New Year’s Address, January 1856
Door de tedere ontferming van God nog eens gespaard aan het begin van een nieuw jaar willen wij ons richten tot die lezers die Zijn grote Naam vrezen. Wij willen tot hen komen met het evangelie in onze handen en onder de onderwijzing en zalving van de gezegende Geest in ons hart. Uit onszelf kunnen wij zelfs geen goede gedachte denken. Laat staan dat wij met tong of pen iets kunnen voortbrengen tot geestelijke opbouw van het gezin van God.
Daarom hebben wij telkens weer onze smeekbeden voorgelegd aan de God van alle genade. Wij vroegen dat Hij ons bij deze gelegenheid zou leren hoe en wat wij moeten schrijven. Zo konden onze woorden werkelijk nuttig zijn voor dat deel van de gemeente van Christus waartoe zij komen. Onze enige aanspraak op hun aandacht is de waarheid die wij hun mogen voorleggen en de geest waarin wij schrijven.
Worden die aan hun geweten aanbevolen en vallen zij met enig gewicht en kracht op hun hart, dan zullen zij onze woorden ontvangen. Niet omdat onze pen ze schrijft, maar vanwege het getuigenis dat ze in hun eigen ziel vergezelt.
Wij mogen, naar wij vertrouwen met alle eerlijkheid, zeggen dat wij een toenemend verlangen voelen om tot zegen te zijn voor de gemeente van God. Zonder het te zoeken of te wensen zijn wij geplaatst in de positie van redacteur van een tijdschrift dat wijd verspreid is onder het levende gezin. Wij verlangen dat het in de hand van de Heere een middel is tot grote en toenemende winst voor hun zielen.
Als wij maand na maand voor hun welzijn arbeiden, hebben wij geen partijbelangen te dienen. Wij hebben geen ellendige kleine eerzucht te bevredigen en geen plannen van geldzucht of trots te bevorderen. Wij hebben geen rijke lezers te vleien en geen wereldse belijders te vrezen. Zeggen dat wij geen werkingen van hoogmoed en eigenliefde hebben, zou zeggen dat er geen bloed van de oude Adamsnatuur door onze aderen stroomt. Maar wij hopen te mogen zeggen, voor het aangezicht van God en voor Zijn volk, dat ons voornaamste verlangen en doel de geestelijke winst van de gemeente van Christus is.
Geloven onze lezers dat? En hebben zij naast onze bewering het overtuigender bewijs van hun eigen geweten dat zij enige zegen of winst uit onze arbeid hebben ontvangen? Dan zullen zij, omdat zij weten dat wij allen in vele dingen struikelen, de vlekken en smetten over het hoofd zien die menselijke zwakheid altijd op de schone bladzijde van de waarheid laat vallen. Zij zullen die niet toeschrijven aan een opzettelijk plan maar aan een hand die door de zondeval onvast is.
Wat is de geest die de dienaren van God moet bezielen wanneer zij in de naam van hun Meester spreken? Zij spreken de waarheid in liefde. Zij zijn getrouw en toch liefdevol en houden niets achter wat nuttig is. Zij onthouden zich van alle harde en onbetamelijke taal.
Zij waken over zielen als wie rekenschap moeten afleggen. En zij doen wat Paulus deed: wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods. Moet dit niet evenzeer het heersende verlangen en doel zijn van hen die schrijven tot eer van dezelfde gezegende Heere en tot voordeel van Zijn volk?
Wat is een mens of een predikant anders dan in zichzelf een gevallen schepsel? Welke mate van licht of leven, wijsheid of kennis, geloof of hoop, vrijheid of liefde iemand ook bezit, hij heeft het geheel en alleen te danken aan soevereine genade. Is hij zoals Aser gezegend met geestelijke kinderen? Is hij zijn broeders aangenaam omdat hij zijn voet in olie doopt? Dan is dat alleen omdat het hem uit de Rots is uitgegoten. (Deuteronomium 33:24; Job 29:6.)
Goed kan de Heere dan zeggen tot een dienaar van Hem die uit diepere bevinding of grotere gaven zich graag boven zijn broeders zou verheffen: wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt, maar het door eigen inspanning had verworven?
En verzamelt een zwerver in de woestijn minder manna dan zijn broeder? Dan zal toch, gemeten met de geestelijke gomer, blijken dat wie veel heeft verzameld niets overhoudt en wie weinig heeft verzameld niets tekortkomt. Dat is de schoonheid en zaligheid van de genade: zij stelt het hele gezin van God op één lijn. Zij staat niet toe dat iemand, mens of predikant, zich boven een ander verheft. Zij staat geen roem toe op diepere bevinding of grotere openbaringen. Zij vernedert het meest de meest bevoorrechte en verheft het meest de diepst vernederde. Zij verbergt de hoogmoed voor de mens en verzekert alle eer voor God.
Waar komt dan zoveel zelfverheffing vandaan bij velen, zoveel bitterheid van geest, zoveel nijd en afgunst, zoveel laster en kleinering? Zeker niet uit genade. Want de genade leert een dienaar van God niet zichzelf te verheffen en anderen te verachten of zijn medeknechten te slaan, evenmin als zij hem leert te eten en te drinken, en dronken te worden. (Lukas 12:45.) De genade dringt hem integendeel met alle banden van liefde tot de Heere en Zijn volk om alle dingen schade en drek te achten vanwege de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus.
Zij dringt hem zich in te zetten voor het welzijn van zijn broeders. Zij leert hem alle tijd als verloren te achten die niet wordt besteed aan het zoeken van de winst van zijn eigen ziel, de eer van God en het welzijn van Sion.
Wij kennen onszelf te goed, en het kwaad dat in ons woont, om te zeggen dat dit onze voortdurende of onze veelvuldige gemoedsstaat is. Maar als dit niet diep in ons hart gegraveerd staat en onze gedachten niet beïnvloedt en onze pen niet leidt, dan leggen wij onze pen maar beter meteen neer. In deze geest willen wij nu onze geestelijke lezers aanspreken en hun enkele gedachten voorleggen die ons zijn opgevallen als toepasselijk op de huidige stand van zaken onder ons.
Geestelijke zaken staan naar algemene erkenning op een laag peil in de gemeente van God. Gemeenten zijn zwaar verscheurd en uiteengereten. Godvrezende predikanten zijn zeer schaars. Er rust verhoudingsgewijs weinig zegen op het gepredikte evangelie. En de meeste heiligen van God klagen over dorheid in zichzelf en in anderen. Gekwetst en gepijnigd door het zien van zoveel vleselijkheid en dood in de gemeenten, of misschien walgend van afzonderlijke voorbeelden van goddeloosheid bij belijders die zij onder ogen kregen, hebben velen een omslag van gevoel meegemaakt die hen bijna van de waarheid zelf heeft weggedreven. Het zijn mensen met een teder geweten, maar niet zeer bekend met het kwaad van hun hart.
Zij vragen: “Zijn dit het volk van God? Is dit een gemeente van Christus? Kan deze man een dienaar van de Allerhoogste zijn? Zijn dit de leerstukken van het evangelie en brengen evangelieleerstukken zulke gevolgen voort?”
Door zulke gedachten en gevoelens geschokt en teruggeworpen zijn sommigen van Gods volk verzocht tot heimelijk ongeloof en tot de gedachte dat de godsdienst zelf één en al waan is. Anderen zijn verzocht hun belijdenis bijna op te geven of de waarheden te verzaken die zij tot nu toe aanhingen. Leden van gemeenten zijn verzocht hun lidmaatschap op te zeggen. Wie gewend was ergens te horen, is verzocht er niet meer heen te gaan. Verdreven van hen die zij eens zo hoog achtten, zien zij om zich heen waarheen zij moeten gaan of wat zij moeten doen.
Een of andere schijnbaar fraaie vorm van godsdienst valt hun op dit moment in het oog. De ‘Brethren’ hebben een kamertje in de stad en daar zullen zij heen gaan. Daar zullen zij meer geestelijkheid vinden, denken zij. Daar is meer liefde en eendracht, meer ijver en gloed. Er is meer toewijding en heiligheid, meer geloof en vruchten van het geloof. Ook zullen zij daar vaker gelegenheid hebben tot gemeenschap en godsdienstige omgang.
Anderen, die heel goed zien waar de ‘Brethren’ staan, besluiten nergens heen te gaan. Zij zullen thuis de Bijbel lezen en niets meer te maken willen hebben met enige belijders. Er zijn nu, denken zij, geen predikanten meer die het waard zijn om te horen en geen boeken die het waard zijn om te lezen. Er is geen echte godsdienst meer in het land. Alle belijders zijn gelijk: bedriegers of bedrogenen. De calvinisten zijn erger dan de arminianen en de zogenoemde bevindelijke predikanten zijn niet in het minst beter dan de droge leermensen.
Daarom zullen zij, zeggen zij, van hen allen uitgaan. Zij zullen niets anders lezen dan de Bijbel en de liederen van Deer en soms de oude puriteinse schrijvers of Huntington en Hawker. Met de belijdenis van de dag willen zij niets meer te maken hebben, want zij zijn er ziek en moe van.
Veel van dit gevoel komt, daaraan twijfelen wij niet, bij sommigen voort uit geestelijke hoogmoed en heimelijke gekrenktheid omdat anderen hen niet zo hoog waarderen als zij zichzelf zien. Bij anderen komt het voort uit die zelfgerechtige geest die mensen doet zeggen: Houd u tot uzelven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij. En bij weer anderen komt het voort uit onkunde van hun eigen hart en uit de verwachting dat zij in de gemeente van God meer zullen vinden dan daar gewoonlijk te vinden is.
Van mensen in zo’n gemoedsstaat verwachten wij niet dat onze woorden enige indruk maken. Maar komen deze regels onder de ogen van iemand die door de toestand in vele gemeenten gepijnigd en bedroefd is en in verlegenheid zit welk pad hij moet kiezen? Heeft hij iets van zulke gemoedsbewegingen gevoeld als wij zojuist hebben geschetst? Wil hij dan geduld met ons hebben als wij hem en de gemeente van God in het algemeen voorleggen wat naar onze overtuiging de veiligste en wijste weg is? Wij zullen onze opmerkingen en raad zo proberen te vormen dat zij zo ruim mogelijk gelden voor de gedragslijn van hen die Sion liefhebben.
Wij verbergen voor onszelf de kwalen niet die wij hebben genoemd en die allen die God vrezen diep moeten betreuren. Laten wij ze belijden en erkennen en bij de Heere verlossing ervan zoeken. Maar laten wij ons er niet door naar het andere uiterste laten drijven. Zouden onze woorden toegang vinden tot het hart van wie beproefd en geoefend worden door pijnlijke dingen in de gemeente van God en door sterke innerlijke verzoekingen die daaruit voortkomen en daarmee samenhangen, dan zouden wij hun de volgende raad voorleggen. Het is een raad die wij in onze eigen ziel beproefd hebben en daarom gezond en goed weten te zijn.
1. Houd vast aan de WAARHEID van God.
Denk aan de woorden van de Heere Zelf: Indien gijlieden in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen; En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.
Laat mensen de waarheid belijden zonder haar te bezitten, of haar belijden en er schande over brengen. Bezoedelt en bevlekt dat de zuiverheid van de waarheid zelf? Kijk naar die heldere beek die uit de berghelling opwelt en schittert in de zon, terwijl zij springt om haar stralen tegemoet te komen.
Een paar meter lager probeert een schaap te drinken en maakt met zijn poot het water troebel. Wacht even. Het water dat het schaap bevlekt heeft, hoeft u niet te drinken. Zie hoe de zuivere stroom springend naar u toe komt uit de rots. Drink van wat noch voet van mens noch van dier ooit heeft verontreinigd.
Hebt u ooit de kracht en zoetheid van Gods waarheid gevoeld? Heeft zij u ooit vrijgemaakt van de schuld en de vuilheid van de zonde, de slavernij van de wet, de verschrikkingen van de dood, de liefde tot de wereld, de lust van het vlees en de hoogmoed van het leven?
Kunt u dan de waarheid verlaten? Is zij niet uw leven, uw alles? Stel dat mensen haar tot schande maken, haar vasthouden in ongerechtigheid, er in strijd mee handelen of haar belijden zonder haar kracht te voelen.
Laat dat een waarschuwing voor u zijn om hetzelfde niet te doen. Maar geef de waarheid niet op omdat anderen er slecht gebruik van maken. Keur hun kwade daden niet goed en wees geen deelgenoot van de zonden van anderen. Houd uzelf rein van hun of soortgelijke inconsequenties. Maar verlaat de waarheid niet omdat mensen haar misbruiken.
Welke zegeningen hebben mensen niet misbruikt! Sommigen hebben hun honden gevoerd met hete plakken van het braadstuk. Zult u daarom nooit meer vlees aanraken? Duizenden misbruiken hun gezondheid. Zult u daarom de voorkeur geven aan ziekte? Geld wordt dagelijks verdraaid tot de gemeenste doeleinden. Zult u daarom uw betrekking opzeggen, wie dan ook uw huur of winst laten innen, zonder loon werken of de luiken van uw winkel sluiten? Dat zou u doen omdat goddeloze mensen misbruiken wat u met dankbaarheid als Gods gave mag aannemen en tot Zijn eer mag gebruiken.
Nee, laten wij de waarheid juist des te vaster vasthouden omdat zij wordt misbruikt. Laten wij liever een voller openbaring en krachtiger toepassing ervan voor onze eigen ziel zoeken, een sterker geloof erin en een ernstiger verlangen om bestendiger te leven in het genot en de zoetheid ervan. Zo zien wij des te duidelijker uit het voorbeeld van anderen hoe gevaarlijk een belijdenis van de waarheid is zonder een hartelijk bezit. Wordt u gegriefd of misselijk van het gedrag van sommigen die de waarheid belijden? Toon dan dat er in een krom en verdraaid geslacht tenminste één mens is die haar kan en wil sieren.
Bedenk ook dat de zuiverheid van de waarheid evenmin werkelijk bezoedeld kan worden door de trouweloosheid van haar belijders als de wang van Christus bevlekt werd door de kus van Judas of Zijn zuivere menselijkheid onteerd door de striemen en doornen in de rechtszaal van Pilatus.
En houd bij het vasthouden aan de waarheid vooral vast aan de kracht van de waarheid. Niet de letter van de waarheid, hoe helder of juist ook, kan uw ziel redden of zegenen. Hoe goed en hoe bevindelijk spreekt Deer over dit punt in die wonderlijke bevinding van hem, dat onsterfelijke getuigenis tegen farizeese eigengerechtigheid en antinomiaanse losbandigheid: “Denkbeelden over de godsdienst had ik niemand nodig om me te leren. Ik had leer genoeg. Maar ik ondervond door droevige bevinding dat droge leer, hoe gezond ook, een ziel niet staande houdt in de dag van de beproeving.”
Als wij de zaken wat nauwkeuriger bekijken, zien wij waarom velen van wie men eens betere dingen hoopte, van de waarheid zijn weggedreven. Zij hebben nooit haar kracht gevoeld en nooit haar goddelijke zaligheid geproefd door een genadige bevinding ervan, zoals zij aan hun ziel bekend werd gemaakt. Daarom werden zij door het gedrag van haar belijders van de waarheid naar de dwaling gedreven. Zo worden mensen vaak van het ene uiterste in de politiek naar het andere gedreven door de slechte behandeling die zij van hun eigen partij ondervinden.
Maar de waarheid van God, de waarheid zoals die in Jezus is, de waarheid die vrijmaakt, laat men niet op die manier los. Laat dit liever ons gevoel zijn. Als elke belijder in Engeland haar tot schande maakt en elke predikant in Engeland zich ervan afkeert, laat mij haar dan des te steviger vasthouden. Want als ik haar verlaat, verlaat ik Christus Zelf, Die de Waarheid is en ook de Weg en het Leven.
Laten wij liever, als allen haar verlaten, dat edele voorbeeld volgen dat zo mooi is afgebeeld in de serafijn Abdiël:
“Zo sprak de serafijn Abdiël, getrouw bevonden;
onder de ontrouwen als enige getrouw;
onder ontelbaar velen die vals waren onbewogen,
onwankelbaar, onverleid, onverschrokken;
zijn trouw bewaarde hij, zijn liefde, zijn ijver.
Noch menigte noch voorbeeld bracht hem ertoe
van de waarheid af te wijken of zijn standvastige gezindheid te wijzigen,
al stond hij alleen.”
2. Houd vast aan de GEMEENTE van Christus.
De eigen belofte van de Heere was: ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Er is dus nog altijd een gemeente van Christus. Soms spreken mensen alsof er nu geen volk van God meer is en geen gemeente van Christus op aarde. Zij zeggen bijna met de profeet Elia: ik alleen ben overgebleven. Maar zoals er in die sombere tijden zevenduizend in Israël waren die de knie niet voor Baal hadden gebogen, zo heeft God ook in onze dagen nog een zaad dat Hem dient, een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Was dat niet zo, dan zouden wij spoedig als Sodom zijn en Gomorra gelijk worden.
Hoe laag, verdeeld of verstrooid dit overblijfsel ook is, het is nog altijd de gemeente van Christus. Het is Hem dierbaar als lid van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. Moet het dan ook niet ons dierbaar zijn? Kunnen wij het Hoofd liefhebben en de leden niet? Kunnen wij eenheid en gemeenschap met de Heere zoeken en ons afscheiden van het volk van de Heere?
‘Ach, maar ze zijn zo verkeerd, en ik heb zoveel moeite onder hen gehad. Ik ben zo wreed gewond in het huis mijner liefhebbers. Ik heb zoveel verdriet en hartzeer gehad van mijn verbintenis met hen. Mijn gevoelens zijn zo verpletterd en vertrapt, mijn bedoelingen zo verkeerd uitgelegd, mijn woorden en daden zo verdraaid dat ik absoluut gedwongen was hen te verlaten!’ Komt deze stap die u hebt gezet, of die u op het punt staat te zetten, voort uit genade?
Zou er niet een sterke vermenging kunnen zijn van zelfmedelijden, gekrenkte trots, natuurlijke wrok, prikkelbaarheid van humeur of ergernis omdat u niet uw eigen zin kunt krijgen, met uw huidige gemoedsoefeningen? O, wat is het hart van de mens bedrieglijk en uitermate boosaardig! Hoe kan het al zijn eigen fouten voor zichzelf verbergen! En hoe kan het, de fouten van anderen overdenkend of vergrotend, stormen van toorn opwekken tegen onze dierbaarste vrienden. Voor een kleine belediging koestert het vijandschap tegen de uitgelezenste heiligen van God! Uw huidige gevoelens van schuwheid en wantrouwen en het mijden van hen met wie u eens zoete gemeenschap had, komen dus misschien niet geheel uit genade.
Zou de genade niet liever zeggen: ‘Wel, met al hun fouten zijn zij nog altijd het volk van God. Ik treur en ben bedroefd over hun verkeerdheid en eigenzinnigheid. Maar ik kan en mag hen niet opgeven. Ben ik misschien ook voor een deel schuldig? Heb ik altijd geheel in de geest van het evangelie gesproken en gehandeld? Ben ik niet zelf soms geprovoceerd en heb ik niet overhaaste uitdrukkingen gebruikt en aan mijn humeur toegegeven? Heb ik, ook al streed ik alleen voor goede dingen, dat niet gedaan in de geest en zachtmoedigheid van het evangelie? Ben ik ook niet te gauw geweest om vooroordelen op te nemen en naar onvriendelijke praatjes te luisteren? En heb ik hen misschien niet net zo gewond als zij mij?’
Maar of dit zo is of niet, ook al hebt u in woord en geest het onberispelijkst gehandeld, het komt op hetzelfde neer. Niets mag ons scheiden van de lijdende leden van Christus. Hen namen wij tot onze broeders en vrienden toen wij uit de wereld kwamen. En wij mogen hen niet opgeven. Christus, Die wij belijden lief te hebben, heeft hen lief met al hun verkeerdheid. Denk wat u wilt of zeg wat u wilt over hen: er is meer verkeerdheid in ons hart, in ieder van ons, dan in al hun woorden en daden bij elkaar.
Maar als onze raad goed is voor hen die God vrezen in het algemeen, van wie velen niet in gemeenschap met een gemeente zijn, hoeveel sterker geldt hij dan voor leden van evangeliegemeenten! Dit is uw positie. U hebt zich aangesloten en bent nog altijd lid van een evangeliegemeente. Maar veel dingen in die gemeente beproeven uw gemoed diep. Zij is zeer verdeeld en met sommige leden hebt u weinig of geen eenheid.
Anderen zijn volgens u diep bevangen door wettisch denken en vrije wil. En weer anderen, die een goede bevinding hebben, zijn zo koppig en eigenwijs dat de gemeente geen rust of vrede heeft als zij niet kunnen regeren en hun eigen zin krijgen.
Wel, u zou uzelf zeker veel moeite en verdriet kunnen besparen als u hen helemaal verliet. Dat zouden de martelaren ook hebben gekund als zij de waarheid hadden opgegeven. Dat zou ook Paulus hebben gekund als hij de zorg voor alle gemeenten had losgelaten. En dat zou de gezegende Heere Zelf hebben gekund als Hij de Vader om meer dan twaalf legioenen engelen had gebeden. Maar Hij heeft geleden, en dat moet u ook. En dit kan uw bijzondere kruis zijn. Wij weten hoe zwaar gemeentelijke moeiten zijn. Na de persoonlijke zielenood zijn zij de zwaarste van alle, en weinigen kunnen in gemeenschap met een gemeente zijn zonder ze.
Is de gemeente een inzetting van Christus, dan betekent het voor een gelovige die geen lid van een gemeente is om het minste te zeggen dat hij niet wandelt in de inzettingen van Christus. En is hij wel lid van een gemeente, dan moet hij in de beoefening van christelijke liefde alles dragen, alles geloven, alles hopen en alles verdragen, liever dan zijn lidmaatschap ervan op te geven.
3. Houd vast aan de DIENAREN van God.
Wij betreden hier tedere grond. Want als wij om ons heen kijken, vinden wij werkelijk weinigen die die titel waardig zijn. Maar het punt waarop wij vooral willen aandringen is dit. Het is niet aan ons om te zeggen wie wel en wie geen dienaren van God zijn. Maar wij zeggen wel: wordt iemand aan uw geweten aanbevolen als dienaar van Christus en is er ooit enige zegen aan uw ziel door hem meegedeeld, laat dan niet toe dat een kleinigheid hem en u van elkaar scheidt.
Wij zijn schepselen van uitersten. Sommigen denken te veel en anderen te weinig van de dienaren van God. Sommigen zien in hen geen fout, althans niet in het ene voorwerp van hun afgodische genegenheid. Anderen zien in hen weinig anders dan fouten. Bedenk dat God mensen zendt om te prediken en geen engelen. Als mensen hebben zij niet alleen dezelfde hartstochten als hun hoorders maar zijn zij bijzonder blootgesteld aan verzoekingen.
Dat komt niet alleen door hun positie zelf maar ook omdat Satan in het bijzonder hard naar hen stoot opdat zij vallen. Hij weet goed dat hun val de gemeente met rouw zou vervullen en de vijanden van de waarheid met vreugde. Hun val zou de zaak van God te schande maken, de zwakken doen struikelen en de verzochten bijna tot wanhoop drijven. Hij zou een wolk werpen over een gemeente die misschien nooit meer verdwijnt. Hij zou jarenlang een blijvende smaad opleveren en honderden voorzien van het krachtigste wapen tegen de waarheid zolang de muren van het kerkgebouw blijven staan.
Wanneer wij dit bedenken, hoezeer is het dan de plicht van het gezin van God de handen van de dienaren van Christus op te houden door gebed en smeking. En als de bediening tot zegen voor hun ziel is geweest, moeten zij bij de Heere blijvende voorraden van genade voor hun predikant zoeken. Zo wordt zijn ziel bewaterd en levend gehouden en rusten dauw, smaak en kracht overvloedig op hem en op het woord dat hij predikt.
4. Houd vast aan het WERK VAN GOD AAN UW EIGEN ZIEL.
Dit is uw schat, de schat in het aarden vat die God daarin door Zijn Geest en genade heeft gelegd. Hier kunt u diep beproefd worden. Zulke duisternis kan soms uw ziel bedekken dat u geen enkele trek van Gods werk aan uw hart meer ziet. Of u bent in zo’n koude, dode, levenloze toestand geraakt dat u voorbij alle gevoel lijkt, zonder zelfs een zucht of een kreet.
Of u wordt hevig verzocht om te denken dat u een ellendige huichelaar of zelfbedrieger bent en dat de beste weg is uw belijdenis of zelfs uzelf uit de weg te ruimen.
Toch is er bij dit alles een ‘geheimzinnig iets’ dat u niet kunt opgeven.
U weet dat er tijden voor u zijn geweest waarin u Christus dierbaar kon en voelde, waarin u Hem met heel uw hart liefhad. Toen zag u de Koning in Zijn schoonheid en het land dat nu zo ver weg is, en werd u week en door een smaak van Zijn liefde gesmolten tot berouw. U kunt ook terugkijken en zien hoe er eerst aan u gewerkt werd, welke overtuigingen u voelde, welke zuchten en kreunen u uitte, welke gebeden en kreten u uitstortte en hoe u uit de wereld of uit een dode belijdenis werd gebracht en gedreven om vergeving en vrede voor uw eigen ziel te zoeken.
Hoe kunt u werkelijk opgeven wat u zo hebt gevoeld? Nee! Houd er dan aan vast, want het is uw leven. Geef alles op voordat u dat opgeeft. De Heere kan en zal vroeg of laat schijnen op Zijn eigen werk en het voortbrengen tot Zijn eigen lof.
5. Houd vast aan elke BELOFTE die ooit aan uw ziel is gedaan.
De gewone weg van de Heere is eerst een belofte te geven en haar dan op de proef te stellen. Zo was het met Abraham, zo met Jakob en zo met Jozef. Sara’s onvruchtbaarheid beproefde Abraham, Labans vervolgingen beproefden Jakob en Farao’s gevangenis, waar het ijzer in zijn ziel drong, beproefde Jozef. Maar niet één jota of tittel van de beloften die hun waren gedaan, viel op de grond.
Zo zal het ook zijn als de Heere u ooit een belofte heeft gedaan. Ook al is uw pad nu donker en somber in de voorzienigheid of in de genade, u kunt doen wat Jakob deed. Leg de belofte die God gedaan heeft in Gods eigen hand met een Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen. (Genesis 32:12.) Dan zal Hij op Zijn eigen tijd en wijze Zijn eigen woord eren en het vervullen tot Zijn heerlijkheid en uw vreugde.
6. Houd vast aan die GENADEMIDDELEN die tot zegen voor uw ziel zijn geweest.
God heeft Zijn woord van waarheid in uw handen gegeven. Hij heeft een genadetroon opgericht waartoe u kunt naderen. Hij heeft u begunstigd met christelijke vrienden. Misschien heeft Hij u gezegend met een dienaar die Hij Zelf heeft onderwezen en gezonden om naar te luisteren. Hoe goed is het Zijn woord te lezen met een verlicht verstand en een gelovig hart. Hoe goed is het de ziel uit te storten voor de genadetroon met vrijmoedigheid en toegang. Hoe goed is het eenheid en gemeenschap te voelen in christelijk gesprek met de heiligen van God en om het gepredikte evangelie te horen met leven en kracht.
Het is waar dat wij niet vaak zo bevoorrecht worden. Maar als wij dat soms zijn of ooit zijn geweest, zullen wij deze genademiddelen waarderen, deze kanalen van goddelijke mededeling. De Schriften zijn voor ons misschien een verzegeld boek, maar wij zullen ze toch lezen. De genadetroon is misschien met een wolk bedekt, maar wij zullen er toch onze smekingen brengen. Het gesprek met de kinderen van God is misschien een last, maar wij zullen hun gezelschap niet verlaten. De bediening is misschien een droge borst, maar wij zullen de samenkomst in het bedehuis niet verzuimen.
Wij kunnen in deze dingen aan verzoeking toegeven en overwonnen worden door traagheid en nalatigheid, totdat onze ziel op de tuin van de luiaard gaat lijken.
Wij kunnen het lezen van de Bijbel verwaarlozen totdat wij er bijna nooit meer in kijken. Wij kunnen koud en vormelijk zijn bij de genadetroon totdat het gebed geheel is verstikt. Wij kunnen schuw zijn voor de heiligen van God totdat wij hun gezelschap helemaal verlaten. Wij kunnen elke smoes laten gelden om de voet van het bedehuis weg te houden totdat het een last wordt om te gaan. De Heere bindt Zich niet aan middelen, maar Hij wordt er gewoonlijk in gevonden. Daarom is het onze wijsheid en barmhartigheid Hem erin te zoeken.
7. Houd vast aan de Heere JEZUS Christus tot het uiterste van uw geloof en hoop in Hem.
Vele veranderingen gaan over onze gedachten, maar Hij verandert niet, want Hij is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Zonder Hem kunnen wij niets doen en met Hem kunnen wij alles doen. Hij kan ons ondersteunen in onze beproevingen, ons troosten in onze verdrukkingen, ons verlossen uit onze verzoekingen en onze zonden onderwerpen. Hij kan onze vrees wegglimlachen, ons opbeuren in het leven, ons zegenen in de dood en ons in de eeuwigheid voor de troon van Zijn Vader stellen, heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk in Zijn ogen.
Aan Hem mogen wij dan altijd aanhangen met een vast voornemen van het hart. En moge het onze begeerte steeds zijn Hem op aarde te verheerlijken, met het vooruitzicht een eeuwigheid met Hem in de hemel door te brengen.
Spared as we are by the tender mercies of God once more at the commencement of another year to address those of our readers who fear his great name, we desire to come before them with the Gospel in our hands, and under the teaching and unction of the blessed Spirit in our heart. Unable of ourselves even to think a good thought, much less to produce by tongue or pen anything for the spiritual edification of the family of God, we have again and again presented our supplications to the God of all grace, that he would on this occasion teach us how and what to write, that our words might be truly profitable to that portion of the church of Christ to which they may come. Our only claim upon their attention is the truth we may bring before them, and the spirit in which we write; and if these be commended to their conscience and fall with any weight or power upon their heart, they will receive our words, not because our pen indites them, but because of the testimony which accompanies them to their own soul.
We can say, we trust with all honesty, that we feel an increasing desire to be made a blessing to the church of God. Placed as we are in a position unsought and undesired by us to edit a periodical widely circulated among the living family, we desire it to be a means in the Lord’s hands of great and increasing profit to their souls. In laboring month after month for their benefit, we have no party ends to serve, no miserable petty ambition to gratify, no schemes of pelf or pride to advance, no rich readers to flatter, nor worldly professors to fear. To say we have no workings of pride and self would be to say that we have no blood of the old Adam nature circulating in our veins; but we hope we can say, in the sight of God, and before his people, that our chief desire and aim is the spiritual profit of the church of Christ. If our readers believe this, and if, in addition to our assertion, they have the more convincing evidence of their own conscience that they have felt any blessing or derived any profit from our labors, they— as knowing that in many things we offend all— will overlook those blots and stains which human infirmity will ever drop on the fair page of truth, and will ascribe them not to willful design, but, to a hand unsteady through the fall.
To speak the truth in love; to be faithful yet affectionate, keeping back nothing that is profitable, but abstaining from all harsh, unbecoming language; to watch for souls as those that must give account; to renounce the hidden things of dishonesty, not walking in craftiness, nor handling the word of God deceitfully, but by manifestation of the truth commending themselves to every man’s conscience in the sight of God— if this is the spirit which should influence the servants of God who speak in their master’s name, should it not equally be the ruling desire and aim of those who write for the honor of the same blessed Lord and for the benefit of his people?
What is any man or minister but a fallen creature in himself? Whatever measure anyone may possess of light or life, wisdom or knowledge, faith or hope, liberty or love, he owes it wholly and solely to sovereign grace. If, like Asher, he be blessed with spiritual children; if he be acceptable to his brethren, because he dips his foot in oil, it is only as poured to him out of the Rock. (Deut. 33:24; Job 29:6.)
Well, then, may the Lord say to any servant of his, who from deeper experience or greater gifts would gladly lift up himself above his brethren, “Who makes you to differ from another? and what have you that you did not receive? Now, if you did receive it, why do you glory as if you had not received it,” but had procured it by your own exertions? Or if any wanderer in the wilderness gather less manna than his brother, still, when meted with the spiritual omer, it will be found that, as he who has gathered much has nothing over, so he who has gathered little has no lack. This is the beauty and blessedness of grace, that it sets all the family of God upon a level, allows no man or minister to exalt himself above another, allows no boasting for deeper experience or greater manifestations, but most humbling the most favored, and most exalting the most self-abased, hides pride from man, and secures all the glory for God.
Whence, then, such self-exaltation among many, such bitterness of spirit, such envy and jealousy, such slander and detraction? Certainly not from grace— for grace no more teaches a servant of God to exalt himself and despise others, or beat his fellow-servants, than it teaches him to eat and drink and be drunken. (Luke 12:45.) Grace, on the contrary, constrains him by every tie of love to the Lord and his people to count all things but dung and dross for the excellency of the knowledge of Christ, to lay himself out for his brethren’s good, and to esteem all time lost that is not spent in seeking the profit of his own soul, the glory of God, and the welfare of Zion. We know too much of ourselves, and of the evil that dwells in us, to say that this is our constant or frequent frame— but if this is not deeply engraved on our heart, and does not influence our mind and guide our pen, the sooner we lay it down the better.
In this spirit, then, do we now desire to address our spiritual readers, and to present them with a few thoughts which have struck our minds as applicable to the present state of things among us.
Spiritual matters are, by general confession, at a low ebb in the church of God. Churches are much rent and torn; godly ministers very scarce; little blessing comparatively resting upon the preached Gospel— and most of God’s saints complaining of barrenness in themselves and in others. Pained and wounded by seeing so much carnality and death in the churches, or disgusted, perhaps, by individual instances which have come before them of ungodliness in professors, many, tender in conscience, but not much acquainted with the evils of their heart, have experienced a revulsion of feeling which has almost driven them from truth itself. “Are these the people of God? Is this a church of Christ? Can this man be a servant of the Most High? Are these the doctrines of the Gospel, and do Gospel doctrines produce effects like these?”
Staggered and thrown back by such thoughts and feelings, some of God’s people have been tempted to secret infidelity, and to think religion itself all a delusion; others, almost to abandon their profession, or renounce the truths they have hitherto held; if members of churches, to throw up their membership; if accustomed to hear at a certain place, to resolve to go there no more. Driven from those they once so highly esteemed, they look around to see where they are to go, or what they are to do. Some specious form of religion at this moment catches their eye. The “Brethren” have a little room in the town; they will go there. They will find, they think, more spirituality among them, more love and union, more zeal and fervor, more devotedness and holiness, more faith and fruits of faith, as well as more frequent opportunities for communion and religious communion.
Others, who see clearly enough where the “Brethren” are, determine to go nowhere; they will stop and read the Bible at home, and will have nothing more to do with any professors whatever. There are, they think, now no ministers worth hearing, and no books worth reading. There is no real religion in the land; all professors are alike, deceivers or deceived, the Calvinists worse than the Arminians, and the experimental ministers, so called, not a whit better than the dry doctrinal men. They will, therefore, they say, come out from them all, and read nothing but the Bible and Deer’s hymns, and sometimes the old Puritan writers, or Huntington and Hawker, and have nothing whatever to do with the profession of the day, for they are sick and tired of it.
Much of this feeling, we doubt not, springs in some from spiritual pride and secret humiliation that they themselves are not valued by others so highly as they stand in their own eyes— in others, from that self-righteous spirit which leads men to say, “Stand by yourself, I am holier than you;” in others, from ignorance of their own hearts, and expecting more from the church of God than is usually found in her. On people in this state of mind we do not expect our words to make any impression; but if these lines should meet the eye of any who, pained and grieved by the state of things in many churches, are perplexed what path to take, and have felt any such workings of mind as we have just sketched, will they bear with us in laying before them and the church of God generally what we believe is the safest and wisest way to take?— and in so doing we shall attempt so to frame our observations and counsel, that they may have as wide a bearing as possible on the line of conduct which those should pursue who love Zion.
We do not conceal from ourselves the evils we have mentioned, and which all who fear God must deeply deplore. Let us confess and acknowledge them, and seek of the Lord deliverance from them. But let us not be driven by them to the other extreme. If our words could find an entrance into the heart of any who are tried and exercised by painful things in the church of God, and by powerful inward temptations, springing out of and connected with them, we would lay before them the following advice— advice which we have proved in our own souls, and therefore know to be sound and good.
1. Hold on to the TRUTH of God.
Remember those words of the Lord himself— “If you continue in my word, then you are my disciples indeed; and you shall know the truth, and the truth shall make you free.” Let men profess the truth and not possess it; or let men profess the truth and disgrace it. Does that stain and sully the purity of truth itself? Look at that clear stream gushing out of the hill-side, sparkling in the sun, as it leaps forth to meet his rays. A few yards lower down, a sheep, attempting to drink, muddies the water with its foot. Wait a moment. That water which the sheep has stained, you need not drink. See how the pure stream comes leaping to you from the rock. Drink that which neither foot of man nor beast has yet polluted.
Have you ever felt the power and sweetness of God’s truth? Has it ever made you free from the guilt and filth of sin, the bondage of the law, the terrors of death, the love of the world, the lust of the flesh, and the pride of life? Can you, then, abandon the truth? Is it not your life, your all? Say that men disgrace it, hold it in unrighteousness, act inconsistently with it, or profess it without feeling its power. Let these be warnings to you, not to do the same; but, do not give up truth because others make an ill use of it. Do not countenance their evil deeds, nor be a partaker of other men’s sins; keep yourself pure from their or similar inconsistencies; but forsake not truth because men abuse it.
What blessings have men not abused! Some have fed their dogs with hot slices from the joint. Will you never touch meat again? Health is abused by thousands. Will you, therefore, prefer sickness? Money is daily perverted to the vilest purposes. Will you, therefore, throw up your situation, let anybody take your rents or profits, work without wages, or put up your shop shutters, because wicked men abuse what you may accept with thankfulness as God’s gift, and use to his glory? No; let us rather hold on to truth all the more firmly because it is abused; let us rather seek for a more full revelation and powerful application of it to our own soul, a stronger faith in it, and a more earnest desire to live more abidingly in the enjoyment and sweetness of it, seeing all the more clearly from the example of others how dangerous a profession of truth is without a heartfelt possession. If you are grieved or disgusted by the conduct of some who profess truth, show that there is one person at least in this crooked and perverse generation that can and does adorn it; and bear in mind that the purity of truth can no more be really sullied by the treachery of its professors than the cheek of Christ was stained by the kiss of Judas, or his pure humanity disgraced by the stripes and thorns of Pilate’s judgment-hall.
And in holding on to truth, hold on, above all things, to the power of truth. It is not the letter of truth, however clear or correct, which can save or bless your soul. How well, because how experimentally, does Deer speak on this point in that wonderful experience of his— that undying testimony against Pharisaic self-righteousness and Antinomian licentiousness— “Notions of religion I needed no man to teach me— I had doctrine enough; but found by woeful experience that dry doctrine, though ever so sound, will not sustain a soul in the day of trial.”
When we look a little more closely at matters, we see why many, of whom better things were once hoped, have been driven from the truth. They never felt its power, nor tasted its divine blessedness, by a gracious experience of it as made known to their soul. Therefore they were driven from truth to error by the conduct of its professors, just as men are often driven from one extreme of politics to another by the ill-treatment they meet with from their own party. But the truth of God— the truth as it is in Jesus— the truth which makes free is not to be abandoned thus. Let this rather be our feeling. If every professor in England disgraces it, if every minister in England turns from it, let me hold it all the closer; for if I abandon it, I abandon Christ himself, who is the “Truth,” as well as the “Way” and the “Life.” Let us rather, if all abandon it, follow that noble example portrayed so beautifully in the seraph Abdiel— “So spoke the seraph Abdiel, faithful found; Among the faithless faithful only he; Among innumerable false, unmoved, Unshaken, unseduced, unterrified; His loyalty he kept, his love, his zeal Nor number nor example with him wrought, To swerve from truth, or change his constant mind, Though single.”
2. Hold on to the CHURCH of Christ.
The Lord’s own promise was, “Lo, I am with you always, even to the end of the world.” There is then a church of Christ still. Men speak sometimes as if there were no people of God now, no church of Christ on earth, and almost say, with the prophet Elijah, “I, even I only, am left.” But as in those gloomy times, there were seven thousand in Israel who had not bowed the knee to Baal, so in our day God has still a seed to serve him, a remnant according to the election of grace. Were it not so, we would soon be as Sodom, and be like unto Gomorrah.
However low, then, or divided, or scattered, this remnant may be, they are still the church of Christ, dear to him as members of his body, of his flesh, and of his bones. And should they not be dear to us? Can we love the Head and not love the members? seek union and communion with the Lord, and separate ourselves from the Lord’s people? “Ah! but they are so crooked, and I have had so much trouble among them; have been so cruelly wounded in the house of my friends; have had such grief and sorrow of heart from my connection with them; my feelings have been so crushed and trampled on; my motives so misinterpreted, my words and actions so misrepresented, that I have been absolutely forced to leave them!”
Does this step that you have taken, or are about to take, flow from grace? May there not be some strong mixture of self-pity, or wounded pride, or natural resentment, or fretfulness and irritability of temper, or mortification because you cannot have your own way, blended with your present exercises of mind? Oh! how deceitful and desperately wicked is the heart of man! How it can hide from itself all its own faults; and, dwelling on or magnifying the faults of others, can raise up storms of wrath against our dearest friends, and for a little offence cherish enmity towards the choicest saints of God! Your present feelings then of shyness and distrust, and your shunning those you once had sweet communion with, may not be wholly from grace. Would not grace rather say, “Well, with all their faults, they are the people of God still. I mourn and grieve over their crookedness and waywardness; but I cannot and must not give them up. May not I too be partly to blame? Have I always spoken and acted quite in the spirit of the gospel? Have not I sometimes been provoked myself, and dropped hasty expressions, given way to my temper, and though I contended only for right things, yet did not do so in the spirit and meekness of the gospel? Have I not also been too ready to take up prejudices and listen to unkind speeches— and may I not have wounded them as well as they have wounded me?”
But whether so or not, let you have acted most blamelessly in word and spirit, still it comes to the same point. Nothing must separate us from the suffering members of Christ. These we took as our brethren and friends when we came out of the world, and we must not give them up. Christ, whom we profess to love, loves them with all their crookedness; and think what we may, or say what we may about them, there is more crookedness in our heart— any one of us— than in all their words and actions put together.
But if our advice be good for those who fear God generally, many of whom are not in church fellowship, how much more forcibly will it apply to members of gospel churches! This is your position. You have joined, and still are a member of a gospel church. But many things in that church deeply try your mind. It is much divided, and with some of the members you have little or no union; others you believe are deeply tainted with legality and free will, and others, who have a good experience, are so obstinate and headstrong, that if they cannot rule and have just their own way, the church has no rest or peace. Well, certainly, you might save yourself a great deal of trouble and sorrow if you left them altogether. And so would the martyrs, if they would have given up the truth— and so would Paul, had he abandoned the care of all the churches— and so would the blessed Lord himself, had he prayed the Father for twelve legions of angels. But he suffered, and so must you. And this may be your especial cross. We know how heavy church troubles are— the greatest of all next to personal soul trouble, and few can be in church-fellowship without them.
If the church is an ordinance of Christ, for a believer not to be a member of a church is, to say the least, not to walk in Christ’s ordinances; and if he be a member of a church, he must, in the exercise of Christian love, bear all things, believe all things, hope all things, and endure all things, sooner than give up his membership with it.
3. Hold on to the SERVANTS of God.
We move here on tender ground, for really, when we look around us, we find but few worthy of that title. But the point we would mainly press is this. It is not for us to say who are and who are not servants of God; but we do say, if any man be commended to your conscience as a minister of Christ, and any blessing has ever been communicated to your soul through him, do not allow a little thing to separate between him and you. We are creatures of extremes. Some think too much, and others too little, of the servants of God. Some see in them no fault, at least, none in the one object of their idolatrous affection, and others see in them little else but faults. Remember that God sends men to preach, not angels— and as men, they are not only of like passions with their hearers, but are peculiarly exposed to temptations, not only from their very position, but because Satan more particularly thrusts severely at them that they may fall, well knowing that their fall would— fill the church with mourning, imbue the enemies of truth with rejoicing, disgrace the cause of God, stumble the weak, drive the tempted almost to despair, and cast a cloud over a congregation which might never be removed, furnish a standing reproach for years, and supply hundreds with the most powerful weapon against the truth as long as the chapel walls stand. Bearing this in mind, how incumbent it is on the family of God to hold up the hands of the servants of Christ by prayer and supplication, and if the ministry has been blessed to their souls to seek of the Lord continued supplies of grace for their minister that his soul may be watered and kept alive, and that dew, savor, and power may rest abundantly on him and the word preached by him.
4. Hold on to the WORK OF GOD ON YOUR OWN SOUL.
This is your treasure— the treasure in the earthen vessel which God has lodged there by his Spirit and grace. Here you may be deeply tried. Such darkness may at times cover your soul that you cannot see a single feature of God’s work upon your heart; or you may have got into such a cold, dead, lifeless state, that you seem past all feeling, without even a sigh or cry; or you may be severely tempted to think yourself a wretched hypocrite or self-deceiver, and that the best way will be to make away with your profession or even with yourself. Still, with it all, there is a ‘secret something’ which you cannot give up. You know there have been times with you when you could and did feel Christ precious, when you did love him with all your heart, when you did see the King in his beauty, and the land now so very far off, and were softened and melted into contrition by a taste of his love. You can look back, too, and see how you were first wrought upon, what convictions you felt, what sighs and groans you uttered, what prayers and cries you poured forth, and how you were brought out of the world or a dead profession, and made to seek pardon and peace for your own soul. How can you really give up what you have thus felt? No! Hold on, then, to it, for it is your life. Part with everything before you part with that. The Lord can and will shine, sooner or later, on his own work, and bring it forth to his own praise.
5. Hold on to any PROMISE ever made to your soul.
The Lord’s usual way is first to give a promise, and then test it. So it was with Abraham, so with Jacob, and so with Joseph. Sarah’s barrenness tried Abraham; Laban’s persecutions tried Jacob; and Pharaoh’s prison, where the iron entered into his soul, tried Joseph. But not one jot or tittle of the promises made to them fell to the ground. And so, if the Lord has ever made you a promise, though your path now be dark and gloomy in Providence or grace, still, if you are enabled to do as Jacob did, put the promise that God made into God’s own hand, with a “You said I will surely do you good,” (Gen. 32:12,) he will honor in his own time and way his own word, and fulfill it to his glory and your joy.
6. Hold on to those MEANS OF GRACE which have been blessed to your soul.
God has given his word of truth into your hands, set up a mercy-seat, a throne of grace, for you to approach, favored you with Christian friends, and blessed you, perhaps with a servant of his own teaching and sending, for you to hear. How good it is to read his word with an enlightened understanding and a believing heart; to pour out the soul before the mercy-seat with liberty and access; to feel union and communion in Christian converse with the saints of God; and to hear the preached gospel with life and power. It is true that we may not be often thus favored; but, if we are sometimes or ever have been, we shall prize these means of grace, these channels of divine communication. The Scriptures may be to us a sealed book, but we shall read them still; the throne of grace covered with a cloud, but we shall still present our supplications there; converse with the children of God may be a burden, but we shall not forsake their company— and the ministry a dry breast, but we shall not neglect the assembling of ourselves together in the house of prayer. We may give way to temptation in these matters, be overcome by sloth and negligence, until our soul resembles the garden of the sluggard. We may neglect reading the Bible, until we get into a habit of scarcely looking into it at all— be cold and formal at a throne of grace, until prayer is quite restrained; be shy of the saints of God, until we forsake their company altogether— allow any excuse to keep the foot away from the house of prayer, until it becomes a burden to go. The Lord does not tie himself to means; but he is usually found in them, and it is therefore our wisdom and mercy in them to seek him.
7. Hold on to the Lord JESUS Christ to the utmost of your faith and hope in him.
Many changes pass over our mind; but he changes not, for he is the same yesterday, today, and forever. Without him we can do nothing; with him we can do all things. He can support us under our trials, comfort us in our afflictions, deliver us out of our temptations, subdue our sins, smile away our fears, cheer us in life, bless us in death, and present us in eternity before his Father’s throne, holy and unblameable and unreproveable in his sight. To him, then, may we ever cleave with purpose of heart; and may our desire ever be to glorify him on earth, with the prospect before us of spending an eternity with him in heaven.