Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Christelijk geven

Aan de hand van de gaven voor de tabernakel toont Philpot dat God de gave meet naar het vermogen en de bereidwilligheid van de gever. Wie door bloed en kracht verlost is, mag zichzelf en al het zijne aan de Heere wijden.

Toen God Mozes gebood de tabernakel in de woestijn op te richten als een blijvend voorbeeld van de heilige mensheid van Zijn eigen dierbare Zoon (Hebreeën 8:2; Hebreeën 9:11; Johannes 2:21), sprak Hij zo tot hem:

Spreek tot de kinderen Israels, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gij Mijn hefoffer nemen. Dit nu is het hefoffer, hetwelk gij van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper; Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar. En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout; Olie tot den luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen; Sardonixstenen, en vervullende stenen tot den efod, en tot den borstlap. En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone. (Exodus 25:2-8)

Alle kinderen van Israël mochten dus vrijelijk een gave brengen, ieder naar zijn bezit en ieder naar zijn gewillig gemoed. Zij waren allen verlost door bloed en kracht: door het bloed van het pascha-lam en door de ondergang van hun vijanden in de Rode Zee. Zij waren allen gedoopt tot Mozes in de wolk en in de zee. Zij aten allen dezelfde geestelijke spijze, het manna uit de hemel.

En zij dronken allen dezelfde geestelijke drank, het water uit de geslagen Rots die hen volgde, welke Rots Christus was. (1 Korinthe 10:2-4) Daarom werden zij allen gezien als een heilig volk. (Exodus 19:6; Leviticus 11:44-45; Jeremia 2:3) Zij stonden zinnebeeldig en als vertegenwoordigers voor Gods uitverkoren gezin. (Deuteronomium 7:6)

Zo kon Bileam in de gezichten van de profetie van hen zeggen: Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israel. De HEERE, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem. (Numeri 23:21) Dit was nu de reden waarom de Heere om hun gaven vroeg en die aanvaardde voor de bouw en de dienst van de tabernakel.

Als een uitverkoren, verlost en heilig volk waren hun gaven als het ware geheiligd door hun staat en positie in het verbond dat met hen en met hun vaderen Abraham, Izak en Jakob was gesloten. Dat zij hun gaven mochten bijdragen aan de tabernakel waarin God Zelf zou wonen, was een hoog voorrecht dat hun was geschonken.

Als onze lezers Exodus 35 opslaan, vinden zij een prachtig verslag van de gaven die werden gebracht en van de bereidwilligheid van het volk om ze te brengen. Zij achtten het zo’n hoog voorrecht dat God hun gaven voor Zijn eigen heiligdom en dienst wilde aannemen, dat zij bij openbare afkondiging moesten worden tegengehouden om meer te geven dan voor dat doel nodig was. (Exodus 36:5-7)

Een hoofdschoonheid van de gaven die zo werden gebracht en van de bereidwilligheid van het volk om ze te brengen, was dat zij niet werden gemeten naar hun werkelijke waarde. Zij werden gemeten naar het vermogen en de bereidwilligheid van elke afzonderlijke gever. Zo brachten sommigen sardonixstenen en anderen kostbare juwelen. Sommigen offerden goud en zilver en anderen koper. Sommigen gaven hemelsblauw en purper en scharlaken en anderen roodgeverfde ramsvellen of dassenvellen. Sommigen gaven fijn linnen en anderen geitenhaar.

Had iemand een kostbare sardonyx, een waardevolle diamant, een mooie saffier of een uitgelezen amethist, wat een eer en wat een voorrecht was het dan! In plaats van in een buidel in zijn tent bewaard te worden of aan de ring van zijn vrouw te schitteren, werd de sardonyx op de efod gedragen. De diamant of de saffier kwam op de borstlap van het gericht wanneer de hogepriester in het heiligdom de gedachten van de Heere ging vragen. (Exodus 38:9-12; Exodus 38:15-21)

Tot welk een edel gebruik werd ook het goud gebracht. In plaats van zoals de goudstaaf van Achan in de aarde verborgen te worden, werd het tot het verzoendeksel of de gouden luchter gemaakt of over het reukaltaar en de tafel van de toonbroden gelegd. (Exodus 25:17-18; Exodus 25:23-25; Exodus 25:31) Zelfs het geitenhaar dat de vrouwen spinden, kreeg een eer doordat het werd verwerkt tot een van de gordijnen waarbinnen de ark van de Heere woonde. (Exodus 26:7; Exodus 35:26; 2 Samuël 7:2)

De tabernakel werd voltooid en gewijd door de heilige zalfolie op elk deel ervan. (Exodus 30:22-29) Vooral toen hij vervuld werd met de heerlijkheid van de Heere, zodat Mozes zelf er niet in kon ingaan (Exodus 40:34-35), was elk deel van het heiligdom en elk dienstvat gelijkelijk geheiligd. Dat gold van de kostbare diamant tot het gesponnen geitenhaar en van de gepolijste sardonyx tot de ruwe dassenhuid. Alles was even waardevol, even aangenaam, even afgezonderd van gewoon gebruik en blijvend en onveranderlijk gewijd aan de dienst van de Heere.

Nu de TOEPASSING van ons onderwerp. Wij hebben dit alles natuurlijk niet geschreven om het schrijven zonder bepaalde gedachtegang of bijzonder doel. Bezie de zaak geestelijk. Ieder die is verlost door bloed en kracht, door het bloed van het kruis en het werk van de Heilige Geest, is door Hem uit de macht der duisternis getrokken. Hij is overgezet in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde. (Kolossenzen 1:13) Ieder die geestelijk in Christus is gedoopt, heeft zo Christus aangedaan. (Galaten 3:27)

Ieder die zich voedt met het verborgen manna (Openbaring 2:17) en uit de volheid van Christus het water des levens drinkt (Johannes 7:37; Openbaring 22:17), is geroepen om te geven. Dat geldt ook voor ieder die gewillig is gemaakt op de dag van de heirkracht van Christus. (Psalm 110:3) Hij mag vrijelijk aanbieden wat hij heeft en is aan de dienst van de Heere.

Hij is immers niet meer van zichzelf maar duur gekocht. Daarom zijn zowel zijn lichaam als zijn geest van God. (1 Korinthe 6:19-20) En als dat zo is, dan zijn zijn tijd en zijn geld niet van hemzelf maar van de Heere. Dat geldt ook voor zijn gaven en vermogens, natuurlijk of geestelijk, voor zijn hele leven en zelfs voor zijn dood. Zij moeten vrijelijk worden gegeven en gebruikt in Zijn dienst.

Niet dat een van ons dit doet, althans zoals het gedaan zou moeten worden. Wij zijn allen arme, trage, zelfzuchtige nietsdoeners en op ons best onnutte dienstknechten. (Lukas 17:10) Weinigen zien of voelen zelfs dat zij het mogen of moeten doen. Maar het is ons voorrecht en geluk dat wij het mogen doen wanneer er een gewillig gemoed en een gehoorzame geest is. En wat nog zaliger is: de Heere neemt het aan. (Romeinen 12:1; Filippenzen 4:18; 1 Petrus 2:5)

Ja, meer nog: zoals bij de twee kleine munten van de weduwe is het niet de kostbaarheid van de gave die haar waarde bepaalt maar het vermogen en de bereidwilligheid van de gever. (2 Korinthe 8:12) Zo kan de lok geitenhaar even aangenaam zijn als de diamant. En de geringste dienst die met een enkel oog tot de eer van God en het welzijn van Zijn volk wordt verricht, kan meer waard zijn dan de vorstelijkste gave. Dat geldt zelfs voor een beker koud water, gegeven in de naam van een discipel. (Mattheüs 10:42)

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!