More Philpot Pearls — Part 3: The Mother and Mistress of All the Sins
Van alle zonden lijkt de hoogmoed het diepst in het hart van de mens verankerd te zitten. Ongeloof, zinnelijkheid, hebzucht, opstandigheid, aanmatiging, minachting van Gods heilige wil en woord, bedrog en valsheid, wreedheid en toorn, geweld en moord: deze en een woud van andere zonden hebben inderdaad diepe wortels geschoten in de zwarte en giftige bodem van onze gevallen natuur. Door hun hoge stammen en reusachtige armen in elkaar te vlechten hebben zij het licht van de hemel geheel buiten de benevelde ziel van de mens gehouden.
Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn. (Spreuken 16:5)
Maar die zonden en hun bondgenoten lijken niet zo grondig verweven te zijn met de hele gesteldheid van het menselijk hart. Zij zijn ook niet zo zijn levensbloed als de hoogmoed. De lust des vleses is sterk, maar er zijn pauzes in zijn werking. Het ongeloof is machtig, maar er zijn tijden waarin het te slapen lijkt. De hebzucht is verstrikkend, maar er is niet altijd een koopje te sluiten of een voordeel te grijpen.
Deze zonden verschillen ook in kracht bij verschillende mensen. Sommigen worden niet veel verzocht door de grovere driften van onze gevallen natuur. Anderen zijn van nature gul en vrijgevig en buigen hun knie niet voor het gouden kalf, welke andere afgod zij ook dienen.
Maar waar de wellust misschien geen macht heeft, de hebzucht geen heerschappij en de toorn geen invloed, daar werkt diep, diep in het binnenste, zoals de lava kookt en bruist in de krater van een vulkaan, die meesterzonde, die zonde der zonden: de hoogmoed!
De hoogmoed is de moeder en meesteres van alle zonden. Want waar zij ze niet ontvangt in haar altijd vruchtbare schoot, zet zij hun bewegingen aan en dwingt zij hen haar eer te betalen.
De oorsprong van het kwaad is voor onze ogen verborgen. Waar het vandaan kwam en waarom God toeliet dat het in Zijn schone schepping opkwam, zijn geheimen die wij niet kunnen peilen. Maar zoveel is wel geopenbaard: van dit machtige vuur dat de hel met zwavelvlammen heeft gevuld en eens de aarde en haar bewoners in de algemene brand zal omhullen, was de eerste vonk de hoogmoed!
De hoogmoed is daarom bij uitstek de eigen zonde van de duivel. Wij zullen niet zeggen zijn lievelingszonde, want zij is zijn kwelling, de slang die hem altijd bijt, het vuur dat hem voortdurend verteert. Maar het is de zonde die hem uit de hemel wierp en hem van een stralende en heilige serafijn veranderde in een vuile en afschuwelijke demon!
Hoe fijn en krachtig moet dan het gif zijn dat in een oogwenk een engel in een duivel kon veranderen! Hoe zwart van aard en hoe geconcentreerd in giftigheid is dat venijn, waarvan één druppel het beeld van God in myriaden stralende geesten voor de troon volkomen kon schenden en hen kon verlagen tot monsters van onreinheid en boosaardigheid!
Ik had toen geen monnikenregels nodig.
Iemand kan een samenhangende belijdenis van de godsdienst hebben, een gezonde en goed geordende geloofsleer, lid zijn van een christelijke gemeente, alle verordeningen en plichten waarnemen, zijn leven naar Gods Woord proberen in te richten, zijn gezinsgebed en zijn persoonlijk gebed hebben, een goede echtgenoot, vader en vriend zijn en vrijgevig en vriendelijk zijn voor Gods zaak en volk. En toch bij dit alles geen vrucht dragen voor God.
Wat is dit alles anders dan armzalige zelfheiligheid?
Ware evangelievrucht komt alleen voort doordat het woord van Gods genade in het hart valt en het bevochtigt en week maakt. Zonder dit is er geen enkel genadig gevoel, geen enkel geestelijk verlangen, geen enkele tedere gedachte en geen enkele hemelse genegenheid.
Wij hebben misschien geprobeerd onszelf heilig te maken. Wij hebben onze ogen, oren en tongen bewaakt, elke dag zoveel hoofdstukken uit Gods Woord gelezen, zo lang op onze knieën gelegen en zo geprobeerd een soort heiligheid in onze eigen ziel te werken.
Vele jaren geleden probeerde ik het grootste deel van een uur te bidden en tot mijn schaamte moet ik zeggen dat ik blij was als ik de klok hoorde slaan. Wat was dit anders dan een monnikachtige, zelfopgelegde regel om God te behagen door de lengte van mijn gebeden?
Maar toen het de Heere behaagde mijn geweten met Zijn vinger aan te raken, gaf Hij mij een bijzondere geest van genade en gebeden. Toen had ik geen monnikenregels nodig. De sterke man zinkt weg tot een zuigeling!
De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw. (Psalm 18:3)
Zolang een mens enige kracht van zichzelf heeft, zal hij nooit kracht in de Heere hebben. Want de kracht van Jezus wordt in onze zwakheid volbracht.
O, wat een pijnlijke les moeten wij leren om te ontdekken dat al onze kracht zwakheid is. Er was een tijd dat wij dachten dat wij kracht hadden en Satan konden weerstaan, de wereld overwinnen, vervolging verdragen, de smaad van de mensen dragen en de hoogmoed en het kwaad van ons hart doden en onderdrukken.
Hebben wij onze ingebeelde kracht kunnen uitvoeren? Wat is hierin onze bevinding geweest? Dat wij steeds meer onze eigen zwakheid hebben ontdekt. Dat wij tegen geen enkele verzoeking kunnen standhouden. Dat de minste windstoot ons omver blaast!
Onze aanklevende lusten, onze lage driften en de goddeloze begeerten van ons hart lokken onze ogen en gedachten zo en strengelen zich zo om onze genegenheid dat wij in een oogwenk bezwijken, tenzij God Zelf ons ondersteunt! Wij kunnen tegen de zonde niet standhouden. Ons hart is zwak als water.
Zo leren wij onze zwakheid door onszelf te voelen als de allerzwaksten en de allerlaagsten.
Naarmate de Heere iemand dieper leidt in de kennis van zijn verdorvenheden, raakt hij meer en meer ontgoocheld over zijn rechtvaardige, vrome, heilige ZELF. Hoe meer de Heere iemand leidt in de kennis van de verzoeking, de aanklevende zonde, de macht van zijn verdorvenheden en de werkingen van zijn laaghartige natuur, hoe dieper en pijnlijker hij leert wat een arme, hulpeloze, zwakke en krachteloze ellendeling hij is.
Als de Heere voor zijn ogen de kracht, macht en volheid ontvouwt die in Jezus Christus ligt, trekt, leidt, brengt, bemoedigt Hij hem en stelt Hij hem in staat tot die volheid te komen. En met de hand van het geloof put hij voorraad uit die volheid.
Als de Heere de ziel in staat stelt op Jezus te zien, wordt Zijn gezegende kracht medegedeeld en in zijn ziel geblazen. Dan dorst het wormpje Jakobs bergen, vermaalt ze en stelt heuvelen gelijk kaf. Wanneer de Heere hem sterkt, kan hij standhouden tegen verzoeking, de zonde overwinnen, vervolging dragen, het kwaad van zijn hart bedwingen en strijden tegen de wereld, het vlees en de duivel.
Wanneer de Heere hem verlaat is hij als Simson met afgeknipte lokken. Hij zinkt weg in alle kwaad en voelt de hulpeloosheid van zijn gevallen natuur. Laat de Heere alleen Zijn genadige tegenwoordigheid wegnemen en de sterke man zinkt weg tot een zuigeling! En hij die in de kracht van de Heere de bergen kon dorsen, valt zo zwak en hulpeloos neer als een klein kind.
Zo leert de Heere ons pijnlijk en plechtig dat wij in onszelf niets zijn en onze zwakheid, hulpeloosheid en ellende voelen. En dat wij alleen in Hem kracht hebben.
Behoud mij, zo zal ik behouden worden!
behoud mij, zo zal ik behouden worden (Jeremia 17:14)
Dit houdt redding in van de macht van de zonde en van de geheime heerschappij die de zonde in het hart heeft.
O, wat een tirannieke heerschappij oefent de zonde soms uit in onze vleselijke gezindheid! Hoe gauw raken wij verstrikt in vleesbehagende strikken! Hoe gemakkelijk komen wij onder de geheime heerschappij van een of andere verborgen verdorvenheid! En hoe tevergeefs worstelen wij om onszelf te bevrijden als wij gevangen zijn in de strikken van de duivel of onder de macht van één lust, aanklevende zonde of verzoeking!
De Heere, en de Heere alleen, kan ons van dit alles redden. Hij redt van de macht van de zonde door een besef van Zijn stervende liefde in onze harten te brengen. Door ons van onze afgoden te bevrijden, onze genegenheid te verheffen tot de dingen die boven zijn, onze strikken aan stukken te breken, onze lusten te bedwingen, ons verderf te temmen en de innerlijke kwaden van onze vreselijk gevallen natuur te overmeesteren.
Hier is deze zonde! Heere, red mij ervan.
Hier is deze strik! Heere, breek hem aan stukken.
Hier is deze verzoeking! Heere, verlos mij ervan.
Hier is deze lust! Heere, bedwing haar.
Hier is mijn hoogmoedige hart! Heere, vernedder het.
Niemand dan de Heere kan deze dingen voor ons doen. Niets dan de gevoelde kracht van God, niets dan het uitsteken van Zijn machtige arm, niets dan het uitstorten van Zijn stervende liefde, niets dan de werkingen van Zijn genade op onze ziel kan ons verlossen van de geheime macht van het kwaad.
behoud mij, zo zal ik behouden worden
Plet zijn slangenkop met de hiel van onze laars!
Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij (Markus 8:34)
Het ZELF verloochenen en afzweren ligt aan het fundament van de levende godzaligheid.
Het is tot op zekere hoogte gemakkelijk de wereld te verlaten en gemakkelijk de belijdende kerk te verlaten. Maar uit het ZELF uit te gaan, daar zit de moeilijkheid. Want dit ZELF neemt zo veel gedaanten aan.
Wat een verscheidenheid aan gedaanten en vormen neemt dit monster ZELF aan! Hoe moeilijk is het zijn kronkels na te gaan! Hoe moeilijk is het deze sluwe vijand naar zijn verborgen hol te volgen, hem uit de grot te slepen en hem te offeren aan de voet van het kruis, zoals Samuël Agag in stukken hieuw te Gilgal.
Hoogmoedig ZELF, rechtvaardig ZELF, hebzuchtig ZELF, eerzuchtig ZELF, zinnelijk ZELF, bedrieglijk ZELF, godsdienstig ZELF, vleesbehagend ZELF.
Wat is het moeilijk dit lelijke, mismaakte schepsel op te sporen, te ontmaskeren, uit zijn wisselende kleren te stropen en er dan op te stampen, alsof men zijn slangenkop met de hiel van onze laars wil pletten!
Wie zal zo’n geweld doen aan het geliefde ZELF, terwijl elke zenuw trilt en terugdeinst en het laffe hart tegen de opgeheven voet roept: Spaar, spaar!
Maar zonder deze kruisiging van het ZELF is er geen hand in hand wandelen met Christus en geen hemelse gemeenschap met Hem. Want er kan evenmin een vennootschap bestaan tussen Christus en het ZELF als tussen Christus en de zonde.
Arme, sombere, neerslachtige schepsels
De meesten van ons zijn zo geketend door de ketenen van tijd en zintuigen, de zorgen van het leven en het dagelijkse werk, de zwakheid van ons aardse lichaam, de afleidende eisen van een gezin en de ellendige vleselijkheid en zinnelijkheid van onze gevallen natuur, dat wij op zijn best een armzalig, voortslepend en wegkwijnend leven leiden.
Velen van ons zijn arme, sombere, neerslachtige schepsels. Wij hebben allerlei beproevingen en benauwdheden, een dagelijks kruis en de voortdurende plaag van een boos hart.
Wij kennen onszelf genoeg om te weten dat er in het ZELF geen hulp en geen hoop is. Wij verwachten nooit een gladder pad of een beter, wijzer, heiliger hart. Zoals de vermoeide rust zoekt, de hongerige voedsel, de dorstige drank en de zieke gezondheid, zo strekken wij ons hart en onze armen uit om de Heere Jezus Christus te omhelzen en gevoelig gemeenschap en vereniging met Hem te ervaren.
Hij ontdekt ons het kwaad en de ellende van de zonde, opdat wij vergeving zoeken in Zijn bloedende wonden en doorstoken zijde.
Hij maakt ons onze naaktheid en schaamte bekend en daarmee ons blootstaan aan Gods toorn, opdat wij ons verbergen onder Zijn rechtvaardigmakend kleed.
Hij doet gal en alsem in de uitgelezenste drank van de wereld, opdat wij geen zoetheid hebben dan in en van Hem.
Wat een slagveld is het hart
Ik heb zoveel tegenstand van binnen, zoveel verzoekingen, lusten en dwaasheden, zoveel strikken en aanklevende zonden en een laag hart dat zich wentelt in alle vleselijkheid en vuiligheid.
Ik word inderdaad geoefend “door zonde en genade”.
Zonde of genade lijkt voortdurend bovenaan te staan en tegen elkaar te strijden en te begeren. Wat een begeerten, wat een smarten, wat een vallen en opstaan, wat een nederlagen en overwinningen.
Wat een slagveld is het hart, en daar wordt de strijd verloren en gewonnen. Als de zonde de overhand krijgt: rouw over haar wonden en slachting. Als genade en Godsvrucht de verzoeking terugslaan: een week worden in dankbaarheid.
Hoe kan hij door deze kale, huilende woestijn reizen?
Als u levend bent voor wat u bent als arme, gevallen zondaar, dan zult u zichzelf omringd zien door vijanden, verzoekingen, zonden en strikken.
U zult uzelf volkomen weerloos voelen, zwak als water, zonder enige kracht om ertegen stand te houden. U zult een berg van moeilijkheden voor uw ogen zien.
Als u inwendig en bevindelijk iets van uzelf kent: het kwaad van uw hart, de macht van de zonde, de kracht van de verzoeking, de sluwheid van uw onvermoeibare vijand en de dagelijkse strijd tussen natuur en genade, vlees en Geest, die de eigen kenmerken van het ware kind van God zijn, dan zult u uw behoefte aan zaligheid als een dagelijkse werkelijkheid vinden en voelen.
Hoe zult u ontkomen aan de strikken en verzoekingen die op uw pad zijn gespannen? Hoe zult u het winnen van al uw vijanden, de uitwendige, de inwendige en de helse, en eindelijk veilig bij de poorten van de hemel aankomen?
Er is tegenwoordige zaligheid, een inwendige, bevindelijke en voortdurende zaligheid, medegedeeld uit de volheid van Christus als een opgestane Middelaar.
Hebt u niet nodig dagelijks en bijna elk uur gered te worden? Maar waarvan? Wel, van alles in u wat strijdt tegen de wil en het woord van God.
De zonde is niet dood in u.
Als u een zaligmakend aandeel hebt in het dierbare bloed van Christus, als uw naam geschreven staat in het boek des levens van het Lam en de hemel uw eeuwige woning is, dan bevrijdt dat u niet van de inwoning van de zonde en ook niet van de macht van de zonde, behalve voor zover de genade u er tegenwoordige verlossing van geeft.
De zonde werkt nog in uw vleselijke gezindheid en zal daarin werken tot uw stervensuur. Wat u dus nodig hebt is gered te worden van de schuld, de smerigheid, de macht, de liefde en de praktijk van die zonde die altijd in u woont en altijd in u werkt en uw ziel vaak in harde en wrede slavernij brengt.
Nu leeft Christus aan de rechterhand van God voor Zijn dierbaar volk, opdat Hij hen voortdurend zalig maakt door Zijn leven. Daar regeert en heerst Hij als hun heerlijke Verbondshoofd. Hij waakt voortdurend over hen, voelt met hen mee en heeft medelijden met hen, en deelt voorraden van genade mee tot verlossing en vertroosting van al Zijn lijdende heiligen die over het aangezicht van de aarde verspreid zijn. Het heerlijke Hoofd is in de hemel maar de lijdende leden zijn op aarde. En omdat Hij voor hen leeft, onderhoudt Hij door Zijn Geest en genade Zijn leven in hun ziel.
Elke christen moet door een grote en vreselijke woestijn trekken, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid zijn (Deuteronomium 8:15). Daar wordt hij omringd door verzoekingen en strikken, waarbij zijn eigen boze hart zijn ergste vijand is.
Hoe kan hij door deze kale, huilende woestijn reizen als hij geen Vriend heeft aan de rechterhand van God die hem voortdurend voorraden van genade zendt? Een Vriend die zijn gebeden kan horen, zijn smeekbeden kan beantwoorden, naar zijn zuchten kan luisteren en zijn tranen in Zijn fles kan doen. Die hem kan helpen de strikken te zien en hem genade geeft om ze te ontlopen. Die vanaf Zijn hemelse wachttoren het opkomen van het kwaad in zijn hart gadeslaat en het tijdig en gelegen kan tegenhouden voordat het uitbarst in woord of daad?
Hij heeft een alwijze en altijd levende Vriend nodig die hem kan redden van de hoogmoed door hem ware nederigheid te geven. Die hem kan redden van verharding van het hart door hem berouw te schenken. Die hem kan redden van achteloosheid door zijn geweten tederder te maken. Die hem kan redden van al zijn vrees door in zijn ziel te fluisteren: vrees niet, want Ik heb u verlost.
De christen moet voortdurend opzien naar de Heere Jezus Christus om zijn ziel te doen herleven als zij verslapt, om Zijn liefde aan zijn hart te openbaren als het koud en gevoelloos is, om zijn geweten met Zijn bloed te besprenkelen als het schuldig is en wegzinkt, om hem in de waarheid te leiden, hem te bewaren voor dwaling en kwaad, hem te behouden door elke storm en te midden ervan, elke stap te leiden die hij op zijn verdere reis zet en hem ten slotte veilig in de hemel te brengen.
Wij hebben voortdurend voorraden van Zijn genade, barmhartigheid en liefde nodig, ontvangen in ons hart, om ons te redden van de liefde tot en de geest van de wereld, van dwaling, van de macht en kracht van onze eigen lusten en van de lage neigingen van onze gevallen natuur.
Deze werken vaak op een vreselijke manier. Maar dat zal u alleen maar meer doen voelen dat u de kracht en de tegenwoordigheid van de Heere Jezus nodig hebt om u van hen allemaal te redden.
U bent een arm, weerloos schaap omringd door wolven en hebt daarom alle zorg en bescherming van de goede Herder nodig.
U bent een schip op een stormachtige zee waar wind en golven alle tegen zijn en hebt daarom een alwijze en bekwame loods nodig die u veilig de haven binnenbrengt.
Er is niets op aarde of in de hel dat u kan schaden als u maar opziet naar de Heere Jezus Christus en voorraden van genade en kracht van Hem ontvangt.
Met wat een kleinigheden, wat een speeltjes, wat een ijdele nietigheden houdt de grote massa van de mensen zich bezig!
Als God ons één uur zou verlaten
verlaat ons niet (Jeremia 14:9)
Hoeveel ligt er besloten in die drie woorden!
Wat zou het zijn als God ons verliet?
Wat en waar zouden wij zijn als God ons één uur zou verlaten?
Wat zou er van ons worden?
Wij zouden meteen vallen in de handen van de zonde, van Satan en van de wereld.
Wij zouden overgelaten worden aan ons eigen boze hart. Overgelaten, volkomen overgelaten aan het ongeloof, de trouweloosheid en alle vuiligheid en zinnelijkheid van onze goddeloze natuur. Om de maat van onze ongerechtigheden vol te maken totdat wij onder Zijn toorn zouden zinken om nooit meer op te staan!
verlaat ons niet (Jeremia 14:9)
Een afgod is een afgod
Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld. (Ezechiël 14:3)
Een afgod is een afgod, of hij nu inwendig in het hart wordt vereerd of uitwendig met de knie wordt versierd.
Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen. (Ezechiël 14:6) Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij. (Ezechiël 14:7)
Een wereldse geest zal altijd tevoorschijn komen
Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld (Galaten 1:4)
Het eerste gevolg van de soevereine genade in haar goddelijke werking op het hart van een kind van God is dat zij hem van de wereld scheidt door hem een nieuwe geest in te storten. Er is weinig bewijs dat de genade ooit ons hart heeft aangeraakt als zij ons niet van deze goddeloze wereld afscheidde.
Waar dit goddelijke werk in het geweten van een zondaar ontbreekt, waar geen mededeling van dit nieuwe hart en deze nieuwe geest is, geen instorting van dit heilige leven en geen bezielende, levendmakende invloed van de Geest van God op de ziel, daar zal iemand altijd een wereldse geest hebben, wat zijn uitwendige belijdenis ook is.
Een geheel van leerstellingen, hoe gezond ook, dat louter in het natuurlijke verstand is ontvangen, kan een mens niet losmaken van die aangeboren liefde tot de wereld die zo diep in zijn wezen is geworteld. Er is geen machtige kracht over zijn ziel gekomen die al zijn gedachten omwentelt, zijn ziel als het ware in een nieuwe vorm giet en hem door het indrukken van de gezindheid en gelijkenis van Christus geheel verandert. Deze wereldse geest kan door omstandigheden worden beteugeld, door het natuurlijke geweten worden beheerst of door het voorbeeld van anderen worden beïnvloed. Maar een wereldse geest zal altijd onder de dikste vermomming vandaan komen kijken en zich in elke onwedergeboren mens tonen zodra de gelegenheid hem daartoe uitlokt.
Wat een les is hier voor predikanten!
En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht (1 Korinthe 2:4)
Het woord bewegelijk is zoals wij nu zeggen: overtuigend. Het omvat dus elke tak van bekwame welsprekendheid. Of dat nu logische redeneringen zijn om ons verstand te overtuigen, of beroepen op onze gevoelens om onze hartstochten op te wekken, of nieuwe en opvallende gedachten om ons verstand te verrukken, of mooie en welsprekende taal om onze verbeelding te behagen en te boeien.
Al deze bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, juist de dingen waarop onze populaire predikers zich het meest richten en waarnaar zij streven, heeft deze grote apostel afgezworen, terzijde gelegd en verworpen!
Hij had ze allemaal kunnen gebruiken als hij dat wilde. Hij bezat een bijna ongeëvenaard deel aan natuurlijk talent en grote geleerdheid. Een buitengewoon scherp, doordringend verstand. Een wonderbaarlijke beheersing van de Griekse taal. Een stroom van gedachten die zeer gevarieerd, treffend en oorspronkelijk was. En een gave van redenaarskunst en welsprekendheid zoals weinigen die ontvangen hebben. Hij had dus bewegelijke woorden van menselijke wijsheid kunnen gebruiken als hij dat gewild of juist had gevonden. Maar hij wilde dat niet.
Hij zag hoeveel bedrog erin zat en dat het op zijn best louter kunstgrepen van redenaarskunst waren. Hij zag dat deze bewegelijke woorden de natuurlijke gevoelens konden raken, op de hartstochten konden werken, de verbeelding konden boeien, het verstand konden overtuigen, het oordeel konden overhalen en tot op zekere hoogte hun weg naar de gemoederen van de mensen konden afdwingen. Maar toen alles gedaan was wat zo gedaan kon worden, was het slechts de wijsheid van de mens die het had gedaan.
Aardse wijsheid kan geen hemels geloof meedelen. Paulus wilde daarom geen bewegelijke woorden van menselijke wijsheid gebruiken. Of dat nu de kracht van een logisch betoog was, of een beroep op natuurlijke hartstochten, of de bekoring van levendige welsprekendheid, of de schoonheid van dichterlijke taal, of de subtiele fijnheid van goed geordende zinnen. Hij wilde geen van deze bewegelijke woorden van menselijke wijsheid gebruiken om mensen tot een belijdenis van godsdienst te brengen terwijl hun hart niet werkelijk door Gods genade was geraakt en hun geweten niet door een goddelijke kracht was bewerkt.
Hij kwam om zielen te winnen voor Jezus Christus en niet bekeerlingen voor zijn eigen overredende redenaarskracht. Om mensen van de duisternis tot het licht te brengen en van de macht van Satan tot God. Niet om hun oren te strelen met poëzie en welsprekendheid maar om hen uit de vuilste zonden te brengen opdat zij gewassen, geheiligd en gerechtvaardigd zouden worden door de Geest van God. En niet om hun gemoed te vermaken of te amuseren terwijl de zonde en Satan nog heerschappij hielden in hun hart!
Al de arbeid die eraan besteed zou worden om een gemeente en een gezelschap van belijdende mensen bijeen te brengen door de kracht van logische betogen en beroepen op hun natuurlijke geweten zou volkomen verloren zijn wat vrucht voor de eeuwigheid betreft. Want een belijdenis die zo door hem werd teweeggebracht en door hen werd afgelegd, zou hen laten zoals zij waren: in alle diepten van onwedergeboorte, met hun zonden onvergeven, hun personen niet gerechtvaardigd en hun zielen niet geheiligd.
Hij verwierp daarom al deze manieren om bekeerlingen te winnen als bedrieglijk voor de zielen van de mensen en onterend voor God.
Er was veel genade voor nodig om dit te doen. Om af te zien van wat hij had kunnen gebruiken en te verzaken wat de meeste mensen met zijn gaven graag zouden hebben gebruikt.
Wat een les is hier voor predikanten!
Hoe verlangend zijn sommige mannen om te schitteren als grote predikers! Hoe begeren zij en streven zij vaak naar een groots vertoon van wat zij welsprekendheid noemen om hun hoorders te boeien en lof en eer voor het ZELF te winnen!
Hoe proberen anderen mensen tot de godsdienst te redeneren of door een beroep op hun natuurlijke gevoelens. Soms om hen angst aan te jagen met beelden van de hel en soms om hen te lokken met beschrijvingen van de hemel.
Maar al zulke kunstgrepen, want meer zijn het niet, moet een ware dienaar van God verwerpen. Alleen de Geest kan Christus openbaren door te nemen van de dingen van Christus en ze ons te verkondigen. Hij past het woord met kracht toe op ons hart en brengt de zoetheid, werkelijkheid en gezegendheid van goddelijke dingen in onze ziel.
En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht
Als wij niet in zekere mate dezelfde betoning van de Geest hebben, valt alles wat wij op de kansel zeggen op de grond. Het heeft geen werkelijk effect en er is geen ware of blijvende vrucht, geen vrucht tot het eeuwige leven. Als er enkele bewegelijke woorden van menselijke wijsheid in zitten, kan dat het gemoed behagen van wie door zulke kunstgrepen worden voldaan. Het kan voor het ogenblik de aandacht prikkelen en bezighouden. Maar daar houdt het op en alles wat gehoord is vervaagt als een droom van de nacht.
Een eigenaardige, onbeschrijfelijke, onoverwinnelijke kracht
Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid (1 Thessalonicenzen 1:5)
Het evangelie komt bij sommigen alleen in woorden. Zij horen het woord van het evangelie, de klank van de waarheid. Maar het bereikt alleen het uitwendige oor, of als het de inwendige gevoelens raakt, dan slechts als het woord van mensen.
Maar waar de Heilige Geest Zijn goddelijke en zaligmakende werk begint en voortzet, vergezelt Hij het woord met een eigenaardige, een onbeschrijfelijke en toch een onoverwinnelijke kracht.
Het valt als van God op het hart. Men hoort Hem erin spreken en daarin verschijnt Zijn heerlijke Majesteit om de ogen te openen, de oren te ontsluiten en een boodschap uit Zijn eigen mond aan de ziel over te brengen.
Sommigen horen het evangelie als louter het woord van mensen, misschien jarenlang, voordat God erin met goddelijke kracht tot hun geweten spreekt. Zij meenden het evangelie te begrijpen. Zij meenden het te voelen. Zij meenden het lief te hebben. Maar al die tijd zagen zij geen wezenlijk onderscheid tussen het ontvangen als louter het woord van mensen en als het woord van God.
De lichtzinnigheid, de oppervlakkigheid en de leegheid die in allen gestempeld is die het evangelie slechts als het woord van mensen ontvangen, is voldoende bewijs dat het nooit diep in het hart is gezonken en nooit krachtig vat op hun ziel heeft gekregen.
Het bracht daarom nooit een werkelijke afscheiding van de wereld met zich mee. Het gaf nooit kracht om de geringste zonde te doden. Het deelde nooit macht mee om de geringste strik van Satan te ontkomen. Het ging nooit gepaard met een geest van genade en gebed. Het bracht nooit eerlijkheid, oprechtheid en rechtschapenheid in het hart voor God. Het schonk nooit enige geestelijkheid van gemoed of enige liefdevolle genegenheid tot de Heere van leven en heerlijkheid. Het was slechts het aannemen van waarheid zoals wij wetenschappelijke beginselen aannemen of een taal, een bedrijf of een vak leren. Het was allemaal oppervlakkig, ondiep, bedrieglijk en huichelachtig.
Maar op een onverwacht ogenblik, als zij er weinig naar uitkeken, werd het woord van God in hun geweten gebracht met een kracht die zij nooit eerder hadden ervaren. Een licht scheen erin en erdoor dat zij nooit eerder hadden gezien. Een majesteit, een heerlijkheid, een gezag en een bewijs vergezelden het die zij nooit eerder hadden gekend. En onder dit licht, dit leven en deze kracht vielen zij neer, met het woord van God in hun hart gezonden.
Wanneer dan Christus het evangelie tot het hart spreekt, wanneer Hij Zichzelf aan de ziel openbaart, wanneer Zijn woord, druppelend als de regen en vallend als de dauw, in geloof en liefde wordt ontvangen, dan wordt Hij omhelsd als de Uitnemende boven tienduizend en de Gans Begerenswaardige. Hij neemt Zijn zetel in op de genegenheden en wordt in het hart op de troon gezet als zijn Heere en God.
Is er leven in uw boezem?
Heeft Gods kracht het werk vergezeld?
Is de genade van God werkelijk in uw hart?
Heeft God tot uw ziel gesproken?
Hebt u Zijn stem gehoord, haar kracht gevoeld en bent u onder haar invloed gevallen?
Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft. (1 Thessalonicenzen 2:13)
De diepe dingen van God
Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. (1 Korinthe 2:10)
De Geest van God in iemands boezem onderzoekt de diepten van God, zodat Hij hem leidt in een geestelijke en bevindelijke kennis ervan.
Wat voor diepten zien wij soms in één enkele tekst van de Schrift wanneer die voor het verstand wordt geopend of op het hart wordt toegepast?
Wat een diepte ligt er in het bloed van Christus. Hoe het reinigt ons van alle zonde, zelfs miljoenen maal miljoenen van de vuilste zonden van de vuilste zondaars!
Wat een diepte in Zijn bloedende, stervende liefde, die zo laag kon bukken om ons zo hoog te verheffen!
Wat een diepte in Zijn medelijden en erbarmen, dat zich uitstrekt tot zulke schuldige, laaghartige overtreders als wij zijn!
Wat een diepte in Zijn rijke, vrije en soevereine genade, dat zij zo overvloedig is over al onze verzwaarde ongerechtigheden, gruwelen en laaghartige afschuwelijkheden!
Wat een diepte in Zijn lijden. Dat Hij Zichzelf vrijwillig onder zo’n last van schuld heeft gesteld en onder zulke uitbarstingen van Gods toorn als Hij in Zijn heilige ziel voelde toen Hij in onze plaats stond om arme zondaars te verlossen uit de bodemloze put. Zodat wie de hel verdienden, werden opgeheven in het genot van de hemel!
De godsdienstigen van deze tijd
En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil. (Lukas 21:17)
Belijders van de godsdienst zijn altijd de dodelijkste vijanden van de kinderen van God geweest.
Wie waren zo tegen de gezegende Heere als de schriftgeleerden en de farizeeën? Het waren de godsdienstige leraren en leiders die de Heere der heerlijkheid kruisigden!
En zo zijn in elke eeuw de godsdienstigen van die tijd de heetste en bitterste vervolgers van de gemeente van Christus geweest.
Ook nu is dat niet anders. Hoe vaster de kinderen van God in de waarheid staan, hoe meer zij de kracht ervan genieten, hoe meer zij onder haar invloed leven en hoe tederder en nauwgezetter zij in Godsvrucht wandelen, des te meer zal de belijdende generatie van deze tijd hen met een dodelijke haat haten.
Laten wij niet denken dat wij die kunnen ontwapenen door een Godvruchtig leven. Want hoe meer wij wandelen in het zoete genot van de hemelse waarheid en ons licht voor de mensen laten schijnen als mensen die met Jezus zijn geweest, des te meer zal dat hun haat en minachting over ons afroepen.
en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben (Johannes 17:14)
Mijn magerheid, mijn magerheid!
Ik word mager, ik word mager, wee mij! (Jesaja 24:16)
Er is geen voortdurender bron van klacht en rouw voor een kind van God dan het besef van zijn eigen onvruchtbaarheid. Hij zou vruchtbaar willen zijn in elk goed woord en werk. Maar als hij zijn eigen ellendige onvruchtbaarheid, zijn koude en doodsheid, zijn neiging tot het kwade, zijn tegenzin tegen het goede, zijn dagelijkse dwalingen en afwijkingen van God, zijn verdorven genegenheden, zijn stompzinnige gemoedstoestanden, zijn zinnelijke begeerten, zijn vleselijke plannen en zijn aardse gekruip vergelijkt met wat hij ziet en weet dat de vrucht zou moeten zijn die aan een vruchtbare rank in de enige ware Wijnstok hoort te groeien, zinkt hij weg onder het besef van zijn ellendige schraalheid en onvruchtbaarheid.
Maar wat was het gevolg hiervan voor zijn eigen ziel? Dat het hem van het schepsel speende en hem afhield van het zoeken van hulp of hoop bij iemand anders dan bij de Heere Zelf. Op deze pijnlijke wijze snijdt de Heere ons vaak, zo niet meestal, af van alle menselijke steunen, zelfs de naaste en dierbaarste, opdat wij geheel en alleen op Hemzelf leunen.
Die arme, stompzinnige mensen!
Daarom kent ons de wereld niet (1 Johannes 3:1)
Zowel de openlijk goddeloze wereld als de belijdende wereld is grof onwetend over de kinderen van God. Hun werkelijke karakter en toestand, hun staat en positie, hun vreugde en verdriet, hun barmhartigheden en ellenden, hun beproevingen en verlossingen, hun hoop en vrees, hun benauwdheden en vertroostingen zijn geheel voor hun ogen verborgen.
De wereld weet niets van de beweegredenen en gevoelens die de kinderen van God leiden en aandrijven. Zij ziet hen als een stel sombere, norse, zwaarmoedige wezens wier gemoed is verzuurd door valse en overdreven opvattingen van de godsdienst. Mensen die zo lang over de gedachte aan hel en hemel hebben zitten tobben dat sommigen zichzelf tot wanhoop hebben gebracht en anderen hun ijdele geest hebben opgeblazen met een ingebeelde verwaandheid dat zij bijzondere lievelingen van de Almachtige zijn. Zij zegt: Zij zijn in werkelijkheid niet beter dan andere mensen, zo al niet slechter. Maar zij hebben zulke bekrompen geesten en zijn zo koppig en verbeten met hun arme, enge, bevooroordeelde opvattingen dat zij overal waar zij komen onrust en verwarring brengen.
Maar waarom dit harde oordeel?
Omdat de wereld niets weet van de geestelijke gevoelens die het kind van genade aandrijven en hem zo anders laten handelen dan de wereld die hem zo veroordeelt.
Zij kan ons zien en besef van de uitnemende zondigheid van de zonde niet begrijpen. En dat is de reden dat wij niet met hen de weg van goddeloosheid op willen razen.
Zij weet niet met wat een plechtig gewicht de eeuwige dingen op onze gedachten rusten. En dat is de oorzaak dat wij niet met hen mee kunnen doen in het zo vurig najagen van de dingen van de wereld en in het leven voor de tijd zoals zij doen, in plaats van het leven voor de eeuwigheid.
Omdat zij niet kunnen doordringen in de geestelijke beweegredenen en genadige gevoelens die een levende ziel aandrijven en in de bewegingen van het goddelijke leven die voortdurend in een christenborst opwellen, oordelen zij ons natuurlijk vanuit hun eigen standpunt en veroordelen zij wat zij niet kunnen begrijpen.
“I hate pride and arrogance.” Proverbs 8:13
“The Lord detests all the proud of heart. Be sure of this: They will not go unpunished.” Prov. 16:5
Of all sins, pride seems most deeply imbedded in the very heart of man. Unbelief, sensuality, covetousness, rebellion, presumption, contempt of God’s holy will and word, deceit and falsehood, cruelty and wrath, violence and murder—these, and a forest of other sins have indeed struck deep roots into the black and noxious soil of our fallen nature; and, interlacing their lofty stems and gigantic arms, have wholly shut out the light of heaven from man’s benighted soul.
But these and their associate evils do not seem so thoroughly interwoven into the very constitution of the human heart, nor so to be its very life-blood, as pride. The lust of the flesh is strong, but there are respites from its workings. Unbelief is powerful, but there are times when it seems to lie dormant. Covetousness is ensnaring, but there is not always a bargain to be made, or an advantage to be clutched.
These sins differ also in strength in different individuals. Some seem not much tempted with the grosser passions of our fallen nature; others are naturally liberal and benevolent, and whatever other idol they may serve, they bend not their knee to the golden calf.
But where lust may have no power, covetousness no dominion, and anger no sway—there, down, down in the inmost depths, heaving and boiling like the lava in the crater of a volcano, works that master sin—that sin of sins, pride!
Pride is the mother and mistress of all the sins; for where she does not conceive them in her ever-teeming womb, she instigates their movements, and compels them to pay tribute to her glory.
The ‘origin of evil’ is hidden from our eyes. Whence it sprang, and why God allowed it to arise in His fair creation, are mysteries which we cannot fathom. But thus much is revealed—that of this mighty fire which has filled hell with sulphurous flame, and will one day envelop earth and its inhabitants in the general conflagration, the first spark was pride!
Pride is therefore emphatically the devil’s own sin. We will not say his darling sin, for it is his torment, the serpent which is always biting him, the fire which is ever consuming him. But it is the sin which hurled him from heaven, and transformed him from a bright and holy seraph, into a foul and hideous demon!
How subtle, then, and potent must that poison be, which could in a moment change an angel into a devil! How black in nature, how concentrated in virulence that venom—one drop of which could utterly deface the image of God in myriads of bright spirits before the throne—and degrade them into monsters of uncleanness and malignity!
I needed no monkish rules then.
A man may . . . have a consistent profession of religion, have a sound, well ordered creed, be a member of a Christian church, attend to all ordinances and duties, seek to frame his life according to God’s word, have his family prayer, and private prayer, be a good husband, father, and friend, be liberal and kind to God’s cause and people, and yet with all this bear no fruit Godwards.
What is all this but pitiful self-holiness?
Real gospel fruit is only produced by the word of God’s grace falling into the heart, watering and softening it. Without this there is . . . not one gracious feeling, not one spiritual desire, not one tender thought, not one heavenly affection.
We have tried, perhaps, to make ourselves holy. We have watched our eyes, our ears, our tongues; have read so many chapters every day out of God’s word; continued so long upon our knees; and so tried to work a kind of holiness into our own souls.
Many years ago, I used to try to pray for the better part of an hour; and I am ashamed to say, I have been glad to hear the clock strike. What was this but a monkish, self-imposed rule, to please God by the length of my prayers?
But when the Lord was pleased to touch my conscience with His finger, He gave me a remarkable spirit of grace and supplication; I needed no monkish rules then.
The strong man sinks down into a babe!
“The Lord is my rock, and my fortress, and my deliverer; my God, my strength, in whom I will trust.” Psalm 18:2
As long as a man has any strength of his own, he will never have any strength in the Lord; for the strength of Jesus is made perfect in our weakness.
Oh, what a painful lesson we have to learn to find all our strength is weakness. There was a time when we thought we had strength, and could . . . resist Satan, overcome the world, endure persecution, bear the reproach of man, mortify and keep down pride, and the evils of our heart.
Have we found ourselves able to carry out our fancied strength? What has been our experience in this matter? That we have discovered more and more our own weakness; that we cannot stand against one temptation; the least gust blows us down!
Our besetting lusts, our vile passions, and the wicked desires of our hearts, so entice our eyes and thoughts; so entwine themselves around our affections; that we give out in a moment, unless God Himself holds us up! We cannot stand against sin; our heart is as weak as water.
Thus we learn our weakness, by feeling ourselves to be the very weakest of the weak, and the very vilest of the vile.
As the Lord leads a man deeper down into the knowledge of his corruptions, it makes him more and more out of conceit with his righteous, pious, holy self. The more the Lord leads a man into the knowledge of . . . temptation, his besetting sin, the power of his corruptions, the workings of his vile nature; the more deeply and painfully he learns what a poor, helpless, weak, powerless wretch he is.
As the Lord is pleased to unfold before his eyes the strength, power, and fullness lodged in Jesus Christ; He draws him, leads him, brings him, encourages him, and enables him to come to this fullness. And by the hand of faith he draws supplies out of that fullness.
As the Lord enables the soul to look to Jesus, His blessed strength is communicated and breathed into his soul. Then the ‘poor worm Jacob’ threshes the mountains, beats down the hills, and makes them fly before him as chaff. When the Lord strengthens him, he can . . . stand against temptation, overcome sin, bear persecution, subdue the evils of his heart, and fight against the world, the flesh, and the devil.
When the Lord leaves him, he is like Samson with his locks cut. He sinks into all evil, and feels the helplessness of his fallen nature. Let the Lord but remove His gracious presence, and the strong man sinks down into a babe! And he that in the strength of the Lord could thresh the mountains, falls down as weak and helpless as a little child.
Thus the Lord painfully and solemnly teaches us, that being nothing in ourselves, and feeling our weakness, helplessness, and wretchedness; in Him alone we have strength.
Save me, and I shall be saved!
“Save me, and I shall be saved!” Jeremiah 17:14
This implies salvation from the power of sin; the secret dominion sin possesses in the heart.
O, what a tyrannical rule does sin sometimes exercise in our carnal minds! How soon are we entangled in flesh-pleasing snares! How easily brought under the secret dominion of some hidden corruption! And how we struggle in vain to deliver ourselves when we are caught in the snares of the devil, or are under the power of any one lust, besetment, or temptation!
The Lord, and the Lord alone can save us from all these things. He saves from the power of sin by . . . bringing a sense of His dying love into our hearts, delivering us from our idols, raising our affections to things above, breaking to pieces our snares, subduing our lusts, taming our corruptions, and mastering the inward evils of our dreadfully fallen nature.
Here is this sin! Lord, save me from it.
Here is this snare! Lord, break it to pieces.
Here is this temptation! Lord, deliver me out of it.
Here is this lust! Lord, subdue it.
Here is my proud heart! Lord, humble it.
None but the Lord can do these things for us . . . nothing but the felt power of God, nothing but the putting forth of His mighty arm, nothing but the shedding abroad of His dying love, nothing but the operations of His grace upon our soul, can deliver us from the secret power of evil.
“Save me, and I shall be saved!”
Crush its viper head with the heel of our boot!
“Whoever will come after Me, let him deny himself, and take up his cross and follow Me” Mark 8:34
To deny and renounce self lies at the very foundation of vital godliness.
It is easy in some measure to leave the world; easy to leave the professing church; but to go forth out of self, there is the difficulty, for this “self” embraces such a variety of forms.
What varied shapes and forms does this monster SELF assume! How hard to trace his windings! How difficult to track this wily foe to his hidden den; drag him out of the cave; and immolate him at the foot of the cross, as Samuel hewed down Agag in Gilgal.
Proud self, righteous self, covetous self, ambitious self, sensual self, deceitful self, religious self, flesh-pleasing self.
How difficult to detect, unmask, strip out of its changeable suits of apparel, this ugly, misshaped creature, and then stamp upon it, as if one would crush its viper head with the heel of our boot!
Who will do such violence to beloved self, when every nerve quivers and shrinks; and the coward heart cries to the uplifted foot, “Spare, spare!”
But unless there is this self crucifixion, there is no walking hand in hand with Christ, no heavenly communion with Him; for there can no more be a partnership between Christ and self, than there can be a partnership between Christ and sin.
Poor, moping, dejected creatures
We are, most of us, so fettered down by . . . the chains of time and sense, the cares of life and daily business, the weakness of our earthly frame, the distracting claims of a family, and the miserable carnality and sensuality of our fallen nature, that we live at best a poor, dragging, dying life.
Many of us are poor, moping, dejected creatures. We have . . . a variety of trials and afflictions, a daily cross and the continual plague of an evil heart.
We know enough of ourselves to know that in SELF there is neither help nor hope, and never expect a smoother path, a better, wiser, holier heart. As then . . . the weary man seeks rest, the hungry man seeks food, the thirsty man seeks drink, and the sick man seeks health, so do we stretch forth our hearts and arms that we may embrace the Lord Jesus Christ, and sensibly realize union and communion with Him.
He discovers the evil and misery of sin that we may seek pardon in His bleeding wounds and pierced side.
He makes known to us our nakedness and shame, and, as such, our exposure to God’s wrath, that we may hide ourselves under His justifying robe.
He puts gall and wormwood into the world’s choicest draughts, that we may have no sweetness but in and from Him.
What a battlefield is the heart
I have so much opposition within, so many temptations, lusts, and follies; so many snares and besetments; and a vile heart, dabbling in all carnality and filth.
I am indeed exercised “by sin and grace.”
Sin or grace seems continually uppermost; striving and lusting against one another. What . . . lustings, sorrowings; fallings, risings; defeats, and victories.
What a battlefield is the heart, and there the fight is lost and won. When sin prevails, mourning over its wounds and slaughter. When grace and godly fear beat back temptation, a softening into gratitude.
How can he travel through this waste howling wilderness?
If you are alive to what you are as a poor, fallen sinner—you will see yourself surrounded by . . . enemies, temptations, sins, and snares.
You will feel yourself utterly defenseless, as weak as water, without any strength to stand against them. You will see a mountain of difficulties before your eyes.
If you know anything inwardly and experimentally of yourself of . . . the evils of your heart, the power of sin, the strength of temptation, the subtlety of your unwearied foe, and the daily conflict between nature and grace, the flesh and the Spirit, which are the peculiar marks of the true child of God—you will find and feel your need of salvation as a daily reality.
How shall you escape the snares and temptations spread in your path? How shall you get the better of all your enemies . . . external, internal, infernal, and reach heaven’s gates safe at last?
There is present salvation, an . . . inward, experimental, continual salvation communicated out of the fullness of Christ as a risen Mediator.
Don’t you need to be daily and almost hourly saved? But from what? Why, from everything in you that fights against the will and word of God.
Sin is not dead in you.
If you have a saving interest in the precious blood of Christ—if your name is written in the Lamb’s book of life, and heaven is your eternal home—that does not deliver you from the indwelling of sin, nor from the power of sin—except as grace gives you present deliverance from it.
Sin still works in your carnal mind, and will work in it until your dying hour. What then you need to be saved from is the . . . guilt, filth, power, love, and practice of that sin which ever dwells and ever works in you, and often brings your soul into hard and cruel bondage.
Now Christ lives at the right hand of God for His dear people, that He may be ever saving them by His life. There He reigns and rules as their glorious covenant Head, ever watching over, feeling for and sympathizing with them, and communicating supplies of grace for the deliverance and consolation for all His suffering saints spread over the face of the earth. The glorious Head is in heaven, but the suffering members upon earth; and as He lives on their behalf, He maintains by His Spirit and grace, His life in their soul.
Each Christian has to walk through a great and terrible wilderness, wherein are fiery serpents, and scorpions, and drought (Deut. 8:15); where he is surrounded with temptations and snares—his own evil heart being his worst foe.
How can he travel through this waste howling wilderness unless he has a Friend at the right hand of God to send him continual supplies of grace—who can hear his prayers, answer his petitions, listen to his sighs, and put his tears into his bottle—who can help him to see the snares, and give him grace to avoid them—who observes from his heavenly watch tower the rising of evil in his heart, and can put a timely and seasonable check upon it before it bursts into word or action?
He needs an all-wise and ever-living Friend who can . . . save him from pride by giving him true humility; save him from hardness of heart by bestowing repentance; save him from carelessness by making his conscience tender; save him from all his fears by whispering into his soul, “Fear not, I have redeemed you.”
The Christian has to be continually looking to the Lord Jesus Christ . . . to revive his soul when drooping, to manifest His love to his heart when cold and unfeeling, to sprinkle his conscience with His blood when guilty and sinking, to lead him into truth, to keep him from error and evil, to preserve him through and amid every storm, to guide every step that he takes in his onward journey, and eventually bring him safe to heaven.
We need continual supplies of His grace, mercy, and love received into our hearts, so as to save us . . . from the love and spirit of the world, from error, from the power and strength of our own lusts, and the base inclinations of our fallen nature.
These will often work at a fearful rate; but this will only make you feel more your need of the power and presence of the Lord Jesus to save you from them all.
You are a poor, defenseless sheep, surrounded by wolves, and, as such, need all the care and defense of the good Shepherd.
You are a ship in a stormy sea, where winds and waves are all contrary, and therefore need an all wise and able pilot to take you safe into harbor.
There a single thing on earth or in hell which can harm you—if you are only looking to the Lord Jesus Christ, and deriving supplies of grace and strength from Him.
What trifles, what toys, what empty vanities
What trifles, what toys, what empty vanities do the great bulk of men pursue!
If God left us for a single hour
“Don’t leave us!” Jeremiah 14:9
How much is summed up in those three words!
What would it be for God to leave us?
What and where would we be, if God left us for a single hour?
What would become of us?
We would fall at once into the hands . . . of sin, of Satan, and of the world.
We would be abandoned to our own evil hearts—abandoned, utterly abandoned to the unbelief, the infidelity, to all the filth and sensuality of our wicked nature—to fill up the measure of our iniquities, until we sank under His wrath to rise no more!
“Don’t leave us!” Jeremiah 14:9
An idol is an idol “Son of man, these leaders have set up idols in their hearts! They have embraced things that lead them into sin.” Ezekiel 14:3
An idol is an idol, whether worshiped inwardly in heart, or adorned outwardly by the knee.
Therefore, give the people of Israel this message from the Sovereign Lord: “Repent and turn away from your idols, and stop all your loathsome practices. I, the Lord, will punish all those, both Israelites and foreigners, who reject Me and set up idols in their hearts, so that they fall into sin.” Ezekiel 14:6-7
A worldly spirit will ever peep out
“He gave Himself for our sins to rescue us from the present evil age.” Galatians 1:4
The first effect of sovereign grace in its divine operation upon the heart of a child of God, is to separate him from the world by infusing into him a new spirit. There is little evidence that grace ever touched our hearts if it did not separate us from this ungodly world.
Where there is not this divine work upon a sinner’s conscience—where there is no communication of this new heart and this new spirit, no infusion of this holy life, no animating, quickening influence of the Spirit of God upon the soul—whatever a man’s outward profession may be,he will ever be of a worldly spirit.
A set of doctrines, however sound, merely received into the natural understanding—cannot divorce a man from that innate love of the world which is so deeply rooted in his very being. No mighty power has come upon his soul to revolutionize his every thought, cast his soul as if into a new mold—and by stamping upon it the mind and likeness of Christ to change him altogether. This worldly spirit may be . . . checked by circumstances, controlled by natural conscience, or influenced by the example of others; but a worldly spirit will ever peep out from the thickest disguise, and manifest itself, as occasion draws it forth, in every unregenerate man.
What a lesson is here for ministers!
“And my speech and my preaching were not with enticing words of man’s wisdom, but in demonstration of the Spirit and of power” 1 Cor. 2:4
The word “enticing” is as we now say, “persuasive.” It includes, therefore, every branch of skillful oratory, whether it be logical reasoning to convince our understanding—or appeals to our feelings to stir up our passions—or new and striking ideas to delight our intellect—or beautiful and eloquent language to please and captivate our imagination.
All these “enticing words” of man’s wisdom—the very things which our popular preachers most speak and aim at—this great apostle renounced, discarded, and rejected!
He might have used them all if he liked. He possessed an almost unequalled share of natural ability and great learning—a singularly keen, penetrating intellect—a wonderful command of the Greek language—a flow of ideas most varied, striking, and original—and powers of oratory and eloquence such as have been given to few. He might therefore have used enticing words of man’s wisdom, had he wished or thought it right to do so—but he would not. He saw what deceptiveness was in them, and at best they were mere arts of oratory. He saw that these enticing words—though they might . . . touch the natural feelings, work upon the passions, captivate the imagination, convince the understanding, persuade the judgment, and to a certain extent force their way into men’s minds—yet when all was done that could thus be done, it was merely man’s wisdom which had done it.
Earthly wisdom cannot communicate heavenly faith. Paul would not therefore use enticing words of man’s wisdom, whether it were force of logical argument, or appeal to natural passions, or the charms of vivid eloquence, or the beauty of poetical composition, or the subtle nicety of well arranged sentences. He would not use any of these enticing words of man’s wisdom to draw people into a profession of religion—when their heart was not really touched by God’s grace, or their consciences wrought upon by a divine power.
He came to win souls for Jesus Christ, not converts to his own powers of oratorical persuasion—to turn men from darkness to light, and from the power of Satan unto God—not to charm their ears by poetry and eloquence—but to bring them out of the vilest of sins that they might be washed, sanctified, and justified by the Spirit of God—and not entertain or amuse their minds while sin and Satan still maintained dominion in their hearts!
All the labor spent in bringing together a church and congregation of professing people by the power of logical argument and appeals to their natural consciences would be utterly lost, as regards fruit for eternity—for a profession so induced by him and so made by them would leave them just as they were . . . in all the depths of unregeneracy, with their sins unpardoned, their persons unjustified, and their souls unsanctified.
He therefore discarded all these ways of winning over converts—as deceitful to the souls of men, and as dishonoring to God.
It required much grace to do this—to throw aside what he might have used, and renounce what most men, as gifted as he, would have gladly used.
What a lesson is here for ministers!
How anxious are some men to shine as great preachers! How they covet and often aim at some grand display of what they call eloquence to charm their hearers—and win praise and honor to self!
How others try to argue men into religion, or by appealing to their natural feelings, sometimes to frighten them with pictures of hell, and sometimes to allure them by descriptions of heaven.
But all such arts, for they are no better, must be discarded by a true servant of God. Only the Spirit can reveal Christ, taking of the things of Christ, and showing them unto us, applying the word with power to our hearts, and bringing the sweetness, reality, and blessedness of divine things into our soul.
“And my speech and my preaching were not with enticing words of man’s wisdom, but in demonstration of the Spirit and of power.”
Unless we have a measure of the same demonstration of the Spirit, all that is said by us in the pulpit drops to the ground—it has no real effect—there is no true or abiding fruit—no fruit unto eternal life. If there be in it some enticing words of man’s wisdom, it may please the mind of those who are gratified by such arts—it may stimulate and occupy the attention for the time—but there it ceases, and all that has been heard fades away like a dream of the night.
A peculiar, indescribable, invincible power
“Our gospel did not come to you in word only, but also with power, with the Holy Spirit and with deep conviction.” 1 Thes. 1:5
The gospel comes to some in word only. They hear the word of the gospel, the sound of truth; but it reaches the outward ear only—or if it touches the inward feelings, it is merely as the word of men.
But where the Holy Spirit begins and carries on His divine and saving work, He attends the word with a peculiar, an indescribable, and yet an invincible power.
It falls as from God upon the heart. He is heard to speak in it—and in it His glorious Majesty appears to open the eyes, unstop the ears, and convey a message from His own mouth to the soul.
Some hear the gospel as the mere word of men, perhaps for years before God speaks in it with a divine power to their conscience. They thought they understood the gospel—they thought they felt it—they thought they loved it. But all this time they did not see any vital distinction between receiving it as the mere word of men, and as the word of God.
The levity, the superficiality, the emptiness stamped upon all who merely receive the gospel as the word of men—is sufficient evidence that it never sank deep into the heart, and never took any powerful grasp upon their soul.
It therefore never brought with it any real separation from the world—never gave strength to mortify the least sin—never communicated power to escape the least snare of Satan—was never attended with a spirit of grace and prayer—never brought honesty, sincerity, and uprightness into the heart before God—never bestowed any spirituality of mind, or any loving affection toward the Lord of life and glory. It was merely the reception of truth in the same way as we receive scientific principles, or learn a language, a business, or a trade. It was all . . . shallow, superficial, deceptive, hypocritical.
But in some unexpected moment, when little looking for it, the word of God was brought into their conscience with a power never experienced before. A light shone in and through it which they never saw before . . . a majesty, a glory, an authority, an evidence accompanied it which they never knew before. And under this light, life, and power they fell down, with the word of God sent home to their heart.
When then Christ speaks the gospel to the heart—when He reveals Himself to the soul—when His word, dropping as the rain and distilling as the dew, is received in faith and love—He is embraced as the chief among ten thousand and the altogether lovely one—He takes His seat upon the affections and becomes enthroned in the heart as its Lord and God.
Is there life in your bosom?
Has God’s power attended the work?
Is the grace of God really in your heart?
Has God spoken to your soul?
Have you heard His voice, felt its power, and fallen under its influence?
“And we also thank God continually because, when you received the word of God, which you heard from us, you accepted it not as the word of men, but as it actually is, the word of God, which is effectually at work in you who believe.” 1 Thes. 2:13
The deep things of God
“But God has revealed it to us by His Spirit. The Spirit searches all things, even the deep things of God.” 1 Cor. 2:10
The Spirit of God in a man’s bosom searches the deep things of God, so as to lead him into a spiritual and experimental knowledge of them.
What depths do we sometimes see in a single text of Scripture as opened to the understanding, or applied to the heart?
What a depth in the blood of Christ—how it “cleanses from all sin,”—even millions of millions of the foulest sins of the foulest sinners!
What a depth in His bleeding, dying love, that could stoop so low to lift us so high!
What a depth in His pity and compassion to extend itself to such guilty, vile transgressors as we are!
What depth in His rich, free, and sovereign grace, that it should super-abound over all our aggravated iniquities, enormities, and vile abominations! What depth in His sufferings—that He should have voluntarily put Himself under such a load of guilt, such outbreakings of the wrath of God—as He felt in His holy soul when He stood in our place to redeem poor sinners from the bottomless pit—that those who deserved hell, should be lifted up into the enjoyment of heaven!
The religionists of the day “And everyone will hate you because of your allegiance to Me.” Luke 21:17 Professors of religion have always been the deadliest enemies of the children of God.
Who were so opposed to the blessed Lord as the Scribes and Pharisees? It was the religious teachers and leaders who crucified the Lord of glory!
And so in every age the religionists of the day have been the hottest and bitterest persecutors of the Church of Christ.
Nor is the case altered now. The more the children of God are firm in the truth, the more they enjoy its power, the more they live under its influence, and the more tenderly and conscientiously they walk in godly fear, the more will the professing generation of the day hate them with a deadly hatred.
Let us not think that we can disarm it by a godly life; for the more that we walk in the sweet enjoyment of heavenly truth and let our light shine before men as having been with Jesus, the more will this draw down their hatred and contempt.
“And the world hates them because they do not belong to the world, just as I do not.” John 17:14
My leanness, my leanness, woe unto me! “My leanness, my leanness, woe unto me!” Isaiah 24:16
There is no more continual source of lamentation and mourning to a child of God than a sense of his own barrenness. He would be fruitful in every good word and work. But when he contrasts . . . his own miserable unprofitableness, his coldness and deadness, his proneness to evil, his backwardness to good, his daily wanderings and departings from God, his depraved affections, his stupid frames, his sensual desires, his carnal projects, and his earthy grovelings, with what he sees and knows should be the fruit that should grow upon a fruitful branch in the only true Vine, he sinks down under a sense of his own wretched barrenness and unfruitfulness.
Yet what was the effect produced by all this upon his own soul? To wean him from the creature; to divert him from looking to any for help or hope, but the Lord Himself. It is in this painful way that the Lord often, if not usually, cuts us off from all human props, even the nearest and dearest, that we may lean wholly and solely on Himself.
Those poor stupid people!
“The world knows us not.” 1 John 3:1
Both the openly profane world, and the professing world, are grossly ignorant of the children of God. Their . . . real character and condition, state and standing, joys and sorrows, mercies and miseries, trials and deliverances, hopes and fears, afflictions and consolations, are entirely hidden from their eyes.
The world knows nothing of the motives and feelings which guide and actuate the children of God. It views them as a set of gloomy, morose, melancholy beings, whose tempers are soured by false and exaggerated views of religion—who have pored over the thoughts of hell and heaven until some have frightened themselves into despair, and others have puffed up their vain minds with an imaginary conceit of their being especial favorites of the Almighty. “They are really,” it says, “no better than other folks, if so good. But they have such contracted minds—are so obstinate and bigoted with their poor, narrow, prejudiced views—that wherever they come they bring disturbance and confusion.”
But why this harsh judgment?
Because the world knows nothing of the spiritual feelings which actuate the child of grace, making him act so differently from the world which thus condemns him.
It cannot understand our sight and sense of the exceeding sinfulness of sin—and that is the reason why we will not run riot with them in the same course of ungodliness.
It does not know with what a solemn weight eternal things rest upon our minds—and that that is the cause why we cannot join with them in pursuing so eagerly the things of the world, and living for time as they do—instead of living for eternity.
Being unable to enter into the spiritual motives and gracious feelings which actuate a living soul, and the movements of divine life continually stirring in a Christian breast, they naturally judge us from their own point of view, and condemn what they cannot understand.