Philpot Pearls — Part 4: Trouble, Sorrow, and Affliction (Part 1 of 2)
Juist de tijden waarin Gods volk denkt dat het slecht met hen gaat, kunnen de tijden zijn waarin het in werkelijkheid goed met hen gaat. Wanneer hun ziel bijvoorbeeld gebukt gaat onder moeite, lijkt het hun vaak dat het slecht met hen gaat. De hand van God lijkt tegen hen uitgegaan te zijn. Toch gaat het hun misschien nooit beter dan onder deze omstandigheden van moeite, droefheid en verdrukking. Deze dingen spenen hen van de wereld.
Als hun hart en genegenheden uitgingen naar afgoden, brengen deze dingen hen als middel terug.
Als zij zich gebroken bakken uithieuwen, slaan zij die allemaal aan stukken.
Als zij afgoden opstelden en zich ervoor bogen in de gebeelde binnenkameren, slaan verdrukking en moeite die voor hun ogen stuk. Zij nemen hun goden weg en laten hun geen andere toevlucht dan de Heere, de God van de heirscharen.
Wanneer een kind van God dus denkt dat het heel slecht met hem gaat omdat hij beladen is met smarten, verzoekingen en verdrukkingen, gaat het hem nooit zo goed. De donkerste wolken zullen op hun tijd opbreken. De meest verwarrende raadsels zullen vroeg of laat worden opgelost doordat de gezegende Geest ze uitlegt. De donkerste leidingen van de voorzienigheid zullen worden opgehelderd en wij zullen zien dat God in dit alles is. Hij leidt en voert ons op een rechten weg, om te gaan tot een stad ter woning.
Als u zich thuis voelt in de wereld
Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting. (1 Kronieken 29:15)
Als u het geloof van Abraham, Izak en Jakob bezit, belijdt u net als zij dat u een vreemdeling bent. Uw belijdenis komt voort uit een gelovig hart en een oprechte bevinding.
U voelt u een vreemdeling in deze goddeloze wereld.
Het is uw element niet.
Het is uw thuis niet.
U bent erin gedurende de tijd die God heeft bepaald maar u zwerft door deze wereld … een vreemdeling voor haar gezelschap; een vreemdeling voor haar stelregels; een vreemdeling voor haar mode; een vreemdeling voor haar beginselen; een vreemdeling voor haar beweegredenen; een vreemdeling voor haar lusten; een vreemdeling voor haar neigingen. U bent vreemd aan alles waarin deze wereld zich beweegt als in haar eigen element.
De genade heeft u door Gods soevereine kracht afgescheiden zodat u wel in de wereld bent maar niet van de wereld.
Ik kan u rechtuit zeggen: als u zich thuis voelt in de wereld, als de dingen van tijd en zinnen uw element zijn, als u zich één voelt met … het gezelschap van de wereld, de stelregels van de wereld, de mode van de wereld en de beginselen van de wereld, dan heeft de genade uw hart niet bereikt. Het geloof van Gods uitverkorenen woont niet in uw boezem.
Het eerste gevolg van genade is afscheiding.
Zo was het bij Abraham. Hij werd door genade geroepen om het land van zijn vaderen te verlaten en uit te gaan naar een land dat God hem zou tonen. En zo luidt Gods eigen woord aan Zijn volk nu: Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.
Afscheiding, afscheiding, afscheiding van de wereld is het grote kenmerk van levende godzaligheid.
Er kan inderdaad lichamelijke afscheiding zijn waar geen afscheiding van het hart is. Maar wat ik bedoel is … afscheiding van hart, afscheiding van beginsel, afscheiding van genegenheid en afscheiding van geest. En als de genade uw hart heeft aangeraakt en u deel hebt aan het geloof van Gods uitverkorenen, bent u een vreemdeling in de wereld en zult u dat door uw leven en wandel openbaar maken.
Van een brandende hel — naar een zalige hemel!
Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. (Romeinen 8:18)
Wat valt te vergelijken met de zaligheid van de ziel? Wat zijn rijkdom, eer, gezondheid en een lang leven? Wat zijn alle genoegens die de wereld kan bieden, de zonde kan beloven of het vlees kan genieten? Wat is alles wat mensen goed of groot noemen? Wat is alles wat het oog heeft gezien of het oor gehoord of wat in het vleselijke hart van de mens is opgekomen, naast het zalig gemaakt worden in de Heere Jezus Christus met een eeuwige zaligheid?
Bedenk immers WAARVAN wij behouden worden en ook WAARTOE wij behouden worden.
Van een brandende hel — naar een zalige hemel!
Van eindeloze toorn — naar eeuwige heerlijkheid!
Van het vreselijke gezelschap van duivels en verdoemde geesten die elkaar kwellen en gekweld worden — naar het zalige gezelschap van de verheerlijkte heiligen, allen volmaakt gelijkvormig aan het beeld van Christus naar lichaam en ziel, met duizenden en tienduizenden heilige engelen. En vooral naar het zien van de heerlijke Zoon van God zoals Hij is, in alle volmaaktheid van Zijn schoonheid en met alle verrukkingen van Zijn tegenwoordigheid en liefde.
Voorgoed klaar te zijn met … alle smarten, moeiten en verdrukkingen van dit leven; alle pijnen en kwalen van het tegenwoordige lemen tabernakel; alle duisternis, slavernij en ellende van het lichaam van de zonde en de dood.
Volmaakt heilig te zijn naar lichaam en ziel, in beide zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, en voor eeuwig ononderbroken gemeenschap met God te genieten!
Onze eigen wijsheid, gerechtigheid en kracht
Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden. (1 Korinthe 3:18)
De vrucht en het gevolg van goddelijk onderwijs is dat al onze vleselijke … wijsheid, kracht en gerechtigheid in stukken wordt gesneden en met wortel en tak wordt uitgerukt.
God is nooit van plan een nieuw lapje op een oud kleed te naaien. Al onze wijsheid, onze kracht en onze gerechtigheid moet aan stukken worden gescheurd! Het moet alles met wortel en al worden uitgerukt opdat een nieuwe wijsheid, een nieuwe kracht en een nieuwe gerechtigheid op de puinhopen ervan kunnen verrijzen.
Maar totdat het de Heere behaagt ons te onderwijzen, kunnen wij nooit afstand doen van onze eigen gerechtigheid, nooit onze eigen wijsheid opgeven en nooit onze eigen kracht loslaten. Deze dingen zijn een wezenlijk deel van onszelf. Ze zijn zo diep in ons ingebakken, zo aangeboren en zo met ons meegegroeid dat wij er niet gewillig een atoom van kunnen loslaten totdat de Heere Zelf ze stukbreekt en wegrukt.
Wanneer Hij dan in onze ziel enige geestelijke kennis brengt van onze eigen vreselijke verdorvenheden en gruwelijke boosheid, brokkelt onze gerechtigheid af bij de goddelijke aanraking.
Wanneer Hij ons onze onwetendheid en dwaasheid in duizend gevallen laat zien en voelen, en hoe onbekwaam wij zijn om iets goed te begrijpen zonder goddelijk onderwijs, dan vervaagt onze wijsheid.
Wanneer Hij ons laat zien dat wij door geen enkele eigen inspanning de verzoeking kunnen weerstaan en de zonde kunnen overwinnen, dan verdwijnt onze kracht langzaam en worden wij als Simson toen zijn lokken waren afgesneden.
Op de puinhopen van onze eigen wijsheid, gerechtigheid en kracht bouwt God dan Christus’ wijsheid, Christus’ gerechtigheid en Christus’ kracht op.
Maar alleen voor zover wij met dit bijzondere onderwijs worden begunstigd, komen wij ertoe een plechtig veroordelend vonnis te vellen over onze eigen wijsheid, kracht en gerechtigheid en oprecht naar die van de Heere te zoeken.
O, zoete genade, gezegende genade!
Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof (Efeze 2:8)
Wij worden zalig uit genade … vrije genade, rijke genade, soevereine genade, onderscheidende genade, zonder één atoom van werken, zonder één greintje verdienste van het schepsel en zonder iets van het vlees.
O, zoete genade, gezegende genade!
O, wat een hulp, wat een kracht, wat een rust voor een arme, zwoegende, strijdende, arbeidende ziel om te ontdekken dat de genade al het werk heeft gedaan! Om te voelen dat de genade heeft getriomfeerd in het kruis van Christus! Om te ontdekken dat … niets wordt gevraagd, niets nodig is en niets gedaan hoeft te worden!
Sterven?
als stervenden, en ziet, wij leven (2 Korinthe 6:9)
Hoewel wij sterven en dagelijks sterven, zie, wij leven toch. En in zekere zin leven wij meer naarmate wij meer sterven.
Hoe meer wij aan onszelf sterven, hoe meer wij aan de zonde sterven.
Hoe meer wij aan hoogmoed en zelfgerechtigheid sterven, hoe meer wij aan de kracht van het schepsel sterven.
Hoe meer wij aan onze zondige natuur sterven, hoe meer wij aan de genade leven.
Dit loopt door het hele leven en de hele bevinding van een christen.
De natuur moet sterven opdat de genade leeft.
Het onkruid moet worden uitgetrokken opdat het gewas kan groeien.
Het vlees moet uitgehongerd worden opdat de geest gevoed wordt.
De oude mens moet worden afgelegd opdat de nieuwe mens kan worden aangedaan.
De werken van het lichaam moeten worden gedood opdat de ziel voor God kan leven.
Zo leven wij terwijl wij sterven.
Hoe meer wij aan onze eigen kracht sterven, hoe meer wij leven in Christus’ kracht.
Hoe meer wij aan hoop op het schepsel sterven, hoe meer wij leven in een goede hoop door genade.
Hoe meer wij aan onze eigen gerechtigheid sterven, hoe meer wij leven in Christus’ gerechtigheid.
Hoe meer wij aan de wereld sterven, hoe meer wij voor de hemel en naar de hemel leven.
Dit is het grote geheim: dat de christen altijd sterft en toch altijd leeft, en dat hij meer leeft naarmate hij meer sterft.
De dood van het vlees is het leven van de geest.
De dood van de zonde is het leven van de gerechtigheid.
De dood van het schepsel is het eigenlijke leven van God in de ziel.
als stervenden, en ziet, wij leven (2 Korinthe 6:9)
U bent duur gekocht!
Want gij zijt duur gekocht (1 Korinthe 6:20)
Hoe diep, hoe vreselijk, van welke beangstigende omvang, van hoe zwarte kleur en van hoe diep ingeprent karakter moet de zonde zijn om zo’n verzoening nodig te hebben, niets minder dan het bloed van de Zoon van God, om haar weg te doen!
Wat een slaaf van zonde en satan, wat een gevangene van de macht van de lust, hoe diep gezonken, hoe vreselijk vernederd, hoe volkomen verloren en ten onder gebracht moet de schuldige mens zijn om een offer als dit nodig te hebben!
Hebt u ooit uw slavernij aan zonde, satan en wereld gevoeld? Hebt u ooit gezucht, geroepen, getreurd, verdriet gehad en geklaagd onder uw ellendige gevangenschap aan de macht van de zonde?
Is het ijzer u ooit in de ziel gedrongen? Hebt u ooit met uw boeien gerammeld en geprobeerd ze te breken, terwijl zij zich met een nauwelijks te dragen gewicht om u heen leken te sluiten?
U was slaaf van zonde en satan. U was opgesloten in de donkere cel waar alles somberheid en moedeloosheid was. Er was weinig hoop in uw ziel dat u ooit behouden zou worden.
Maar er drong evangelielicht door in uw kerker. Er kwam een uitgang uit het diensthuis! Want gij zijt duur gekocht!
Wat is beter?
dat gij uws zelfs niet zijt (1 Korinthe 6:19)
Bedenk dat u aan iemand moet toebehoren.
Als God niet uw meester is, zal de duivel het zijn.
Als de genade niet regeert, zal de zonde heersen.
Als Christus niet uw alles in allen is, zal de wereld het zijn.
Wij moeten een meester van de een of andere soort hebben.
Wat is beter … een milde en welwillende Weldoener; een barmhartige, liefdevolle en tedere Ouder; een goede, vergevende Vader en Vriend; een teerhartige, medelijdende Verlosser? Of een wrede duivel, een ellendige wereld en een slecht, snood, afschuwelijk hart?
Wat is beter … te leven onder de zoete dwang van de stervende liefde van een dierbare Verlosser, onder … invloeden van het evangelie, beginselen van het evangelie, beloften van het evangelie en bemoedigingen van het evangelie? Of te leven met zonde in ons hart die ons met ijzeren ketenen bindt tot het oordeel van de grote dag?
Zelfs als wij alleen het „tegenwoordige leven” nemen, is er meer echt genoegen, voldoening en vast geluk … in een half uur met God, in het lezen van Zijn Woord met een gelovig hart, in toegang vinden tot Zijn heilige tegenwoordigheid en in iets weten van Zijn gunst en barmhartigheid dan in … alle genoegens van de zonde, alle lusten van het vlees en alle hovaardigheid van het leven. Dat geldt ook voor alle vermaak dat de wereld ooit heeft bedacht om de tijd te doden en zichzelf te bedriegen, in de gedachte door berouw op het sterfbed uiteindelijk de duivel te bedriegen.
Strijd, beproevingen, pijnlijke oefeningen, scherpe smarten en diepe verzoekingen
De HEERE proeft den rechtvaardige (Psalm 11:5)
Om water fris te houden moet het voortdurend stromen. En om het leven van God in de ziel levend te houden moeten er voortdurend beproevingen zijn.
Dit is de reden waarom het volk van de Heere zoveel … strijd, beproevingen, pijnlijke oefeningen, scherpe smarten en diepe verzoekingen heeft. Zij houden hen levend voor God en brengen hen uit die luie, trage en ellendige staat van vleselijke zekerheid en houden hen daar ook uit.
De Heere proeft den rechtvaardige. Hij laat Zijn volk niet toe … gerust te zijn in Sion; op hun droesem te blijven zitten en in een ellendige Moabitische toestand te geraken.
Daarom zendt Hij hun verdrukkingen, benauwdheden en beproevingen en staat Hij toe dat de satan hen verzoekt en kwelt.
Persoonlijke, geestelijke, bevindelijke kennis van Jezus
Het is onze vage, schaarse en onvolmaakte kennis van de Heere Jezus Christus in Zijn eeuwige liefde, en in Zijn genade en heerlijkheid, die ons zo vaak koud, levenloos en dood laat in onze genegenheden tot Hem.
Als er meer gezegende openbaringen aan onze ziel waren van de Persoon en het werk, de genade en heerlijkheid, de schoonheid en gezegendheid van de Heere Jezus Christus, zouden wij onmogelijk anders kunnen dan steeds warmer en tederder van Hem gaan houden. Want Hij is het heerlijkste voorwerp dat de ogen van het geloof kunnen zien!
Hij vervult de hemel met de stralende bundels van Zijn glorierijke majesteit en heeft de harten van duizenden van Zijn dierbare huisgezin op aarde verrukt door de openbaringen van Zijn bloedende, stervende liefde. Precies naar de mate van onze persoonlijke, geestelijke, bevindelijke kennis van Hem zal onze liefde tot Hem zijn.
Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde
De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. (Jeremia 31:3)
Er kan geen nieuwe gedachte zijn in de gedachten van GOD.
Nieuwe gedachten, nieuwe gevoelens, nieuwe plannen en nieuwe besluiten komen voortdurend op in ONS verstand. Want de onze is slechts een … arme, gevallen, wisselvallige, veranderlijke natuur.
Maar God heeft geen nieuwe gedachten, gevoelens, plannen of besluiten. Want als Hij die had, zou Hij een „veranderlijk” Wezen zijn en niet de ene grote, eeuwige, onveranderlijke „Ik ben”. Al Zijn gedachten, al Zijn plannen en al Zijn wegen zijn daarom zoals Hij Zelf … eeuwig, oneindig, onveranderd en onveranderlijk.
De liefde van Christus tot Zijn gemeente is ook eeuwig, onveranderd en onveranderlijk. En waarom? Omdat Hij liefheeft als de Godheid.
O, wat een barmhartigheid is het voor wie enige genadige, bevindelijke kennis hebben van de liefde van Christus om te geloven dat zij van eeuwigheid tot eeuwigheid is! Geen gebeurtenissen van de tijd en geen stormen van zonde of satan kunnen die eeuwige liefde ooit veranderen of wijzigen. Zij blijft nu dezelfde en zal tot in alle eeuwigheid dezelfde blijven!
Hulp uit het heiligdom
De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek. Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion. (Psalm 20:2-3)
Wanneer de ziel door het zware uur van de verzoeking moet gaan, heeft zij hulp uit het heiligdom nodig. Alle andere hulp laat de ziel precies waar zij haar vond.
Er wordt hulp uit het heiligdom gezonden omdat zijn naam van alle eeuwigheid … is opgeschreven in het boek van het leven van het Lam, gegraveerd in de palmen van Zijn handen, gedragen op Zijn schouder en op Zijn hart.
Mededelingen van leven en genade uit het heiligdom brengen geestelijkheid en hemelsgezindheid voort. De adem van de hemel in zijn ziel … trekt zijn genegenheden omhoog, speent hem van de aarde en maakt hem tot een pelgrim en bijwoner hier beneden die uitziet naar de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.
Heilig worstelen
Waar de Heere beproevingen over de ziel brengt, stort Hij over haar de Geest van genade en gebeden uit.
Als het kind van God een last draagt, als hij gebukt gaat onder een sterke verzoeking, als zijn ziel door een drukkende beproeving gaat, dan is hij er niet mee tevreden slechts een „vorm van gebed” af te werken. Op zulke tijden en momenten is er een heilig worstelen … er zijn vurige verlangens; er zijn onophoudelijke zuchten; er is een arbeiden om in de rust in te gaan; er is een worstelen om verlossing; er is een roepen tot de Heere totdat Hij verschijnt en Zich in de ziel openbaart.
Een discipel van Jezus
Een discipel van Jezus is iemand die door de Heere Jezus in Zijn school is toegelaten, die Hij Zelf Zich verwaardigt persoonlijk te onderwijzen en die daarom van Hem leert zachtmoedig en nederig van hart te zijn.
Een discipel van Jezus is iemand die zachtmoedig aan de voeten van de Verlosser zit en de genadige woorden die van Zijn lippen vallen in zijn hart ontvangt.
Maar een ware en oprechte discipel luistert niet alleen naar de onderwijzingen van zijn Meester maar handelt ook zoals Hij gebiedt. Zo is een discipel van Jezus iemand die het voorbeeld van zijn Meester navolgt en gelijkvormig wordt aan het beeld van zijn Meester.
Een discipel van Jezus wordt ook gekenmerkt door de liefde die hij zijn Meester toedraagt. Hij bewaart de woorden van Christus in zijn hart, overdenkt Zijn kostbare beloften en verlustigt zich in Zijn heerlijke Persoon, liefde en bloed.
Een discipel van Jezus is iemand die enige weerspiegeling draagt van het beeld van zijn hemelse Meester. Hij draagt het met zich mee waar hij ook gaat, zodat mensen van hem kennis nemen dat hij met Jezus is geweest. De ware discipel straalt voor de mensen met enkele sprankels van de heerlijkheid van de Zoon van God.
Enkele van deze goddelijke trekken in hart, mond en leven ingeprent te hebben is een discipel van Jezus zijn.
Veel met Jezus te zijn is aan Jezus gelijk gemaakt te worden. Aan Jezus’ voeten te zitten is Jezus’ woorden in te drinken. Aan Jezus’ borst te leunen is het warme hart van Jezus van liefde te voelen kloppen. En dit kloppen te voelen doet het hart van de discipel in teder en liefdevol gelijkklinken slaan.
Naar Jezus op te zien is een aangezicht te zien dat meer mismaakt was dan dat van de mensenkinderen. Toch is het een aangezicht dat straalt van hemelse schoonheid, waardigheid en heerlijkheid.
Een discipel van Jezus zijn is Zijn voorbeeld navolgen, doen wat in Zijn ogen behaaglijk is en vermijden wat Hij verafschuwt.
Een discipel van Jezus zijn is … zo zachtmoedig zijn als Hij was; zo ootmoedig als Hij was; zo nederig als Hij was; zo zelfverloochenend als Hij was; zo afgescheiden van de wereld als Hij was; een leven van gemeenschap met God leven zoals Hij leefde toen Hij hier beneden wandelde.
Een worm van de aarde te nemen en hem tot discipel van Jezus te maken is het grootste voorrecht dat God aan een mens kan schenken! Een halsstarrige, goddeloze, verdraaide rebel uit te kiezen en hem in de school van Christus en aan de voeten van Jezus te plaatsen is de hoogste gunst die God aan enig kind van het stof kan bewijzen.
Hoe onovertroffen groot moet die goedheid zijn waarmee de Heere Zich verwaardigt Zijn genade te schenken aan een vijand, hem door Zijn Geest zacht en zachtmoedig te maken en hem zo te laten opgroeien tot het beeld en de gelijkenis van Zijn eigen dierbare Zoon. Vergeleken met dit hoge voorrecht zinken alle aardse eerbewijzen, titels en gewaden weg in volslagen onbeduidendheid.
Soevereine, allerhoogste beschikking
En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen (Efeze 1:22)
Hoe uitgestrekt, hoe talrijk en hoe ingewikkeld zijn de velerlei gebeurtenissen en omstandigheden die de christen hier beneden vergezellen terwijl hij voortreist naar zijn hemelse thuis!
Maar als alle dingen onder Jezus’ voeten zijn gesteld, kan er geen enkele omstandigheid zijn waarover Hij geen allerhoogste macht heeft. Alles in de voorzienigheid en alles in de genade staat evenzeer onder Zijn beschikking. Er is geen … beproeving, verzoeking of verdrukking van lichaam of ziel. Er is geen verlies, kruis of pijnlijk gemis, geen ergernis, verdriet of teleurstelling, geen geval, toestand of omstandigheid die niet onder Jezus’ voeten is gesteld.
Hij heeft soevereine, allerhoogste beschikking over alle gebeurtenissen en omstandigheden. Als Bezitter van oneindige kennis ziet Hij ze, als Bezitter van oneindige wijsheid kan Hij ze besturen en als Bezitter van oneindige macht kan Hij ze beschikken en richten tot ons welzijn en Zijn eigen heerlijkheid.
Hoeveel moeite en angst zouden wij onszelf besparen als wij dit vast konden geloven, beseffen en ernaar handelen!
Als wij met het oog van het geloof konden zien dat … elke vijand en elke vrees, elke moeilijkheid en verlegenheid, elke zware of pijnlijke omstandigheid, elke verwachte of onverwachte gebeurtenis en elke bron van zorg, of die er nu is of nog komt, allemaal onder Zijn voeten zijn gesteld en onder Zijn soevereine beschikking staan, wat een last van angst en zorg zou er vaak van onze schouders worden genomen!
U mag niet één van deze schitterende snuisterijen liefhebben
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is (1 Johannes 2:15)
Dit is een zeer ruime zin. Zij strekt een hand uit met een enorm bereik. Zij plaatst ons als het ware op een hoge berg en zegt tot ons: „Kijk om u heen. Er is niet één van deze dingen die u mag liefhebben.”
Dan voert zij ons opnieuw naar de straten van een drukke stad. Zij toont ons etalages vol voorwerpen van schoonheid en sierlijkheid en wijst ons op alle rijkdom en praal van de rijken en edelen en op alles wat het menselijk hart bewondert en liefheeft. Nadat zij ons dit zo heeft voorgehouden, zegt zij: „Niets van dit alles is voor u. U mag niet één van deze schitterende snuisterijen liefhebben. U mag er niet één aanraken en er nauwelijks naar kijken, opdat niet, zoals bij Achan, de goudstaaf en het Babylonische kleed u verleiden om ze te nemen en in uw tent te verbergen.”
Het gebod leidt ons door de wereld zoals een moeder een kind door een bazaar leidt, met speelgoed en sieraden aan alle kanten, en zegt: „U mag niet één van deze dingen aanraken.”
“And He led them forth by the right way, that they might go to a city of habitation.” Psalm 107:7
Those very times when God’s people think they are faring ill, may be the seasons when they are really faring well. For instance, when their souls are bowed down with trouble, it often seems to them that they are faring ill. God’s hand appears to be gone out against them. Yet perhaps they never fare better than when under these circumstances of trouble, sorrow, and affliction. These things wean them from the world.
If their heart and affections were going out after idols—they instrumentally bring them back.
If they were hewing out broken cisterns —they dash them all to pieces.
If they were setting up, and bowing down to idols in the chambers of imagery, affliction and trouble smite them to pieces before their eyes—take away their gods—and leave them no refuge but the Lord God of hosts.
So that when a child of God thinks he is faring very ill, because burdened with sorrows, temptations, and afflictions—he is never faring so well. The darkest clouds in due time will break, the most puzzling enigmas will sooner or later be unriddled by the blessed Spirit interpreting them—and the darkest providences cleared up—and we shall see that God is in them all—leading and guiding us by the right way, that we may go to a city of habitation.
If you are at home in the world
“We are here for only a moment, sojourners and strangers in the land as our ancestors were before us. Our days on earth are like a shadow, gone so soon without a trace.” 1 Chron. 29:15
If you possess the faith of Abraham, Isaac, and Jacob, you, like them, confess that you are a stranger; and your confession springs out of a believing heart and a sincere experience.
You feel yourself a stranger in this ungodly world.
It is not your element.
It is not your home.
You are in it during God’s appointed time, but you wander up and down this world . . . a stranger to its company, a stranger to its maxims, a stranger to its fashions, a stranger to its principles, a stranger to its motives, a stranger to its lusts, a stranger to its inclinations—and all in which this world moves as in its native element.
Grace has separated you by God’s sovereign power, that though you are in the world, you are not of it.
I can tell you plainly if you are at home in the world—if the things of time and sense are your element—if you feel one with . . . the company of the world, the maxims of the world, the fashions of the world, and the principles of the world, grace has not reached your heart—the faith of God’s elect does not dwell in your bosom.
The first effect of grace is to separate.
It was so in the case of Abraham. He was called by grace to leave the land of his fathers, and go out into a land that God would show him. And so God’s own word to His people is now, “Come out from among them, and be separate, says the Lord, and touch not the unclean thing; and I will receive you, and will be a Father unto you, and you shall be My sons and daughters, says the Lord Almighty.”
Separation, separation, separation from the world; is the grand distinguishing mark of vital godliness.
There may be indeed separation of body where there is no separation of heart. But what I mean is . . . separation of heart, separation of principle, separation of affection, separation of spirit. And if grace has touched your heart, and you are a partaker of the faith of God’s elect—you are a stranger in the world—and will make it manifest by your life and conduct that you are such.
From a burning hell—to a blissful heaven!
“I consider that our present sufferings are not worth comparing with the glory that will be revealed in us.” Romans 8:18
What is to be compared with the salvation of the soul? What are—riches, honors, health, long life? What are all the pleasures which the world can offer, sin promise, or the flesh enjoy? What is all that men call good or great? What is everything which the eye has seen, or the ear heard, or has entered into the carnal heart of man—put side by side with being saved in the Lord Jesus Christ with an everlasting salvation?
For consider what we are saved FROM, as well as what we are saved UNTO.
From a burning hell—to a blissful heaven!
From endless wrath—to eternal glory!
From the dreadful company of devils and damned spirits, mutually tormenting and tormented—to
the blessed companionship of the glorified saints, all perfectly conformed in body and soul to the image of Christ, with thousands and tens of thousands of holy angels—and, above all, to seeing the glorious Son of God as he is, in all the perfection of His beauty, and all the ravishments of His presence and love.
To be done forever with . . . all the sorrows, troubles, and afflictions of this life; all the pains and aches of the present clay tabernacle; all the darkness, bondage, and misery of the body of sin and death.
To be perfectly holy in body and soul, being in both without spot, or blemish, or any such thing, and ever to enjoy uninterrupted communion with God!
Our own wisdom, righteousness, and strength
“Do not deceive yourselves. If any one of you thinks he is wise by the standards of this age, he should become a “fool” so that he may become wise.” 1 Cor. 3:18
The fruit and effect of divine teaching is—to cut in pieces, and root up all our fleshly . . . wisdom, strength, and righteousness.
God never means to patch a new piece upon an old garment. All our wisdom, our strength, our righteousness must be torn to pieces! It must all be plucked up by the roots—that a new wisdom, a new strength, and a new righteousness may arise upon its ruins.
But until the Lord is pleased to teach us—we never can part with our own righteousness, never give up our own wisdom, never abandon our own strength. These things are a part and parcel of ourselves—so ingrained within us—so innate in us—so growing with our growth—that we cannot willingly part with an atom of them until the Lord Himself breaks them up, and plucks them away.
Then, as He brings into our souls some spiritual knowledge of our own dreadful corruptions and horrible wickedness—our righteousness crumbles away at the divine touch.
As He leads us to see and feel our ignorance and folly in a thousand instances—and how unable we are to understand anything aright but by divine teaching—our wisdom fades away.
As He shows us our inability to resist temptation and overcome sin, by any exertion of our own— our strength gradually departs—and we become like Samson, when his locks were cut off.
Upon the ruins, then, of our own wisdom, righteousness, and strength, does God build up Christ’s wisdom, Christ’s righteousness, and Christ’s strength.
But only so far as we are favored with this special teaching are we brought to pass a solemn sentence of condemnation upon our own wisdom, strength, and righteousness—and sincerely seek after the Lord’s.
Oh! sweet grace, blessed grace!
“For it is by grace you have been saved.” Ephesians 2:8
We are saved by grace . . . free grace, rich grace, sovereign grace, distinguishing grace—without one atom of works, without one grain of creature merit, without anything of the flesh.
Oh! sweet grace, blessed grace!
Oh! what a help—what a strength—what a rest for a poor toiling, striving, laboring soul—to find that grace has done all the work—to feel that grace has triumphed in the cross of Christ—to find that . . . nothing is required, nothing is needed, nothing is to be done!
Dying?
“As dying, and, behold, we live.” 2 Corinthians 6:9
Though we die, and die daily—yet, behold, we live. And in a sense, the more we die, the more we live.
The more we die to self, the more we die to sin.
The more we die to pride and self-righteousness, the more we die to creature strength.
The more we die to sinful nature, the more we live to grace.
This runs all the way through the life and experience of a Christian.
Nature must die, that grace may live.
The weeds must be plucked up, that the crop may grow.
The flesh must be starved, that the spirit may be fed.
The old man must be put off, that the new man may be put on.
The deeds of the body must be mortified, that the soul may live unto God.
As then we die—we live.
The more we die to our own strength, the more we live to Christ’s strength.
The more we die to creature hope, the more we live to a good hope through grace.
The more we die to our own righteousness, the more we live to Christ’s righteousness.
The more we die to the world, the more we live to and for heaven.
This is the grand mystery—that the Christian is always dying, yet always living—and the more he dies, the more he lives.
The death of the flesh, is the life of the spirit.
The death of sin, is the life of righteousness.
The death of the creature, is the very life of God in the soul.
“As dying, and, behold, we live.” 2 Corinthians 6:9
You were bought with a price!
“You were bought with a price!” 1 Cor. 6:20
How deep, how dreadful, of what alarming magnitude, of how black a dye, of how ingrained a stamp— must sin be, to need such an atonement, no less than the blood of the Son of God, to put it away!
What a slave to sin and Satan, what a captive to the power of lust, how deeply sunk, how awfully degraded, how utterly lost and undone, must guilty man be—to need a sacrifice like this!
Have you ever felt your bondage to sin, Satan, and the world? Have you ever—groaned, cried, grieved, sorrowed, and lamented under your miserable captivity to the power of sin?
Has the iron ever entered into your soul? Have you ever clanked your fetters, and as you did so, and tried to burst them—they seemed to bind round about you with a weight scarcely endurable?
You were slaves of sin and Satan. You were shut up in the dark cell, where all was gloom and despondency. There was little hope in your soul of ever being saved.
But there was an entrance of gospel light into your dungeon—there was a coming out of the house of bondage! “You were bought with a price!”
Which is better?
“You are not your own.” 1 Corinthians 6:19
Remember that you must belong to someone.
If God is not your master—the devil will be.
If grace does not rule—sin will reign.
If Christ is not your all in all—the world will be.
We must have a master of one kind or another.
Which is better . . . a bounteous benevolent Benefactor; a merciful, loving, and tender Parent; a kind, forgiving Father and Friend; a tender-hearted, compassionate Redeemer? or a cruel devil, a miserable world, and a wicked, vile, abominable heart?
Which is better . . . to live under the sweet constraints of the dying love of a dear Redeemer—under . . . gospel influences, gospel principles, gospel promises, and gospel encouragements? or to live with sin in our heart, binding us in iron chains to the judgment of the great day?
Even taking the ‘present life’—there is more real pleasure, satisfaction, and solid happiness . . . in half an hour with God, in reading his Word with a believing heart, in finding access to His sacred presence, in knowing something of His favor and mercy—than in . . . all the delights of sin, all the lusts of the flesh, all the pride of life, and all the amusements that the world has ever devised to kill time and cheat self—thinking, by a deathbed repentance, at last to cheat the devil.
Conflicts, trials, painful exercises, sharp sorrows, and deep temptations
“The Lord tries the righteous.” Psalm 11:5
To keep water fresh, it must be perpetually running. And to keep the life of God up in the soul, there must be continual trials.
This is the reason why the Lord’s people have so many . . . conflicts, trials, painful exercises, sharp sorrows, and deep temptations—to keep them alive unto God—to bring them out of, and to keep them out of that slothful, sluggish, wretched state of carnal security.
The Lord, therefore, “tries the righteous.” He will not allow His people . . . to be at ease in Zion; to be settled on their lees, and get into a wretched Moabitish state.
He therefore sends upon them afflictions, tribulations, and trials—and allows Satan to tempt and harass them.
Personal, spiritual, experimental knowledge of Jesus It is our dim, scanty, and imperfect knowledge of the Lord Jesus Christ in His eternal love—and in His grace and glory—which leaves us so often cold, lifeless, and dead in our affections towards Him.
If there were more blessed revelations to our soul of the Person and work, grace and glory, beauty and blessedness of the Lord Jesus Christ—it is impossible but that we would more and more warmly and tenderly fall in love with Him—for He is the most glorious object that the eyes of faith can see!
He fills heaven with the resplendent beams of His glorious majesty—and has ravished the hearts of thousands of His dear family upon earth by the manifestations of His bleeding, dying love. Just in proportion to our personal, spiritual, experimental knowledge of Him, will be our love to Him.
I have loved you with an everlasting love
The Lord has appeared of old unto me, saying, “Yes, I have loved you with an everlasting love; therefore with loving kindness have I drawn you.” Jeremiah 31:3
There can be no new thought in the mind of GOD.
New thoughts, new feelings, new plans, new resolutions continually occur to OUR mind—for ours is but a . . . poor, fallen, fickle, changeable nature.
But God has no new—thoughts, feelings, plans or resolutions. For if He had, He would be a ‘changeable’ Being—not one great, eternal, unchangeable ‘I Am’. All His thoughts, therefore, all His plans, all His ways are like Himself . . . eternal, infinite, unchanging, unchangeable.
The love of Christ to His Church is also—eternal, unchanging, unchangeable. And why? Because He loves as Deity.
O what a mercy it is for those who have any gracious, experimental knowledge of the love of Christ—to believe it is from everlasting to everlasting—that no incidents of time, no storms of sin or Satan, can ever change or alter that eternal love—but that it remains now and will remain the same to all eternity!
Help from the sanctuary “May the Lord answer you when you are in distress—may the name of the God of Jacob protect you. May he send you help from the sanctuary and grant you support from Zion.” Psalm 20:1-2
When the soul has to pass through the trying hour of temptation, it needs help from the sanctuary. All other help leaves the soul just where it found it.
Help is sent from the sanctuary because his name has been from all eternity . . . registered in the Lamb’s book of life, engraved upon the palms of His hands, borne on His shoulder, and worn on His heart.
Communications of life and grace from the sanctuary produce spirituality and heavenly-mindedness. The breath of heaven in his soul . . . draws his affections upward, weans him from earth, and makes him a pilgrim and a sojourner here below, “looking for a city which has foundations, whose builder and maker is God.”
Holy wrestling
Wherever the Lord brings trials upon the soul, He pours out upon it the spirit of grace and supplication.
If the child of God has a burden; if he is laboring under a strong temptation; if his soul is passing through some pressing trial; he is not satisfied with merely going through a ‘form of prayer’. There is at such times and seasons, a holy wrestling . . . there are fervent desires; there are unceasing groans; there is a laboring to enter into rest; there is a struggling after deliverance; there is a crying unto the Lord—until He appears and manifests Himself in the soul.
A disciple of Jesus
A disciple of Jesus is one who is admitted by the Lord Jesus into His school—whom He Himself condescends personally to instruct—and who therefore learns of Him to be meek and lowly of heart.
A disciple of Jesus is one who sits meekly at the Redeemer’s feet—receiving into his heart the gracious words which fall from His lips.
But a true and sincere disciple not only listens to his Master’s instructions, but acts as He bids. So a disciple of Jesus is one who copies his Master’s example—and is conformed to his Master’s image.
A disciple of Jesus is also characterized by the love which he bears to his Master—he is one who treasures up the words of Christ in his heart—ponders over His precious promises—and delights in His glorious Person, love, and blood.
A disciple of Jesus is one who bears some reflection to the image of his heavenly Master—he carries it about with him wherever he goes—that men may take knowledge of him, that he has been with Jesus. The true disciple shines before men with some sparkles of the glory of the Son of God.
To have some of these divine features stamped upon the heart, lip, and life—is to be a disciple of Jesus.
To be much with Jesus is to be made like unto Jesus—to sit at Jesus’ feet is to drink in Jesus’ words—to lean upon Jesus’ breast is to feel the warm heart of Jesus pulsating with love—and to feel this pulsation, causes the heart of the disciple to beat in tender and affectionate unison—to look up to Jesus, is to see a face more marred than the sons of men; yet a face beaming with heavenly beauty, dignity, and glory.
To be a disciple of Jesus, is to copy His example—to do the things pleasing in His sight—and to avoid the things which He abhors.
To be a disciple of Jesus, is to be as . . . meek as He was; humble as He was; lowly as He was; self-denying as He was; separate from the world as He was; living a life of communion with God—as He lived when He walked here below.
To take a worm of the earth and make him a disciple of Jesus is the greatest privilege God can bestow upon man! To select an obstinate, ungodly, perverse rebel, and place him in the school of Christ and at the feet of Jesus—is the highest favor God can bestow upon any child of the dust.
How unsurpassingly great must be that kindness whereby the Lord condescends to bestow His grace on an enemy—and to soften and meeken him by His Spirit—and thus cause him to grow up into the image and likeness of His own dear Son. Compared with this high privilege—all earthly honors, titles and robes sink into utter insignificance.
Sovereign, supreme disposal
“And God placed all things under His feet and appointed Him to be head over everything,” Ephesians 1:22
How vast—how numerous—how complicated are the various events and circumstances which attend the Christian here below, as he travels onward to his heavenly home!
But if all things are put under Jesus’ feet—there cannot be a single circumstance over which He has not supreme control. Everything in providence and everything in grace are alike subject to His disposal. There is not . . . a trial, a temptation, an affliction of body or soul, a loss, a cross, a painful bereavement, a vexation, a grief, a disappointment, a case, state or condition, which is not put under Jesus’ feet.
He has sovereign, supreme disposal over all events and circumstances. As possessed of infinite knowledge He sees them—as possessed of infinite wisdom He can manage them—and as possessed of infinite power He can dispose and direct them for our good and His own glory.
How much trouble and anxiety would we save ourselves, could we firmly believe, realize, and act on this!
If we could see by the eye of faith that . . . every foe and every fear, every difficulty and perplexity, every trying or painful circumstance, every looked-for or unlooked-for event, every source of care, whether at present or in prospect—are all put under His feet—at His sovereign disposal—what a load of anxiety and care would be often taken off our shoulders!
You must not love one of these glittering baubles “Do not love the world or anything in the world.” 1 John 2:15
This is a very wide sentence. It stretches forth a hand of vast grasp. It places us, as it were, upon a high mountain, and it says to us, “Look around you—there is not one of these things which you must love.”
It takes us, again, to the streets of a crowded city—it shows us shop windows filled with objects of beauty and ornament—it points us to all the wealth and grandeur of the rich and noble, and everything that the human heart admires and loves. And having thus set before us, it says, “None of these things are for you. You must not love one of these glittering baubles—you must not touch one of them, or scarcely look at them, lest, as with Achan, the golden wedge and the Babylonish garment should tempt you to take them and hide them in your tent.”
The precept takes us through the world as a mother takes a child through a bazaar—with playthings and ornaments on every side—and says, “You must not touch one of these things.”