New Year’s Address, January 1862
De snelle en onophoudelijke vlucht van de tijd dringt zich in zekere mate aan ieder op, maar zal altijd met bijzonder gewicht en kracht op het hart van het levende volk van God liggen. Zelfs wie alleen voor de tijd leven, moeten soms voelen dat de grond waarop zij staan langzaam onder hun voeten afbrokkelt. Zij voelen dat elke aanrollende golf weer een stuk van de bodem wegspoelt.
Maar zij vinden geen troost in het vooruitzicht van de eeuwigheid. Zo leven zij geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Daarom spelen zij als kinderen op het zand, onverschillig voor het opkomende tij. Of zij besluiten in roekeloze hardheid somber te wachten op de laatste sprong, wanneer de donkere wateren van de dood voor altijd over hun hoofd zullen vloeien.
Zij echter die niet voor de tijd leven maar voor de eeuwigheid, niet voor zonde en eigen ik maar voor Christus en Zijn eer, voelen de vlucht van de tijd voortdurend. Hun hart is week gemaakt in de vreze Gods, hun wandel is in de hemel en hun genegenheid is gericht op de dingen die boven zijn. Toch beseffen zij bij bepaalde gelegenheden bijzonder sterk het ernstige feit dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde zijn. Zij zijn lopers wier loopbaan spoedig is voltooid en vreemdelingen wier plaats hen binnenkort niet meer zal kennen.
Pijnlijke bressen worden van tijd tot tijd in hun gezin geslagen doordat de dood in de kring binnentreedt en een geliefd lid wegneemt. Een gewaardeerde dienaar van God overlijdt, onder wiens bediening zij hebben gezeten of wiens vriendschap zij genoten. Hun eigen verjaardag keert terug. Een zware ziekte overvalt hun eigen lichaam. Zij beseffen dat zij ouder worden en dat de zwakheden toenemen. Zulke en soortgelijke gebeurtenissen in ieders leven herinneren de heiligen voortdurend eraan dat de engel zijn hand opheft en hun waarschuwt dat het voor hen binnenkort geen tijd meer zal zijn.
Zij wijzen de gedachte niet af als een ongewenste indringer. Zij proberen de ernstige indruk op hun geest niet te smoren, alsof dood en eeuwigheid sombere thema’s zijn die elke opkomende vreugde temperen. Zij zoeken veeleer het gevoel te versterken en de ernstige herinnering levend te houden, in de hoop dat hun ziel er blijvend voordeel van heeft. Op zulke tijden werpt het geheugen een bedachtzaam oog terug op het onherroepelijke verleden. Ernstig mijmeren overpeinst het levendige heden. En de verwachting kijkt met gemengde gevoelens van hoop en vrees vooruit naar de onbekende toekomst.
Maar hoewel de snelle vleugel van de tijd zulke indrukken steeds in gelovige harten achterlaat, is er één bijzonder tijdstip waarop zij zich dieper en duidelijker laten voelen. Daarmee bedoelen wij het begin van een nieuw jaar. Dan lijkt het alsof wij op een smalle landengte staan tussen twee grenzeloze zeeën: het verleden en de toekomst.
Er is, zeggen de aardrijkskundigen, één punt en slechts één punt op de Andes, die hoge bergrug die als een gigantische ruggengraat door beide Amerikaanse werelddelen loopt, vanwaar het oog van de reiziger zowel de Atlantische als de Stille Oceaan kan zien. De geschiedenis vermeldt het gevoel van de Spaanse bevelhebber die na dagen en weken van onophoudelijke inspanning door dichte wouden en over steile bergpassen als eerste op dit wonderlijke tafereel neerzag. Zij vertelt met welke gevoelens hij de Stille Oceaan aanschouwde, die nooit eerder door een Europees oog was gezien.
Twee oceanen, veel dieper en breder en veel meer van belang voor ons geluk en onze vrede dan een Spaans oog ooit zag of een krijgershart ooit voelde, liggen voor ons wanneer wij in bespiegelend overpeinzen terugkijken op ons verleden leven en vooruitzien naar ons komende leven. Het jaar dat zojuist is afgesloten, is een deel van het ene. Het jaar waarin wij zojuist zijn gekomen, is een deel van het andere.
Met dit gevoel is het al vele jaren onze aangename maar moeilijke taak om het pasgeboren jaar te benutten voor een paar woorden van vriendelijke raad aan onze vele lezers. Zij hebben tot nu toe de goedheid gehad een welwillend oor te lenen aan die jaarlijkse boodschap. Daarin hebben wij, niet als heersers over hun geloof maar als helpers van hun vreugde, in onze positie als redacteur getracht te spreken tot hun harten en gewetens.
1. Laten wij dan, als mensen die God willen vrezen, onder een gevoelig besef van Zijn tegenwoordigheid en macht, opnieuw onze plaats innemen op die landengte van de tijd waarover wij spraken. Laten wij eerst onze ogen richten op het jaar dat nu voorgoed VERLEDEN is, want dit kan ons gemoed beter voorbereiden om te kijken naar het jaar dat komt. Het kan in sommige opzichten een pijnlijke terugblik zijn, want welke tijdspanne, kort of lang, kan nauwkeurige beschouwing verdragen? Toch willen wij met gelovige ogen terugkijken, in een bespiegelende, biddende en dankbare geest.
Mozes, de man van God, stond na veertig jaar vermoeiend zwerven aan de rand van de woestijn. Het Heilige Land lag voor hem, alleen van hem gescheiden door de diepe en snelle stroom van de Jordaan. Hij bracht de kinderen van Israël de gebeurtenissen van de woestijn in herinnering voordat hij hun de zegeningen van Kanaän voorhield.
En gij zult gedenken aan al den weg, dien u den HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet. En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat. (Deuteronomium 8:2-3.)
Laten wij dan, met Gods hulp en zegen, een gelijksoortige geest van godvruchtige herinnering zoeken. Zo zullen wij met Mozes en de kinderen van Israël terugblikken op het afgelopen jaar voordat wij het jaar doorlopen dat nog voor ons ligt. Mozes hield Israël hun morrende opstandigheid, afgoderij en andere grievende zonden alleen voor om hun de rijke, vrije en overvloedige genade van de Heere voor ogen te stellen. Die genade had hun woestijnbeproevingen en verzoekingen ten goede gekeerd en tot een middel gemaakt om Zijn woord kostbaar te maken voor hun hart.
In dezelfde geest willen wij onze lezers de goedheid van de Heere gedurende het afgelopen jaar in herinnering brengen. Raken wij aan de beproevingen en verzoekingen ervan, of brengen wij de zonden en overtredingen in herinnering, dan doen wij dat alleen om de overstelpende rijkdom te verheerlijken van die genade waarin wij alleen kunnen staan en waardoor wij alleen kunnen worden behouden en geheiligd.
1. Goedertierenheid moet de eerste noot van ons lied zijn, ja de grondtoon die het hele thema regelt. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen was Davids genadig voornemen. (Psalm 101:1.) Het “recht” zal zijn plaats in het lied hebben, zoals de bas zich met de sopraan vermengt om de zoetere harmonie voort te brengen. Maar de goedertierenheid zal de melodie aanvoeren. Met deze grondtoon willen wij dan ons thema beginnen.
Als wij terugkijken op het jaar dat nu voorbij is, ontstaan er in onze boezem allerlei gevoelens, naar gelang van de gesteldheid van ons gemoed of de sterkte van ons geloof. Dankbaarheid is er één die een vooraanstaande plaats inneemt, of althans zou moeten innemen. Wat hebben ontelbare weldaden het jaar met goedheid gekroond waarvan wij de geboorte en de begrafenis nu hebben gezien, zodra wij het bezien met een gelovig oog! Dat is het wonderlijke vermogen dat in elke levensomstandigheid een tegenwoordige God ziet. De milde hand van een zeer goede en tedere God in de voorzienigheid, zo duidelijk zichtbaar in de bijna ongekende oogst die Hij ons in het afgelopen jaar gaf, vraagt onze eerste en vroegste hulde van dankbare lof.
Wat een opvallend verschil vormden de afgelopen zomer en herfst met dezelfde seizoenen van het voorgaande jaar. Dat maakte dat wij het dubbel voelden en waardeerden. Wat een reeks stralende zonnen werd ons dag na dag geschonken om het koren te laten rijpen. En toch vielen er af en toe milde buien om een te groot tekort aan nodig vocht te voorkomen. Hoe leek de bodem, ziek en doorweekt van de ongekende regens van 1860, dag na dag nieuwe gezondheid en kracht te verzamelen onder die warme zonnestralen. Zij brachten de kostelijke vruchten voort uit de diepte, die beneden is liggende.
In Gods geheimzinnige scheikunde veranderden zij het overvloedige vocht van het ene jaar in een bron van vruchtbaarheid voor het andere.
Hoeveel bezorgde ogen en trillende harten keken bij het begin van de oogst naar het uiterlijk van de hemel en bespiedden met twijfel en vrees elke voorbijtrekkende wolk. In al onze lange herinnering aan zulke seizoenen, en wij zijn al vele jaren geen onoplettende waarnemer ervan geweest, herinneren wij ons niet ooit zo’n algemeen gevoel van afhankelijkheid van de hemel te hebben gezien als bij het begin van de vorige oogst. Wij hopen dat het in zeer veel gevallen ook een afhankelijkheid was van Hem Die de hemel regeert.
Allen leken te voelen dat de waarde van miljoenen aan de zichtbare hemel hing. Zij voelden dat een nieuwe natte en tekortschietende oogst als die van 1860 de natie als een openbare ramp zou treffen. Toen dan dag na dag de zon helder en schoon aan de hemel scheen, en het graan onder zijn warme stralen snel rijpte en in een bijna ongekende droogte werd gesneden en binnengehaald, was het alsof de natie weer ademde. Zij leek op iemand die zijn adem inhoudt in ontzag en spanning bij het zien van een verwachte ramp en weer ademhaalt wanneer hij is ontkomen.
Laten wij hopen dat de les van afhankelijkheid die ons zo uit eigen bevinding is geleerd niet tevergeefs was, en dat zij in vele gelovige harten is bewaard. Hoewel mensen door de val verblind de hand van de Heere niet willen zien, moeten wij als natie door deze wisselende bezoekingen zeker eraan worden herinnerd dat God Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid. Was het graan in hoeveelheid al tekortgeschoten, in kwaliteit was het zo voortreffelijk dat wij alle reden hebben om bij het eten van ons dagelijks brood te zeggen: de Heere zij geprezen voor de prachtige oogst van 1861.
Dit was een algemene weldaad. Maar zij was van zo’n opvallend en overvloedig karakter dat wij haar in een terugblik op het voorbije jaar niet zonder vermelding konden laten. Een van de ergste kenmerken van de val, en een van de schreeuwende zonden van de heidenwereld, was dat zij, toen zij God kenden uit de schepselen, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt. (Romeinen 1:20-21.) Laten wij hun zonde en hun dwaasheid niet navolgen. Maar terwijl wij geloven in een God van alle genade en Hem liefhebben, laten wij Hem dankbaar aanbidden als onze goede God in Zijn voorzienigheid.
Toch gebiedt het geloof ons bij een terugblik op het voorbije jaar die weldaden in gedachten te roepen die bij uitstek een toon van dankbare lof vragen. Wie dankoffert, die zal Mij eren. (Psalm 50:23.) Wij lezen ook: laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God. (Filippenzen 4:6.)
Wij missen veel van de zoetheid van weldaden omdat wij geen gelovig oog hebben om ze te zien en geen dankbaar hart om ze te voelen en te erkennen.
Omringd door weldaden verliezen wij ze door de macht en overheersing van het ongeloof voortdurend uit het oog. Wij richten onze blik misschien op een beproeving of verdrukking en morren te midden van onze gunsten en komen in opstand te midden van onze zegeningen. Zo begaan wij twee kwaden: ondankbaarheid en opstandigheid. Door ons over te geven aan deze ondankbare en morrende geest verliezen wij de zoetheid van onze weldaden en vermeerderen wij het gewicht van onze ellende.
Maar heeft het geloof geen ogen om de voorbije gunsten te zien, of liever de genadige hand die ze gedurende de verstreken maanden over ons heeft uitgestort? Onze tijdelijke weldaden zijn groot geweest. Het is waar dat niet alles ongemengde voorspoed en succes is geweest. Beproevingen in de voorzienigheid, verliezen in de zaken en grote en onverwachte teleurstellingen zijn ongetwijfeld het deel geworden van sommigen van onze lezers, zo niet van velen. Dat geldt ook voor ernstige tegenslagen, gebrek aan werk en andere pijnlijke omstandigheden.
De wankele en bijzondere stand van onze buitenlandse betrekkingen heeft de handel zwaar gedrukt, de winsten geschaad en honderden werkloos gemaakt. En omdat het volk van de Heere, zolang het in het lichaam is, in de wereld is hoewel niet van de wereld, lijdt het noodzakelijk met haar mee.
Maar al hebben deze zware beproevingen in de voorzienigheid hun gemoed soms zwaar getroffen en hun geest diep terneergedrukt, hebben deze moeilijkheden dan niet juist de hand van de Heere in Zijn voorzienigheid duidelijker gemaakt?
Een weg van ongestoorde voorspoed is niet de weg waarop de Heere Zijn kinderen gewoonlijk leidt. Veel vaker wordt hun weg gekenmerkt door zware en grote beproevingen. Maar juist deze beproevingen openbaren Hem des te duidelijker als een God in de voorzienigheid.
Wanneer wij onze geestelijke lezers dus oproepen hun voorbije tijdelijke weldaden met dankbaar hart te erkennen, bedoelen wij niet dat zij dat anders doen dan in samenhang met hun verlossingen in de voorzienigheid.
De goede hand van de Heere te zien in het dagelijks geven van voedsel en kleding, huis en haard. Te zien hoe Hij in onze tijdelijke behoeften voorziet met het noodzakelijke, al is het niet met luxe. En door Hem in staat te worden gesteld een eervolle positie te handhaven naar onze onderscheiden standen. Wij maken noch onszelf noch de naam die wij beweren lief te hebben te schande door schulden te maken, en wij schaden anderen niet door hopeloze betalingsonmacht. Te midden van vele moeilijkheden, waarvan weinigen vrij zijn, stelt Hij ons in staat door verstandige zuinigheid en noodzakelijke zelfverloochening nog steeds het gebod te vervullen: Zijt niemand iets schuldig. Is dat geen weldaad die een dankbare lofzang vraagt?
Als wij om ons heen kijken en de ellende zien die mensen over zichzelf en hun gezin brengen, en zien welke schande belijders van de godsdienst en vooral predikanten brengen over de zaak van God en de waarheid door schulden te maken en anderen die hun hebben vertrouwd mee te slepen door hun roekeloosheid en verkwisting, dan mogen wij het een rijke weldaad rekenen als de goede voorzienigheid van God onze schreden tot nu toe heeft ondersteund en ons niet openlijk te schande heeft gemaakt.
Maar zijn er bij een terugblik op het jaar dat nu voorgoed voorbij is geen andere weldaden die een toon van dankbare lof vragen? Het is zoet om de goede hand van de Heere in de voorzienigheid te zien, maar veel zoeter om Zijn uitgestrekte hand in genade te zien. Zijn wij dan zo onoplettend of zo vergeetachtig ten aanzien van de genadige hand van de Heere in Zijn onderscheiden omgang met onze ziel, dat wij de hele voorbije twaalf maanden zien als een dode leegte waarin wij nooit Zijn aangezicht hebben gezien, Zijn stem hebben gehoord of Zijn kracht hebben gevoeld?
Zo vraagt de Heere vol tederheid: Ben Ik Israel een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? (Jeremia 2:31.) Is Hij dat ook voor ons geweest gedurende twaalf lange en vermoeiende maanden? Wat! Geen hulp onderweg, geen tekenen ten goede, geen opheffingen van het licht van Zijn aangezicht, geen bezoekingen van Zijn tegenwoordigheid en kracht, geen doorbraken van Zijn goedheid gedurende die hele lange en troosteloze tijd? Want troosteloos moet het inderdaad zijn voor een levende ziel om zo lang door de Heere verlaten en prijsgegeven te zijn!
Ook als wij geen bijzondere openbaringen van de Zoon van God hebben ontvangen, geen opvallende onthullingen van Zijn Persoon en werk, bloed en liefde, genade en heerlijkheid (want zulke bijzondere tijden komen niet vaak voor), hebben wij Hem dan niet toch gevonden als de Weg, en de Waarheid, en het Leven? Hebben wij van tijd tot tijd niet geheime toegang tot God gevonden door Hem als de Weg, de enige Weg, tot de Vader? Hebben wij Hem niet als de Waarheid gekend door een bevinding van Zijn bevrijdende en heiligende kracht en invloed op ons hart? En hebben wij Hem niet als het Leven gevoeld door de zoete vernieuwingen en genadige verkwikkingen van Zijn Geest en genade?
Hebben wij werkelijk een persoonlijke en geestelijke vereniging met de Zoon van God als ons levende Hoofd, dan zullen er mededelingen zijn uit Zijn volheid. Er zal worden voorzien in al onze nood en Zijn kracht zal in onze zwakheid worden volbracht. Het leven dat Hij heeft gegeven, wordt onderhouden. Geloof en hoop en liefde worden opgewekt. Er is steun onder beproevingen, uitredding uit verzoekingen en een verdieping van Zijn vreze in het hart. De dingen die overblijven en die vaak op het punt leken te sterven, worden versterkt. En er is dat voortgaande werk van genade waardoor wij een leven van geloof in de Zoon van God kunnen leven.
Hebben wij geen van zulke tekenen ten goede en geen van zulke getuigenissen om te boeken, dan is het jaar voor ons werkelijk een leegte geweest. Wij kunnen er bijna van zeggen wat Job zei van de dag van zijn geboorte: dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome! Maar het niet hebben is één ding en het niet zien is iets anders. “De christen kan zijn geloof vaak niet zien en gelooft toch.”
U kunt alles hebben gehad, en meer dan alles, van wat wij hebben beschreven als het leven van het geloof. En toch kunt u uit schroom, ongeloof, vrees voor aanmatiging en een besef van uw vreselijke zondigheid, arglistigheid en huichelarij bevreesd zijn te nemen wat werkelijk van u is. Maar waar of wat zijn wij als wij geen geestelijke weldaden te boeken hebben? Waarin verschillen wij van de doden in zonden, die zonder God in de wereld zijn? Of van de doden in een belijdenis, die een gedaante van godzaligheid hebben, maar die de kracht derzelve verloochend hebben?
Maar wij kunnen ook te zingen hebben van “recht” evengoed als van “goedertierenheid”. Niet van recht als het strafgericht, de rechterlijke en onverbiddelijke gramschap van de Almachtige, maar als een vriendelijke en vaderlijke kastijding voor onze vele zonden en overtredingen. De Heere zei: Grimmigheid is bij Mij niet. Nee, er is geen gramschap in de boezem van God tegen Zijn volk. Zij zijn voor altijd begenadigd in den Geliefde en staan in Hem voor de troon van God zonder vlek of rimpel.
Maar er is wel ongenoegen over hun zonden. En dat ongenoegen doet hun vriendelijke en genadige Vader hen voelen wanneer Hij het licht van Zijn aangezicht van hen terugtrekt en scherpe bestraffingen en vinnige berispingen in hun geweten zendt.
Maar juist deze “oordelen” helpen hen. (Psalm 119:175.) Zij leiden tot diepe onderzoekingen van het hart. En omdat dezelfde gezegende Geest Die de bestraffing thuisbrengt er ook de bekering bij geeft, zijn zij naar God bedroefd. En de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. (2 Korinthe 7:10.)
Als dan onze verdrukkingen, kruisen, verliezen, sterfgevallen, familieproblemen en kerkelijke beproevingen, en vooral de berispingen en bestraffingen van God in ons geweten, een middel zijn geweest om ons trotse hart te vernederen. Als zij ons hebben gebracht tot eerlijke belijdenis van onze zonden en afvalligheden en tot godvruchtig verdriet daarover. Als zij ons als middel nog doeltreffender hebben afgescheiden van de wereld, haar gezelschap, haar wegen, haar spreuken en haar geest.
Als zij, in de goede hand van God, gebed en smeking in ons hart hebben opgewekt en ons hebben geleid in gedeelten van het woord van de waarheid die eerder voor ons verborgen waren. Als zij ons gevoeliger en voortdurender hebben neergelegd aan de voetbank van de barmhartigheid. Als zij ons een dieper inzicht hebben gegeven in de weg van de zaligheid en barmhartigheid dierbaarder en genade zoeter hebben gemaakt. Zijn deze beproevingen en verdrukkingen dan nutteloos of ontijdig geweest?
De boom moet naar zijn vruchten worden beoordeeld. De stam mag ruw en krom zijn (wat is dat meer dan de wijnstok?) en toch kunnen er rijke trossen aan de tak hangen. Meet uw beproevingen en verdrukkingen naar deze maatstaf: vrucht. De ware gelovige verlangt vrucht te dragen voor God.
Hij treurt onder zijn onvruchtbaarheid en vreest vaak dat hij uiteindelijk zal blijken een van die ranken te zijn die, omdat zij geen vrucht dragen, worden weggenomen. Terwijl deze vrees en gevoelens in zijn borst werken, is het ernstige verlangen van zijn ziel om duidelijker, zowel voor zichzelf als voor anderen, een vruchtdragende rank in de enige ware Wijnstok te zijn. De lieflijke psalmist van ons christelijke Israël heeft zijn verlangen goed uitgedrukt: “Doe mij door Uw glimlach vrucht dragen, of berisp mij, als geen zachtere middelen baten.”
Wij zijn omringd, wij wilden bijna zeggen lastiggevallen, door een geslacht van losbandige belijders, zowel op de kansel als in de kerkbank. Zij zijn mensen wier karakter Judas met de punt van een diamant heeft geschreven: weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld; Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende, enzovoort. (Judas 12-13.) Wie de belijdende kerk met een verlicht oog beschouwt, ziet toch hoe zulke karakters in deze dag van luide belijdenis overvloedig zijn.
Wat een afscheiding van geest voelt het kind van God van zulke lichtzinnige belijders! Niet in hoogmoed en farizeïsme, niet in harde veroordeling, niet in wrok en bitterheid, niet in gramschap en boosaardigheid, maar in de kalme diepten van een stil, nederig gemoed. Hun gezelschap is de dood voor zijn ziel. En als zijn lot hem ongelukkig onder een oppervlakkige, onvruchtbare, dode en dorre bediening plaatst, het eigenlijke element van zulke genadeloze karakters: welke duisternis, slavernij en ellende wordt hem daardoor meegedeeld!
Zullen wij dan morren en opstandig zijn onder die slagen van vriendelijke en vaderlijke kastijding? Die slagen maken ons geweten teer en onze zielen levend voor God en laten ons de vreselijke plekken zien waarin mensen vallen die de roede van God niet op zich hebben. Hoe worden wij, of hoe wordt wie dan ook, bewaard voor hun aanmatiging en ijdel vertrouwen, voor hun kwaad en hun dwalingen, anders dan doordat de hand van God ons ophoudt en ons tegenhoudt?
Niets is gevaarlijker dan een belijdenis van de waarheid zonder een bevinding van haar kracht. Niets verhardt immers het hart en schroeit het geweten meer dan een lichtvaardig omgaan met heilige zaken. Natuurlijke mensen hebben vaak ontzag voor heilige dingen en de overtuiging dat die te heilig zijn om aan te raken. Daardoor worden zij behoed voor aanmatiging, zo niet voor ongeloof, en hun geweten is, hoewel dood, niet geschroeid.
Maar als deze barrière wordt neergehaald en mensen zonder een greintje godvruchtige vreze of hemelse eerbied voor de heerlijke Majesteit van God Zijn heiligdom binnendringen, zal een genadeloze vertrouwdheid met de ernstige geheimenissen van de waarheid hun geweten bijna zeker verharden. Zij worden dan tweemaal meer kinderen van de duivel dan zij tevoren waren. De Heere wijst dit duidelijk aan in de gelijkenis van de man uit wie de onreine geest uitgegaan is.
Uitgegaan, niet uitgedreven. Hij is voor een tijd vertrokken onder de invloed van een belijdenis, maar niet verdreven door de machtige kracht van God. Zo vrij om te komen en te gaan keert hij terug om de staat van zijn vroegere woning te verkennen. Hij vindt haar ledig van genade, maar met bezemen gekeerd door de bezem van de belijdenis en versierd met de letter van de waarheid.
Dit is juist de plaats voor Satan en zijn gezelschap. Zo juichend over zijn passende woning gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf. Het zijn religieuze duivels, terwijl hij maar een onreine of goddeloze geest is. Daarom geldt: ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. (Mattheüs 12:43-45.)
2. Maar laten wij nu een weinig VOORUIT zien. Het jaar ligt voor ons. Wij hebben het begin ervan gezien. De Heere weet of wij het einde ervan zullen zien. Zal het dan niet onze wijsheid en barmhartigheid zijn om erin te leven alsof het ons laatste zal zijn? Onze Heere zegt ons wat de houding is, de enige veilige en gelukkige houding van Zijn volk: Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. En zijt gij den mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen. (Lukas 12:35-36.)
Deze houding kan niet worden verkregen of behouden zonder bijzondere genade. Toch zegent de Heere de middelen die Hij zelf heeft ingesteld en ons heeft gegeven. En zeker is het dat het leven van God zonder het gebruik van deze middelen niet gezond en krachtig kan worden onderhouden. Laten wij er enkele kort bezien.
1. Een geest van GEBED is zeker een van de meest genadige middelen die de Heere gebruikt om het goddelijke leven in de ziel te onderhouden. Een geest van gebed is iets heel anders dan een gewoonte van gebed, een vorm van gebed of zelfs een gave van gebed. Dit zijn slechts vleselijke nabootsingen van de voorbiddende adem van de Heilige Geest in het hart van de heiligen van God. En daarom kunnen zij ook bestaan zonder die adem.
Maar er is het geheime opheffen van het hart tot de Heere en het hijgen naar Hem waarvan de psalmist zingt: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen. Er is het uitstorten van de ziel voor Hem en het zuchten en kermen om een woord van Zijn genade, een blik van Zijn oog, een aanraking van Zijn hand en een glimlach van Zijn aangezicht. Er is die zoete en hemelse gemeenschap met Hem op de genadestoel die het kenmerk is van de innerlijke voorbede van de Geest. Dit alles kan niet worden nagebootst.
Zo’n nauwe, besloten, innerlijke, bevindelijke arbeid en wandel ligt buiten het bereik en buiten de smaak van de meest begaafde belijder. Maar op dit pad leidt de Heilige Geest het levende volk van God. En terwijl zij erop wandelen onder Zijn onderwijzingen en zalvingen, voelen zij de zoetheid en gezegendheid ervan.
2. Ogen en hart veel in het WOORD van de waarheid te hebben is een ander gezegend middel om het leven van God in de ziel te onderhouden. O, welke schatten van barmhartigheid en genade liggen er in de Schriften opgeslagen, welke mijn van hemelse onderwijzing! Welke voorraad van kostbare beloften en bemoedigende uitnodigingen, van heerlijke waarheden en heilige geboden, van tedere vermaningen, wijze raadgevingen en levende aanwijzingen! Wat een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad! Maar o, hoe weinig kennen en begrijpen wij ervan, hoe weinig geloven wij het, hoe weinig beseffen, voelen en genieten wij van het woord van het leven.
Vele jaren hebben wij gelezen, bestudeerd, overdacht en door het geloof getracht in te dringen in de schatten van waarheid die in het ingegeven woord liggen. Maar o, hoe weinig begrijpen wij ervan! Hoeveel minder geloven en genieten wij de hemelse verborgenheden, de schatten van genade en waarheid die erin zijn geopenbaard! Toch kunnen wij alleen vruchtbaar worden in enig goed woord of werk voor zover ons hart niet alleen tot, maar ook in het woord van het leven wordt gebracht, en voor zover het geloof zich voedt met het hemelse voedsel dat daar door de oneindige wijsheid en goedheid van God is neergelegd.
Wij moeten met Gods hulp en zegen zoeken meer van de geest van de waarheid in ons op te nemen en dieper en levender door te dringen in de gezindheid van Christus. Wij moeten het woord meer lezen onder dezelfde inspiratie waardoor het is geschreven en ons hart meer onderwerpen aan zijn onderwijzing. Zo mag het als de regen druipen en als de dauw neerdalen in de binnenste diepten van onze ziel en als het ware de wortels van ons geloof, onze hoop en onze liefde bevruchten.
3. Afscheiding van de WERELD en van al wat werelds is, niet in een monnikachtige, strenge, farizeïsche geest maar door de dwingende invloed van die liefde tot de Heere die het hart en de genegenheden van aardse dingen weg naar Hem optrekt, is een genadig en wij zouden bijna zeggen onmisbaar middel om het leven van God in de borst van de gelovige te onderhouden. Niets maakt de ziel meer gevoelloos voor elk genadig en hemels gevoel dan de geest van de wereld in zich op te nemen. Zolang die buiten blijft, schaadt een louter uiterlijk contact met de wereld niet, bijvoorbeeld in de eisen van noodzakelijke en geoorloofde zaken.
De wereld buiten en de wereld binnen zijn als twee stromen van verschillende grootte die naast elkaar lopen. Houd ze gescheiden en de kleinere stroom zal niet buiten zijn oevers treden. Maar laat de grotere stroom in de kleinere komen, met andere woorden, laat de wereld buiten in de wereld binnen stromen. Wie kan dan zeggen hoe wijd die vloed zal zijn of welke verwoesting zij onder de gewassen kan aanrichten?
Sommige gestellen zijn zo teer dat elke koude vlaag volstaat om een ontsteking te veroorzaken. Andere zijn zo vatbaar voor ziekte dat zij ziek worden bij de geringste besmetting door elke epidemische aandoening. Zulke ziekelijke gestellen moeten zich hoeden voor de oostenwind en zich niet blootstellen aan de lucht van het moerassige veen. Maar zulke gevoelige, koortsige zieken zijn wij allen naar de ziel, hoe krachtig en gezond het lichaam ook is.
Laten wij daarom bang zijn voor de adem van de wereld zelf, opdat hij het hart niet verkilt of de vleselijke gezindheid niet ontsteekt. Laten wij vrezen voor blootstelling aan haar besmettelijke invloed, opdat zij onze sluimerende ziekte niet tot actieve werking oproept. En laten wij vooral vrezen voor de invloed van wereldse belijders. Openlijk goddelozen kunnen ons niet veel kwaad doen. De vuilbekkende vloeker, de waggelende dronkaard en de luide twistzoeker zullen ons waarschijnlijk geen schade berokkenen. Wij kunnen hun wat de zeeman “een ruime boog” noemt geven, zoals hij doet met een bekende rots wanneer hij de plek nadert die op de kaart is aangegeven.
Evenmin zullen wij waarschijnlijk schade ondervinden van de zedelijke kerkman, de ijverige Arminiaan of de politieke dissenter. Zij en wij staan ver genoeg van elkaar af.
Maar de belijder van dezelfde waarheden die wij liefhebben, die misschien onder dezelfde of een soortgelijke bediening zit, die wij niet helemaal kunnen verwerpen en toch niet kunnen aannemen, is anders. Hij is zoals Bunyans Praatgraag, die bij elke gelegenheid en bij geen enkele gelegenheid snel van spreken is om het genoegen te hebben de muziek van zijn eigen tong te horen. Hoe meer wij in zijn gezelschap zijn, hoe meer hij ons berooft van elk teer, nederig, genadig en geestelijk gevoel. Hij, hij is de rover. Niet de struikrover die ons met zijn knuppel neerslaat, maar de zakkenroller die onze beurs steelt terwijl hij naast ons in dezelfde treincoupé zit.
4. Met een voornemen des harten bij de Heere te blijven onder alle gevallen en omstandigheden, onder alle beproevingen en verzoekingen, onder alle moeilijkheden en verlegenheden, te midden van een hele storm van bezwaren en ingevingen van de vleselijke gezindheid, van de pijnlijke stoten van onze meedogenloze en onvermoeibare tegenstander en van elke hindernis van buiten of van binnen die ons pad kan versperren: ook dit is onmisbaar voor het leven van het geloof. Het is zoals de Heere zegt: het Koninkrijk van de hemelen wordt geweld aangedaan en de geweldigers nemen hetzelve met geweld.
Het is niet het vouwen van de handen en het roepen van Vrede, vrede! dat ons naar de hemel zal brengen. Ook geen gezonde geloofsbelijdenis, geen gedaante van godzaligheid of naam van te leven. Dat is niet het lopen van de loopbaan die ons is voorgesteld, noch het strijden van de goede strijd van het geloof, noch het worstelen met overheden en machten en geestelijke boosheden in de lucht.
Soms worden wij verzocht tot aanmatiging en soms tot wanhoop. De enige genezing voor beide ziekten van de ziel is aan te kleven aan de Persoon en het werk, het bloed, de liefde en de genade van de Heere Jezus, voor zover Hij aan onze ziel is geopenbaard en naar de mate van het geloof dat ons is gegeven. Aan Hem te hangen bij elke stap is de enige manier om erdoorheen gebracht te worden.
5. Het laatste genadige middel dat wij noemen, omdat het tijd is om te besluiten, is te leven, te wandelen en te handelen in de dagelijkse vreze van God. Dit is werkelijk een zeer gezegende springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods. Alleen als deze springader des levens in de ziel opwelt, en zo het geweten teer, het hart vruchtbaar, de genegenheden hemels en de geest zacht en verbrijzeld maakt, kan de kracht van de genade in de borst worden onderhouden.
Deze hemelse genade van godvruchtige vreze is de schat van de gelovige en het begin en het einde van de wijsheid. Zij maakt en houdt het oog waakzaam en het oor aandachtig. Zij maakt de reuk snel en schrander, de tong smakelijk, de arm sterk, de hand open en de voet voorzichtig. En zo wandelt hij te midden van duizenden strikken en verzoekingen voorwaarts naar een hemels koninkrijk, met zijn ogen recht vooruit en zijn oogleden recht voor zich uit.
Dierbare vrienden, vrienden van Jezus, deelgenoten van Zijn genade en erfgenamen van Zijn heerlijkheid, er is een goddelijke werkelijkheid in de dingen van God en het koninkrijk van de hemelen. Wij hebben geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd toen wij alles verlieten omwille van Jezus: naam, faam, vooruitzichten in het leven, wereldse vreugden, aardse hoop en vleselijke genoegens. Door met Mozes, door de kracht van Gods genade, te kiezen liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben, hebben wij geen keuze gemaakt die op teleurstelling zal uitlopen.
Moge de Heere ons geven in het komende jaar meer van Zijn liefde te beseffen. En mag Zijn rijke, vrije, soevereine, onderscheidende en overvloedige genade zich openbaren in een godvruchtige wandel, een heilig leven en een leefwijze die het evangelie waardig is. Zo kunnen wij de leer die wij belijden sieren en zelfs onze vijanden tot zwijgen brengen van schaamte wanneer zij graag aanleiding tot verwijt in ons zouden vinden.
Mogen wij onder elke beproeving hemelse steun vinden en uit elke verzoeking genadige uitredding. En mocht het vonnis zelfs luiden: dit jaar zult gij sterven, mogen wij dan de eeuwige armen onder ons voelen op het sterfbed, achter ons een zoet getuigenis nalaten van de goedheid en trouw van de Heere en omhoog worden gedragen om ons aan te sluiten bij dat gelukkige en heerlijke gezelschap dat met tongen van onophoudelijke lof het Lam voor altijd aanbidt.
Broeders, bid voor ons.
Uw liefhebbende vriend en dienaar,
de Redacteur
The rapid and unceasing flight of time must, in some measure, force itself on the attention of all, but will ever lie with peculiar weight and power on the heart of the living family of God. Even those who live only for time must sometimes feel that the ground on which they stand is gradually crumbling under their feet, and that every advancing wave is sweeping away some fresh portion of the soil. But enjoying no comfort in the prospect of eternity, and thus “having no hope, and without God in the world,” they either, like children, play on the sands heedless of the incoming tide, or in reckless hardness sullenly make up their mind to wait for the last plunge, when the dark waters of death must flow forever over their head.
Those, however, who live not for time but for eternity, not to sin and self but to Christ and his glory, whose hearts are made tender in the fear of God, whose conversation is in heaven, and whose affections are set upon things above, while they continually feel the flight of time, yet seem on certain occasions more peculiarly to realize the solemn fact that they are “strangers and pilgrims on the earth,” runners whose race will soon be run, sojourners whose place will before long know them no more.
Painful breaches made from time to time in their families by the entrance of death into the circle, and the removal of some beloved member; the decease of some esteemed servant of God under whose ministry they may have sat, or whose friendship they may have enjoyed; the recurrence of their own birthday; an attack of severe illness in their own body; a sense of advancing age and of growing infirmities— such and similar occurrences in the experience of us all, serve continually to remind the saints of God that the angel is ever lifting up his hand and warning them, that with them soon it will be time no longer.
Nor do they repel the thought as an unwelcome intruder, or seek to drown the solemn impression thus produced upon their spirit, as if death and eternity were doleful themes which dampen all rising joy; but they seek rather to strengthen the feeling and maintain the solemn recollection, in the hope that solid profit may be communicated to their souls thereby.
At such seasons as these memory with them casts her thoughtful eye back on the irrevocable past; earnest musing meditates upon the vivid present; and anticipation, with mingled feelings of hope and fear, looks forward to the unknown future. But though the rapid wing of time is ever thus leaving impressions of this nature on believing hearts, yet there is one special season when these impressions make themselves more deeply and distinctly felt. The commencement of a New Year is the season to which we thus particularly allude. We seem then to stand as if on a narrow isthmus between two boundless seas— the past and the future.
There is, geographers tell us, one point and one point only on the Andes, that lofty ridge of mountains which, like a huge backbone, runs through both the American continents, whence the eye of the traveler can observe both the Atlantic and Pacific Oceans. History records the feeling of the Spanish captain who, after days and weeks of incessant toil amid dense woods and steep mountain passes, first gazed upon this wondrous scene, and tells us with what emotions he beheld the Pacific never before seen by European eye. Two oceans far deeper, far broader, far more involving our happiness and peace, than Spanish eye ever saw, or warrior’s heart ever felt, meet our view when in musing meditation we look back on our life past, and forward upon our life yet to come. The year just closed is a portion of the one; the year on which we have just entered a part of the other.
Under this feeling, it has been our pleasing, though difficult, task for many years to avail ourselves of the new-born year to address a few words of friendly counsel to our numerous readers. They have been hitherto kind enough to lend a favorable ear to that annual Address in which, not as having dominion over their faith, but as a helper of their joy, we have sought, in the exercise of our Editorial position, to speak to their hearts and consciences.
1. Let us, then, as those who desire to fear God, under a feeling sense of his presence and of his power, once more take our stand upon that isthmus of time of which we have just spoken; and let us first cast our eyes on the year now forever PAST, as that may better prepare our mind to direct its view toward that which is to come. Though it may in some respects be a painful retrospect, for what one period of time, whether short or long, can bear to be closely scanned? Yet let us seek to look back upon it with believing eyes, and in a meditative, prayerful, thankful spirit.
Moses, the man of God, when, after forty years’ weary wanderings, he stood upon the edge of the desert, with the Holy Land in view, separated from it but by Jordan’s deep and rapid stream, recalled to the minds of the children of Israel the varied transactions of the wilderness before he set before them the blessings of Canaan. “You shall remember,” he says, “how the Lord your God led you all the way in the desert these forty years, to humble you and to test you in order to know what was in your heart, whether or not you would keep his commands. He humbled you, causing you to hunger and then feeding you with manna, which neither you nor your fathers had known, to teach you that man does not live on bread alone but on every word that comes from the mouth of the Lord.” (Deut. 8:2, 3.)
Let us then, with God’s help and blessing, seek to realize a similar spirit of godly recollection, whereby we shall, with Moses and the children of Israel, look back upon the year now past before we traverse the year still future. The rebellious murmurings of the children of Israel, their idolatries and other grievous sins, were not urged against them by Moses, except to bring before them the Lord’s rich, free, and super-abounding grace in overruling their wilderness trials and temptations into a means of making his word precious to their hearts. In the same spirit shall we seek to recall to the minds of our readers the goodness of the Lord during the past year; and if we touch upon its trials and temptations, or bring to remembrance its sins and transgressions, we shall do so only as magnifying the exceeding riches of that grace in which alone we stand, and by which alone we can be saved and sanctified.
1. Mercy must be the first note of our song, yes, the very keynote which regulates the whole theme. “I will sing of mercy and judgment,” was David’s gracious resolution. (Ps. 101:1.) “Judgment” shall have its place in the song, as bass mingles with treble to produce the sweeter harmony, but mercy shall lead the strain. With this keynote let us, then, commence our theme.
As we look back upon the year now just past, and, according to the frame of our mind, or the strength of our faith, various feelings spring up in our bosom, thankfulness is one which has, or at least should have, a foremost place. As viewed by a believing eye, that wondrous faculty which sees a present God in every circumstance of life, what countless mercies have crowned with goodness the year whose birth and burial we have now witnessed! The bountiful hand of a most kind and tender God in providence, as so conspicuous in giving us an almost unparalleled harvest in the year now past demands our first and earliest tribute of thankful praise. What a striking contrast did the past summer and autumn afford to the corresponding seasons of the preceding year— a contrast which made it doubly felt and appreciated. What a succession of bright suns was day after day granted us to mature and ripen the corn, and yet occasionally there fell genial showers to prevent too great a deficiency of needful moisture. How the soil, too, sick and saturated with the unprecedented rains of 1860, seemed to gather, day by day, renewed health and strength under those warm solar rays which brought forth “the precious fruits from the deep that couches beneath,” turning in God’s mysterious chemistry the very superabundant moisture of one year into a source of fertility for another. How many anxious eyes and trembling hearts were watching at the commencement of the harvest the aspect of the heavens, scanning with doubt and fear the appearance of every passing cloud. In all our long recollection of such seasons, and we have been no unwatchful observer of them for many years, we never remember to have witnessed such a universal feeling of dependence upon the sky, and we hope, in very many instances, on Him who rules the sky, as marked the commencement of last harvest. All seemed to feel that the worth of millions was suspended in the visible heavens, and that the recurrence of another such a wet and deficient harvest as that of 1860 would fall upon the nation as a public calamity. When, then, day after day, the sun shone bright and fair in the sky, and the grain, rapidly maturing under his warm rays, was cut and gathered in an almost unprecedented condition of dryness, it was as if the nation breathed again, like one who holds his breath in awe and suspense in the sight of some expected disaster, but, recovers respiration when escape is obtained.
Let us hope that the lesson of dependence thus experimentally taught us was not in vain, and that it has been treasured up in many believing hearts. And though men, blinded by the fall, will not see the Lord’s hand, yet surely we, as a nation, need to be reminded by these changeful visitations that “the Lord does not leave himself now without witness, in that he still does good and gives us rain from heaven and fruitful seasons, filling our hearts with food and gladness.” If deficient in quantity, the grain was so excellent in quality that we have abundant reason to say, as we eat our daily bread, “The Lord be praised for the beautiful harvest of 1861.”
This was a general mercy, but one of so marked and abundant a character that we could not in a review of the year now gone pass it by without notice. One of the worst marks of the fall, and one of the crying sins of the Gentile world was that when they knew God by the things that are made, “they glorified him not as God, neither were thankful.” (Rom. 1:20, 21.) Let us not imitate their sin and their folly; but while we believe in and love a God of all grace, let us thankfully adore him as our kind God in providence.
But in a review of the year now past, faith bids us call to mind those special mercies which peculiarly demand a note of thankful praise. “Whoever offers praise glorifies me.” (Ps. 50:23.) “In everything by prayer and supplication, with thanksgiving, let your requests be made known unto God.” (Phil. 4:6.) We lose much of the sweetness of mercies for lack of a believing eye to see them, and of a thankful heart to feel and acknowledge them. Surrounded as we are by mercies, through the power and prevalency of unbelief, we continually lose sight of them, and fixing our eye perhaps on some trial or affliction, murmur amid our favors and rebel amid our blessings. Thus we commit two evils— ingratitude and rebellion, and by the indulgence of this unthankful, murmuring spirit, lose the sweetness of our mercies and add to the weight of our miseries.
But, has faith no eyes to view past favors, or rather the gracious hand which has showered them down upon us during the months gone by? Our temporal mercies have been great. It is true that all may not have been unmixed prosperity and success. Providential trials, losses in business, great and unexpected disappointments, serious reverses, lack of employment, and other painful circumstances, have doubtless fallen to the lot of some, if not many of our readers, for the precarious and peculiar state of our foreign relations has much depressed trade, injured profits, and thrown hundreds out of work— and as the Lord’s people, while in the body, are in the world, though not of the world, they necessarily suffer with it.
But if these heavy providential trials have at times severely tried their minds, and deeply depressed their spirits, yet have not these very difficulties made the Lord’s providential hand more conspicuous? A course of unchequered prosperity is not the way in which the Lord generally leads his children. Severe and heavy trials much more usually mark their course. But, these very trials only reveal him more plainly as a God in providence. When, then, we call upon our spiritual readers to acknowledge with thankful heart their past temporal mercies, we do not mean that they should do so except in connection with their providential deliverances. To see the kind hand of the Lord in daily giving us food and clothing, house and home, in supplying our temporal needs with necessaries if not with luxuries, enabling us to maintain an honorable position, according to our respective stations, disgracing neither ourselves nor the name we profess to love by running into debt or injuring others by hopeless insolvency, but, amid many difficulties, from which few are free, by prudent economy and needful self-denial, still enabled to fulfill the precept, “Owe no man anything”— is not this a mercy that demands a thankful note of praise?
When we look around and see the misery that men bring upon themselves and their families, and if professors of religion, and especially if ministers, what disgrace upon the cause of God and truth by running into debt and involving others who have confided in them by their recklessness and extravagance, we may well count it a rich mercy if the kind providence of God has hitherto held up our steps, and not put us to an open shame.
But casting our eyes back upon the year now forever past and gone, are there no other mercies which claim a note of thankful praise? It is sweet to see the Lord’s kind hand in providence, but sweeter far to view his outstretched hand in grace. Are we then so unwatchful or so unmindful of the Lord’s gracious hand in his various dealings with our soul as to view the whole past twelve months as a dead blank in which we have never seen his face, nor heard his voice, nor felt his power? “Have I been a wilderness unto Israel? a land of darkness?” (Jer. 2:31.) the Lord tenderly asks. Has he been such to us also for twelve long and weary months? What! No help by the way, no tokens for good, no liftings up of the light of his countenance, no visitations of his presence and power, no breakings in of his goodness for all that long and dreary time— for dreary it must indeed have been for a living soul to have been left and abandoned of the Lord so long!
If not blessed with any peculiar manifestations of the Son of God, with any signal revelations of his Person and work, blood and love, grace and glory, for such special seasons are not of frequent occurrence, have we not still found him the Way, the Truth, and the Life? Have we not from time to time found secret access unto God by him as the Way, the only Way, unto the Father? known him as the Truth, by an experience of his liberating, sanctifying power and influence on our heart? and felt him to be the Life by the sweet renewings and gracious revivings of his Spirit and grace? If we have indeed a personal and spiritual union with the Son of God, as our living Head, there will be communications out of his fullness, a supplying of all our need, a making of his strength perfect in our weakness, a maintaining of the life that he has given, a drawing forth of faith and hope and love, a support under trials, a deliverance from temptations, a deepening of his fear in the heart, a strengthening of the things which remain that have often seemed ready to die, and that continued work of grace whereby we are enabled to live a life of faith on the Son of God. If we have no such tokens for good, no such testimonies to record, the year has indeed been to us a blank, and we may almost say of it what Job said of the day of his birth— “Let it not be joined unto the days of the year! let it not come into the number of the months.” But not to have it is one thing, not to see it is another. “The Christian often cannot see his faith, and yet believes.”
You may have had all and more than all that we have described as the life of faith, and yet through timidity, unbelief, fear of presumption, a sense of your dreadful sinfulness, deceitfulness, and hypocrisy, may fear to take what really belongs to you. But where or what, are we if we have no spiritual mercies to record? How do we differ from the dead in sin who are without God in the world, or the dead in a profession, who have a form of godliness, while they deny the power thereof?
But we may also have to sing of “judgment” as well as of “mercy,” not indeed of judgment as implying the penal wrath, the judicial and implacable indignation of the Almighty, but as a kind and fatherly chastisement for our multiplied sins and transgressions. “Fury is not in me,” said the Lord. No— there is no wrath in the bosom of God against his people. They are forever “accepted in the Beloved,” and stand in him before the throne of God without spot or wrinkle; but there is displeasure against their sins; and this displeasure, their kind and gracious Father makes them feel when he withdraws from them the light of his countenance, and sends his keen reproofs and sharp rebukes into their conscience. But these very “judgments” help them; (Ps. 119:175,) for they lead to deep searchings of heart; and as the same blessed Spirit who sets home the reproof communicates therewith repentance, they sorrow after a godly manner, and this godly sorrow works repentance to salvation not to be repented of. (2 Cor. 7:10.)
If, then, our afflictions, crosses, losses, bereavements, family troubles, church trials, and more especially if the rebukes and reproofs of God in our conscience have been a means of humbling our proud hearts, bringing us to honest confession of, and godly sorrow for our sins and backslidings, if they have instrumentally separated us more effectually from the world, its company, its ways, its maxims, and its spirit— if they have, in the good hand of God, stirred up prayer and supplication in our hearts, led us into portions of the word of truth before hidden from view, laid us more feelingly and continually at the footstool of mercy, given us a deeper insight into the way of salvation, made mercy more dear and grace more sweet, have these trials and afflictions been either unprofitable or unseasonable?
The tree is to be judged by its fruits. The stem may be rough, and crooked— what more so than the vine? and yet what rich clusters may hang upon the bough! Measure your trials and afflictions by this standard— fruit. The true believer longs to bring forth fruit unto God; he mourns under his barrenness, often fearing lest he should eventually prove to be one of these branches which, as not bearing fruit, are to be taken away— and as these fears and feelings work in his breast, the earnest desire of his soul is to be more manifestly, both to himself and others, a fruitful branch in the only true Vine. The sweet psalmist of our Christian Israel has well expressed his desire— “Smile me into fruit, or chide, If no milder means will do.”
We are surrounded, we were going to say pestered, by a generation of loose-living professors, both in the pulpit and in the pew, men whose character Jude has written with the point of a diamond, as “feeding themselves without fear, as clouds without water, carried about of winds— trees whose fruit withers, without fruit, twice dead, plucked up by the roots; raging waves of the sea, foaming out their own shame,” etc. (Jude 12, 13.) Who that views the professing church with an enlightened eye does not see how such characters abound in this day of loud profession? What a separation of spirit, not in pride and pharisaism, not in harsh censure, not in resentment and bitterness, not in wrath and malice, but in the calm depths of a quiet humble mind, does the child of God feel from such wanton professors! Their company is death to his soul; and if his lot be unhappily cast under a light, unprofitable, dead, and barren ministry— the very element of such graceless characters, what darkness, bondage, and misery are communicated to him thereby!
Shall we, then, murmur and rebel under those strokes of kind and fatherly chastisement which, by making our conscience tender and our souls alive unto God, show us the dreadful spots into which men fall who have not the rod of God upon them? How are we, or how are any kept from their presumption and vain confidence, from their evils and their errors, except by the hand of God holding us up and holding us in? Nothing is more dangerous than a profession of the truth without an experience of its power, for nothing more hardens the heart and sears the conscience than a wanton handling of sacred things. Natural men have often a reverence for sacred things, and a conviction that they are too holy for them to touch. By this they are preserved from presumption, if not from unbelief, and their conscience, though dead, is not seared. But when this barrier is broken down, and men without a particle of godly fear or heavenly reverence of the glorious Majesty of God, intrude into his sanctuary, a graceless familiarity with the solemn mysteries of truth is almost sure to harden their conscience and make them twofold more the children of the devil than they were before. The Lord has pointed this clearly out in the parable of the man out of whom the unclean spirit had “gone out,”— gone out, not cast out, departed for a season under the influence of a profession, but not turned out by the mighty power of God. Being thus at liberty to go and come, he returns to spy out the state of his former mansion— and he finds it “empty” of grace, but “swept” by the brush of profession, and “garnished” with the letter of truth. This is just the place for Satan and his crew, and thus exulting over his suitable home, “he goes and takes seven other spirits more wicked than himself,”— for they are religious devils, whereas he is but an unclean or profane spirit, “and they enter in and dwell there; and the last state of that man is worse than the first.” (Matt. 12:43-45.)
2. But let us now look a little FORWARD. The year is before us. We have seen its beginning; the Lord knows whether we shall see its ending. Will it not then be our wisdom and mercy to live in it as if it were to be our last? Our Lord tells us what is the posture, the only safe and happy posture of his people— “Be dressed ready for service and keep your lamps burning, like men waiting for their master to return from a wedding banquet, so that when he comes and knocks they can immediately open the door for him.” (Luke 12:35, 36.) But though this posture can neither be obtained nor maintained except by special grace, yet the Lord does bless those means of his own appointment which he has afforded us; and most certain it is that without the use of these means the life of God cannot be sustained in health and vigor. Let us glance at some of them.
1. A spirit of PRAYER is most certainly one of the most gracious means which the Lord employs in maintaining divine life in the soul. A spirit of prayer is something very different from a custom of prayer, a form of prayer, or even a gift of prayer. These are merely the fleshly imitations of the interceding breath of the Holy Spirit in the heart of the saints of God— and, therefore, may and do exist without it. But that secret lifting up of the heart unto the Lord, that panting after him as the deer pants after the water-brooks, that pouring out of the soul before him, that sighing and groaning for a word of his grace, a look of his eye, a touch of his hand, a smile of his face, that sweet communion and heavenly communion with him on the mercy-seat which marks the Spirit’s inward intercession— all this cannot be counterfeited. Such a close, private, inward, experimental work and walk is out of the reach and out of the taste of the most gifted professor. But in this path the Holy Spirit leads the living family of God, and as they walk in it under his teachings and anointings, they feel its sweetness and blessedness.
2. Having the eyes and heart much in the WORD of truth is another blessed means of maintaining the life of God in the soul. O what treasures of mercy and grace are lodged in the Scriptures; what a mine of heavenly instruction; what a store of precious promises, encouraging invitations, glorious truths, holy precepts, tender admonitions, wise counsels, and living directions! What a lamp unto our feet and a light unto our path! But O how little we know, understand, believe, realize, feel, and enjoy of the word of life. For many years have we read, studied, meditated, and sought by faith to enter into the treasures of truth contained in the inspired word; but O how little do we understand it! how less do we believe and enjoy the heavenly mysteries, the treasures of grace and truth revealed in it! Yet only as our heart is brought not only unto, but into the word of life, and only as faith feeds on the heavenly food there lodged by the infinite wisdom and goodness of God, can we be made fruitful in any good word or work. We should seek, by the help and blessing of God, to drink more into the spirit of truth, to enter more deeply and vitally into the mind of Christ, to read the word more under that same inspiration whereby it was written, to submit our heart more to its instruction, that it may drop like the rain and distill like the dew into the inmost depths of our soul, and thus, as it were, fertilize the roots of our faith, and hope, and love.
3. Separation from the WORLD,and everything worldly, and that not in a monkish, austere, pharisaic spirit, but from the constraining influence of that love to the Lord which draws up the heart and affections unto him away from earthly things, is a gracious, we might almost say an indispensable means of maintaining the life of God in the believer’s breast. Nothing more deadens the soul to every gracious and heavenly feeling than drinking into the spirit of the world. As long as that is kept out, mere external contact with the world, as, for instance, in the calls of necessary and lawful business, does not injure. The world without and the world within are like two streams of different magnitude which run side by side. Keep them apart, and the smaller stream will not overflow its banks; but let the larger stream get an entrance into the smaller, in other words, let the world without rush into the world within, who shall tell the width of that flood or the havoc that it may make of the crops?
Some constitutions are so tender that every cold blast is sufficient to produce inflammation; and others are so susceptible of disease that they fall sick under the slightest taint of every epidemic disorder. Such sickly constitutions must watch against the east wind, and not expose themselves to the air of the marshy fen. But just such cold-catching, feverish invalids are we all in soul, whatever be the vigor and health of the body. Let us then be afraid of the very breath of the world lest it chill the heart, or inflame the carnal mind; let us dread exposure to its infectious influence lest it call forth into active energy our latent disease. And above all, let us dread the influence of worldly professors. The openly profane cannot do us much harm. The foul-mouthed swearer, the staggering drunkard, the loud brawler, are not likely to do us any injury. We can give them what the sailor calls “a wide berth,” as he does to a known rock when he approaches the place as marked on the chart. Nor are we likely to suffer injury from the moral Churchman, or the zealous Arminian, or the political Dissenter. They and we are far enough apart.
But the professor of the same truths which we hold dear, who sits perhaps under the same or a similar ministry, whom we cannot altogether reject and yet cannot receive, who, like Bunyan’s Talkative, is swift to speak on every occasion, and on no occasion at all, that he may have the pleasure of hearing the music of his own tongue, but who the more we are in his company the more he robs us of every tender, humble, gracious, and spiritual feeling— he, he is the robber, not indeed the highwayman who knocks us down with his bludgeon, but the pickpocket who steals our purse as he sits in the same carriage by our side.
4. To cleave to the Lord with purpose of heart under all cases and circumstances, under all trials and temptations, under all difficulties and perplexities, amid a whole storm of objections and suggestions from the carnal mind, the sore thrustings of our pitiless and unwearied adversary, and every obstacle from without or within that may obstruct our path— this, too, is indispensable to the life of faith. “The kingdom of heaven suffers violence and the violent take it by force.” It is not folding the hands and crying, “Peace, peace,” that will take us to heaven; no, nor a sound creed, a form of godliness, or a name to live. This is not running the race set before us, or fighting the good fight of faith, or wrestling with principalities and powers and spiritual wickedness in high places. Sometimes we are tempted to presume and sometimes tempted to despair. The only cure for both these diseases of the soul is to cleave to the Person and work, blood, love, and grace of the Lord Jesus, so far as he has been revealed to our soul and according to the measure of faith which is given unto us. To hang upon him at every step is the only way to be brought through.
5. The last gracious means which we shall name, as it is time to come to a conclusion, is to live, walk, and act in the daily fear of God. This is, indeed, a most blessed fountain of life to depart from the snares of death. Only, then, as this fountain of life springs up in the soul, watering and thus making the conscience tender, the heart fruitful, the affections heavenly, and the spirit soft and contrite, can the power of grace be maintained in the breast. This heavenly grace of godly fear, the believer’s treasure, the beginning and the end of wisdom, makes and keeps the eye watchful, the ear attentive, the smell quick and sagacious, the tongue savory, the arm strong, the hand open, and the foot cautious; and thus amid thousands of snares and temptations he walks forward to a heavenly kingdom with his eyes right on, and his eyelids straight before him.
Dear friends, friends of Jesus, partakers of his grace, and heirs of his glory, there is a divine reality in the things of God and the kingdom of heaven. We have not followed cunningly devised fables in leaving all things for Jesus’ sake— name, fame, prospects in life, worldly joys, earthly hopes, and carnal pleasures. In choosing, with Moses, through the power of God’s grace, rather to suffer affliction with the people of God than to enjoy the pleasures of sin for a season, we have not made a choice which will end in disappointment.
May the Lord give us to realize during the coming year more of his love; and may his rich, free, sovereign, distinguishing, and super-abounding grace manifest itself in a godly walk, a holy life, and a conversation becoming the gospel, that we may adorn the doctrine we profess, and compel our very enemies to hold their mouths for shame when they would gladly find occasion of reproach in us. Under every trial may we find heavenly support, out of every temptation a gracious deliverance; and should the sentence even be “This year you shall die,” may we feel the everlasting arms underneath on the bed of death, leave behind us a sweet testimony to the goodness and faithfulness of the Lord, and be borne aloft to join that happy and glorious company who with tongues of ceaseless praise forever adore the Lamb.
Brethren, pray for us.
Your affectionate Friend and Servant,
The Editor