Joseph Charles Philpot
J.C. Philpot

Nieuwjaarsboodschap 1867: De rivier van de tijd en het gevaar van zelfbedrog

Philpot vergelijkt de tijd met een rivier die ons naar de eeuwigheid voert en waarschuwt voor het gevaar van zelfbedrog en een belijdenis zonder goddelijk leven. Daarna overziet hij het gebeurtenisrijke jaar 1866 en vertrouwt hij het nieuwe jaar toe aan Gods hulp.

Hoe duidelijk herinnert elk terugkerend jaar ons aan het vliegen van de tijd. Altijd voortrollend als een machtige rivier en ons dragend op haar brede en snelle boezem voert de tijd ons onophoudelijk voort, gewillig of ongewillig. De tijd, die geheimzinnige, onverklaarbare en onverbiddelijke loop van de natuur die wij met die naam noemen, voert ons naar de uitgestrekte en grenzeloze oceaan van de eeuwigheid waarin zij uitmondt en waarin zij wordt opgenomen en verloren.

Wij hebben ons niet zelf op deze machtige, wijd uitgespreide en eeuwig stromende rivier te water gelaten, maar bevonden ons, toen de rede ontwaakte, al drijvend op haar. En zoals wij het begin niet kennen, zo dachten wij weinig aan het einde van de reis. Te midden van het spel en de tranen van de kindertijd, de studies en het spelen van de jongenstijd, de luchtige dromen en ontwakende hartstochten van de jeugd of de ernstiger bezigheden van de rijpere mannelijke leeftijd brachten de meesten van ons hun dagen door zonder acht te slaan op het vliegen van de tijd en zonder bezorgdheid dat wij elke dag dichter bij de eeuwigheid kwamen.

Leven en tijd waren bij ons zo met elkaar verbonden dat zij één leken te zijn. Wij wisten niet, of als wij het wisten werd de gedachte meteen als een ongewenste indringer opzijgeschoven, dat zij in werkelijkheid zo onderscheiden waren dat het voor ons spoedig geen tijd meer zou zijn maar dat ons leven nooit zou ophouden te zijn. Maar de Heere, Die gedachten van genade over ons had en meer om ons gaf en ons meer liefhad dan wij onszelf, liet niet toe dat wij ooit zouden leven zoals wie geen hoop hebben en zonder God in de wereld zijn.

Hij Die ons in Christus had uitverkoren voor de grondlegging der wereld en ons op het bestemde tijdstip zonder onze toestemming of kennis te water had gelaten op de rivier van de tijd, liet niet toe dat wij ooit zonder dat eeuwige leven zouden blijven dat Hij ons in Zijn dierbare Zoon had gegeven. Hij had ons op die rivier gezet opdat zij ons in de oceaan van de eeuwigheid zou brengen, om daar voor altijd in Zijn tegenwoordigheid en in het genot van Zijn liefde te wonen. Dat leven bestaat in het kennen van den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.

Het heeft Hem daarom behaagd door een bijzondere daad van Zijn soevereine genade en goddelijke kracht onze zielen tot geestelijk leven levend te maken. Zijn handelwijzen met ons zijn zo verschillend geweest, zowel in de voorzienigheid als in de genade, dat er geen vaste maatstaf kan worden opgesteld of strikte lijnen kunnen worden getrokken die elk geval omvatten, want Hij is Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil. Toch kunnen wij er althans van zeggen dat zij allemaal wegen van barmhartigheid en waarheid zijn geweest.

Zij hebben allemaal naar één en hetzelfde punt gestreefd en waren op één en hetzelfde doel gericht: Zichzelf te openbaren en te verheerlijken in onze volle en vrije zaligheid, de Zoon van Zijn liefde aan ons hart te openbaren en in onze genegenheden een plaats te geven en ons zo geschikt te maken om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht. Dit mogen wij althans zeggen: het is ons voornaamste doel en streven om dit te verwezenlijken en te genieten, hoewel wij in veel opzichten sterk tekort lijken te schieten en door de kracht van verzoeking en ongeloof nog vele pijnlijke beproevingen kunnen hebben die zowel ons geloof als onze lijdzaamheid oefenen.

Als de tijd dan volgens ons beeld een rivier is en wij ons erop hebben ingescheept en nu op haar boezem naar beneden drijven, kan het goed zijn om zo nu en dan te onderzoeken wat de hoop en vooruitzichten zijn dat onze reis een gelukkig einde zal hebben.

De loop van de rivier is bochtig en kronkelend. De oevers zijn soms als uit het zicht en soms bijna tegen elkaar. De stroom is diep en snel en het vaarwater vol verborgen rotsen. De bemanning is voor het merendeel zorgeloos voor het gevaar en meer gericht op genot en vermaak dan geneigd tot waken of werken. En weinigen aan boord lijken de gevaren van de reis te beseffen of bezorgd naar het einde uit te zien.

Dat het moet eindigen weten wij allen, maar wanneer en hoe weten wij niet. Zal het einde spoedig zijn? Zal het einde gelukkig zijn? Zal het ons, wanneer het komt, voorbereid vinden om zo’n plechtige gebeurtenis te ontmoeten? Dit zijn vragen die onze gedachten wel mogen bezighouden en ons gemoed tot ernstig gebed en zelfonderzoek mogen leiden over hoe het er persoonlijk met onszelf voorstaat.

Bij sommigen van ons lijkt de uitgestrekte oceaan, door toenemende leeftijd of de inbreuken van ziekte en zwakte, bijna in zicht. Haar golven worden al rollend en wit schuimend aan de nevelige horizon gezien. Wanneer wij eenmaal haar deining ontmoeten en zij ons zwakke vaartuig op en neer beginnen te slingeren en over het dek slaan alsof zij ons levend willen verslinden, zoals die in den kuil dalen, dan zal de werkelijkheid van ons geloof en onze hoop worden bewezen. Dan zal openbaar worden of onze godsdienstige belijdenis slechts een naam van te leven was of het gevolg en de vrucht van een levend werk van God in onze ziel.

Welk een rijke barmhartigheid zal het dan zijn onze bewijzen zo helder opgeklaard te hebben, ons geloof zo vergroot en sterk, onze twijfels en vrezen zo volkomen verdreven en onze ziel zo gezegend en begunstigd met de glimlach en de tegenwoordigheid van de Heere dat wij, wanneer de dood komt, niets anders te doen hebben dan te sterven. Maar hoewel het hele werk van Zijn genade is en wij op dat plechtige uur niets zullen hebben en niets zullen genieten dan wat Hij vrijelijk geeft (want zonder Hem kunnen wij niets doen), zal het onze wijsheid en barmhartigheid zijn te letten op de eigen woorden van de Heere van tevoren, zolang leven en gezondheid en gelegenheid het nog toelaten.

Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. En zijt gij den mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen. (Luk. 12:35-36.) Ook op een andere plaats houdt Hij ons genadig voor: En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome. En hoe dringt Hij het ons op het geweten: Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen. (Luk. 21:34; Luk. 21:36.)

Niets is gemakkelijker, zoals niets gewoner is, dan zelfbedrog op een punt waar zelfbedrog eeuwig verderf is. De meest argwanende mensen zijn hier het minst argwanend. Het scherpe oog dat elke schijn van bedrog buiten onderzoekt, richt nooit zijn blik om te onderzoeken welk bedrog er van binnen kan plaatsvinden, en wie iedereen verdenkt, verdenkt nooit zichzelf.

Wanneer het huis door rovers wordt bedreigd, wordt bijna geen voorzorgsmaatregel genoeg geacht om het gevaar te keren. Grendels en sloten, ijzeren luiken en brandkasten worden gekocht en een heel leger politie en nachtwakers wordt betaald om te beschermen tegen verlies van eigendom door geweld. Elke controle die vernuft kan bedenken is uitgevonden om te beschermen tegen verlies van eigendom door bedrog.

Maar welke zorg of voorzorg wordt genomen, welke angstige dagen of waakzame nachten worden doorgebracht, opdat de gewelddadige aanvallen van de zonde of de listige bedriegerijen van Satan ons niet van onze eigen ziel beroven? Nee, zozeer zijn de meesten bereid beroofd te worden van dat kostbare kleinood waarvan het verlies hun alles doet verliezen. Zozeer verlangen zij bedrogen te worden in juist die ene, wij kunnen bijna zeggen enige zaak waaruit herstel onmogelijk is, dat zij mensen er speciaal voor betalen om hen te beroven en te bedriegen. Zo draagt degene die hen het meest schaamteloos berooft en het grondigst en meest succesvol bedriegt als loon in betaling of populariteit de hoogste prijzen van zijn beroep weg.

Wij zeggen niet dat al deze enorme massa van beroving en bedrog met opzet en welbewust gebeurt, hetzij door de rover of de beroofde, de bedrieger of de bedrogene. Want het woord van de waarheid verklaart van boze mensen en bedriegers dat zij verleidende en wordende verleid zijn: eerst verleid zodat zij hun eigen leugen geloven en dan door bedrog die leugen aan anderen trachten op te dringen. (2 Tim. 3:13.)

Maar bedriegen, in slaap sussen, Vrede, vrede! uitroepen waar geen vrede is en kussens naaien voor alle okselen der armen is voor elk onderscheidend oog buiten alle twijfel of vraag het drukke bedrijf en de actieve bezigheid van honderden mensen en predikanten. Zij weten zelf niets van het onderwijs en getuigenis van de zalige Geest of van het werk des geloofs met kracht. Zij rusten zelf en brengen anderen gemakkelijk ertoe ook te rusten in een gedaante van godzaligheid terwijl zij de kracht ervan verloochenen.

De Heere heeft ons plechtig en herhaaldelijk gewaarschuwd tegen al zulke dieven en rovers. Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? (Matth. 7:15-16.) Ja, aan hun vruchten kunnen wij hen kennen. Want waar zien wij bij hen die vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God?

Waar zien wij bij hen of bij hun volgelingen die afscheiding van de wereld, die vreze Gods, die tederheid van geweten, die nederigheid van ziel, die gebrokenheid van hart en verslagenheid van geest, die geestelijke gezindheid en spraak, die heiligheid van leven en bestendigheid in wandel en gedrag? Dat zijn de schriftuurlijke kentekenen en vruchten van levende godsvrucht.

Maar behalve dat wij onze ogen op anderen richten en hen wegen in de weegschalen van het heiligdom, wat vaak nodig is om onze eigen voeten te leiden en ons eigen gedrag te bepalen, hebben wij dan niet ook nodig bijzonder op onszelf te letten en onze eigen godsdienst goed en zorgvuldig in dezelfde feilloze weegschalen te leggen? Anders zouden wij, al is het op een andere manier, in dezelfde vreselijke val van Satan kunnen vallen. Velen zien anderen verkeerd die zichzelf niet verkeerd zien. Zij snijden, zoals David, een struikelende naaste onbarmhartig af terwijl zij een struikelend zelf teder sparen.

Maar de Heere heeft ons een plechtige waarschuwing gegeven om op onszelf te letten: Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. (Matth. 7:21.) Wij hebben geen ander getuigenis nodig om ons te overtuigen dat velen die door valse hoop, van zichzelf of van anderen, worden opgehouden zich vreselijk zullen vergissen en wat het geloof betreft schipbreuk zullen lijden.

Weinig van de schepen die wij nu aan alle kanten hun zeilen zien spreiden zullen een gelukkige reis maken. De meesten zullen vergaan op die plek waar de rivier in de zee uitmondt en tijd en eeuwigheid elkaar ontmoeten. Hoe zal het met ons gaan? Zullen wij te midden van zoveel wrakken aan de algemene ramp ontsnappen? Niet allen wier ogen op deze bladzijden rusten zullen God zien of Zijn aangezicht in gerechtigheid aanschouwen.

Maar hoe zeldzaam is het een waarschuwende stem te horen van de kansel of uit de pers tegen de kwaden en gevaren van zelfbedrog. Hoe zeldzaam is het in enige preek, gepredikt of gedrukt, een nauwgezet, doorzoekend woord te vinden dat gericht is aan het hart en geweten van hen die belijden de waarheid te hebben ontvangen. De goddelozen worden gewaarschuwd en de doden in zonden met onsparende hand afgesneden. Zoekenden worden aangemoedigd om door te drukken, de neergeslagenen getroost en de leerstukken van de genade vrijmoedig en getrouw verkondigd.

Maar waar worden wij gewaarschuwd tegen het gevaar van zelfbedrog, van een genadeloze belijdenis, van slechts een naam te hebben van te leven, van rusten op oppervlakkige, gebrekkige bewijzen en van uiteindelijk tekort te komen aan het eeuwige leven? Dit zijn juist de punten waarover levende zielen gewoonlijk het meest geoefend zijn en waarin zij vinden en voelen dat het gevaar vooral woont.

Er wordt stilzwijgend aangenomen dat allen die belijden de waarheid te hebben ontvangen echte gelovigen zijn en dat juist hun ontvangen van de waarheid een bewijs is van goddelijk leven. Maar deze stilzwijgende aanname maakt zich aan twee kwaden schuldig. Ten eerste gaat zij voorbij aan juist die plaatsen in de bevinding waar de levende familie gewoonlijk het diepst beproefd wordt. En ten tweede bepleistert zij met loze kalk een muur die op vallen staat en die veeleer moet worden afgebroken.

Ter bevestiging hiervan hoeft u maar om u heen te kijken. Als u op enigerlei wijze verbonden bent, zoals waarschijnlijk wel, met een plaats en een volk dat de waarheid belijdt, hoeft u niet ver te zoeken. In onze gemeenten en gehoren hebben wij tientallen die wij gewone gelovigen mogen noemen. Zij horen graag de waarheid. Zij zijn warm gehecht aan de predikant en zijn bediening en zullen beide, als zij worden aangevallen, vrijmoedig verdedigen.

Hun leven is voor het grootste deel bestendig en hun plaats in de kerk nooit leeg. Zij steunen de zaak, wanneer zij het kunnen betalen, royaal en zonder morren. Zij stellen belang in de zondagsschool en zijn daar vaak zeer nuttig. Zij nemen de Standard en andere godsdienstige boeken en lezen die regelmatig. Zij hebben hun persoonlijke gebeden en huisgebeden en missen zelden de gebedsbijeenkomst.

Bovendien zijn zij op grond van enkele bewijzen, hun algemeen onberispelijk karakter en gedrag en de positie die zij lang in het gehoor hebben ingenomen, misschien in de gemeente opgenomen. Zij hebben genoeg licht en kennis van de dingen van God om daarin een achtenswaardige en zogenaamd eervolle positie te handhaven. En toch ontbreekt bij dit alles, dat er van buiten zo goed en veelbelovend uitziet, van binnen datgene zonder dat hun hele belijdenis ijdel is. Hier is het fatale geheim. Het kan in één korte zin worden samengevat: zij missen goddelijk leven.

En zo is hun godsdienst die van een bel of een bugel, levenloze dingen, die geluid geven, een louter lawaai, een klinkend metaal, of luidende schel. Met al hun belijdenis, al hun goede eigenschappen, hun beminnelijkheid, hun bestendigheid, hun mildheid, hun steun aan de zaak, hun ijverige opkomst bij de genademiddelen en hun vele uitstekende punten, waarvoor wij hen niet anders dan kunnen achten en bewonderen, schieten zij tekort in juist datgene wat te hebben eeuwige zaligheid is en te missen eeuwig wee.

De Heilige Geest heeft hun zielen nooit levend gemaakt of wedergeboren. Zij hebben alles behalve dat ene, zonder dat zij alles missen wat de moeite waard is om te hebben en niets bezitten wat de moeite waard is om te bezitten. Zo zijn zij, dood voor God, even ver van het koninkrijk der hemelen in tegenwoordige genade en toekomstige heerlijkheid als de vloeker of de dronkaard.

Onze taal mag hard lijken. Maar wij beroepen ons met vertrouwen op uw eigen ervaring en oordeel, u die goddelijke werkelijkheden kent door goddelijk onderwijs. Is onze beschrijving niet waar? Voelt u zelf in uw binnenste niet dat u op dit moment uw handen kunt leggen op verscheidene, zo niet vele personen op wie zij tot op de letter van toepassing is? Maar welke preekstoel, welk boek waarschuwt zulken tegen de gevaren van hun huidige belijdenis?

Wij zien hen overal in onze kapellen, misschien een groot deel van het gehoor vormend, schuilend onder een gezonde, leerstellige bediening. En toch kan het geen onderscheidend oog ontgaan dat zij, althans nu, buiten het geheim van levende godsvrucht staan. Sommigen van hen zijn zelfs eerlijk genoeg om dat te erkennen.

Maar hoe vaak vinden wij een bediening die hun geen onderdak onder haar vleugelen biedt, die eerlijk en getrouw met hun zaak omgaat, die probeert een woord van overtuiging aan hun geweten vast te maken en hen uit alle valse toevluchtsoorden te drijven?

Het antwoord op onze aanklacht zal waarschijnlijk zijn: wij mogen de kleinen niet neerslaan of bedroeven. Als wij altijd zouden zijn zoals u misschien zou willen, onze hoorders waarschuwend tegen zelfbedrog en aanwijzend hoe ver iemand in de godsdienst kan komen en toch niets zijn, zouden wij het hart des rechtvaardigen bedroeven en de lammeren ontmoedigen. Ons is geboden het evangelie te prediken en het volk van God te troosten. Als anderen troost nemen aan wie die niet toebehoort, is dat niet onze schuld.

Maar is getrouwheid dan geen deel van uw bediening? Moet u zich niet door openbaring der waarheid aanbevelen bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods? Als u de zondaar waarschuwt, moet u dan niet ook de belijder waarschuwen? U moet niemand willens bedriegen, maar kunt u er niet velen toe helpen zichzelf te bedriegen?

Maar er kan misschien een goede reden zijn voor al dit gebrek aan getrouwheid. Bent u zelf ooit geoefend over uw eigen staat en stand? Wordt u ooit in uw eigen ziel beproefd over de werkelijkheid van uw eigen godsdienst? Vreest u ooit dat u zelf misschien bedrogen bent? Wordt u nooit neergeslagen of geoefend door het gebrek dat u in uzelf vindt aan evangelische genade en evangelische vrucht?

Ziet en voelt u nooit in uw eigen geval hoe ver u als prediker zou kunnen komen, en als een ernstige, aanvaarde en misschien ook populaire prediker, en toch uiteindelijk het eeuwige leven zou kunnen missen? Misschien zou het uw bediening in dit zeer belangrijke opzicht scherpte en snede geven als u zelf meer geoefend was over uw eigen godsdienst. U zou de mensen niet zo gemakkelijk laten gaan en ook niet zo gemakkelijk binnenlaten. U zou hun niet toestaan zich zo rustig onder uw bediening te beschutten of de gemeente in te glippen met zo weinig moeite.

Ook uw bezwaar dat u de ‘kleinen’ zou bedroeven als uw bediening doorzoekender was, heeft weinig gewicht, zo al enig. Neem aan dat uw bediening wat meer scherpte en snede kreeg en dat een paar knijpen vers zout erbij sommige pijnlijke gewetens deed branden en sommige wonden scherper deed steken. Zou dat haar doeltreffendheid schaden of haar waarde en aanvaardbaarheid voor de familie van God verminderen?

Sommigen die oppervlakkig genezen waren zouden het mogelijk uitschreeuwen als de oude wond werd opengereten en sommige van de bangen en beproefden zouden van vrees mogen beven en sidderen. Maar zou dat de een of de ander schaden? Uw scherpe, snijdende slagen zouden het leven van God in hun ziel niet schaden of zelfs maar raken, maar het meer aan het licht brengen door zijn vleselijke omhulsel weg te snijden.

U kunt de kleinen beter kreunend naar huis sturen dan juichend in een valse vrede. Zij zullen meer moeten kreunen en zuchten dan u hen ooit kunt laten doen voordat zij krijgen wat zij nodig hebben en zonder dat zij nooit bevredigd zullen zijn. En stellig is er nooit een dag geweest waarop een doorzoekende, onderscheidende bediening meer nodig was en, zo mogen wij toevoegen, meer algemeen werd tegengestaan. Maar hoe meer zij wordt weggeschopt, veroordeeld en als wettisch afgekraakt, des te meer blijkt de noodzaak ervan.

Laat ons inderdaad proberen elke terechte grond van verwijt ervan weg te nemen. De waarschuwende stem hoeft niet, ja behoort niet, vermengd te zijn met enige bitterheid, hardheid, oordeelzucht, snijdende woorden of heftige uitdrukkingen. Sommigen menen dat er geen getrouwheid kan zijn zonder hardheid of heftigheid. Maar dit is een vergissing in het tegenovergestelde uiterste. Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. (Jak. 1:20.) Toorn en hardheid, woede en bitterheid, spot en ironie, aanvallen op karakter en toeschrijving van motieven, namen en plaatsen, directe of onmiskenbare toespelingen zijn alle vreemd aan het hele karakter en de geest van het evangelie.

Dit zijn de kentekenen van de arbeider die het Woord der waarheid recht snijdt en het kostelijke van het snode uittrekt: liefde tot de zielen van mensen; tederheid en vriendelijkheid in manier en uitdrukking; ernstig verlangen dat het woord in een geest van genegenheid wordt ontvangen; het punt na punt op het geweten drukken, vastberaden en toch zacht. Hij hanteert het mes zo dat het elk ziek deel wegsnijdt en het gezonde deel ongedeerd laat en er zelfs voordeel van laat hebben. Hij heeft een onwil om te veel pijn te doen en toch een vaste vastberadenheid om te doen wat gedaan moet worden, grondig en onverschrokken.

Maar de vraag kan bij sommigen van onze lezers opkomen: „Dit kan allemaal heel waar en heel goed zijn, maar wat heeft het te maken met de Jaarlijkse Boodschap?” Mogen wij op onze beurt niet vragen: „Zijn deze gedachten, deze oefeningen, deze vragen niet passend bij de huidige gelegenheid?” Het begin van een nieuw jaar vormt als het ware een geschikt standpunt van waaruit wij zowel terug als vooruit kunnen kijken, zowel naar buiten als naar binnen, naar onszelf en naar anderen, en een algemeen overzicht kunnen nemen van de gemeente en de wereld. Wij zijn zojuist uit het voorbije jaar gekomen en staan op de drempel van het jaar dat is gekomen. Verleden, heden en toekomst kunnen wij met een snelle blik overzien.

Weinigen die ernstige, plechtige gedachten hebben over de eeuwigheid, weinigen wier godsdienst een werkelijkheid is en geen louter naam of notie, weinigen die leven in een gewoontegedachte aan de tegenwoordigheid en kracht van God, weinigen wier harten door Zijn vinger zijn aangeraakt en zo teder gemaakt zijn voor Hem, gaan de eerste dag van het jaar voorbij zonder enige geestelijke erkenning ervan.

In hun verborgen nadering tot de troon, in hun huisgodsdienst en op verschillende momenten van de dag zal het begin van het nieuwe jaar bij velen die God vrezen een onderwerp zijn van gebed of overdenking. En toch zouden zij zich onthouden van elke wettische of bijgelovige onderhouding van dagen, en maanden, en tijden, en jaren.

Waarom zouden wij dan niet de gelegenheid aangrijpen die onze Jaarlijkse Boodschap ons biedt om zowel terug als vooruit te kijken, zowel naar buiten als naar binnen, naar de staat van de gemeenten evengoed als de staat van onze eigen zielen? Wij moeten niet voortdurend de tredmolen lopen of aan de riem van deze wereld trekken. Er is iets hogers en heiligers om aan te denken, iets dat onze ernstige gedachten, bezorgde zorgen en warmste genegenheden bezighoudt naast en voorbij de winkel of de boerderij, de toonbank of het kantoor, de werkbank en het weefgetouw, de vrouw en de kinderen, de kast en de provisiekamer, het zweet van het voorhoofd of de inspanning van de geest.

Wij roemen op onze vrijheid. Maar wat is onze vrijheid waard als wij onze nek nooit onder de ketting van de zaken vandaan kunnen krijgen en onszelf nooit wat rustige rust mogen gunnen van de kwellende zorgen van het leven en de knagende bekommernissen van deze wereld?

God heeft ons in Zijn barmhartigheid in elke week een dag gegeven om te rusten en stil te staan te midden van de zorgen, de zaken en de maalstroom van het leven. Wij mogen wel zeggen dat God die dag ons heeft gegeven, want zo’n weldaad voor mens en dier zou nooit door mensen zijn gegeven of aangenomen. En dankbaar aanvaarden wij wat Hij genadig heeft gegeven. Maar zonder de steeds terugkerende dag des Heeren, zonder de rust van lichaam en ziel die dan wordt gegeven, zonder de diensten van het heiligdom, de samenkomst in het huis des gebeds, de zaligheid van een gepredikt evangelie en de opwekking van onze geest onder deze genademiddelen, hoe spoedig zouden wij als bedekt raken met een dikke korst van vleselijkheid en wereldsgezindheid.

Maar zoals een bevuilde duif wegvliegt naar een stille en afgelegen plek waar zij haar verenkleed in het beekje kan baden, haar vleugels kan gladstrijken en terug kan krijgen wat zij in de rokerige stad aan zuiverheid en kracht heeft verloren, zo omhelst de ziel, bevuild door het stof en de rook van de week, graag de dag des Heeren met zijn rust en stilte. Zij wil zich opnieuw baden in de Fontein die geopend is tegen de zonde en tegen de onreinigheid, haar kracht vernieuwen en iets genieten van die genadige herlevingen van geloof en liefde waardoor zij in hart en genegenheid kan opstijgen naar waar Jezus zit aan de rechterhand van God.

Als de omstandigheden het toelaten, waarom zouden wij dan niet de gelegenheid van het pasgeboren jaar aangrijpen om onze gedachten te verzamelen uit het lawaai en het stof van het leven? Onder de oude bedeling werd het begin van het burgerlijke jaar (want de Hebreeën hadden een heilig of kerkelijk jaar dat op een ander tijdstip begon) gevierd met het blazen van bazuinen en werd daarom het Feest van de Bazuinen genoemd. De eerste twee dagen van het jaar werden met bijzondere plechtigheid gehouden. Er moest een heilige samenroeping zijn, een bijeenroepen van het volk, een volledig ophouden van al het dienstwerk en er moesten bijzondere offers worden gebracht. (Lev. 23:24-25; Num. 29:1-6.)

God stond hun niet toe het nieuwe jaar in te gaan zonder een plechtige verwijzing naar Zijn dienst en aanbidding. Zij waren een heilig volk, afgezonderd van alle volken der aarde als bijzonder eigendom van de Heere. Zij moesten voortdurend herinnerd worden aan de tegenwoordigheid van God in hun midden als hun bijzonder voorrecht en geluk. Zij moesten het jaar dan niet voor zichzelf beginnen maar voor God.

De zilveren trompetten die door het kamp klonken wekten hun slapende lichamen en riepen hun lusteloze geesten op te gedenken dat zij op het punt stonden een nieuw jaar in te gaan. Op die dag kwamen zij samen in heilige samenroeping. Op die dag werd al het dienstwerk neergelegd. Op die dag zond het brandoffer zijn zoete reuk op naar de Heere, werd het spijsoffer van meelbloem met olie gemengd aangeboden en werd het zondoffer geslacht om verzoening te doen.

Ligt hierin niet enige onderwijzing voor ons verscholen? En mogen wij het nieuwe jaar niet ingaan met enig besef van de genadige hand die ons door het verleden heeft geleid en waarop wij verlangen te leunen, opdat zij ons veilig door het heden leidt?

Wij weten niet wat het huidige jaar zal voortbrengen, zowel wat onze persoonlijke als onze openbare belangen betreft. Wij lijken op de vooravond van belangrijke gebeurtenissen te staan, zo niet van onrustige tijden, en wij weten niet in hoeverre zij ons persoonlijk kunnen raken. Het afgelopen jaar was een zeer bewogen jaar. Zelfs de zichtbare hemelen leken bijna uit hun baan. Ons vee is getroffen door een geheimzinnige en zeer dodelijke ziekte, van een besmetting zonder gelijke wat betreft de subtiliteit van de overdracht, en er zijn grote verliezen geleden.

De dreiging is ook niet voorbij, want hoewel de ziekte door barmhartigheid sterk is afgenomen, blijft zij aan onze kusten rondhangen en breekt zij op verschillende plaatsen uit om te tonen dat de uitgestrekte hand van de Heere nog boven ons hangt. De cholera heeft in het oostelijk deel van de hoofdstad duizenden weggevaagd en ook andere delen van het land zwaar bezocht. De gewassen werden, toen zij klaar waren om te oogsten, op het veld bedorven door aanhoudende stortbuien. De aardappelziekte heeft in meer dan haar gewone hevigheid de ramp aanzienlijk vergroot. In het noorden hebben zware overstromingen veel waardevol bezit verwoest en gingen gepaard met droevig verlies aan mensenlevens.

De oudsten van ons kunnen zich nauwelijks zo’n storm herinneren als die op de handelswereld losbarstte op die Zwarte Vrijdag (11 mei), toen het grote disconto-huis dat in de volksmond zo vast werd geacht als de Bank van Engeland zijn betalingen staakte. Het verpletterende gewicht waarmee de algemene ineenstorting van het krediet andere huizen trof en de verreikende ramp die zich daardoor door het hele land verspreidde zal nooit volledig bekend worden.

Want bij deze handelsrampen bereikt de schok, hoewel de rijken het meest lijken te lijden, zoals bij een aardbeving alle klassen. Hij verspreidt zich door de hele maatschappij in de verspilling van kapitaal, de vermindering van krediet, de duurte van geld, het verbreken van contracten, het opschorten van grote projecten, het werkloos maken van grote massa’s van de arbeidende bevolking en de algemene waardevermindering van bezit. Direct of indirect lijden daarom allen onder deze omwentelingen.

Wanneer bovendien, zoals in het afgelopen jaar, zulke zware slagen tegelijk de landbouw- en handelswereld treffen, wordt de ramp erger. En wij twijfelen niet dat velen van onze lezers, in een of andere van deze grote belangen, een bittere smaak hebben gekregen van de verliezen van 1866 en met geschonden middelen 1867 ingaan.

Wat een bewogen jaar is het ook op het vasteland geweest. Gebeurtenissen gaan nu zo snel aan onze ogen voorbij dat, zoals bij het reizen per spoor, het tafereel al gekomen en gegaan is voordat wij zijn karakter kunnen vatten of zijn kenmerken volledig kunnen begrijpen. Eén veldtocht volstond om een van de grootste mogendheden van Europa, het Oostenrijkse keizerrijk, in het stof te werpen en daarmee twee resultaten te bereiken die beide ooit een visionaire en hopeloze droom leken: een vrij Italië en een verenigd Duitsland.

Opgesloten in ons kleine eiland denken wij weinig aan de worstelingen en smarten van het vasteland. Vijfentwintig miljoen Italianen en zestig miljoen Duitsers zijn voor ons slechts druppels en eenheden. De meedogenloze tirannie van Oostenrijk in Italië, zijn vaste steun aan alle ongerechtigheden van het pausdom en zijn strenge, wrede onderdrukking van alle burgerlijke en godsdienstige vrijheid hebben wij, omdat het ons weinig aanging, weinig overdacht of ons erom bekommerd. Wij die geen draad kunnen verdragen om onze eigen handen te binden, kunnen met betrekkelijke onverschilligheid kijken hoe andere volken aan handen en voeten zijn gebonden.

Het zou misplaatst zijn lang bij dit onderwerp stil te staan, maar wij kunnen niet nalaten op te merken dat twee belangrijker gebeurtenissen nauwelijks een jaar kunnen kenmerken. Italië is nu vrij tot aan de Adriatische Zee. De laatste Oostenrijkse soldaat heeft Venetië verlaten, de laatste Franse zoeaaf Rome. Voor het eerst sinds het jaar 1494, toen de Franse koning Karel VIII de Alpen overstak en triomfantelijk Florence en Rome binnentrok, is de bodem van Italië niet beroerd door de voet van een buitenlandse soldaat. Italië, meer dan driehalve eeuw onder Frans of Duits juk, is nu vrij van zee tot zee en van kust tot kust.

Maar met vrijheid voor Italië komt de val van de onderdrukking, zowel burgerlijk als godsdienstig. De wereldlijke macht van het pausdom is al feitelijk, zo niet daadwerkelijk, gevallen. Het jaar 1866 heeft gezien wat de profetie volgens de meeste uitleggers al lang aanwijst: een fatale slag aan de aangematigde macht die troont op de Stad der Zeven Heuvels. Rome heeft nu feitelijk van heerser gewisseld en behoort aan Italië, niet aan de Paus. Wat er in de mystieke schoot van de tijd verborgen is en welke grote gevolgen uit deze machtige omwenteling zullen voortvloeien, kan niemand voorzien. Maar wij mogen zeker zijn dat de zaken hier niet zullen eindigen.

Wij hebben elders onze mening uitgesproken dat de val van de wereldlijke macht van de Paus geen vermindering van zijn geestelijk gezag met zich meebrengt en dat die dat inderdaad voor een tijd zelfs kan vergroten. Maar de slag die God aan de wereldlijke macht van de Paus heeft toegebracht is een onderpand, en misschien een begin, van de slag die Hij op Zijn tijd aan zijn geestelijke macht zal toebrengen.

De geestelijke macht en het gezag van het pausdom kunnen tot grote hoogte stijgen en in dit land kan zij, zoals zoveel goede mannen hebben voorspeld, nog voor korte tijd haar troon vestigen. Maar Babylon is al gericht. Haar dag zal komen en al haar trots, haar pracht en haar macht en allen die zich erin verheugen zullen in de kuil neerdalen.

Wij hebben onze pen enigszins de vrije teugel gegeven. Maar staande aan de rand van het jaar dat nu gekomen is, konden wij niet nalaten een blik te werpen op het jaar dat voorbij is, vooral omdat het een tijdperk zal zijn dat gedenkwaardig is tot aan het einde der wereld. En wij zijn niet zo opgesloten binnen de grenzen van onze rode omslagen dat wij nooit een blik op de buitenwereld werpen. Wij zijn er nog in, al zijn wij er naar wij hopen niet van, en mogen met recht de hand van God nagaan en navolgen in de grote bewegingen waarop wij al hebben gezinspeeld, evengoed als in die kleine zaken die ons nader aangaan in voorzienigheid en genade.

Maar laten wij nu vooruit kijken evengoed als terug. Het jaar voor onze ogen kan in zijn schoot gebeurtenissen houden die ons diep kunnen raken en ons gevoeliger kunnen treffen dan die van het verleden. Wij weten wat voorbij is, maar wij weten niet wat komt. Welke persoonlijke, welke gezins-, welke voorzienige beproevingen ons te wachten kunnen staan weten wij niet. Ziekte kan ons lichaam aantasten, de dood kan onze gezinnen binnentreden en moeilijkheden kunnen onze omstandigheden belagen. Beproevingen en verzoekingen kunnen ons gemoed oefenen, strikken onze voeten verstrikken en vele donkere en sombere wolken ons pad tot een pad van zwaarmoedigheid en droefheid maken.

Elk jaar tot nu toe heeft zijn beproevingen in zijn gevolg gebracht, en hoe kunnen wij verwachten dat het huidige daarvan vrij zal zijn?

Wat dan? Zullen wij gaan zitten en onze handen wringen bij het vooruitzicht van verwachte beproevingen? Zullen wij ze tegemoet gaan of wachten tot zij ons ontmoeten? Verwachting is vaak erger dan de werkelijkheid, en wel om deze eenvoudige reden dat er voor beproevingen die wij zelf voorzien geen kracht of steun wordt beloofd of gegeven. Er staat: uw sterkte gelijk uw dagen, niet gelijk uw vrezen. Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen, zei Samuël, maar de Eben-Haëzer (‘de steen der hulp’) was het gedenkteken van een gewonnen strijd, niet van een strijd in het vooruitzicht.

De bekende en vaak gezongen regels
„Die mij tot nu toe heeft bijgestaan,
zal mij bijstaan tot mijn reis is gedaan”
drukken de hoop en het vertrouwen van een gelovig hart goed uit. Als wij inderdaad van Hem zijn, zal Zijn genade, wat onze beproevingen ook zijn, ons genoeg zijn. Hij Die heeft verlost, kan en zal verlossen.

En Hij Die ons tot hiertoe op de weg heeft gebracht, Die ons zo heeft verdragen in onze verkeerde manieren in de woestijn en ons nog nooit heeft verlaten, hoewel wij Hem zo vaak hebben verlaten, zal ons, zo vertrouwen wij, nog verder leiden. Hij zal ons nog leiden en bewaren en onze God, onze Vader en onze Vriend zijn, niet alleen tot het einde van het jaar, als wij het mogen zien, maar tot het einde van ons leven.

Moge Hij ons zeer dicht bij Zichzelf brengen. Moge Zijn vreze altijd levend zijn in ons hart. Moge Hij onze gangen steunen in Zijn paden, opdat onze voetstappen niet wankelen. Moge Hij ons behoeden voor het kwade, opdat het ons niet bedroeve. Moge Hij ons dringen door elke dwang van Zijn stervende liefde om tot Zijn lof te leven, opdat wij Hem verheerlijken in ons lichaam en in onze geest, welke Godes zijn. (1 Kor. 6:20.) Gezegend met Zijn tegenwoordigheid hoeven wij geen kwaad te vrezen. Begunstigd met Zijn glimlach hoeven wij geen vijand te duchten. Ondersteund door Zijn kracht hoeven wij voor geen beproeving terug te deinzen. Versterkt door Zijn genade hoeven wij geen lijden te vrezen.

Wetend wat wij zijn en geweest zijn wanneer wij aan onszelf zijn overgelaten, de misstappen die wij hebben gemaakt, de strikken waarin wij verstrikt zijn geraakt en de schaamte en smart die wij onszelf hebben bezorgd, mogen wij wel vrezen dit jaar alleen in te gaan. Wij mogen wel zeggen: Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op den aardbodem is. (Ex. 33:16.)

Mogen wij zo geopenbaard worden als wie genade gevonden hebben in de ogen van de Heere. En mogen wij als een eigen volk, ijverig in goede werken, afgezonderd worden van alle volk, goddeloos of belijdend, dat anders denkt en handelt op de aardbodem. (Tit. 2:14.)

Dit is de wens en het gebed, voor zichzelf en voor elk van zijn genadige lezers, van hun toegenegen Vriend en Dienaar, De Redacteur

Steun J.C. Philpot

Beste bezoeker,

U kunt jcphilpot.nl steunen met een donatie. Dankzij uw gift kunnen wij deze website blijven onderhouden en beschikbaar houden. Uw bijdrage wordt gebruikt voor de jaarlijkse kosten van hosting en het beheer van de site.

Elke donatie, groot of klein, helpt ons om dit werk voort te zetten. Hartelijk dank voor uw steun!