New Year’s Address, January 1851
Alle ware godsdienst vloeit voort uit het leven van God in de ziel. Waar dit goddelijke leven is, daar wordt ware godsdienst gevonden. Waar het niet is, kan wel de naam van godsdienst zijn, maar het is een schaduw zonder wezen, een vorm zonder kracht, een nabootsing zonder werkelijkheid.
Bijna de eerste waarheden die in het geweten worden verzegeld bij het eerste aanbreken van leven en licht, wanneer men mensen nog ziet als wandelende bomen, hangen samen met het leven van God in de ziel als een goddelijk werk. Dat God een Geest is; dat Hij in geest en waarheid moet worden aanbeden; dat er een nieuwe geboorte is; dat de zetel van alle ware godsdienst in het hart ligt; dat alles moet worden prijsgegeven voor Christus; dat de zonde een verschrikkelijke innerlijke werkelijkheid is en dat daarom ook genade en zaligheid innerlijke werkelijkheden moeten zijn. Te midden van alle duisternis en verwarring van de geest aan het begin van het genadewerk springen deze waarheden naar voren, zoals bergtoppen zich verheffen uit de mist van het dal.
Deze eenvoudige waarheden worden ook nooit aan het wankelen gebracht of ondermijnd door latere bevinding. Er zal veel moeten worden prijsgegeven. Vele meningen, vooroordelen, bezigheden, banden en gehechtheden moeten misschien worden opgegeven. Veel hoogmoed, eigengerechtigheid, schepselskracht en schepselswijsheid moet worden verbrand. De ziel kan naakt en kaal worden uitgekleed en achtergelaten gelijk een mast op den top van een berg, en als een banier op een heuvel.
Maar deze waarheid wordt nooit weggevaagd: het koninkrijk van God dat met goddelijke kracht in het hart is opgericht, is het hoofdpunt, het ene dat nodig is, de schat in aarden vaten, de witte keursteen en de nieuwe naam. Zonder dat is alle belijdenis slechts een masker en een schijnvertoning. Integendeel: alle stormen, golven en baren die over de ziel rollen en alle godsdienst die van het vlees en het schepsel is begraven en doen verdrinken, grondvesten haar slechts dieper in de vaste overtuiging dat alle ware godsdienst een goddelijk werk is en een nieuwe schepping. Zij wordt alleen door de soevereine, krachtdadige macht van God begonnen, voortgezet en voltooid.
Vandaar de scheiding tussen hen die uit het vlees geboren zijn en hen die uit de Geest geboren zijn. Peil alle valse godsdienst tot op de bodem. Steek de schep in haar hart en kern. Trek haar kleren en opschik uit. Wat vindt u dan? HET ZELF.
Valse godsdienst kan duizend gedaanten aannemen. Zij strekt zich uit van de voorbereiding op de Confirmation op een kostschool voor jongedames tot aan het haren boetekleed en de bloedende rug van een roomse heilige. Zij kan alle schakeringen van belijdenis doorlopen, van wild Ranterisme of Mormonisme tot de hoogste vlucht van leerstellig calvinisme. Maar jaag haar na door al haar bochten en kronkels en u zult aan het einde van de jacht het schepsel vinden.
Hoe dit zuurdesem Paulus bij elke stap tegenkwam en dwarsboomde! Het eerste struikelblok op het pad van de gelovigen uit de heidenen was dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. En door wie werd het neergelegd? Door sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeen, die gelovig zijn geworden (Handelingen 15:5). Zij waren zelf gebonden in de slavernij van de wet van de werken en benijdden de heidense heiligen de vrijheid waarmee Christus hen vrij had gemaakt.
Voor hen, zoals voor allen die niet daadwerkelijk zijn vernederd onder de machtige hand van God, was dit de grote steen des aanstoots, en een rots der ergernis: dat Christus alles moet zijn en het schepsel niets. Zo getuigt de apostel: Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. (Romeinen 10:2-3)
En zo is het ook in onze dagen. De allerstrengste sekte van de farizeeën is niet uitgestorven in de dagen van de apostelen. Haar wortels liggen nog diep in het menselijk hart. Het is een godsdienst die op moeders schoot wordt geleerd en die wordt gekoesterd en gevoed door scholen, leraren en gouvernantes. In latere jaren wordt zij versterkt, voor zover zij niet door wereldse lusten stukgeslagen wordt, door preek na preek en traktaat na traktaat. Op hoge leeftijd wordt zij als een kostbare nalatenschap doorgegeven aan het opkomende geslacht.
Zij beperkt zich ook niet tot wat men de religieuze wereld noemt en is niet alleen te vinden in boekjes in karmozijnrode moiré gebonden als kerstcadeau voor brave jongetjes en meisjes. Helaas! Men vindt haar ook in een hogere, reinere sfeer, waar zij zich dringt in de gemeente van God — een schadelijk, woekerend onkruid in de specerijentuin. Bijna alle vergissingen, dwalingen, verwarring, twist en verdeeldheid die men overal ziet in de gemeenten die de waarheid belijden, komen voort uit gebrek aan goddelijk leven. Of zij komen voort uit het vermengen ervan met wat van het schepsel en het vlees is.
Voor sommigen is godsdienst bijna even onmisbaar als de lucht die zij inademen of het voedsel dat zij eten. Het is een natuurlijke behoefte die passend voedsel vraagt. Bij sommigen is het het pausdom, bij anderen het Arminianisme, bij weer anderen het calvinisme — een talrijk geslacht van zusters met een sterke familiegelijkenis.
Wij moeten wat godsdienst hebben. Wij kunnen niet zonder godsdienst. Onze kerk, onze kapel, onze bank, onze predikant, ons volk — zonder hen kunnen wij niet bestaan. Zo is het gevoel en zo is de taal van honderden die geen greintje echte godsdienst hebben en geen vonk van goddelijk onderwijs. Met al dat misbaar over godsdienst hebben zij misschien nooit één keer in hun leven vanuit een gebroken hart geroepen: O God! wees mij zondaar genadig! Zij hebben ook nooit door levend geloof één blik geworpen op de Koning in Zijn schoonheid.
Wanneer dit sterke natuurlijke gevoel van godsdienst goed is overschilderd met een paar tranen onder een preek, verguld met een gezonde calvinistische geloofsbelijdenis en netjes gepolijst gehouden door een consequent leven, wie kan zich dan verbazen dat er scharen belijders in de gemeenten zijn bij wie de wortel zelf van het goddelijk leven ontbreekt?
Deze mensen zullen, ook al zijn zij ingescheept onder een belijdenis van vrije genade, farizeeën of antinomianen zijn. Het zuurdesem kan een tijd verborgen blijven maar zal en moet gaan werken. Wanneer het losbreekt, volgt onvermijdelijk twist. Want vergissingen en dwalingen moeten ontstaan waar de Geest van de waarheid niet is. Strijd en verdeeldheid moeten bestaan waar de Geest van de liefde niet is. Hoogmoed en eigengerechtigheid moeten overheersen waar de Geest van Christus niet is. Vleselijkheid en dood moeten heersen waar de Geest van het leven niet is en de zonde moet regeren waar de Geest van de heiligheid niet is.
Een geest van losbandige antinomiaanse zedeloosheid heeft, naar te vrezen valt, veel calvinistische gemeenten diep besmet. Zij hebben beredeneerd — of, als zij het niet beredeneerd hebben, dan toch bijna zo gehandeld — alsof vrije genade een vrijheid tot het kwade was en evangelische vrijheid een vrijheid om het vlees en de wereld te behagen. En hoeven wij ons te verbazen dat er veel echte antinomianen zijn in gemeenten waar de toelating zo gemakkelijk is en waar een zo oppervlakkig werk voldoende wordt geacht voor het lidmaatschap? Het zijn antinomianen in hart en heimelijke praktijk die in hun leven niet genoeg zo zijn om onder kerkelijke tucht te vallen.
Maar moeten wij, omdat dit grote kwaad in de ene vorm bestaat, het genezen met een even groot kwaad in een andere vorm? Moeten wij, om Scylla te vermijden, naar Charybdis vluchten? (Scylla was een rots aan de ene kant van de nauwe zeestraat tussen Italië en Sicilië en Charybdis een draaikolk aan de andere kant. Omdat het vaak gebeurde dat een schip bij het ontwijken van de een op of in de ander terechtkwam, werd het een oud spreekwoord om uit te drukken hoe iemand die één moeilijkheid probeert te ontlopen, op de tegenovergestelde stuit.)
Omdat de antinomiaan de stok in de ene richting heeft gebogen, moeten wij dan de kromming rechtzetten door hem aan de farizeeër te geven om hem in de andere richting te buigen? Dat zou de stok breken en niet rechtzetten.
Het farizeïsme is een even dodelijke vijand van Christus als het antinomianisme. Heidense zondaars en Joodse farizeeën hebben in onderling goedvinden de Heere van leven en heerlijkheid gekruisigd. Van de strenge priesters van het Hebreeuwse Sanhedrin staat geschreven: Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten. En de wilde soldaten van het Romeinse legerkamp bespotten Hem met de doornenkroon en het purperen kleed.
Eén dwaling is niet te verbeteren door een andere. Een misbruikt evangelie kan niet worden hersteld door er een sterke tinctuur van de wet in te brengen. Dwaling van welke aard of gedaante ook die in het evangelie van Jezus Christus wordt binnengebracht, is als een vreemd lichaam in het menselijk lichaam. Het moet wrijven en irriteren totdat het is verwijderd of eruit gewerkt.
Het Arminianisme is net zo goed een zandkorrel in een levend oog als het antinomianisme. In een evangeliegemeente veroorzaakt een handjevol Arminianen evenveel verwarring als een handjevol antinomianen. Het evangelie van Christus strijdt even sterk met beide en daarom strijden beide even sterk met het evangelie van Christus.
Sterker nog: de grootste verwarring ontstaat vaak uit de Arminiaanse hoek. Geïrriteerd door een veroordelende wet die zij tevergeefs trachten te houden, zijn zij bereid ruzie te maken om een strohalm. In het geheim haten zij een evangelie van vrije genade, omdat het geen gemene zaak wil maken met hun gerechtigheid.
Hoeven wij ons te verbazen dat er onder deze omstandigheden zoveel verwarring en verdeeldheid in de gemeenten is en zo weinig liefde en eensgezindheid onder de predikanten? Maar wat moeten allen doen die de levende, geestelijke, bevindelijke godzaligheid liefhebben? Strijden voor alle waarheid en alle dwaling weerstaan.
En bovenal ernaar zoeken om zelf aangedaan te worden met kracht uit de hoogte en hun godsdienst te halen bij de Fontein. Zij moeten zich met niets minder laten tevredenstellen dan met goddelijk onderwijs en goddelijk getuigenis. Zij moeten bij Christus goud, beproefd komende uit het vuur kopen en Hem smeken hun ogen te zalven met Zijn eigen kostbare ogenzalf, zodat zij zien.
Er is blijkbaar een machtige strijd op handen die de slaperigste kan wekken en de sterkste op de proef kan stellen. In die strijd zullen wij geen denkbeelden nodig hebben maar geloof. Wij zullen niet alleen vereniging met een gemeente nodig hebben maar vereniging met Christus. Wij zullen niet een lui aanhoren van preken nodig hebben, alsof dat het een en al van de godsdienst was, maar ervaringen waarin de liefde Gods in onze harten uitgestort wordt.
Wat wij nodig hebben, is niet het zitten onder de wijnstok en de vijgenboom van de kansel in een behaaglijk hoekje van een calvinistische kapel. Het is het aandoen van de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.
Terwijl de officieren ruzie maakten en de bemanning sliep, zijn de piraten langszij gekomen. Rome heeft haar zwarte vlag gehesen en misschien zullen wij met haar moeten strijden, voet aan voet en schouder aan schouder, op een dek dat van bloed stroomt.
Wanneer de dag komt van de doding van de getuigen (Openbaring 11:1-19) — een profetie die nog niet vervuld is, want het getuigenis van het evangelie is nog nooit tot zwijgen gebracht — zullen werkelijkheden, goddelijke werkelijkheden nodig blijken. Dan zullen er geen mooie, nette kapellen zijn met goede banken en zachte kussens. Er zullen geen rustige slaaphoekjes zijn om in weg te kruipen nadat de tekst is opgegeven. Onze kapel kan dan een pakhuis of een graanschuur zijn, onze predikant een balling of een gevangene en ons volk voor tweederde overgelopen naar het pausdom.
Laten wij dus, zolang er nog een ademruimte is, zoeken wat alleen “elke storm kan doorstaan en ten slotte leven”: een levende vereniging en gemeenschap met de Zoon van God. Als nederig werktuig in de handen van de Heere willen wij, zolang de gelegenheid wordt gegeven, ernstig gehoor geven aan het woord: dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.
Wij hebben gesproken over de zwarte vlag van Rome. Laat de onze een andere banier zijn: de banier van waarheid en liefde (Psalm 60:6; Hooglied 2:4). Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid.
1. De nieuwe mens van de genade heeft een zuivere eetlust. Draf kan haar niet verzadigen. Waarheid, zuivere waarheid is de lucht die zij inademt; brood, hemels brood het voedsel dat zij eet; water, levend water de stroom waaruit zij drinkt. Deze lucht, dit voedsel en dit water zoekt zij als met een geestelijk instinct. Zoals de pasgeboren baby de moederborst zoekt, zo begeert de pasgeboren ziel de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen.
Waarheid die door de Geest is geopenbaard, is het voedsel van de ziel, hetzij als melk voor de zuigeling of als vast voedsel voor de volwassene. Deze waarheid is in haar zuiverste vorm in de Schrift vervat. Maar zij moet vaak worden uitgedeeld. De waarheid stroomt in Gods Woord als een machtige rivier, maar zij bereikt de ziel vaak door kanalen, buizen en leidingen die door God zijn aangewezen of door Hem erkend.
Onder deze kanalen of leidingen van goddelijke waarheid hopen wij graag dat de “Gospel Standard” een plaats heeft. Moge het ons toenemend verlangen zijn dat er door hem zuivere waarheid vloeit. Maar welke waarheid? Niet waarheid in een droge, dode, koude, abstracte vorm. Alleen levende waarheid is nuttig: waarheid doortrokken van de kracht en zalving van de Geest, waarheid nat van de dauw van de hemel, waarheid waaraan de Heilige Geest bot en pees, leven en adem heeft gegeven. Wat dat is, vraagt een geestelijk oog om te zien en een geestelijk hart om te voelen.
2. Maar wij hebben ook de banier van de liefde boven ons nodig. Paulus heeft beide mooi verenigd in één korte zin: de waarheid betrachtende in liefde (Efeze 4:15). Het is liefde tot Jezus, liefde tot het volk van Jezus en liefde tot de waarheid, gelijk de waarheid in Jezus is. Liefde in het hart en waarheid op de lippen vormen een mooie en harmonische eenheid. Beide zijn nodig om de zilveren bazuin van het evangelie te blazen en haar melodieuze en blijde klank voort te brengen.
Een boogschutter heeft een doel nodig, een loods een kompas, een hardloper een eindstreep en een bouwmeester een plan. Zonder dit bepaalde doel heeft de pijl geen richting, het schip geen koers, de wedloper geen prijs en het gebouw geen symmetrie.
Wat is dan of behoort het doel te zijn van een tijdschrift dat zoals de “Standard” wijd verspreid is onder de levende familie? Hetzelfde doel dat Paulus de oudsten van Efeze voorhield (Handelingen 20:28): om de Gemeente Gods te weiden. Weid Mijn schapen en Weid Mijn lammeren was het driemaal herhaalde bevel van Christus aan Petrus.
Elke prediker, schrijver en redacteur die zich tot de gemeente van God richt, moet dit als zijn hele doel en verlangen voor ogen hebben. Dit mogen wij eerlijk van onszelf zeggen. Het is ook de enige drijfveer die ons op onze moeilijke en verantwoordelijke post houdt. Hier voelen wij ons geweten zuiver.
Het is niet wereldse winst of eerzucht en ook niet het streven naar populariteit en invloed. Het is het verlangen om een werktuig te zijn in het voeden van levende zielen dat ons overeind houdt. Het houdt ons op onze post te midden van vele ontmoedigingen van binnen en van buiten die alleen wij zelf kennen.
Daarbij missen wij de waardevolle hulp en raad van onze overleden dierbare vriend en medewerker, de arme M’Kenzie. Uit barmhartigheid met hemzelf, maar tot groot verlies voor de gemeente, is hij uit dit tranendal weggenomen. Wij voelen de druk van de moeilijkheden van onze post en zijn moe van het zwoegen. Wij zijn ons bewust van ons eigen onvermogen en zozeer op ons eigen oordeel aangewezen dat wij, wat onze redactionele taak betreft, wel kunnen zeggen: “Van vrienden en raadgevers beroofd”.
Wij willen het goede doen maar weten vaak niet hoe. Wij willen het verkeerde vermijden maar raken er vaak onbewust in verstrikt. Ons pad als redacteur lijkt daarom sterk op het beproefde pad van een christen. Laten zulke lezers met ons meevoelen. Laten zij onze moeilijkheden overwegen, onze zwakheden verdragen, onze handen ophouden bij de troon van de genade en de Heere smeken ons de genade en wijsheid te schenken die onze post vereist.
Wij kunnen hun verzekeren dat de bitterheden de zoetigheden ver overtreffen. Maar door barmhartigheid zijn er ook zoetigheden. Onze arbeid is niet tevergeefs in de Heere. Telkens weer waren wij op het punt onze post neer te leggen. Dan kwam er een voorbeeld van een zegen ons ter ore dat ons bemoedigde om vol te houden, moede, nochtans vervolgende.
In het jaar dat voor ons ligt moge de zegen van God vergezellen wat in ons kleine werk aan de gemeente van Christus wordt voorgelegd. Zoals deze zegen op onze bladzijden heeft gerust, hopen wij dat hij er opnieuw op mag rusten. Dat zal een ruime beloning zijn voor alle moeilijkheden en ontmoedigingen die tot nu toe ons pad hebben belaagd en, als wij getrouw zijn, tot het einde zullen belagen.
All true religion flows out of the life of God in the soul. Wherever this divine life exists, there will true religion be found. Where it exists not, there may be the name of religion; but it will be a shadow without substance, a form without power, an imitation without reality. Almost the first truths that are sealed on the conscience in the earliest dawn of life and light, when men are beheld as trees walking, are connected with the life of God in the soul as a divine work.
That God is a Spirit; that he must be worshiped in spirit and truth; that there is a new birth; that the seat of all true religion is in the heart; that everything must be given up for Christ; that sin is a dreadful internal reality; and that therefore grace and salvation must be internal realities too— amid all the darkness and confusion of mind in the beginnings of the work of grace, these truths stand prominently forth, as the mountain tops lift themselves up out of the mists of the valley.
Nor are these simple truths ever shaken or undermined by subsequent experience. Much may have to be renounced. Many opinions, prejudices, pursuits, connections, attachments, may have to be abandoned; much pride, self-righteousness, creature-strength and wisdom to be burnt up; the soul may be stripped naked and bare, and “left like a beacon upon the top of a mountain, and as an ensign on a hill;” but this truth is never swept away, that the kingdom of God set up in the heart with a divine power is the main point, the one thing needful, the treasure in the earthen vessel, the white stone and the new name, without which all profession is but a mask and a show. No, all the storms, waves, and billows that, rolling over the soul, bury and drown all religion that is of the flesh and the creature, only settle and ground it more deeply in the firm persuasion that all true religion is a divine work, a new creation, and that it is begun, carried on, and perfected by the sovereign, efficacious power of God alone.
Hence springs the separation between those that are born of the flesh and those that are born of the Spirit. Probe all false religion to the bottom; put the scoop into its heart and center; strip off its garments and trappings, and what will you find? SELF.
False religion may assume a thousand shapes, from preparation for Confirmation at a young ladies’ boarding school to the hair shirt and bleeding back of a Popish saint. It may run through all shades of profession, from wild Ranterism or Mormonism to the highest flight of doctrinal Calvinism. But hunt it down through all its turnings and windings, and you will find the creature at the end of the chase.
How this leaven met and thwarted Paul at every step! “You must be circumcised and keep the law of Moses,” was the first stumbling block cast into the path of the Gentile believers. And by whom? By “certain of the sect of the Pharisees which believed;” (Acts 15:5;) who, in bondage themselves to the law of works, envied the Gentile saints the liberty with which Christ had made them free. With them, as with all who are not effectually humbled under the mighty hand of God, the grand stumbling stone and rock of offence was this—that Christ must be all and the creature nothing. “I bear them record,” says the apostle, “that they have a zeal of God, but not according to knowledge. For they, being ignorant of God’s righteousness, and going about to establish their own righteousness, have not submitted themselves unto the righteousness of God.” (Rom. 10:2, 3.)
And so it is in our day. The “straitest sect of the Pharisees” did not die out in the days of the apostles. Its roots still lie deep in the human heart. It is a religion taught at the mother’s knee, nurtured and fed by schools, tutors, and governesses, strengthened in maturer years, where not knocked to pieces by worldly lusts, by sermon upon sermon and tract after tract, and handed down in old age as a precious legacy to the rising generation.
Nor is it confined to what is called “the religious world,” and to be found only in little books bound in crimson watered-silk as Christmas presents for good little boys and girls. Alas! it is found in a higher, purer atmosphere, intruding itself into the church of God— a noxious, rampant weed in the garden of spices. Nearly all the mistakes, errors, confusion, strife, and division everywhere seen in the churches that hold the truth arise either from the lack of divine life, or from mingling with it what is of the creature and the flesh.
Religion is with some almost as indispensable as the air they breathe or the food they eat. It is a natural craving that requires a suitable nourishment. In some it is Popery, in others Arminianism, in others Calvinism— a numerous tribe of sisters, but with a strong family likeness stamped on all. “Let us have some religion. We cannot do without religion. Our church, our chapel, our pew, our minister, our people— we can’t exist without them.” Such is the feeling, such the language of hundreds who have not a grain of real religion, not a spark of divine teaching— who, with all this clamor about religion, have never once, perhaps, in their lives cried from a broken heart, “God be merciful to me a sinner,” or ever had one sight, by living faith, of the King in his beauty. When this strong natural feeling of religion is well varnished over by a few tears under a sermon, gilded by a sound Calvinistic creed, and kept duly polished by a consistent life, who can wonder that there are shoals of professors in the churches in whom the very root itself of divine life is lacking?
Now these, though embarked under a free grace profession, will be either Pharisees or Antinomians. The leaven, though hidden for a time, will, and must work; and when it breaks forth, contention must ensue. For errors and mistakes must arise where the Spirit of truth is not; strife and division must exist where the Spirit of love is not; pride and self-righteousness must prevail where the Spirit of Christ is not; carnality and death must reign where the Spirit of life is not; and sin must rule where the Spirit of holiness is not.
A spirit of loose Antinomian licentiousness has, it is to be feared, deeply infected many Calvinistic churches. They have argued, or, if not argued, have almost acted, as if free grace were a freedom to evil, and gospel liberty a liberty to please the flesh and the world. And need we wonder that in churches where the admission is so easy, where so shallow a work is considered sufficient for membership, there are many real Antinomians— Antinomians in heart and secret practice, who are not sufficiently so in life to bring them under church censures?
But because there is this great evil in one form, shall we correct it by an equally great evil in another form? To avoid Scylla, must we fly to Charybdis? (Scylla was a rock on one side of the narrow strait between Italy and Sicily, and Charybdis, a whirlpool on the other; and as it often happened that in avoiding one a ship fell on, or into the other, it became an ancient proverb to express how, in endeavoring to shun one difficulty, a person ran upon the opposite.) Because the Antinomian has bent the stick in one direction, shall we straighten the curve by passing it into the hand of the Pharisee to bend it in the other direction? That were to break the stick, not straighten it.
Pharisaism is every whit as deadly an enemy to Christ as Antinomianism. Gentile sinners and Jewish Pharisees crucified, by mutual consent, the Lord of life and glory. The austere priests of the Hebrew Sanhedrin “spit in his face and buffeted him,” and the wild soldiers of the Roman camp mocked him with the crown of thorns and the purple robe. One error is not to be corrected by another—an abused gospel cannot be rectified by introducing into it a strong tincture of the law. Error of any nature or shape, introduced into the gospel of Jesus Christ, is like the introduction of a foreign body into the human system—it must fret and irritate until dislodged or worked out. Arminianism is as much a grain of sand in a living eye as Antinomianism. In a gospel church a handful of Arminians will cause as much confusion as a handful of Antinomians. The gospel of Christ fights equally with both; and therefore both equally fight with the gospel of Christ. No, the greatest confusion frequently arises from the Arminian quarter. Fretted and irritated by a condemning law, which they are vainly endeavoring to keep, they are ready to quarrel with a straw, and secretly hate a free grace gospel, because it will not go partners with their righteousness.
Need we wonder if, under these circumstances, there is so much confusion and division in the churches, and so little love and union among the ministers?
But what should all do who love vital, spiritual, experimental godliness? Contend for all truth and oppose all error. And above all, seek to be endued themselves with power from on high, and to get their religion from the Fountainhead; to be satisfied with nothing short of divine teaching and divine testimony— to buy of Christ gold tried in the fire, and to beg of him to anoint their eyes with his own precious eye-salve, so that they may see.
A mighty conflict is apparently at hand, which may arouse the most sleepy and try the most strong. We shall need in that battle, not notions, but faith— not only union with a church, but union with Christ; not a lazy hearing of sermons, as though that were the all in all of religion, but sheddings abroad of the love of God— not a sitting under the vine and fig-tree of the pulpit, and a snug corner in a Calvinistic chapel, but a putting on of “the whole armor of God, that we may be able to withstand in that evil day, and having done all, to stand.”
While the officers have been quarreling, and the crew asleep, the pirates have come alongside the ship. Rome has hoisted her black flag, and we may have to contend with her foot to foot, and shoulder to shoulder, upon a deck flowing with blood. When the day comes “for the slaying of the witnesses” (Rev. 11.)— a prophecy yet unfulfilled, for the testimony of the gospel has never yet been silenced— realities, divine realities will be found needful. There will be no nice, neat, well pewed, softly cushioned chapels then, no quiet sleeping corners to nestle down in after the text has been given out. “Our chapel” may be then a store-house or a granary; “our minister” be an exile or in prison; and “our people” gone over, two thirds of them, to Popery.
While, then, a breathing time remains, let us be seeking that which can alone “Stand every storm, and live at last,”—a vital union and communion with the Son of God.
As a humble instrument, then, in the hands of the Lord, would we, while opportunity is allowed, “contend earnestly for the faith once delivered to the saints.”
We have spoken of the black flag of Rome. Let ours be a different banner— the banner of truth and love. (Psalm 40:4; Song 2:4.) “You have given a banner to those who fear you, that it may be displayed because of the truth.”
1. The new man of grace has a pure appetite. Husks cannot satisfy it. Truth, pure truth, is the air it breathes; bread, heavenly bread, the food it eats; water, living water, the stream of which it drinks. This air, this food, this water, it seeks as with a spiritual instinct. As the new-born babe seeks the mother’s breast, the new-born soul desires “the sincere milk of the word, that it may grow thereby.”
Truth revealed by the Spirit is the soul’s food, whether milk for the babe or meat for the man. This truth, in its purest form, is contained in the Scripture. But it often needs to be dealt out. Truth flows in God’s word as a mighty river— but it often reaches the soul through canals, pipes, conduits appointed of God or sanctioned by him.
Among these canals or conduits of divine truth we would gladly hope the “Gospel Standard” has a place. May it be our increasing desire that through it pure truth may flow. But what truth? Not truth in a dry, dead, cold, abstract form. It is vital truth, truth impregnated with the power and unction of the Spirit,— truth wet with the dew of heaven, truth to which the Holy Spirit has given bone and sinew, life and breath— that alone is profitable. What this is requires a spiritual eye to see and a spiritual heart to feel.
2. But we need over us also the banner of love. Paul has beautifully combined both in one short sentence— “Speaking the truth in love,” (Eph. 4:18)— love to Jesus, love to the people of Jesus, and love to the truth as it is in Jesus. Love in the heart and truth in the lips form a beautiful and harmonious union; and both are needed to blow the silver trumpet of the gospel and bring forth its melodious and joyful sound.
An archer needs a mark, a pilot a compass, a runner a goal, an architect a plan. Without this definite object, the arrow has no aim, the ship no course, the racer no prize, the building no symmetry. What, then, is or should be the object of a Periodical that, like the “Standard,” circulates widely among the living family? The same object that Paul set before the Ephesian elders, (Acts 20:28) “to feed the church of God.” “Feed my sheep,” “Feed my lambs,” was Christ’s thrice repeated injunction to Peter. Every preacher, writer, and editor that addresses himself to the church of God should have this set before him as his whole aim and desire.
This we can honestly say is ours, and the only motive which keeps us at our difficult and responsible post. Here we feel our conscience clear. It is not worldly interest, or ambition, or aiming at popularity and influence, but a desire to be instrumental in feeding living souls, that bears us up and keeps us at our post amid many discouragements, from both within and without, best known to ourselves.
Added to which, we are deprived of the valuable aid and advice of our late dear friend and coadjutor, poor M’Kenzie, who, in mercy to himself, but with a heavy loss to the church, has been removed from this valley of tears. Pressed with the difficulties of our post, wearied with its toils, sensible of our own insufficiency, cast so much upon our own judgment that, as regards our editorial task, we may well say, “Of friends and counselors bereft,” wishing to do right, but often not knowing how— anxious to avoid what is wrong, but often entangled unawares in it, our path as editor resembles very much the exercised path of a Christian. Let such sympathize with us. Let them consider our difficulties; bear with our infirmities; hold up our hands at a throne of grace, and beg of the Lord to endue us with grace and wisdom needful for our post. We can assure them the bitters much outweigh the sweets. But, through mercy, there are sweets. Our labor is not in vain in the Lord. Again and again have we been on the point of resigning our post, but some instance of a blessing has come to our ears, which has encouraged us to persevere and to hold on, “faint, yet pursuing.”
During the year now before us, may the blessing of God accompany what is brought before the church of Christ in our little work.
This blessing, as it has rested upon our pages, so we hope it may rest upon them again; and that will be an ample reward for all the difficulties and discouragements that have hitherto beset our path, and will, if we be faithful, beset it to the end.