what tongue express what the holy soul of Christ endured when “the Lord laid on Him the iniquity of us all?” In the garden of Gethsemane . . .
what a load of guilt,
what a weight of sin,
what an intolerable burden of the wrath of God, did that sacred humanity endure, until the pressure of sorrow and woe forced the drops of blood to fall as sweat from His brow!
When the blessed Lord was made sin (or a sin offering) for us, He endured in His holy soul all the pangs of . . . distress,
horror,
alarm,
misery, and
guilt that all the elect would have felt in hell forever as they would have experienced under the outpouring of the everlasting wrath of God . . .
the anguish,
the distress,
the darkness,
the condemnation,
the shame,
the guilt,
the unutterable horror.
What heart can conceive—what tongue express—the bitter anguish which must have wrung the soul of our suffering Substitute under this agonizing experience?
Struggling against the power of sin?
How many poor souls are struggling against the power of sin, and yet never get any victory over it! How many are daily led captive by . . .
the lusts of the flesh,
the love of the world,
and the pride of life,
and never get any victory over them!
How many fight and grapple with tears, vows, and strong resolutions against their besetting sins, who are still entangled and overcome by them again and again! Now, why is this? Because they do not know the secret of spiritual strength against, and spiritual victory over them. It is only by virtue of a living union with the Lord Jesus Christ—drinking into His sufferings and death—and receiving out of His fullness, that we can gain any victory over . . .
the world,
sin,
death,
or hell.
Sin is never really or effectually subdued in any other way. It is not by legalistic strivings and earnest resolutions, vows, and tears—the vain struggle of ‘religious flesh’ to subdue ‘sinful flesh’—that can overcome sin. But it is by a believing acquaintance with, and a spiritual entrance into the sufferings and sorrows of the Son of God—having a living faith in Him, and receiving out of His fullness supplies of grace and strength.
The anointing
“But the anointing which you have received from Him abides in you.” 1 John 2:27
All the powers of earth and hell are combined against this holy anointing, with which the children of God are so highly favored. But if God has locked up in the bosom of a saint one drop of this divine unction, that one drop is armor against . . .
all the assaults of sin,
all the attacks of Satan,
all the enmity of self, and all the charms, pleasures, and amusements of the world. Waves and billows of affliction may roll over the soul— but they cannot wash away this holy drop of anointing oil. Satan may shoot a thousand fiery darts to inflame all the combustible material of our carnal mind—but all his fiery darts cannot burn up that one drop of oil which God has laid up in the depths of a broken spirit. The world, with all its charms and pleasures, and its deadly opposition to the truth of God, may stir up waves of ungodliness against this holy anointing—but all the powers of earth combined can never extinguish that one drop which God has Himself lodged in the depths of a believer’s heart.
And so it has been with all the dear saints of God. Not all their . . .
sorrows,
backslidings,
slips,
falls,
miseries, and
wretchedness,
have ever—all combined, drunk up the anointing that God has bestowed upon them. If sin could have done it—we would have sinned ourselves into hell long ago; and if the world or Satan could have destroyed it or us—they would long ago have destroyed both. If our carnal mind could have done it—it would have swept us away into floods of destruction.
But the anointing abides sure, and cannot be destroyed; and where once lodged in the soul, it is secure against all the assaults of earth, sin, and hell. “But the anointing which you have received from Him abides in you.” 1 John 2:27
Can I be a child of God, and be thus?
Perhaps you are a poor, tempted creature—and your daily sorrow, your continual trouble is that you are so soon overcome—that . . .
your temper,
your lusts,
your pride,
your worldliness, and
your carnal, corrupt heart are perpetually getting the mastery.
And from this you sometimes draw bitter conclusions. You say, in the depth of your heart, “Can I be a child of God, and be thus? What mark have I of being in favor with God when I am so easily—so continually overcome?”