Our Great High Priest — B. His Sympathy and Compassion
Wij hebben geprobeerd te laten zien wat de aard en de kracht is van de voorbede van Jezus aan de rechterhand van de Vader. Ook hebben wij getoond hoe barmhartig en genadig die voorbede past bij onze nood als mensen die beladen zijn met talloze zonden en gebukt gaan onder ontelbare zwakheden. Nu komen wij toe aan de overweging van de gezegende Heere als onze meest medelijdende en meevoelende Hogepriester in de hemelse hoven. Medegevoel en medelijden zijn noodzakelijke eigenschappen van een hogepriester als bekleder van het ambt van middelaar.
Een priester veronderstelt een offer. Een offer veronderstelt een zondaar. Een zondaar veronderstelt een schuldige en beladen ellendeling die de toorn van God terecht verdient en daarom in een zeer erbarmelijke toestand verkeert. Voor zo iemand brengt de hogepriester een offer om daardoor vergeving van zijn zonden te verkrijgen. Hij moet daarom medelijden hebben met deze schuldige zondaar. Als iemand die met hem meevoelt kan hij dan gebed en smeking voor hem opzenden zodat het offer voor zijn zonden wordt aangenomen. De apostel zegt dan ook:
Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden; Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is; En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, alzo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden. (Hebreeën 5:1-3)
Hierin verschilde de hogepriester onder de wet van de gezegende Heere. Hij was zelf een zondaar en moest dus zowel voor zijn eigen zonden als voor de zonden van het volk een offer brengen. Dit offer voor zijn eigen zonden wees op twee dingen. Als zondaar had hij zelf een verzoenend offer nodig. En het herinnerde hem eraan dat hij ondanks zijn ambt in werkelijkheid niet beter was dan de zondaar voor wie hij offerde.
Doordat hem zijn eigen zondigheid zo levendig en duidelijk voor ogen werd gesteld, leerde hij medelijden te hebben met zijn medezondaars. Dat gold vooral voor hen die uit onwetendheid hadden gezondigd en door afval of zwakheid „dwaalden”. Voor vermetele zondaars was er immers geen offer voorzien (Numeri 15:27-31).
Onze gezegende Heere zou als de grote Hogepriester over het huis van God dus niet bij ons gepast hebben, omringd als wij zijn met zwakheden, als Hij geen medelijden met ons kon hebben en niet kon meeleven met onze moeiten en verdriet. Het is waar dat Hij als volkomen vrij van zonde, naar lichaam en ziel, geen offer voor Zichzelf hoefde te brengen. Maar als de meest liefdevolle en tedere Hogepriester kon Hij medelijden hebben met de zondaar zonder deel te hebben aan de zonden van die zondaar.
Maar dat was nog niet alles. Al in de eeuwigheid, voordat Hij Zich voor Zijn volk gaf, had Hij met hen te doen. Ook lezen wij dat Hij in de dagen van Zijn vlees, los van uitverkiezende liefde of zaligmakende genade, medelijden had met de hongerige menigte. Om een barmhartige en medelijdende Hogepriester te worden moest Hij echter op een heel andere wijze leren meeleven met Zijn volk. In de wonderlijke diepten van de wijsheid en genade van God leerde Hij met ons mee te leven in onze verdrukkingen doordat Hij ze persoonlijk ervoer. Dit is de verklaring van de apostel:
Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. (Hebreeën 4:15)
En wat een bemoedigende conclusie trekt hij uit dit gezegende gezicht op het medelijden van ons eens lijdende Hoofd:
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd. (Hebreeën 4:16)
In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien hoe nauw en innig de twee hoofdtakken van het priesterambt van onze Heere met elkaar verbonden zijn. Het zijn het offer dat Hij in de dagen van Zijn vlees op aarde bracht en Zijn voorbede in de hemel nu. Zo is er ook een soortgelijk verband tussen wat Hij hier beneden zelf aan lijden en verzoeking heeft ondervonden en Zijn medegevoel nu daarboven met Zijn verzochte en lijdende volk in de woestijn.
Wij moeten echter niet denken dat Hij dit lijden alleen kon kennen doordat Hij het zelf onderging. Als almachtige God in Zijn goddelijke natuur weet de Heere volkomen wat Zijn volk lijdt. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn (Psalm 103:14). In die zin doorzoekt en kent Hij ons. Hij verstaat onze gedachten van verre, omringt ons gaan en ons liggen en is met al onze wegen bekend (Psalm 139:2-3). Als de alziende God die de harten doorzoekt ziet en kent Hij al onze verdrukkingen en smarten zoals Hij alles in hemel en aarde kent.
Maar het lijden zelf kon Hij alleen ondervinden door Zelf een lijdende te worden. Dit is een diep geheim. Het is echter in het woord van de waarheid aan ons geloof geopenbaard en vol gezegende troost voor het verdrukte gezin van God. Daarom benaderen wij het met alle eerbied als een deel van onze overdenkingen.
Het was de eeuwige wil van God dat Zijn dierbare Zoon het vlees en bloed van de kinderen zou aannemen. Hij zou het aannemen zonder zonde maar niet zonder lijden. Het lijden was een deel van de verzoening:
Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen (1 Petrus 3:18).
Onze gezegende Heere was een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Dit was niet alleen zodat Hij ons door deze smarten en krankheid zou verlossen uit de diepten van de val. Het was ook zodat Hij uit eigen bevinding zou leren met ons mee te voelen en met ons mee te leven in onze moeiten en verdrukkingen.
Niemand kan werkelijk meeleven met wie verdrukt wordt, behalve wie door soortgelijk leed gegaan is of er nu doorheen gaat. Net zo goed zouden wij kunnen verwachten dat een ongehuwde vrouw meeleeft met een rouwende weduwe als dat iemand die geen leed kent, meeleeft met wie lijdt. Het woord „sympathie” betekent zelf „met een ander lijden”. Maar hoe kan men met een ander lijden als men het lijden zelf niet kent? Het hoofdbestanddeel van het hele gevoel ontbreekt als bij degene die meeleeft het lijden afwezig is. Opdat onze gezegende Heere dus persoonlijk, gevoelig en uit eigen bevinding zou meeleven met Zijn lijdende volk, was het noodzakelijk dat Hij Zelf leed.
O geheim van alle geheimen! O wonderlijke hoogten en diepten van verlossende liefde! De Zoon van God moest lijden. Niet alleen om te verlossen maar ook om persoonlijk met Zijn lijdende volk mee te voelen en uit eigen bevinding met hen mee te leven! Wij voelen ons onmachtig en ontoereikend om dit heilige onderwerp te ontvouwen. Toch hebben wij het als deel van onze overdenkingen voorgesteld. Laten wij daarom nu dit punt wat nauwkeuriger bekijken. Laten wij zien welk lijden de gezegende Heere doorstond om daardoor te leren meeleven met Zijn verdrukten die van Zijn kelk drinken en met Zijn doop gedoopt worden.
Als wij dit nagaan, kunnen wij het lijden van de Heere als verdienstelijk niet goed scheiden van Zijn lijden dat bedoeld was om Hem medelijden en medegevoel te leren. Al Zijn lijden was immers een deel van Zijn verzoenend offer: door Wiens striemen gij genezen zijt (1 Petrus 2:24). Van Hem staat geschreven: Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. En ook: Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. Van Hem mogen wij zeker ook zeggen dat Hij onze smarten heeft gedragen en ons verdrietigheden op Zich heeft genomen (Jesaja 53:4-5).
Eigenlijk werden door de smarten en het lijden van de gezegende Heere naar de soevereine wil en wijsheid van God meerdere doelen tegelijk bereikt. Vooral de volgende:
1. God werd verheerlijkt. Zo zei de Heere Zelf:
Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt (Johannes 13:31).
Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen (Johannes 17:4).
Door Zijn zachtmoedige verdraagzaamheid in het lijden dat Hem werd opgelegd en door Zijn vrijwillige en geduldige gehoorzaamheid aan de wil van Zijn hemelse Vader heeft Hij God in Zijn hele lijdensleven van de kribbe tot het kruis hoogst verheerlijkt.
2. Het werk van de verlossing werd volkomen volbracht.
3. Hij leerde gehoorzaamheid uit wat Hij heeft geleden (Hebreeën 5:8).
4. Hij liet ons een voorbeeld na opdat wij in Zijn voetstappen zouden treden (1 Petrus 2:21).
5. Hij is volmaakt gemaakt (Hebreeën 5:9). Dat wil zeggen dat Hij door het lijden volkomen toegerust werd voor Zijn hoge ambt als barmhartig en getrouw Hogepriester van wie geschreven staat: in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen (Hebreeën 2:18).
Het laatste punt vraagt nu vooral onze aandacht, omdat wij Hem nu in onze natuur aan de rechterhand van de Vader beschouwen. Het medegevoel en medelijden van de gezegende Heere, zoals Hij die nu in de hemelse hoven betoont, blijken vooral in de volgende omstandigheden:
1. Bij Zijn volk onder verdrukking.
2. Bij Zijn volk onder verzoeking.
1. Het volk van de Heere is zonder uitzondering een verdrukt volk. Dat was al sinds oude tijden hun beloofde kenmerk:
Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen. (Sefanja 3:12)
Hun verdrukkingen verschillen weliswaar sterk in aard, aantal, duur en zwaarte. Maar allen ondervinden de waarheid van de ernstige verklaring dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods (Handelingen 14:22).
1. Zo lijden sommigen in het lichaam. Zij worden gepijnigd door voortdurende pijn of lijden misschien jarenlang aan een zware ziekte. Die verkort hun leven misschien niet veel maar maakt het vaak wel tot een last. Als gezondheid de grootste van de tijdelijke zegeningen is, en dat moet iedereen toegeven, dan moet het gebrek eraan de grootste van alle tijdelijke ellenden zijn.
De gezegende Heere had geen persoonlijke ervaring van ziekte. In Zijn heilige onsterfelijke lichaam waren geen kiemen van ziekte of dood. Maar lichamelijke pijn kende Hij wel. Dat was zo toen Hij op bevel van Pilatus gegeseld werd, toen Hij de doornenkroon droeg, toen de ruwe Romeinse soldaten Hem sloegen en mishandelden en vooral toen Hij aan het kruis werd genageld. Ook wat lichamelijke pijn betreft kan onze genadige Heere dus uit eigen ervaring meeleven met Zijn arme verdrukte gezin dat nog in het vlees is en op zijn ziekbed van pijn wordt gepijnigd.
2. Velen van het volk van de Heere worden ook diep beproefd in de voorzienigheid. Armoede is het dagelijkse kruis van velen van de uitnemenden van de aarde. Maar wat een persoonlijke ervaring van deze scherpe beproeving had hun genadige Heere! Hij had geen beurs of buidel maar werd onderhouden door de bijdragen van de vrouwen die Hem van hun goederen dienden (Lukas 8:3). Had Hij geen honger in de woestijn en bij de onvruchtbare vijgenboom? Had Hij geen dorst bij de put van Samaria en aan het kruis? En zei Hij niet van Zichzelf:
De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge? (Mattheüs 8:20)
Hij is om onzentwil arm geworden zodat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Hij maakte Zichzelf niet alleen geestelijk arm door Zijn goddelijke heerlijkheid af te leggen. Hij maakte Zich ook werkelijk en letterlijk arm door vrijwillig de pijn en druk van lichamelijke armoede te dragen.
3. Anderen van het volk van de Heere ondergaan wrede vervolgingen. Dat is het lot geweest van alle heiligen sinds de dagen van de rechtvaardige Abel en het zal dat blijven tot het einde van de tijden. Want allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. Vuur en brandstapel zijn nu onbekend. De geest van de tijd laat, althans in dit land, geen boete en gevangenisstraf toe en ook niet de andere gewelddaden die onze godvruchtige voorvaderen om het geweten ondergingen. Maar de geseling van de tong wordt nog altijd gehanteerd. Er worden hoofden afgehouwen in plaats van oren en reputaties gebrandmerkt in plaats van voorhoofden.
Maar wat een diepe en persoonlijke ervaring van vervolging had de gezegende Heere vanaf de dag dat Herodes Hem naar het leven stond tot Hij aan het kruis werd genageld! Hoe werd elk woord bewaakt dat van Zijn lippen kwam en elke daad verkeerd uitgelegd! Zijn karakter werd gelasterd als dat van een vraat en een wijndrinker. Er werd schande en verachting over Hem uitgestort. Als hoogtepunt van haat en om Hem, zoals zij dachten, met eeuwige smaad te bedekken, kruisigden zij Hem tussen twee misdadigers.
4. Weer anderen van het volk van de Heere lijden onder het verraad van valse vrienden. Had onze gezegende Heere hiervan geen ervaring in het verraad van Judas, zodat Hij kon zeggen:
Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. (Psalm 41:10)
Wij hoeven echter niet langer stil te staan bij deze tijdelijke verdrukkingen die zovelen van het volk van de Heere neerdrukken en waarin hun genadig Hoofd toch met hen meeleeft. Hij die weende bij het graf van Lazarus had medelijden met de weduwe van Naïn (Lukas 7:13), met de smekende melaatse (Markus 1:41), met de man die van een boze geest bezeten was (Markus 5:19), met de blinden (Mattheüs 20:34) en met de bezweken en verstrooide menigten (Mattheüs 9:36). Zeker heeft Hij dan medelijden en leeft Hij mee met Zijn volk in al hun tijdelijke smarten hoe uiteenlopend ook.
Dit zijn echter, hoe zwaar ook, niet de zwaarste verdrukkingen die de heiligen van de Allerhoogste treffen. Wij richten onze gedachten daarom nu op het geestelijke leed en de geestelijke nood die het hele gezin van God ondervindt. Ook deze verschillen sterk in aantal en zwaarte. Toch wordt elk levend lid van het mystieke lichaam van Christus ze toebedeeld naar de vastgestelde maat. Juist hierin heeft Jezus een bijzonder medegevoel met Zijn verdrukte volk, want als eigen aan het volk van de Heere dronk Hij van deze kelk tot op de bodem. Hij werd gedoopt met deze doop terwijl alle golven en baren over Hem heen rolden.
Welke geestelijke moeiten en smarten het volk van de Heere ook moet doorstaan: hun genadige Heere en Meester leed er veel dieper onder. Geen hart kan dat voelen hoe diep verscheurd ook en geen tong kan het uitdrukken hoe welsprekend ook. Wij zullen enkele van dit GEESTELIJK LEED bekijken en proberen te tonen hoe de gezegende Heere het uit eigen ervaring kende en zo leerde meeleven met Zijn volk onder dit leed.
1. De grootste last van het levende gezin van de Heere is de zonde. Zij is de hoofdoorzaak van al hun zuchten en kermen vanaf de eerste levendmakende adem van de Geest van God in hun hart tot zij hun lichaam in het stof neerleggen. Maar men kan vragen welke ervaring van zonde de gezegende Heere kon hebben, aangezien Hij naar lichaam en ziel volkomen vrij van zonde was. Het is zeker een zeer vaste en gezegende waarheid dat onze genadige Verlosser geen zonde gekend heeft (2 Korinthe 5:21). Hij was een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:19) en heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren (Hebreeën 7:26).
Toch werd de zonde Hem zo toegerekend dat geldt: de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Hij voelde die zonden alsof het Zijn eigene waren. Hij is zonde voor ons gemaakt. Haar schuld en last werden op Zijn heilige hoofd gelegd en werden zo door toerekening de Zijne. Het was alsof Hij de zonden die Hem ten laste werden gelegd, zelf had begaan.
Neem de volgende illustratie. Zie de zonde als een schuld aan de gerechtigheid van God. Als u borg bent voor een ander en hij kan de schuld niet betalen, dan wordt zij de uwe alsof u haar zelf persoonlijk had aangegaan. De wet maakt geen onderscheid tussen zijn schuld en de uwe. De schuldeiser mag zelfs het bed onder u vandaan verkopen om de schuld te betalen alsof u de oorspronkelijke schuldenaar was. Zo nam de gezegende Heere door Borg te worden voor Zijn volk hun zonden op Zich en maakte ze zo tot de Zijne.
Hoe zouden wij anders de uitdrukkingen in de Psalmen kunnen verklaren die duidelijk de taal van Zijn hart en lippen zijn? Bijvoorbeeld deze:
Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten. (Psalm 40:13)
Spreekt de Heere hier niet van Zijn ongerechtigheden die Hem aangrepen zodat Hij onder hun gewicht en last niet kon opzien? En van het feit dat zij talrijker waren dan de haren van Zijn hoofd?
2. Met de last en het gewicht van de zonde komt de toorn van God in het geweten van de zondaar. Dit is het meest benauwende gevoel dat men buiten de hel kan ondervinden. Zo kwam ook de gezegende Heere toen Hij de last en het gewicht van de zonde droeg onder deze toorn. Dit was een ruisenden kuil waarin Hij wegzonk (Psalm 40:3). Het was grondeloze modder, waar men niet kan staan en de diepten der wateren waar de vloed Hem overstroomde (Psalm 69:3). Daarom zei Hij:
Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard. Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten. Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen. Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen. (Psalm 102:4-5 en 102:10-11)
Niemand die het woord van de waarheid met verlichte ogen leest, kan eraan twijfelen dat deze psalmen op de gezegende Heere slaan en dat Hij het is die erin spreekt.
3. Dan is er de vloek van de wet. Die laat zulke luide donderslagen horen en dringt zo diep in het hart en geweten van de wakker geschudde zondaar. Maar onderging Jezus ook dit niet? Zeker deed Hij dat, naar lichaam en ziel, zoals de apostel verklaart:
Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. (Galaten 3:13)
4. Dan zijn er de verbergingen van Gods aangezicht, het zich terugtrekken van Zijn tegenwoordigheid en Zijn verlating van de ziel die zich nog aan Hem vasthoudt en aan Hem blijft kleven. Kan onze genadige Heere hier niet diep meeleven met Zijn volk dat treurt en zucht onder de verbergingen van Gods aangezicht? Was dit niet de laatste bittere druppel uit de lijdenskelk die Hij tot op de bodem dronk? Heeft hemel of aarde ooit zo’n droevige kreet gehoord als toen de geliefde Zoon van God in de doodsstrijd van Zijn gefolterde ziel uitriep:
Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!
Hoe talrijk of zwaar de geestelijke smarten van het volk van de Heere ook zijn: Jezus heeft ze in de dagen van Zijn vlees allemaal ondervonden. Denk aan overtuigingen, lasten, droefheid, benauwdheden, gewetenskwellingen, twijfels, vrees en radeloosheid onder de toorn van God. Denk aan de vloek van de wet, de verbergingen van Zijn aangezicht en het zich onttrekken van het licht van Zijn gelaat. Waar zij ook onder mogen treuren en kermen: Hij, hun gezegende Voorloper, ondervond het in een mate en omvang die elke menselijke voorstelling oneindig te boven gaat.
Welk hart kan zich voorstellen of welke tong kan uitspreken wat de dierbare Verlosser onderging in de hof van Gethsemane? Zijn ziel was bedroefd tot de dood toe. Driemaal bad Hij dat de kelk van Hem mocht voorbijgaan en in Zijn doodsstrijd bad Hij nog ernstiger zodat Zijn zweet werd als grote druppels bloed die op de aarde vielen. Kon Hij niet waarlijk zeggen:
Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de HEERE mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns. (Klaagliederen 1:12)
Een wakker geschudde zondaar die door goddelijke levendmaking wordt aangeraakt, hoeft slechts het gewicht van zijn eigen zonden te dragen. Jezus moest de zonden van miljoenen dragen. Er vallen hooguit enkele druppels van Gods toorn in het geweten van een bevende zondaar en dan nog van een toorn die al is gestild. Maar Jezus moest heel de toorn van God ondergaan die verschuldigd was voor miljoenen vrijgekochte overtreders. Slechts het verre rollen van de donder van de wet klinkt in de ziel van een overtuigde zondaar. Maar de hele storm barstte los op het hoofd van de Borg. In een kleine toorn verbergt God Zijn aangezicht een ogenblik voor Zijn Sion. Maar in grote toorn verborg Hij Zijn aangezicht voor Zijn dierbare Zoon.
Welk geestelijk leed en welke geestelijke nood het verdrukte Sion ook treft, al is zij een door onweder voortgedrevene, ongetrooste, in alles heeft zij een Hoofd dat oneindig veel meer leed dan alle leden samen. Zij vervullen slechts de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus (Kolossenzen 1:24). Maar o, hoe klein is die maat van verdrukking vergeleken met de Zijne!
Het is dus Zijn persoonlijke ervaring van dit geestelijke leed die de gezegende Heere tot zo’n meevoelende Hogepriester maakt aan de rechterhand van God. Hoewel Hij nu verheven is tot de hoogten van de heerlijkheid, kan Hij nog altijd meevoelen met Zijn lijdende heiligen hier beneden. De hof van Gethsemane en het kruis van Golgotha zijn nog steeds in de herinnering van Zijn hart. Heel de tedere deernis en rijke ontferming van Zijn ziel smelt weg naar Zijn verdrukte heiligen. Zijn hart is geraakt van teerheid. Zijn liefde smelt van genegenheid.
Maar de genadige Heere kan ook meeleven met Zijn heiligen in al hun VERZOEKINGEN. Dit is een diep geheim maar niet dieper dan gezegend. Omdat het zwanger is van troost voor de beproefde en verzochte kinderen van God, zullen wij proberen het naar ons beste vermogen te ontvouwen. De Heilige Geest verklaart uitdrukkelijk dat onze gezegende Heere in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde (Hebreeën 4:15). Dit moeten wij dus aanvaarden als een zeer plechtige en, door het geloof bezien, zeer gezegende waarheid. Wij mogen de taal van de Heilige Geest niet beperken. Zoals Hij zegt „in alle dingen”, zo moeten wij het ontvangen op het getuigenis van Hem Die niet kan liegen.
Het woord „verzoekingen” heeft in de grondtaal twee betekenissen. Het omvat „beproevingen” evenzeer als „verzoekingen” in eigenlijke zin. Daarom zullen wij de betekenis van het woord uitbreiden en zowel de beproevingen als de verzoekingen van onze Heere bekijken. Het onderscheid ertussen is duidelijk genoeg. Beproevingen kunnen God tot auteur hebben, maar verzoekingen niet. Er staat immers uitdrukkelijk: God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand (Jakobus 1:13). Omdat verzoeking inhoudt dat de zonde aan de geest wordt voorgehouden, zou het God tot Auteur van de zonde maken als men Hem tot Auteur van verzoeking maakte.
Maar men kan vragen: lezen wij niet dat God Abraham verzocht? (Genesis 22:1) Het woord „verzocht” moet daar worden weergegeven als „beproefd”. In het Hebreeuws en het Grieks betekent hetzelfde woord zowel verzoeken als beproeven. God verzocht Abraham niet tot zonde zoals Satan Eva verzocht of David. Hij beproefde hem, zoals de apostel zegt, om te zien of zijn geloof echt was (Hebreeën 11:17).
Zo werd onze gezegende Heere beproefd en wel door God Zelf. Want Hij is een steen, een beproefden steen, door God Zelf gelegd (Jesaja 28:16). Toen de Vader Hem een lichaam bereidde om Zijn wil te doen, werd Hij Gods Knecht zoals er staat:
Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft (Jesaja 42:1).
Als Knecht bewees Hij gehoorzaamheid: gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Filippenzen 2:8). Zijn gehoorzaamheid was een beproefde gehoorzaamheid. God beproefde haar. Mensen beproefden haar. Duivels beproefden haar. Vijanden beproefden haar. Vrienden beproefden haar. Zijn discipelen waren zwak en onwetend. Judas verried Hem. Petrus liet Hem in de steek en verloochende Hem. De schriftgeleerden en farizeeën handelden met list en boosaardigheid. Het volk was ongelovig en trouweloos. Hij was omringd door zonden. Er waren de zondeloze zwakheden van het vlees en bloed dat Hij had aangenomen, zoals honger, dorst en vermoeidheid. Er waren lange reizen, nachtelijke wakes en het dagelijkse schouwspel van ziekte en ellende.
Al dit en duizend andere omstandigheden die ons voorstellingsvermogen te boven gaan, beproefden de gezegende Heere tijdens Zijn verblijf hier beneden.
Maar Hij droeg alles wat Hem werd opgelegd. De reinheid van Zijn menselijke natuur waarin geen kiemen van daadwerkelijke of erfelijke zonde waren, de kracht van Zijn goddelijke natuur waarmee zij verenigd was en de kracht van de Heilige Geest die zonder mate op Hem rustte, werkten allemaal samen om Hem door elke beproeving heen te brengen en Hem de overwinning te geven over elke vijand. Maar door deze beproevingen leerde Hij meeleven met Zijn beproefde volk. Hij kan medelijden hebben met onze zwakheden.
Wij mogen dus vrijmoedig met onze beproevingen tot Hem gaan. Wij mogen ze voor Zijn aangezicht uitspreiden zoals Hizkia de brief van Sanherib in de tempel. Wij mogen de zoete overtuiging voelen dat Hij met ons meeleeft onder onze zware lasten en ze zal verlichten of ons eronder zal ondersteunen. Als zij niet worden weggenomen, zal Hij ze heiligen en laten meewerken voor ons geestelijk en eeuwig welzijn.
Zo is het geloof in het medegevoel van onze gezegende Heere wonderlijk geschikt om gemopper, geklaag en zelfbeklag te bedwingen. Het leert ons onderwerping en berusting in verdrukkingen en verzoent ons met een weg van smart en verdrukking. Het houdt ons het lijden van de gezegende Heere hier beneden voor ogen, de beproevingen die Hij doorstond en Zijn heilige zachtmoedigheid en onderwerping eronder: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Als wij onze smarten en moeiten met de Zijne vergelijken, hoe licht lijken zij dan! Dat brengt berusting teweeg.
En als wij in geloof en liefde omhoog kunnen zien en de eens lijdende Heere nu met ons zien meeleven onder onze verdrukkingen, maakt het zelfs de smart zoet. Er wordt zo in de ziel een gelijkvormigheid aan het stervende beeld van Jezus gewerkt. Er wordt gemeenschap aan Zijn lijden gegeven, een kruisiging van het vlees met zijn bewegingen en begeerlijkheden, een afgestorvenheid aan de wereld, een doding van het hele lichaam van de zonde en een afscheiding van hart en geest van al wat goddeloos en slecht is. En er komt een gemeenschap tot stand met de gezegende Heere aan de rechterhand van de Vader.
Zo mogen wij God danken voor onze verdrukkingen en beproevingen, onze ziekten, onze sterfgevallen, onze verliezen en tegenslagen. Ook voor onze ergernissen en teleurstellingen, onze vervolgingen en het feit dat wij door de wereld en door belijders zonder genade veracht worden. Ook voor onze twijfels, vrezen en oefeningen, onze zuchten en kermen onder een lichaam van zonde en dood. Kortom, wij mogen God danken voor elke stap op de weg van verdrukking die ons dichter bij Jezus brengt.
Elke stap opent ons steeds meer van Zijn liefde en bloed, genade en heerlijkheid, medegevoel en medelijden en alles wat Hij is als barmhartig en getrouw Hogepriester. Hem heeft God uit de doden opgewekt en gezet aan Zijn eigen rechterhand in de hemelse gewesten:
Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel; Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult. (Efeze 1:20-23)
Having attempted, then, to show the nature and prevalency of the intercession of Jesus at the right hand of the Father, and how mercifully and graciously it meets our case as burdened with countless sins and pressed down with innumerable infirmities, we come now to the consideration of the blessed Lord as our most compassionate and sympathizing High Priest in the courts of heaven. Sympathy and compassion are necessary qualifications of a high priest, as sustaining the office of a mediator. A priest implies a sacrifice; a sacrifice implies a sinner; a sinner implies a guilty, burdened wretch, justly deserving of the wrath of God, and therefore in a most pitiable condition. For such a one the high priest offers a sacrifice, that he may obtain thereby the pardon of his sins. He must, therefore, compassionate the case of this guilty sinner, that, as feeling sympathy with him, he may present prayer and supplication on his behalf, that the sacrifice offered for his sins may be accepted. The apostle, therefore, says, “For every high priest, taken from among men, is ordained for men in things pertaining to God, that he may offer both gifts and sacrifices for sins; who can have compassion on the ignorant, and on those who are out of the way; for that he himself also is compassed with infirmity. And by reason hereof he ought, as for the people so also for himself, to offer for sins.” Hebrews 5:1-3. The high priest under the law differed in this point from the blessed Lord in that he was himself a sinner, and as such had to offer sacrifice for his own sins as well as for the sins of the people. By this offering for his own sins two things were intimated—that as a sinner he himself needed a propitiating sacrifice; and, he was reminded thereby that, though a high priest, he was really no better than the sinner for whose sins he offered sacrifice. By this sense, then, of his own sinfulness, thus vividly and distinctly brought before his eyes, he was taught to have compassion on his fellow-sinners, and especially on those who had sinned ignorantly, and were “out of the way” through backsliding or infirmity, for there was no sacrifice provided for presumptuous sinners. Nu 15:27-31.
Our blessed Lord, then, as the great High Priest over the house of God, would not have been suitable to us, as encompassed with infirmities, unless he could compassionate our case, and sympathize with us in our troubles and sorrows. It is true that, as perfectly free from sin, both in body and soul, he had no necessity to offer sacrifice for himself; but, as a most loving and tender High Priest, he could compassionate the sinner without partaking of his sins. But this was not all—for even in eternity, before he gave himself for his people, he had pity on them; and we read that, apart from electing love or saving grace, in the days of his flesh, he had compassion on the hungry multitude. But that he might become a merciful and compassionate High Priest he had to learn sympathy with his people in a very different way. In the wondrous depths of the wisdom and grace of God, he learned to sympathize with us in our afflictions by a personal experience of them. This is the apostle’s declaration—“For we have not a High Priest who cannot be touched with the feeling of our infirmities; but was in all points tempted like as we are, yet without sin.” Hebrews 4:15. And what a most encouraging conclusion does he draw from this most blessed view of the compassion of our once suffering Head—“Let us therefore come boldly unto the throne of grace, that we may obtain mercy and find grace to help in time of need.” Hebrews 4:16.
We showed in the last chapter the close and intimate connection that exists between the two main branches of our Lord’s priestly office—the sacrifice which he offered in the days of his flesh on earth and his present intercession in heaven. So there is a similar connection between the personal experience of suffering and temptation which the Lord endured here below and his present sympathy above—with his tempted and suffering people still in the wilderness. We must not, however, suppose the personal experience of suffering was essential to his knowledge of it. As omniscient in his divine nature, the Lord perfectly knows what his people suffer, for “he knows our frame, he remembers that we are dust.” Psalm 103:14. In this sense he searches and knows us, for he understands our thought afar off; he compasses our path and our lying down, and is acquainted with all our ways. Psalm 139:2,3. As the all-seeing, heart-searching God, he sees and knows all our afflictions and sorrows as he knows everything in heaven and earth. But he could only have the personal experience of suffering by becoming himself a sufferer. This is a deep mystery; but as it is revealed to our faith in the word of truth and is full of blessed consolation to the afflicted family of God, we will approach it with all reverence as a part of our Meditations.
It was the eternal will of God that his dear Son should take the flesh and blood of the children, and that he should take it without sin, but not without suffering. Suffering was a part of the atonement—“For Christ also has once suffered for sins, the just for the unjust, that he might bring us to God.” 1Pe 3:18. Our blessed Lord was “a man of sorrows and acquainted with grief,” not only that by these sorrows and griefs he might redeem us from the depths of the fall—but that he might experimentally learn to feel for, and sympathize with us in our troubles and afflictions.
None can really sympathize with the afflicted but those who have passed or are passing through similar afflictions. We might as well expect an unmarried woman to sympathize with a bereaved widow, as for the unafflicted to sympathize with the afflicted. The very word “sympathy” means a “suffering with”; but how can there be a suffering with another if the suffering itself be personally unknown? The primary element of the whole feeling is lacking, if suffering be absent on the part of the sympathizer. Thus, in order that our blessed Lord might personally, feelingly, and experimentally sympathize with his suffering people, there was a necessity that he must himself suffer. O mystery of mysteries! O wondrous heights and depths of redeeming love! that the Son of God should suffer, not only that he might redeem, but that he might personally feel for and experimentally sympathize with his suffering people!
But though we feel our inability and inadequacy to open up this sacred subject, yet, as we have proposed it as a part of our Meditations, let us now examine this point a little more closely, and see what sufferings the blessed Lord endured that he might learn thereby to sympathize with his afflicted ones, who drink of his cup and are baptized with his baptism.
In viewing these, we cannot well distinguish between the Lord’s sufferings as meritorious and his sufferings as intended to teach him compassion and sympathy; for all his sufferings were a part of his atoning sacrifice—“By his stripes you were healed.” 1Pe 2:24. He that was “wounded for our transgressions and bruised for our iniquities” has also surely “borne our griefs and carried our sorrows.” Isa 53:4,5. In fact, by the sorrows and sufferings of the blessed Lord several purposes, according to the sovereign will and wisdom of God, were at once accomplished, and principally these following:
1. God was glorified, as the Lord himself said, “Now is the Son of man glorified, and God is glorified in him.” John 13:31. “I have glorified you on the earth; I have finished the work which you gave me to do.” John 17:4. By his meek endurance of the sufferings laid upon him, and by his voluntary and patient obedience to the will of his heavenly Father, through the whole course of his suffering life, from the manger to the cross. God was supremely glorified.
2. The work of redemption was fully accomplished.
3. He learned obedience by the things which he suffered. Hebrews 5:8.
4. He left us an example, that we should follow his steps. 1Pe 3:21.
5. He was made perfect; Hebrews 5:9; that is, he became by suffering perfectly qualified to sustain his high office as a merciful and faithful High Priest, who, “in that he himself has suffered being tempted, is able to help those who are tempted.” Hebrews 2:17,18.
It is the last point which chiefly demands our present consideration, as contemplating him now in our nature at the right hand of the Father. The sympathy and compassion of the blessed Lord, as now exercised in the courts of heaven, are chiefly shown under the following circumstances:
1. To his people under affliction.
2. To his people under temptation.
1. The Lord’s people are all, without exception, an afflicted people. This was their promised character from the days of old—“I will also leave in the midst of you an afflicted and poor people, and they shall trust in the name of the Lord.” Zep 3:12. Their afflictions, indeed, widely vary as regards nature, number, length, degree, but all find the truth of that solemn declaration that we must “through much tribulation enter into the kingdom of God.”
1. Thus, some are afflicted in body, racked with continual pain, or suffering perhaps for years from some severe illness which may not much shorten life, yet render life often a burden. If health be the greatest, as all must admit, of temporal blessings, the lack of it must be the greatest of all temporal miseries. The blessed Lord, indeed, had no personal experience of sickness, for in his holy, immortal body there were the seeds neither of sickness nor death; but he experienced bodily pain, as when scourged by Pilate’s command, when he wore the crown of thorns, when struck and buffeted by the crude Roman soldiery, and more especially when nailed to the cross. Thus, even in the matter of bodily suffering, our gracious Lord can sympathize from personal experience with his poor afflicted family still in the flesh who are racked with pain on their bed of languishing.
2. Many again of the Lord’s people are deeply tried in providence. Poverty is the daily cross of many of the excellent of the earth. But what a personal experience their gracious Lord had of this sharp trial, who had neither purse nor bag, but was maintained by the contributions of the women who ministered to him of their substance. Luke 8:3. Did he not hunger in the wilderness, and before the barren fig-tree? Did he not thirst at Samaria’s well and on the cross? And did he not say of himself, “The foxes have holes, and the birds of the air have nests, but the Son of man has nowhere to lay his head?” Matthew 8:20. He who for our sakes became poor that we through his poverty might be rich, not only spiritually made himself poor by laying aside his divine glory, but actually and literally made himself poor by voluntarily submitting to the pain and pressure of bodily poverty.
3. Others of the Lord’s people are subject to cruel persecutions. This, indeed, has been the lot of all the saints from the days of righteous Abel, and will be to the end of time, for “all that will live godly in Christ Jesus shall suffer persecution.” Fire and faggot are now unknown, and the spirit of the times, at least in this country, will not allow fine and imprisonment, and the other acts of violence which our godly forefathers endured for conscience sake; but the scourge of the tongue is still wielded, heads cut off instead of ears, and reputations branded instead of foreheads. But what a deep and personal experience had the blessed Lord of persecution from the day that Herod sought his life until he was nailed to the cross! How every word was watched which fell from his lips, every action misinterpreted, his character calumniated as a glutton and a wine-bibber, and shame and contempt poured upon him until, as the consummation of hatred, and to cover him, as they thought, with everlasting ignominy, they crucified him between two thieves.
4. Others of the Lord’s people suffer from the treachery of false friends. Had not our blessed Lord an experience of this in the treachery of Judas, so that he could say, “He who eats bread with me has lifted up his heel against me.”
But it is not necessary for us to dwell longer on those temporal afflictions which press down so many of the Lord’s people, but in which their gracious Head still sympathizes with them. He who wept at the grave of Lazarus; he who had compassion on the widow of Nain, Luke 7:13, on the beseeching leper, Mark 1:41, on the man possessed with a devil, Mark 5:19, on the blind, Matthew 20:34, and on the fainting, scattered multitudes, Matthew 9:36, surely pities and sympathizes with his people in all their temporal sorrows, however diversified.
These, though heavy, are not the severest afflictions which befall the saints of the Most High. We will now, therefore, divert our thoughts to those spiritual sorrows and troubles which all the family of God experience, though these, too, vary widely in number and degree, yet are allotted to each living member of the mystical body of Christ, according to the appointed measure. In these, as peculiar to the Lord’s people, Jesus has a special sympathy with his afflicted people, for of this cup he drank to the very dregs, and with this baptism he was baptized with all its billows and waves rolling over him. Whatever spiritual troubles and sorrows the Lord’s people may be called upon to endure, their gracious Lord and Master suffered much more deeply than their heart, however deeply lacerated, can feel or their tongue, however eloquent, can express. But we will look at some of these SPIRITUAL AFFLICTIONS, and endeavor to show how the blessed Lord had a personal experience of them, and thus learned to sympathize with his people under them.
1. The chief burden of the Lord’s living family is sin. This is the main cause of all their sighs and groans, from the first quickening breath of the Spirit of God in their hearts until they lay down their bodies in dust.
But it may be asked, what experience could the blessed Lord have had of sin. Seeing he was perfectly free from it both in body and soul? It is indeed a most certain and a most blessed truth that our gracious Redeemer “knew no sin;” 2Co 5:21; was “a lamb without blemish and without spot;” 1Pe 1:19; and was “holy, harmless, undefiled, and separate from sinners.” Hebrews 7:26. Still, sin was so imputed to him, and the Lord so “laid on him the iniquities of us all,” that he felt them just as if they had been his own. “He was made sin for us;” its guilt and burden were laid on his sacred head, and so became by imputation his, that it was as if he had committed the sins charged upon him.
Take the following illustration. View sin as a debt to the justice of God. Now, if you are a surety for another, and he cannot pay the debt, it becomes yours just as much as if you had yourself personally contracted it. The law makes no distinction between his debt and yours; and the creditor may sell the very bed from under you to pay the debt, just as if you were the original debtor. So the blessed Lord, by becoming Surety for his people, took upon him their sins, and thus made them his own. How else can we explain those expressions in the Psalms, which are evidently the language of his heart and lips, such as the following? “For innumerable evils have compassed me about; my iniquities have taken hold upon me, so that I am not able to look up; they are more than the hairs of my head; therefore my heart fails me.” Psalm 40:12. Does not the Lord here speak of his iniquities taking hold upon him, so that under their weight and burden he could not look up, and that they were more in number than the hairs of his head?
2. With the burden and weight of sin comes the wrath of God into the sinner’s conscience; and this is the most distressing feeling that can be well experienced out of hell. So the blessed Lord, when he took the burden and weight of sin, came under this wrath. This was “the horrible pit” into which he sank, Psalm 40:2, “the deep mire in which there was no standing,” “the deep waters where the floods overflowed him.” Psalm 69:2. This made him say, “For my days are consumed like smoke, and my bones are burned as a hearth. My heart is smitten and withered like grass, so that I forget to eat my bread. For I have eaten ashes like bread, and mingled my drink with weeping, because of your indignation and your wrath; for you have lifted me up and cast me down.” Psalm 102:3,4,9,10. None who read the word of truth with an enlightened eye can doubt that these Psalms refer to the blessed Lord, and that it is he who speaks in them.
3. Then there is the curse of the law, which peals such loud thunders, and sinks so deeply into the heart and conscience of the awakened sinner. But did not Jesus endure this too? Surely he did, both in body and soul, as the apostle declares, “Christ has redeemed us from the curse of the law, being made a curse for us; for it is written. Cursed is every one that hangs on a tree.” Ga 3:13.
4. Then there are the hidings of God’s countenance, the withdrawings of his presence, and his forsakings of the soul that still hangs upon him and cleaves to him. But cannot our gracious Lord here deeply sympathize with his people who are mourning and sighing under the hidings of God’s countenance, for was not this the last bitter drop of the cup of suffering which he drank to the very dregs? Did heaven or earth ever hear so mournful a cry as when the darling Son of God, in the agony of his tortured soul, cried out, “My God, my God! why have you forsaken me?”
Thus, whatever in number or degree be the spiritual griefs and sorrows of the Lord’s people; whatever convictions, burdens, sorrows, distresses, pangs of conscience, doubts, fears, and dismay under the wrath of God, the curse of the law, the hidings of his face, and the withdrawings of the light of his countenance they may grieve and groan under. Jesus, their blessed Forerunner, experienced them all in the days of his flesh, and to a degree and extent infinitely beyond all human conception. Can any heart conceive, or any tongue express what the dear Redeemer experienced in the garden of Gethsemane, when his soul was exceeding sorrowful, even unto death; when he thrice prayed that the cup might pass from him, and being in an agony, prayed more earnestly, so that his sweat was as it were great drops of blood falling to the ground? Might he not truly say, “Is it nothing to you, all you that pass by? Behold and see if there be any sorrow like unto my sorrow, which is done unto me, with which the Lord has afflicted me in the day of his fierce anger.” La 1:12.
An awakened sinner, under divine quickening, has to bear but the weight of his own sins; but Jesus had to bear the sins of millions. It is at best but a few drops of the wrath of, God, and that wrath as already appeased, that fall into a trembling sinner’s conscience; but Jesus had to endure all the wrath of God due to millions of ransomed transgressors. It is but the distant peals of the law which sound in a convinced sinner’s soul; but the whole storm burst upon the head of the Surety. In a little wrath God hides his face from his Zion for a moment; but in great wrath he hid his face from his dear Son. Thus, whatever be the spiritual sorrows and troubles of afflicted Zion, even though she be “tossed with tempest and not comforted,” in all she has a Head who suffered infinitely more than all the collective members. They do but “fill up what is behind of the afflictions of Christ;” Col 1:24; but O how small is that measure of affliction compared with his! It was, then, his personal experience of these spiritual afflictions which makes the blessed Lord so sympathizing a High Priest at the right hand of God. Though now exalted to the heights of glory, he can still feel for his suffering saints here below. The garden of Gethsemane, the cross of Calvary, are still in his heart’s remembrance, and all the tender pity and rich compassion of his soul melt towards his afflicted saints; for,
His heart is touched with tenderness.
His affections melt with love.
But the gracious Lord can also sympathize with his saints under all their TEMPTATIONS. This is a deep mystery, but not more deep than blessed; and as it is pregnant with consolation to the tried and tempted children of God, we will attempt to unfold it to the best of our ability. The Holy Spirit expressly declares that our blessed Lord “was in all points tempted like as we are, yet without sin.” Hebrews 4:15. This, then, we must accept as a most solemn and, as viewed by faith, a most blessed truth. Nor must we limit the language of the Holy Spirit, but as he has said “in all points,” so must we receive it on the testimony of him who cannot lie.
But as the word “temptations” has in the original two significations, including in its meaning “trials” as well as “temptations” properly so called, we will extend the sense of the term, and view our Lord’s trials, and our Lord’s temptations. The distinction between them is sufficiently evident. Trials may have God for their author, but not temptations, for we are expressly told that God tempts no man. James 1:13. Indeed, as temptation implies the presentation of sin to the mind, it would make God the Author of sin to make him the Author of temptation. But do we not read, it may be asked, that God “tempted Abraham?” Genesis 22:1. The word “tempted” there should be rendered “tried,” for in Hebrew as well as Greek the same word means to tempt and to try. God did not tempt Abraham to sin, as Satan tempted Eve, or as he tempted David, but “tried” him, as the apostle speaks, Hebrews 11:17, whether his faith was genuine.
Thus our blessed Lord was tried, and tried by God himself; for he is “a stone, a tried stone,” of God’s own laying. Isa 28:16. When the Father provided him with a body in which to do his will, he became God’s servant, as he speaks, “Behold my servant, whom I uphold; my elect, in whom my soul delights.” Isa 42:1. As a servant he yielded obedience, for he became obedient unto death, even the death of the cross. Php 2:8. His obedience was a tried obedience. God tried it; men tried it; devils tried it; enemies tried it; friends tried it. The weakness and ignorance of his disciples; the treachery of Judas; the desertion and denial of Peter; the craft and malice of the Scribes and Pharisees; the unbelief and infidelity of the people; the sins by which he was surrounded; the sinless infirmities of the flesh and blood which he had assumed—as hunger, thirst, and weariness, the long journeyings, nightly watchings, the daily spectacle of sickness and misery—all these, and a thousand other circumstances beyond our conception tried the blessed Lord during his sojourn here below. But he bore all that was laid upon him. The purity of his human nature, in which were no seeds of sin actual or original, the strength of his divine nature with which it was in union, and the power of the Holy Spirit, which rested on him without measure, all concurred to bring him through every trial, and give him victory over every foe.
But by these trials he learned to sympathize with his tried people. He is “touched with the feeling of our infirmities.” Hebrews 4:15. We may then freely go to him with our trials, may spread them before his face, as Hezekiah did the letter of Sennacherib in the temple, may feel a sweet persuasion that he sympathizes with us under our heavy burdens, and will alleviate them, or support us under them, or if they be not removed will sanctify them, and make them work for our spiritual and eternal good. Thus faith in the sympathy of our blessed Lord is wonderfully calculated to subdue fretfulness, murmuring, and self-pity, to teach us submission and resignation under afflictions, and to reconcile us to a path of sorrow and tribulation. It brings before our eyes the sufferings of the blessed Lord here below, the trials which he endured, and his holy meekness and submission under them when he was led as a lamb to the slaughter, and as a sheep before her shearers is dumb, so he opened not his mouth. If we compare our sorrows and troubles with his—how light they seem! This works submission to them, and when we can look up in faith and love, and see the once suffering Lord now sympathizing with us under our afflictions, it makes even sorrow sweet.
A conformity to the dying image of Jesus is hereby wrought into the soul, a fellowship given of his sufferings, a crucifixion of the flesh with its affections and lusts, a deadness to the world, a mortification of the whole body of sin, a separation of heart and spirit from everything ungodly and evil, and a communion produced with the blessed Lord at the right hand of the Father.
Thus we may bless God for our afflictions and trials, our sicknesses, our bereavements, our losses and crosses, our vexations and disappointments, our persecutions, our being despised by the world and graceless professors, our doubts, fears, and exercises, our sighs and groans under a body of sin and death, and, in a word, for every footstep in the way of tribulation which brings us nearer to Jesus, and opens to us more and more of his love and blood, grace and glory, sympathy and compassion, and all that he is as a merciful and faithful High Priest, whom God has raised from the dead, and seated at his own right hand in the heavenly places, far above all principality and power and might and dominion and every name that is named, not only in this world, but also in that which is to come; and has put all things under his feet, and gave him to be the head over all things to the church, which is his body, the fullness of him that fills all in all. Eph 1:21-23.