Meditations on Ephesians — Part VIII
Het hoofdthema van ons vorige artikel was de verzoening door het bloed van het kruis. Die verzoening omvat allereerst en vooral de verzoening van de mens met God. Als vrucht en gevolg daarvan omvat zij de verzoening van mensen onderling. Op dit punt nemen wij de draad van ons onderwerp weer op. En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren. Want door Hem hebben wij beiden den toegang door een Geest tot den Vader (Efeze 2:17-18).
Nadat de gezegende Heere door het bloed van het kruis vrede had gemaakt, kwam Hij en verkondigde die vrede. Dat deed Hij niet in eigen persoon maar door middel van dienaren. In persoon was Hij naar omhoog gegaan en in Zijn heerlijkheid ingegaan. De wereld zou Hem niet meer in Zijn zichtbare gestalte zien. Zij zou Hem ook niet meer zien rondgaan om goed te doen.
Israël, tot wie Hij in het bijzonder gekomen was, had Hem verworpen door de stem van zijn oversten. Het had den Heilige en Rechtvaardige verloochend en een moordenaar voor zich gevraagd (Johannes 1:11; Handelingen 3:14; Handelingen 13:27-28). Jeruzalem had de tijd van haar bezoeking niet gekend. Daarom zou Hij nooit meer in eigen persoon door haar straten lopen en zou zij nooit meer de klank van Zijn stem horen.
Maar Hij zou komen door de Geest en door dienaren. Hij zou vrede verkondigen aan wie ver weg waren en aan wie nabij waren. Dat gebeurde eerst doordat Hij op de Pinksterdag de Heilige Geest uitstortte. Daarna gebeurde het door de voortdurende toevoer van Zijn Geest en genade, die hun woord met kracht bekleedde. Zo kwam de Vredevorst door Zijn Geest en tegenwoordigheid en verkondigde Hij door Zijn apostelen als Zijn dienaren de vrede.
Zij waren Zijn getuigen (Handelingen 1:22; Handelingen 2:32; Handelingen 5:32) en Zijn gezanten. Aan hen had Hij het woord en de bediening van de verzoening gegeven (2 Korinthe 5:18-20). Aan hen had Hij Zijn evangelie toevertrouwd (1 Thessalonicenzen 2:4). Zo zou het evangelie, zoals zij het predikten, een kracht Gods tot zaligheid zijn voor een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek (Romeinen 1:16).
In die zin kwam de Heere door de mond en de bediening van Zijn apostelen. Hij verkondigde vrede aan wie ver weg waren, de heidenen, en aan wie nabij waren, de Joden. Dat wil niet zeggen dat de een in werkelijkheid dichter bij God stond dan de ander. Maar de Jood stond dichter bij God door uiterlijk voorrecht en uiterlijk verbond. Hij was ook niet zo diep gezonken in afgoderij en niet zo verstoken van elke kennis van de enige ware God. Hij was ook niet zo smerig besmet door de ongeremde beoefening van de gruwelen die onder alle heidense volken heersten.
In die zin stond de Jood dus relatief dichter bij God dan de heiden. Maar wat zijn werkelijke toestand betreft was er geen verschil. De apostel zegt het elders zelf: Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn (Romeinen 3:9). Was de Jood met al zijn voorrechten dan beter dan de heiden die hij verfoeide en minachtte? Nee, in geen enkel opzicht! Allen waren gelijk onder de zonde. Allen hadden gezondigd en misten de heerlijkheid van God.
Daarom hadden Jood en heiden, of zij nu relatief dichtbij waren of relatief ver weg, dezelfde Zaligmaker en dezelfde zaligheid nodig. Jezus Christus verkondigde in de bediening van het evangelie aan beiden gelijkelijk vrede. Uitverkoren Joden en uitverkoren heidenen werden gelijkelijk met God verzoend. Zij werden tot één mystiek lichaam verenigd. Toen zij door genade geroepen werden, werden zij gedoopt met één Geest en kregen zij van die ene Geest te drinken. Zo waren zij één in Christus: uiterlijk en innerlijk, in werkelijkheid en in bevinding, in recht en in genot. De apostel voegt er immers aan toe: Want door Hem hebben wij beiden den toegang door een Geest tot den Vader.
Toegang tot God is er alleen door Jezus Christus, en alleen voor wie door Zijn bloed verzoend en dichtbij gebracht is. Het is een van de eerste en kostbaarste vruchten van de vrede die Jezus Christus verkondigt en die in een gelovig hart bevindelijk wordt ontvangen en bekend gemaakt. Er is geen toegang door een verbroken wet. Er is ook geen toegang door een andere middelaar dan de opgestane en verheerlijkte Zoon van God. En we kunnen niet zo naderen dat we werkelijk toegang tot de Vader voelen of ervaren zonder de werking, de invloed en de kracht van de Geest.
Maar de apostel wil hier vooral laten zien dat dit het voorrecht en de zegen is van Jood en heiden beide. Het vormt daarmee een grond voor geestelijke eenheid en een gewijde plaats van gemeenschappelijke omgang. Dit kennen we uit levende bevinding, los van de vraag of we Jood of heiden zijn. Sommigen van ons voelen zich ver van God, anderen voelen zich dichtbij. De verzochten, de beproefden, de door zonde bezwaarden en de neerslachtigen door de moeiten van de weg voelen zich ver weg. De gezegenden en bevoorrechten, de getroosten en de verwenden voelen zich dichtbij.
Maar of wij nu ver weg of dichtbij zijn, allen ontmoeten elkaar bij de verzoendeksel. Is dat niet de heilige grond, de gewijde plek waar alle verschillen ophouden en alle gelovige harten tot één worden verbonden? Er zijn geen twee geesten in biddende zielen. Het is „één Geest”, zoals er maar „één Heere” is. Er is geen benadering, geen toegang, geen naderen, geen aanvaardbare aanbidding en geen gemeenschap met de Vader dan door Zijn dierbare Zoon. Want Hij is de Middelaar, de enige Middelaar tussen God en mensen (1 Timotheüs 2:5).
Wij ervaren het voortdurend als een ernstige waarheid dat wij de Vader alleen door Jezus Christus voelbaar naderen. Dat geldt als wij in het verborgen op onze knieën liggen en ook als wij in de openbare eredienst de Majesteit van de hemel naderen. Op dezelfde manier en door dezelfde middelen weten wij ook dit: alleen wanneer de gezegende Geest onze zwakheden te hulp komt en Zelf voor ons bidt naar de wil van God (Romeinen 8:26-27), kunnen wij een geestelijk offer brengen of voelbaar gemeenschap hebben met de Vader van alle barmhartigheden en de God van alle troost.
Wij kunnen woorden gebruiken. Er kan ook zoiets zijn als wat men een gave van het gebed noemt, waardoor iemand met veel gemak en gepastheid kan bidden. Maar dat is heel iets anders dan de innerlijke toegang van heel het hart en de hele ziel tot God. Daarbij worden wij diep getroffen door Zijn heiligheid en majesteit en doordrongen van onze eigen zondigheid en onwaardigheid. Toch naderen wij Hem door Zijn dierbare Zoon onder de zoete en heilige invloed van de Heilige Geest.
Zo te naderen is het bijzondere voorrecht van de kinderen van God. Op die grond ontmoeten alle verlosten en wedergeborenen elkaar, alle verzoende en aanvaarde zonen en dochters van de hemelse Vader. Dit is het grote punt van eenheid: de gezegende ontmoetingsplaats, de gewijde plek, de geheiligde grond waar alle ware gelovigen samenkomen en één hart en één ziel zijn.
Door de zonde is er geen verschil, want allen zijn even zondaar. Zo is er ook door genade geen verschil, want allen zijn even behouden. Niemand kan op zijn knieën tegen zijn knielende broeder zeggen: u bent een grotere zondaar dan ik. Hij kan ook niet zeggen: ik ben meer behouden dan u. Zij zijn alle gelijk met God verzoend door het bloed van het Lam. Zij geloven alle gelijk in de Zoon van God.
Zij naderen alle gelijk in ernstig gebed en smeking de troon van de genade. Zo vinden zij alle gelijk toegang door één Geest tot de Vader.
Wie ver weg waren en wie nabij waren komen zo samen als kinderen van één Vader, Die boven allen en door allen en in allen is.
Maar we mogen hier niet verder over uitweiden, want er ligt nog veel voor ons dat onze aandacht en overdenking waard is. Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods (Efeze 2:19).
Van nature zijn wij allen vreemdelingen voor God en voor de godzaligheid. Ons verstand is verduisterd. Wij zijn vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten (Efeze 4:18). Wij kennen God niet en willen Hem ook niet kennen. In gedachten zeggen wij, al is het niet met woorden: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust (Job 21:14).
Maar wanneer de genade ons hart aanraakt en wij vooral door het geloof in de Zoon van God de verzoening ontvangen, dan wordt die vervreemding van het leven van God weggenomen. Het woord betekent immers vervreemding of afstand. Dan zijn wij geen vreemdelingen meer voor Hem, voor Zijn woord, voor Zijn wil en voor Zijn wegen. Een goddelijk licht schijnt op Zijn woord, want de ingang van het woord geeft licht. Goddelijk leven wordt in de ziel gevoeld en maakt het geweten levend en teer in Zijn vreze. Wat Hij met goddelijk gezag en goddelijke kracht spreekt, wordt door het geloof ontvangen in een eerbiedig, onderworpen en gehoorzaam hart.
Zo komen wij tot kennis van den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft. Dit goddelijke licht wordt wel vaak verduisterd door de duisternis, het ongeloof, de ongelovigheid en de vleselijke redeneringen van onze natuurlijke gezindheid. Dit goddelijke leven wordt vaak droevig onderbroken door het werk van zonde, verzoeking, schuld en wettische vrees. Toch blijft het gelden: het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe (Spreuken 4:18).
In de Engelse bijbel staat hier „perfecte dag”. Het woord dat daar met „perfect” vertaald is, betekent eigenlijk „standvastig, vast”. Het wijst dus op het vaste licht van een heldere middag, vergeleken met het wankele, nevelige licht van een bewolkte ochtend.
Maar punten van de goddelijke waarheid komen soms duidelijker uit door het contrast. We zullen daarom eerst laten zien wat het is om een vreemdeling voor God te zijn. Daarna laten we zien wat het is om dat niet te zijn.
Een vreemdeling voor God zijn betekent dat men Zijn karakter niet kent, zoals dat in het woord geopenbaard is en met goddelijke kracht aan de ziel bekend wordt gemaakt. Het betekent dat men Zijn heiligheid, majesteit, hartdoorzoekende oog en alomtegenwoordigheid niet kent. Men wordt er dan niet door geraakt of beïnvloed in zijn gedachten, woorden of werken. Het betekent dat men Zijn genadige handelwijze niet kent, Zijn goddelijke leiding, Zijn geestelijk onderwijs en de zachte maar krachtige aanwijzingen van Zijn heilige wil.
Het betekent dat men Zijn vaderlijke tuchtiging niet kent, Zijn wijze en toch tedere kastijdingen, Zijn innerlijke bestraffingen en verborgen berispingen. Ook kent men dan de vele wegen niet waarmee Hij het hart doorzoekt en de gedachten beproeft. Men kent evenmin de bezoekingen van Zijn barmhartigheid, de vertroostingen van Zijn genadige tegenwoordigheid en de uitstortingen van Zijn liefde.
Kortom: het betekent dat men alles niet kent waarin de kracht van de ware godsdienst en van het levende godzalige leven bestaat.
Een vreemdeling voor God zijn is een vreemdeling zijn voor alles wat de ziel heilig of gelukkig kan maken. Het is een vreemdeling zijn voor alles wat onze hoogste en enige zaligheid is om te kennen en te genieten.
Zo betekent geen vreemdeling zijn dat men wordt toegelaten tot alle vriendschap, vertrouwelijkheid, omgang en gemeenschap met God en tot het genot van Hem. Dat is het bijzondere voorrecht van Zijn verloste en wedergeboren gezin. Wie Hij door het bloed van Zijn dierbare Zoon met Zichzelf verzoend heeft, trekt Hij met de koorden van Zijn liefde aan Zijn borst. Zij zijn dan geen vreemdelingen meer voor Hem maar worden dichtbij gebracht. Zij mogen met Hem en voor Hem wandelen in het licht van Zijn aangezicht.
O, wat wonderen van genade, wat diepten van onuitsprekelijke barmhartigheid, wat rijkdom in bezit en wat schatten in het vooruitzicht liggen opgeslagen in de verzoening met God door het bloed van het kruis! Wij mogen waarlijk zeggen: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? (Romeinen 8:32).
De verzoening door het bloed van het kruis opende een weg waarlangs de verzoenden geen „vreemdelingen” meer zouden zijn. Zo zorgde zij er ook voor dat zij geen „bijwoners” meer zouden zijn. Een bijwoner is iemand die de taal niet spreekt en de gewoonten niet kent. Hij is door geen band van trouw gebonden en door geen liefde of genegenheid doordrongen voor het land waar hij zich vestigt.
Wij hebben in dit land veel van zulke buitenlanders. Zij zijn er wel in maar niet van. Het is niet hun land en niet hun thuis. Ze kunnen zich onder Engelsen mengen, maar ze hebben geen Engels hart in hun borst. Ze hebben ook niets van die Engelse gevoelens die zo sterk leven bij de inwoners van ons geliefde eiland. Zo is geestelijk de toestand en het karakter van iemand die zich onder het gezin van God beweegt zonder tot dat gezin te behoren.
Veel van zulke buitenlanders in godsdienstige zin vullen onze kapellen. Zij lopen in en uit onder het levende volk van God. Maar al zijn zij bij hen, zij zijn niet van hen. Zij kunnen hun taal niet spreken, althans niet vanuit het hart. Zij hebben niet werkelijk dezelfde liefde en niet dezelfde hoop of vrees. Zij kennen hun vreugde en hun smart niet. Zij hebben hun geloof en hun godvrezendheid niet, hun eerbied voor God niet en hun gebedsgeest niet.
Zij hebben hun berouw over de zonde niet en hun gebrokenheid van hart onder het besef van Gods goedheid en barmhartigheid niet. Ook hun tederheid van geweten niet, hun verlangen naar heiligheid en liefde tot heiligheid niet, hun bezorgdheid om op het goede spoor te zijn en hun angst om op het verkeerde te zijn niet.
In dit alles en in soortgelijke dingen zijn zij buitenlanders. Zij spreken innerlijk, al is het niet uiterlijk, een andere taal. Zij leven onder andere motieven en invloeden. Zij dienen, aanbidden, gehoorzamen of beminnen niet dezelfde God.
Maar laat nu de genade het hart bereiken van zo’n buitenlander die misschien jarenlang onder het gezin van God in en uit gegaan is. Hij hoorde dezelfde waarheden en kwam in hetzelfde huis van gebed. Toch bleef hij onaangeraakt en onbewogen, omdat hij de kracht van het woord nooit gevoeld had. Wat zal er dan een verandering in hem komen!
We hoeven het werk van de genade in zijn ziel niet na te gaan, want dat zou ons te ver van ons onderwerp brengen. Laten we aannemen dat hij met God verzoend en dichtbij gebracht is door het bloed van het kruis. Laten we aannemen dat Hij Die onze Vrede is, tot hem komt in de bediening van het woord en vrede verkondigt aan zijn ziel. Laten we aannemen dat hij door Jezus in één Geest toegang vindt tot de Vader. Dan is hij geen vreemdeling en bijwoner meer. Dan kan hij de taal van Kanaän begrijpen en leren spreken.
Het zal in het begin misschien nog met een gebroken accent en gebrekkige uitspraak zijn. Maar het is de echte taal van zijn hart. Wie weet wat de taal van een gebroken hart en een verslagen geest is, kan zich daarom met hem verbonden voelen en hij met hen. Zo is hij geen buitenlander meer.
Maar dit brengt ons bij nog meer zegeningen en voorrechten die hij mag genieten. De zegeningen die we al overwogen hebben, zijn indirect negatief. Deze zijn rechtstreeks positief. Maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods. Er worden hier twee zegeningen genoemd. Ten eerste deel hebben in alle rechten en voorrechten van de stad van God. Ten tweede een plaats hebben in Zijn huis en gezin.
1. De stad waarvan hier gesproken wordt, is de stad van de heiligen. Wie vroeger vreemdelingen en bijwoners waren, zijn daar door genade burgers van geworden. Zij zijn nu met God verzoend en hebben door één Geest toegang tot de Vader. Zo bezitten zij alle rechten en voorrechten die bij de geboren inwoners horen.
Een bijzonder kenmerk van de Griekse en Romeinse beschaving was dat gemeenschappen zich verzamelden in meestal ommuurde en versterkte steden. Daardoor konden zij zichzelf verdedigen en genoten zij bijzondere voorrechten en vrijheden. Dat leek op onze stadsbesturen, maar was veel completer en beter georganiseerd. De samenleving was in die tijd op veel punten heel anders dan de onze. Wanneer een vreemdeling tot het burgerrecht van zo’n vrije gemeenschap werd toegelaten, kreeg hij meteen alle voorrechten die de geboren inwoners genoten.
De woorden van de apostel hier lijken enigszins te zinspelen op Israël als de stad van God, door voorrecht en bezit. Tot de middelmuur van scheiding werd afgebroken, bleef de stad van de heiligen beperkt tot de Joden. De heidenen waren geen burgers van die stad, want zij hadden geen hoop en waren zonder God in de wereld. Maar nu worden de gelovige heidenen, verzoend door het bloed van het kruis en met toegang door één Geest tot de Vader, opgenomen in de stad van God. Zo zijn zij medeburgers der heiligen.
Omdat dit de stad van de heiligen is, stelt zij de gemeente van God onder twee aspecten voor. Het eerste is haar tegenwoordige staat van genade. Het tweede is haar toekomstige staat van heerlijkheid. Er worden heerlijke dingen van deze stad van God gesproken: Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! (Psalm 87:3). Zij heeft fundamenten, zoals van Abraham gezegd wordt dat hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is (Hebreeën 11:10).
Zij heeft ook muren en bolwerken: Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen. Zij heeft ook poorten: Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart (Jesaja 26:1-2). Zij heeft ook een rivier: De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten (Psalm 46:5).
Die rivier is de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams. Het is een rivier van leven en liefde, een zinnebeeld van de verlustigingen aan Gods rechterhand tot in eeuwigheid (Psalm 16:11).
Deze stad behoort geheel aan de heiligen. Dat zijn zij die geheiligd zijn door God de Vader (Judas 1:1), geheiligd door het bloed van God de Zoon (Hebreeën 13:12) en geheiligd door de werking en invloed van God de Heilige Geest. Ook in haar tegenwoordige staat als de gemeente van Christus op aarde is zij de stad van de heiligen. Want alleen heiligen hebben werkelijk deel aan haar zegeningen en voorrechten en genieten die geestelijk.
Anderen mogen rond Sion wandelen, haar torens tellen en op haar bolwerken letten. Maar zij zijn geen burgers die recht hebben op de boom van het leven en vrij door de poorten van de stad naar binnen mogen gaan.
Maar er komt ook een staat van heerlijkheid. Daarvan had Johannes een gezicht toen hij in een visioen zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. De schoonheid en heerlijkheid van deze stad beschrijft Johannes zo: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars (Openbaring 21:23).
Onze ruimte verbiedt ons verder op dit heerlijke onderwerp in te gaan.
We moeten aan onze geestelijke lezers hun eigen overdenkingen over de heerlijkheid van deze hemelse stad overlaten. Als de Heere hun ziel maar wil verlichten en hun een zicht geeft op de heerlijkheid die geopenbaard zal worden, en een gezegend getuigenis van hun aandeel daarin, wat zal hun dat dan ondersteunen en troosten in al hun ellende en verdrukking! Zij zullen die vrije en onderscheidende genade bewonderen en aanbidden die hen tot medeburgers van de heiligen heeft gemaakt. Die genade geeft hun hier in genade een thuis bij hen en de gezegende verwachting van een thuis hierna bij hen in heerlijkheid.
Zijn zij nu al niet thuis bij hen in de beste, warmste en gelukkigste gevoelens van hun ziel? Is dat geen bewijs en teken dat zij medeburgers van hen zijn? Zijn zij niet nu al hun uitgelezen en enige gezelschap? Zijn de heiligen in hun ogen niet, hoezeer de wereld hen ook veracht en haat, de uitnemenden van de aarde, in wie al hun vreugde ligt?
Dan is het zo dat zij geen vreemdeling en bijwoner meer zijn.
Zij zijn niet langer een arme, ellendige verstotene die hier en daar ronddoolt zonder huis of thuis, vriendeloos en verlaten van God en mensen. Dat zouden wij met recht geweest zijn om onze zonden. Wij zouden dan op aarde ons verdiende loon hebben gekregen totdat wij onder Gods toorn in de hel verzonken. In plaats daarvan zijn wij gemaakt tot medeburgers van de heiligen van God en als zodanig verwelkomd, in hun tegenwoordige staat van genade en hun toekomstige staat van heerlijkheid. Wat wonderen van genade zijn hier! Als geloof en gevoel ze beseffen, doen zij het hart smelten in bewonderende liefde en dankbaarheid.
Van zulke onuitsprekelijke zegeningen, nu en voor eeuwig, mogen wij toch wel zeggen: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben (1 Korinthe 2:9).
2. Zoals zij medeburgers der heiligen zijn, zo zijn zij ook leden van het huis en gezin van God. Het beeld verandert hier. De gemeente van God, die hij net met een stad vergeleken had, vergelijkt hij nu met een huis of gezin. Hij noemt haar huisgenoten Gods. Beide beelden betekenen ongeveer hetzelfde en drukken elk de gedachte van gemeenschap uit.
Een stad waarvan alle burgers dezelfde rechten en voorrechten delen en een huisgezin waarvan alle leden in dezelfde verhouding staan tot het hoofd, komen hierin overeen. De burgers van de stad en de leden van het gezin zijn aan elkaar verbonden door bepaalde banden. In die banden hebben zij, en zij alleen, een gemeenschappelijk en wederzijds belang.
Zoals de gemeente van God soms door het beeld van een stad wordt voorgesteld, zo wordt zij elders voorgesteld onder het beeld van een huis. We lezen bijvoorbeeld: Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en de roem der hoop tot het einde toe vast behouden (Hebreeën 3:6). En ook: Maar zo ik vertoef, opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de Gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid (1 Timotheüs 3:15).
Zoals de stad de gemeente van Christus voorstelde in haar tegenwoordige strijdende staat van genade en haar toekomstige zegevierende staat van heerlijkheid, zo is het ook met dit huis. Nu, in dit huis van God hier beneden, zijn alleen zij werkelijk lid die door het bloed van Christus dichtbij gebracht zijn. Toch zijn er velen die erin in- en uitlopen zonder geestelijk en levend tot het gezin te behoren.
Op zoiets wordt gezinspeeld in die opmerkelijke woorden van de profeet: er zal geen Kanaaniet meer zijn, in het huis des HEEREN der heirscharen, te dien dage. Dat houdt in dat het nu wel zo is. In dezelfde zin spreekt de apostel in zijn waarschuwende woorden: Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter ere, maar sommige ter onere (2 Timotheüs 2:20).
Een kenmerk van een gezin is het leeftijdsverschil tussen de kinderen. In hetzelfde gezin zijn vaak de volwassen zoon en het kind in de armen. In het geestelijke gezin is het bereik nog groter, want daar zijn vaders, jongelingen, kinderkens en zuigelingen. We kunnen zelfs zeggen dat er in dit huis kinderen van alle leeftijden en van alle maten zijn. Toch staan zij allen in dezelfde verhouding tot één gemeenschappelijke Vader.
Dezelfde rijke genade die vroegere vreemdelingen en bijwoners in de stad van God toeliet en tot medeburgers van de heiligen maakte, laat hen ook toe in Zijn levende gezin. Zij hebben geluisterd naar de genadige roep: gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, en raakt niet aan hetgeen onrein is. En zij hebben de waarheid van de belofte gevonden en ervaren: en Ik zal ulieden aannemen. En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige (2 Korinthe 6:17-18).
Alles wat een vaderhart kan voelen, een vaderlijke liefde kan schenken en een vaderhand kan volbrengen, is hun gelukkig deel. En wat is hun geluk, hun wijsheid, hun barmhartigheid en ook hun plicht anders dan te wandelen in alle heilige gehoorzaamheid aan hun hemelse Vader, Die hen in Zijn gezin heeft opgenomen? Zij moeten ook wandelen in alle liefde, tederheid, vriendelijkheid, verdraagzaamheid en genegenheid jegens hun broeders en zusters? Die zijn door dezelfde liefde bemind, door hetzelfde bloed verlost en door dezelfde onderscheidende genade geroepen. Met hen reizen zij verder naar hetzelfde gelukkige en eeuwige thuis.
The main theme of our last paper was Reconciliation by the blood of the cross, embracing 1, chiefly and primarily, Reconciliation of man unto God; and 2, as its fruits and consequences, Reconciliation of man unto man. We shall now, therefore, at this point resume the thread of our subject. “And came and preached peace to you who were afar off, and to those who were near. For through him we both have access by one Spirit unto the Father.” (Eph. 2:17, 18.)
Having made peace through the blood of the cross, the blessed Lord came and preached it, not personally, but ministerially. Personally he had gone up on high, and had entered into his glory. The world should see him no more in his visible presence, nor behold him going about doing good. Israel, to whom he specially came, had rejected him by the voice of its rulers, had denied the Holy One and the Just, and desired a murderer to be granted unto them. (John 1:11; Acts 3:14; 13:27, 28.) Jerusalem knew not the time of her visitation, and therefore never again would he personally tread her streets, or should she hear the accents of his voice. But he would come spiritually and ministerially, and preach peace to those who were afar off and to those who were near. It was, then, by pouring out the Holy Spirit first on the day of Pentecost, and afterwards by the continual supplies of his Spirit and grace, clothing their word with power, that the Prince of Peace came by his Spirit and presence, and thus ministerially preached peace by his apostles. They were his “witnesses” (Acts 1:22; 2:32; 5:32) and “ambassadors,” to whom he had given the word and ministry of reconciliation (2 Cor. 5:18-20), whom he had put in trust with his gospel (1 Thess. 2:4), that as preached by them it might be the power of God unto salvation to everyone who believes; to the Jew first, and also to the Greek. (Rom. 1:16.) In this sense, therefore, the Lord came by the mouth and ministry of his apostles, and preached peace to those who were afar off, that is, the Gentiles, and to them that were near, that is, the Jews.
Not that the one was actually nearer to God than the other; but the Jew was nearer to God by external privilege and outward covenant, and was not so debased by idolatry, so sunk into thorough ignorance of the only true God, or so foully and grossly stained by the unchecked practice of those abominations which prevailed in all the heathen nations. In this sense the Jew was relatively nearer to God than the Gentile; but as regarded his actual state, there was no difference, as the Apostle elsewhere speaks—“What then? are we better than they? No, in no way; for we have before proved both Jews and Gentiles, that they are all under sin.” (Rom. 3:9.) Was the Jew, with all his privileges, better than the Gentile whom he loathed and despised? No! in no way. All alike were under sin; all alike had sinned, and come short of the glory of God. Therefore, whether relatively near or relatively far off, both Jew and Gentile needed the same Savior and the same salvation. Peace was preached by Jesus Christ alike to both in the ministry of the gospel. Elect Jew and elect Gentile were alike reconciled to God, united into one mystical body, and, when called by grace, were baptized with, and made to drink into one Spirit. Thus they were one in Christ, outwardly and inwardly, actually and experimentally, in right and in enjoyment; “for through him,” adds the Apostle, “we both have access by one Spirit unto the Father.”
Access unto God is only through Jesus Christ, and as reconciled and brought near by his blood. It is one of the first and most precious fruits of peace as preached by Jesus Christ, and experimentally received and made known in a believing heart. There is no access through a broken law, nor through any other mediator but the risen and glorified Son of God. Nor can we draw near so as to have any felt or sensible access unto the Father except through the operations, influences, and power of the Spirit.
But the chief object of the Apostle in dwelling on this point here is to show that this is the privilege and the blessing alike of Jew and Gentile, and that thus it forms a ground of spiritual union, and a hallowed spot of mutual communion. This we know in vital experience, as distinct from being Jew or Gentile. Some of us seem in our feelings far off from God, and others seem near. The tempted, the tried, the burdened with sin, the cast down by reason of the difficulties of the way, feel as if they were far off. The blessed and favored, the comforted and the indulged, feel to be near. But whether far off or near, all meet at the mercy seat. Is not that the sacred ground, the hallowed spot where all differences cease, and all believing hearts are knit together into one? There are not two spirits in praying souls. It is “one Spirit,” as there is but “one Lord.” There is no approach, no access, no drawing near, no acceptable worship, no communion with the Father but through his dear Son, for he is the Mediator, the only Mediator between God and men. (1 Tim. 2:3.)
We continually find it by experience a solemn truth that whether on our bended knees privately, or in the worship of God publicly we attempt to draw near to the Majesty of heaven, we have no sensible access unto the Father but by Jesus Christ; and we know also in the same way and by the same means, that it is only as the blessed Spirit helps our infirmities, and himself makes intercession for us according to the will of God (Rom. 8:26, 27), that we can offer a spiritual sacrifice, or sensibly feel any communion with the Father of all mercies and the God of all comfort. We may use words, and there may be what is called a gift of prayer, enabling the possessor to pray with much fluency and propriety; but this is a very different thing from that inward access of the whole heart and soul unto God, when, solemnly impressed with a sense of his holiness and majesty, and deeply penetrated with a feeling of our own sinfulness and unworthiness, we yet approach him through his dear Son under the sweet and sacred influences of the Holy Spirit.
But so to draw near is the special privilege of the children of God; and on this ground, therefore, all the redeemed and regenerated, all the reconciled and accepted sons and daughters of the heavenly Father meet. This, then, is the grand point of union—the blessed meeting place, the hallowed spot, the consecrated ground where all true believers meet, and are of one heart and one soul. As through sin, all being alike sinners, there is no difference, so through grace, all being alike saved, there is no difference. No one on his bended knees can say to his kneeling brother, “You are a greater sinner than I,” or, “I am more saved than you.” But as alike reconciled to God through the blood of the Lamb, as alike believing in the Son of God, as alike approaching the throne of grace in earnest prayer and supplication, and thus alike finding access by one Spirit unto the Father, both those that are afar off and those that are near meet together as children of one Father, who is above all, and through all, and in them all.
But we must not enlarge further on this point, as much lies before us worthy of our attention and meditation. “Now therefore you are no more strangers and foreigners, but fellow-citizens with the saints, and of the household of God.” (Eph. 2:19.) By nature we all are strangers to God and godliness. Our understanding is darkened, and we are alienated from the life of God through the ignorance that is in us, because of the blindness of our heart. (Eph. 4:18.) We neither know God nor want to know him, and say in thought, if not in word, “Depart from us, for we desire not a knowledge of your ways.” (Job 21:14.) But when grace touches our heart, and especially when by faith in the Son of God we receive the atonement, then this alienation or estrangement, as the word means, from the life of God is removed, and we are no longer strangers to him, to his word, to his will, or to his ways. A divine light shines upon his word, for the entrance of the word gives light; divine life is felt in the soul, making the conscience alive and tender in his fear; and what he speaks with divine authority and power is received by faith into a reverent, submissive, and obedient heart. We thus come “to know the only true God, and Jesus Christ whom he has sent;” and though this divine light is often beclouded by the darkness, unbelief, infidelity, and carnal reasonings of our natural mind, and this divine life often sadly interrupted by the workings of sin, temptation, guilt, and legal fear, yet it still holds good that “the path of the just is as the shining light, that shines more and more unto the perfect day.” (Prov. 4:18.) The word translated “perfect” properly signifies “steady, fixed,” and thus means the steady light of a clear bright noon, so compared with the struggling misty light of a cloudy morning.
But as points of divine truth are sometimes set in a clearer light by contrast, we shall show first what it is to be a stranger to God, before we show what it is not to be a stranger to him. To be a stranger to God, then, is to be a stranger to his character as revealed in the word, and as made known through the word with a divine power to the soul. It is to be a stranger to his holiness, majesty, heart-searching eye, and universal presence, so as not to be affected or influenced by it in our thoughts, words, or works. It is to be a stranger to his gracious dealings, divine leadings, spiritual teachings, and gentle, yet powerful intimations of his holy will. It is to be a stranger to his fatherly corrections, wise yet tender chastisements, inward reproofs, secret rebukes, and the various ways whereby he searches the heart, and tries the thoughts. It is to be a stranger also to the visitations of his mercy, the consolations of his gracious presence, and the sheddings abroad of his love. In fact, it is to be a stranger to everything in which the power of true religion and vital godliness consists.
And as to be a stranger to God is to be a stranger to everything which can make the soul holy or happy, and to everything which it is our chief, our only blessedness to know and to enjoy, so not to be a stranger is to be admitted to all that friendship, intimacy, familiarity, communion, and communion with God, and enjoyment of him, which is the special privilege of his redeemed and regenerated family. Those whom he has reconciled unto himself by the blood of his dear Son, he draws to his bosom by the cords of his love, that they may no longer be strangers to him, but be made near, and may walk with him and before him in the light of his countenance. O what wonders of grace, what depths of unspeakable mercy, what riches in possession, what treasures in prospect, are stored up in being reconciled to God through the blood of the cross! Truly we may say, “He who spared not his own Son, but delivered him up for us all, how shall he not with him also freely give us all things?” (Rom. 8:32.)
And as reconciliation through the blood of the cross opened a way whereby those who are thus reconciled should be no more “strangers,” so also it provided and accomplished that they should be no more “foreigners.” A “foreigner” is one who cannot speak the language, is unacquainted with the customs, is bound by no ties of allegiance, is imbued with no love and affection to the country in which he takes up his abode. Many such foreigners we have in this country, who, though they are in it, yet are not of it, to whom it is not their country or their home, and who, though they may mix with Englishmen, have not an English heart in their bosom, or any of those English feelings which are found so strong in the natives of our beloved isle. Such is the state and character, spiritually, of one who moves among the family of God without belonging to that family.
Many such foreigners, in a religious sense, fill our chapels, and go in and out among the living people of God. But though with them, they are not of them. They cannot speak their language, at least, not from the heart; they do not really and truly love the same things; have not the same hopes or the same fears; are unacquainted with their joys or their sorrows; have not their faith, or their godly fear; nor their reverence of God, nor their spirit of prayer, nor their contrition for sin, nor their brokenness of heart under a sense of God’s goodness and mercy; nor their tenderness of conscience, desire for, and love to holiness; nor their anxiety to be right, and dread of being wrong. In all these, and similar points, they are foreigners, who speak inwardly, if not outwardly, a different language, live under different motives and influences, and do not serve, worship, obey, or love the same God.
But now let grace reach the heart of any such foreigner who has gone in and out, it may be for years, among the family of God, hearing the same truths and attending the same house of prayer, and yet untouched, unaffected, uninfluenced by the word, because he has never felt its power—what a change will it make in him. We need not trace out the work of grace upon his soul, for that would take us too far from our subject. But let us assume that he is reconciled and brought near unto God by the blood of the cross, that he who is our Peace comes to him in the ministry of the word and preaches peace to his soul, and that he finds access through Jesus by one Spirit unto the Father. He is now no longer a stranger and a foreigner. He can now understand and learn to speak the language of Canaan; and, though it may be at first with a broken accent and imperfect utterance, yet, as it is the real language of his heart, those who know what is the language of a broken heart and contrite spirit can feel a union with him and he with them, and thus he is a foreigner no more.
But this brings us to still further blessings and privileges which he is made to enjoy. And as those which we have already considered are indirectly negative, so these are directly positive. “But fellow-citizens with the saints, and of the household of God.” Two blessings are spoken of here—1. A participation in all the rights and privileges of the city of God, and 2, a place in his house and family.
1. The city here spoken of is the city of the saints, of which by grace those who once were strangers and foreigners, being now reconciled unto God, and having access by one Spirit unto the Father, have become citizens, and thus possess all those rights and privileges which belong to the free-born inhabitants. One peculiar feature of Greek and Roman civilization was the gathering of communities into usually walled and fortified, and, as thus capable of self-defense, enjoying special privileges and immunities. It was something analogous to our borough towns under a municipal government, but much more complete and organized, society being in those days, in many points, widely different from our own. Now, when a foreigner was admitted to the rights of citizenship of any of these free communities, he was at once put into possession of every privilege enjoyed by the free-born natives. There seems to be some allusion in the words of the Apostle here to Israel as the city of God both by privilege and possession. Until the middle wall of partition was broken down, the city of the saints was limited to the Jews. Of that city the Gentiles were not citizens, for they had no hope, and were without God in the world. But now, as reconciled by the blood of the cross, and having access by one Spirit unto the Father, believing Gentiles become incorporated into the city of God, and are thus fellow-citizens with the saints.
This city, as being the city of the saints, represents the Church of God under two aspects—1. Its present state of grace; 2. Its future state of glory. Glorious things are spoken of this city of God. (Psalm 87:3.) Thus it has foundations, as it is said of Abraham, that “he looked for a city which has foundations, whose builder and maker is God.” (Heb. 11:10.) It has also walls and bulwarks—“We have a strong city; salvation will God appoint for walls and bulwarks.” It has also gates—“Open the gates, that the righteous nation which keeps the truth may enter in.” (Isa. 26:1, 2.) It has also a river—“There is a river, the streams whereof shall make glad the city of God, the holy place of the tabernacles of the Most High.” (Psalm 46:4.) This river is the “pure river of water of life, clear as crystal, proceeding out of the throne of God and of the Lamb”—a river of life and love, emblematic of those pleasures which are at God’s right hand for evermore.
This city belongs wholly to the saints—that is, those who were sanctified and set apart by God the Father (Jude 1), sanctified by the blood of God the Son (Heb. 13:12), and sanctified by the operations and influences of God the Holy Spirit. Even in its present state, as the Church of Christ upon earth, it is the city of the saints; for none but saints really participate in, or spiritually enjoy, its blessings and privileges. Others may walk about Zion, count the towers thereof, and mark well her bulwarks; but they are not citizens who have right to the tree of life, and may freely enter in through the gates of the city.
But there is a state of glory to come, of which John had a view when he saw in vision “the holy city, new Jerusalem, coming down from God out of heaven, prepared as a bride adorned for her husband.” The beauty and glory of this city John describes—“And the city had no need of the sun, neither of the moon, to shine in it; for the glory of God did enlighten it, and the Lamb is the light thereof.” (Rev. 21:23.)
Our space forbids us to enter further into this glorious subject. We must leave to our spiritual readers their own meditations upon the glory of this heavenly city; and if the Lord is but pleased to shine into their soul and give them a view of the glory which is to be revealed, and a blessed testimony of their interest in it, how it will support and comfort them under all their afflictions and tribulations, and make them admire and adore that free and distinguishing grace which has made them fellow-citizens with the saints, and given them a home with them here in grace, and the blessed anticipation of a home hereafter with them in glory. Are they not at home with them now in the best, warmest, and happiest feelings of their soul? And is not this a proof and evidence that they are fellow-citizens with them? Are they not their choice and only companions now? Are not the saints in their estimation, however the world despises and hates them, “the excellent of the earth, in whom is all their delight?” Now, to be no more a stranger and a foreigner, a poor, miserable outcast, wandering here and there, without house or home, friendless, and forsaken of God and man, as we might justly have been, on account of our sins—instead of thus reaping our deserts on earth until we sank under the wrath of God into hell—to be made and welcomed as a fellow-citizen with the saints of God in their present state of grace and their future state of glory—what wonders of grace are here, and how, as realized by faith and feeling, they melt the heart into admiring love and gratitude. Of such unspeakable blessings both now and for evermore may we not say, “Eye has not seen, nor ear heard, neither have entered into the heart of man the things which God has prepared for them that love him?” (1 Cor. 2:9.)
2. And as they are “fellow-citizens with the saints,” so also they are members of the house and “family of God.” The figure is here changed. The Church of God which he had just compared to a city, he now compares to a house or family, terming it “the household of God.” It will be observed that both these figures imply much the same thing, and express each of them the idea of community. Thus a city of which all the citizens partake of the same rights and privileges, and a household or family of which all the members stand in the same relationship to its head, agree in this, that the citizens of the city and the members of the family are bound together by certain ties, in which they, and they alone, have a common and mutual interest.
Thus as the Church of God is sometimes symbolized by the figure of a city, so it is also in other places represented under the figure of a house. We read, for instance—“But Christ as a Son over his own house, whose house are we, if we hold fast the confidence and the rejoicing of the hope firm unto the end.” (Heb. 3:6.) And again—“But if I tarry long, that you may know how you ought to behave yourself in the house of God, which is the church of the living God, the pillar and ground of the truth.” (1 Tim. 3:15.) Now as we found that the city represented the Church of Christ in its present militant state of grace, and in its future triumphant state of glory, so it is as regards this house. At present, in this house of God here below, though none are really members of it but those who are brought near by the blood of Christ, yet there are many who go in and out of it who do not spiritually and vitally belong to the family. To this there is some allusion in those striking words of the prophet—“In that day there shall be no more the Canaanite in the house of the Lord of hosts,” implying that such is the case now. And to the same effect speaks the Apostle in those warning words—“But in a great house there are not only vessels of gold and of silver, but also of wood and of earth; and some to honor, and some to dishonor.” (2 Tim. 2:20.)
One feature of a family is the difference of ages in the children. In the same family, there are often the grown-up son and the babe in arms. In the spiritual family there is a wider reach still, for that contains fathers, young men, little children, and babes. Indeed, we may say that in this house there are children of all ages, and all sizes; and yet all standing in the same relationship to one common Father. The same rich grace which admitted those who once were strangers and foreigners into the city of God, and made them fellow-citizens with the saints, admits them also into his living family. They have listened to the gracious call—“Come out from among them, and be separate, and touch not the unclean thing;” and they have found and realized the truth of the promise—“And I will receive you, and you shall be my sons and daughters, says the Lord Almighty.” (2 Cor. 6:17, 18.)
All that a Father’s heart can feel, a Father’s love bestow, and a Father’s hand can accomplish, is their happy portion. And what is their happiness, their wisdom, their mercy, and we may add their duty, but to walk in all holy obedience to their heavenly Father, who has received them into his family; and in all love, tenderness, kindness, forbearance, and affection to their brothers and sisters, who have been loved by the same love, redeemed by the same blood, called by the same distinguishing grace, and are journeying onward with them to the same happy and everlasting home?