Het zijn de woorden van Paulus de oude, Paulus aan het einde van zijn loopbaan en met zijn kroon in zicht. Hij schrijft ze aan Timotheüs, zijn eigen zoon in het geloof. Het zijn woorden van ernstige waarschuwing en vermaning, die altijd voor de ogen en in het hart van elke dienaar van Christus moeten staan. Hoewel Paulus ze met zijn pen heeft geschreven, zijn ze als deel van het ingegeven getuigenis de uitdrukkelijke taal van de Heilige Geest. Zij gelden voor allen die Hij tot opzieners heeft gesteld om de gemeente van God te weiden, die Hij met Zijn eigen bloed heeft verkregen.
Als de Heere ons in Zijn voorzienigheid en genade een plaats heeft gegeven van waaruit wij in Zijn heilige naam kunnen spreken tot enigen van Zijn verloste en wedergeboren familie; als Hij ons enige oprechtheid van oog voor Zijn eigen eer heeft geschonken of enig verlangen dat wat wij zelf schrijven, of wat anderen schrijven, tot een zegen voor Zijn volk mag zijn; en als Hij bij enigen die Zijn aangezicht zoeken en in Zijn dierbare Zoon geloven enige bereidheid heeft gewekt om met liefde te ontvangen wat wij hun in alle trouw en liefde in onze bladzijden voorleggen: dan zijn wij door elke genadige band verplicht te luisteren naar de vermaning die wij aanhaalden. Zij lijkt bijzonder toegesneden op onze zaak en onze positie.
I. Het eerste deel van de vermaning dringt met ernstig gewicht en kracht tot ons eigen geweten door: “Heb acht op UZELVEN.” Zoals al het kwaad in het eigen hart van de mens begint, zo begint ook al het goede daar. Droevig moet dan de klacht zijn van een predikant of redacteur van een godsdienstig tijdschrift die als zijn eigen bittere en pijnlijke bevinding moet uitroepen: zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.
Te zorgen voor de zielen van anderen en geen zorg te dragen voor de eigen ziel. De kudde van Christus te waarschuwen, te vermanen en te berispen en zelf te luisteren naar geen enkele waarschuwing, vermaning of berisping die ons zelf toekomt. Dag na dag en week na week anderen te onderwijzen en voor onszelf geen hemelse onderwijzing van de Heere te zoeken. Te strijden voor een levend geloof zonder het zelf bevindelijk uit te oefenen op de Overste Leidsman en Voleinder ervan. Zonder ernstig te zuchten tot de God van alle genade om een groter deel ervan en om het tot meer levende en voortdurende oefening te brengen.
Te strijden voor een goede hoop door genade en die niet te beseffen. Te spreken over liefde tot de Heere en Zijn heiligen en die liefde noch te voelen noch te willen voelen. Het volk de vreugden van de hemel en de glimlach van God voor te houden, met de verschrikkingen van de hel en de toorn van de Almachtige, en toch het ene niet te zoeken en voor het andere niet te beven. Zeker zijn er geen mensen, en zeker geen predikanten, die zo bedriegen of zo bedrogen zijn dat zij zo handelen!
Jawel, zij bestaan, en in groter aantal dan wij waarschijnlijk vermoeden. Zo zouden wij zijn, en u ook, u predikanten die deze regels leest en allen die enig openbaar ambt in de gemeente van God vervullen, als er geen bijzondere genade was.
Vertrouwdheid met heilige zaken heeft van nature de neiging het geweten te verharden waar genade het niet zacht en teer maakt. Mensen kunnen zo lang preken en bidden dat beide een louter mechanische gewoonte worden. Zij kunnen over Christus en Zijn lijden praten en er even weinig door geraakt worden als een toneelspeler door het leed dat hij op het toneel uitbeeldt. Terecht laat de Heilige Geest dan deze waarschuwingstoon als met bazuinstem klinken in de oren van de dienaren van Christus: Heb acht op uzelven.
Het was Paulus’ openlijke waarschuwing aan de oudsten van de gemeente te Efeze. (Handelingen 20:28.) Het was Paulus’ persoonlijke waarschuwing aan zijn vriend en leerling, zijn beminde zoon Timotheüs. En hebben niet allen die in de naam van de Heere schrijven of spreken die waarschuwing nodig? Zijn zij niet allen mensen van gelijke gevoelens als hun hoorders, en meestal meer beproefd en verzocht dan zij? Hebben zij niet, behalve de strikken die alle kinderen van God gemeen hebben, strikken die hun eigen zijn? Strikken die met de bediening zelf samenhangen?
Hoeveel sterren zijn er al gevallen van de heldere hemel van de gemeente! Hoeveel brandende en schijnende lichten, zoals men ze eens beschouwde, zijn tot een smeulend vuur geworden of plotseling gedoofd! Hoeveel zijn er verkoeld in hun jeugdige ijver, hebben hun eerste liefde verlaten, zijn in zonde gevallen en hebben dwaling omarmd, en hebben zichzelf en hun belijdenis een stank gemaakt in de neus van de mensen!
Als de weg naar de hemel eng en nauw is en aan alle kanten omringd door strikken en kuilen; als van het hart geldt: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het; als Satan altijd op de loer ligt om te bedriegen en te verlokken; als al onze kracht zwakheid is, al onze kennis onwetendheid en al ons licht duisternis (en zo is het zonder genade in haar voortdurende toevoer): wie kan dan op dit pad wandelen tenzij hij door de Geest wordt geleid en door de kracht van God wordt gedragen?
Het is een barmhartigheid dat Hij hen die Hij liefheeft, liefheeft tot het einde. Ook dat Hij hen die de Vader Hem heeft gegeven, bewaart in Zijn Naam. En ook dat Hij Die in het midden van de kandelaren wandelt de sterren in Zijn rechterhand houdt, zodat niemand ze daaruit kan rukken, hun glans kan verbergen of hun stralen kan doven.
Maar afgezien van deze bijzondere en goddelijke bewaring werkt de Heere niet mechanisch. Hij gebruikt het woord van Zijn genade, Zijn eigen beloften, geboden en vermaningen als genadige middelen om de voeten van Zijn heiligen te bewaren. Daarom doen wij er goed aan ernstig acht te geven op wat wij uit Zijn mond hebben gehoord, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.
En wij zijn er zeker van dat geen christen of predikant bij zijn volle verstand zal denken dat hij ergens staat waar zo’n vermaning veilig veronachtzaamd kan worden. Evenmin zal hij denken dat hij, zolang hij in het vlees is, buiten het bereik of de noodzaak van zulke waarschuwingen staat.
Er zijn weinig christenen, en wij mogen gerust zeggen weinig christelijke predikanten, die niet steeds hebben ervaren dat het EIGEN ik hun grootste vijand is. De hoogmoed, het ongeloof, de hardheid en de onboetvaardigheid van het eigen hart zullen niet alleen steeds zijn zwaarste last zijn. Hetzelfde geldt voor de arglistigheid, de huichelarij en de goddeloosheid van de eigen gevallen natuur, en voor de lusten en hartstochten, het vuil en de dwaasheid van de eigen vleselijke gezindheid. Zij zullen ook steeds zijn gevreesdste vijand blijken.
Vijanden kunnen wij hebben, en vijanden zullen wij van buiten hebben, want allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. Soms voelen wij hun bittere woorden en wrede daden scherp. Maar geen vijand kan ons zoveel schade doen als wijzelf. In vijf minuten kan een mens zichzelf meer werkelijk kwaad doen dan al zijn vijanden samen hem in vijftig jaar kunnen aandoen. En als dit voor een gewoon christen geldt, hoeveel te meer geldt het dan voor iemand die een openbare plaats in de gemeente van God inneemt?
“Heb dan acht op uzelf.” Voor uzelf kunt u de verraderlijkste vijand en de grootste tegenstander zijn. “Heb acht op uzelf”, dienaar van het evangelie. Schrijver, lezer en redacteur: opdat uw lendenen omgord zijn en uw lamp brandt. Opdat u bezig bent in het werk van de Meester, met de tegenwoordigheid van de Meester, de glimlach van de Meester en de zegen van de Meester.
Wij willen daarom bij het begin van dit jaar deze vermaning zien als een voor onze ogen geplaatste lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad. Zo willen wij de woorden iets nauwkeuriger en uitvoeriger openen, voor zover zij ons eigen geweten het meest rechtstreeks raken.
1. Allereerst worden wij hierdoor bijzonder vermaand erop te letten dat wijzelf de KRACHT ervaren van de waarheden waarvoor wij strijden en onder hun invloed leven. Anders kunnen wij ons ambt onmogelijk vervullen zoals de eer van God en het welzijn van de gemeente beide vereisen.
Wij hebben veel brieven te lezen en veel vragen te beantwoorden. Veel ingewikkelde en moeilijke punten moeten wij wegen, het welzijn van velen overwegen en de prikkelbaarheid, haarkloverij en vijandschap van velen verdragen. Wij moeten veel boeken doorlezen en veel recensies schrijven. Er zijn vrienden die wij niet mogen vleien en vijanden die wij niet mogen vrezen. En bovenal moeten wij voortdurend opzien om wijsheid die leidt en kracht die sterkt, want wij voelen dat wij geen van beide in eigen hand of tot eigen beschikking hebben.
Als werktuigen hebben wij, hoe onwaardig wij ook zijn voor deze plaats en hoe ongeschikt voor de taak, sommigen van de heiligen van de Allerhoogste te onderwijzen, anderen te troosten, anderen te bemoedigen en anderen te voeden. Wanneer wij “wij” zeggen, bedoelen wij daarmee alles wat in onze bladzijden verschijnt, of het nu met onze eigen pen of met die van anderen is geschreven. Zonder de voortdurende kracht en invloed van de Gezegende Geest op ons hart, hoe snel laten dan de handen zich zakken, hoe snel wankelen de knieën en hoe snel worden ogen, oren en hart allemaal moe van het goede doen!
2. Wij worden er ook door vermaand te letten OP ONZE EIGEN GEEST. Hier komen wij vooral tekort. Wij zijn niet erg bang om verstrikt te raken in het moeras van het arminianisme, althans wat betreft een openlijke aanhankelijkheid aan de God onterende opvattingen ervan of een uitgesproken goedkeuring daarvan. De waarheid zoals zij in Jezus is, is ons hopelijk te dierbaar om haar op te offeren aan een in het oog lopende en tastbare dwaling, van welke kant die ook komt. En allerminst aan een dwaling die met schaamteloos voorhoofd kracht en gerechtigheid van het schepsel verkondigt.
Maar de waarheid vasthouden in een geest van tederheid, genegenheid en liefde is iets anders. Wij mogen ons niet laten verleiden tot een twistziek en kibbelachtig humeur. Wij mogen ook niet door halsstarrig verzet worden geprikkeld om vuur van de hemel neer te roepen over allen die niet zien zoals wij zien en niet geloven zoals wij geloven. Hier moeten wij onze eigen geest goed bewaken. Anders brengt hij ons tot woorden en uitdrukkingen die niet passen bij de zachtmoedigheid van Christus en de geest van het evangelie.
Wij willen moedig en trouw zijn bij de verdediging van waarheid en godzaligheid, maar zonder gramschap en bitterheid. Wij willen de liefde des Geestes bewaren, de genegenheid en tederheid die een zondaar in dit tranendal en een volgeling van het zachtmoedige en nederige Lam altijd passen. En toch willen wij niet verstrikt raken in die ellendige “algemene liefde”, die valse en schijnheilige geest die in schijn of uit zelfbedrog goed denkt, goed hoopt en goed spreekt over iedereen die kan babbelen over Jezus Christus en het evangelie. Dit veilige, christelijke pad willen wij bewandelen.
De dienaar van de Heere moet ernstig strijden voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is. (Judas 3.) Maar hij mag niet twisten. Want een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen; Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan. (2 Timotheüs 2:24-25.) En voor hem geldt ook: Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid. (Efeze 4:31.)
3. Ook worden wij gewaarschuwd en vermaand om, als wij acht geven op onszelf, te waken tegen elke VLEESELIJKE INVLOED. Onder de schijn van godsdienst kan die op ons gemoed werken met sluwheid en listigheid. Zij kan zich aan ons opdringen als het werk en getuigenis, de kracht en onderwijzing van de Heilige Geest. In het woord van de waarheid wordt ons uitdrukkelijk geboden: gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn.
Ook de geest kent zijn bezoedeling, evengoed als het vlees. (2 Korinthe 7:1.) Als die al minder grof en zinnelijk is, is zij veel listiger en bedrieglijker. In al zijn vormen blijft het EIGEN ik in zijn diepste geest een bedrieglijk, listig, rusteloos, hoogmoedig en ongeduldig schepsel. Het maakt niet uit of het in ons eigen hart is of in dat van anderen, in een belijdenis of daarbuiten, op de kansel, in de kerkbank, in de binnenkamer of in de studeerkamer. Het verbergt zijn ware aard op duizend manieren en bedekt zijn verderfelijke bedoelingen met ontelbare kunstgrepen.
Wij hoeven maar naar de belijdende kerk te kijken om de grootste hoogmoed onder de diepste nederigheid te vinden, de grootste onwetendheid onder de ijdelste eigenwaan en het gemeenste verraad onder de warmste belijdenis. En ook de laagste zinnelijkheid onder de hemelsste vroomheid en het smerigste vuil onder de schoonste mantel.
Als het eigen ik zo is (en wie zijn trekken kennen, kunnen zijn gelijkenis het best beoordelen), dan moeten wij zeker op onszelf letten. Zoals de slang Eva door zijn sluwheid verleidde, zouden wij anders door de kronkelende bewegingen en glanzende woorden van deze slang bedrogen kunnen worden. Dan zouden wij, terwijl wij belijden Christus te verhogen, in het geheim onszelf verhogen.
4. Bewaard te worden voor alle KWAAD en behoed voor alle DWALING kan ook deel uitmaken van de ernstige vermaning: “Heb acht op uzelf.” Wij weten te veel van wat wij zijn als gevallen zondaar om ook maar een ogenblik te denken dat wij onszelf voor kwaad of dwaling kunnen bewaren. De zonde is zoet voor het vlees en de dwaling past goed bij de redenerende geest. Wie kan de ene doden en de andere buitensluiten zonder bijzondere hulp uit het heiligdom?
Maar als wij niet letten op onze schreden, of zonder vrees of zorg leerstellingen aannemen die vanaf talloze kansels en uit talloze boeken worden gepreekt en onderwezen, kunnen wij spoedig in zoveel zonde vallen dat wij ons leven lang kreupel lopen. Dan omarmen wij zoveel dwaling dat wij voor de gemeente van God een dwaalster en een wolk zonder regen worden.
“Heb dan acht op uzelf.” Maar mag het besef van de gezegende bewaring van de Heere Zelf daarbij diep in uw hart en geweten gegrift staan.
Er staat: Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren. En: Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. En: Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen. En: Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen. En: Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid. Alleen in de kracht van deze beloften en in de bevinding van hun vervulling zeggen wij tot onszelf en tot hen die oren hebben om te horen: “Heb acht op uzelf.”
II. Maar ons wordt ook geboden: “Heb acht op de LEER.” Dit is zeker een hoogst noodzakelijke vermaning, niet alleen voor ons maar voor allen die belijden de gemeente van Christus te onderwijzen, met de mond of met de pen. Verhoudingsgewijs weinigen lijken voldoende te beseffen hoe ernstig het is om de gemeente van Christus te onderwijzen. Bijna iedereen met een beetje vlotheid van tong denkt te kunnen preken. En bijna iedere belijder die een pen kan vasthouden, acht zich bekwaam om over de gewichtige zaken van de zaligheid te schrijven. Maar daarmee geven zij zich uit voor de mond van God.
Terecht moet daarom ieder die God vreest en beeft voor Zijn woord, erop letten welke woorden zijn mond uitspreekt. God kan immers alleen Zijn eigen waarheid spreken. Het is een vreselijke positie om op te staan als Zijn woordvoerder en dan leugens te spreken in Zijn grote en heilige naam. Hoe zorgvuldig moeten wij dus zijn dat wat wij met de mond spreken en met de pen onderwijzen, overeenkomt met de woorden van God.
Met het woord “leer” bedoelen wij al die heilige waarheid die de gezegende Geest in het woord van de waarheid heeft geopenbaard en bevindelijk bekend maakt in het hart van het volk van God. Dat geldt zowel als wij haar zien als één samenhangend en harmonisch geheel, als wanneer zij zich vertakt in verschillende delen. Het woord “leer” heeft in het Nieuwe Testament een ruimere, bredere en edeler betekenis dan de betrekkelijk beperkte betekenis die men er doorgaans aan hecht. Men spreekt nu vaak over leer als iets dat los staat van bevinding en gebod, terwijl zij beide omvat.
Het woord “leer” betekent, letterlijk vertaald, “onderwijs”. Het omvat dus elke tak van de goddelijke waarheid die de Heilige Geest leert, hetzij uitwendig in de ingegeven Schriften, hetzij inwendig door Zijn heilige zalving en kracht. Gebruikt met betrekking tot de bediening van het woord betekent het ook al het onderwijs waarmee een dienaar van God, naar de vaardigheid die hem is geschonken, de gemeente van Christus onderricht, voedt, troost en vermaant. In deze zin moeten onze bladzijden vol zijn van “leer”, dat wil zeggen van hemelse waarheid, naar de onderwijzing van de Heilige Geest in het woord en in het hart.
Wat is het dan nodig dat wij als redacteur van deze bladzijden acht geven op de leer! Met andere woorden: dat wij zorgvuldig toezien en onderzoeken of wat wij zelf schrijven, of opnemen als door anderen geschreven, strikt overeenstemt met de waarheid van God zoals die in de Schriften is geopenbaard. En zoals die onder de kracht en onderwijzing van de Heilige Geest in het hart van Zijn heiligen wordt ervaren.
1. Als wij in staat worden gesteld om acht te geven op de leer zoals daar bevolen wordt, dan is de eerste eigenschap waarnaar men zoekt zuiverheid. Hoe zag de heilige Johannes een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams. (Openbaring 22:1.) Zo zou de waarheid moeten zijn zoals Gods dienaren haar verkondigen, al kan zij door menselijke zwakheid helaas nooit volkomen zo zijn.
Driemaal in één korte brief dringt de apostel Paulus bij zijn zoon Titus aan op gezonde leer. (Titus 1:9; Titus 2:1; Titus 2:8.) Dat wil zeggen gezond, niet aangetast door dwaling en vrij van alle ziekelijke verdorvenheid en dodelijke ziekte van menselijke wijsheid of menselijke onwetendheid. En ook: betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid. Dat wil zeggen: in uw onderwijs, in wat u het volk voorhoudt. (Geen grappen en dwaze anekdotes om dwazen te laten lachen en heiligen te laten zuchten.)
Betoon ook oprechtheid. (Geen sluwheid en huichelarij, door de rijken te vleien en de waarheid achter te houden uit vrees aanstoot te geven.) Spreek ook een gezond woord, wijs en gewichtig. Het moet onverwerpelijk zijn, omdat het door zijn eigen gezag en kracht zichzelf aanbeveelt aan het geweten van ieder mens in het oog van God.
Of het schrijven en prediken van deze tijd op dit goddelijke voorbeeld lijkt, laten zij beoordelen wier oor woorden toetst, zoals de mond spijs proeft. Maar het moet altijd ons ernstige verlangen en onze waakzame zorg zijn alleen te prediken en te schrijven wat dit goddelijke stempel draagt.
2. Als wij acht geven op de leer, moeten wij erop toezien dat zij doortrokken is van het leven van God, gezalfd met Zijn zalving, bevochtigd met Zijn dauw en vergezeld van Zijn kracht. Wat is al ons prediken en schrijven waard als het zonder gewicht of invloed neerkomt op de oren en harten van de heiligen van God? Als het nooit Zijn beproefde en geoefende volk week maakt of verzacht, troost of zegent?
Er is in het woord van Zijn genade, wanneer God met Zijn dienaren is, een kracht om te doden en levend te maken, te verwonden en te genezen. Dan is er in hun handen een tweesnijdend zwaard. Dat gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes.
Er is dan ook een balsem die vergeving en vrede brengt aan een verontrust, bedrukt gemoed. En er is een invloed die tot in de binnenste gedachten reikt, de verborgen diepten van het geweten blootlegt en spreekt met een stem die de ziel onmiskenbaar verzekert dat het de stem van God Zelf is.
Het is waar dat Hij, Die den sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent, deze kracht in Zijn eigen hand houdt. Het is immers Zijn eigen hemelse stem waarmee Hij Zelf tot Zijn eigen schapen spreekt. Maar Hij spreekt van tijd tot tijd uit de hemel door Zijn eigen gezonden dienaren. En als zij zo prediken, is het Jezus Zelf Die hun mond en wijsheid geeft. (Lukas 21:15.) Ja, het is de Geest van hun Vader Die in hen spreekt. (Mattheüs 10:20.) En Zijn schapen kennen Zijn stem en volgen haar, maar de stem van vreemden willen zij niet horen.
Moeten wij dan geen acht slaan op onze “leer”, of zij nu wel of niet met deze hemelse kracht vergezeld gaat? Is het genoeg om in overeenstemming met de loutere letter van de waarheid te prediken of te schrijven en het daarbij te laten, met een soort roekeloze, antinomiaanse zorgeloosheid: “Ik kan alleen de waarheid prediken, God moet haar toepassen”? Dat is waar. Maar zijn er dan geen zegeningen die door gebed en smeking over uw prediking moeten worden neergeroepen?
Is er dan geen innerlijke bevinding in uw eigen ziel van de kracht van God? Geen besef van Zijn afwezigheid of tegenwoordigheid, van Zijn openen of sluiten? Hoe kunt u prediken of schrijven tot troost en opbouw van de heiligen van God als u een volslagen vreemdeling bent in de dingen waarin al hun leven en al hun godsdienst bestaat? En als u de dingen die u predikt en schrijft niet levend en bevindelijk kent, waarom predikt of schrijft u dan eigenlijk?
Noemt u bevinding “gezwam” en het leven van God in de ziel “stemmingen en gevoelens”? Pas dan op dat God niet tot u zegt: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond? Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt. (Psalm 50:16-17.)
3. Dat de leer zo is dat zij de ziel behoudt. Hierop lijkt de apostel in zijn vermaning vooral te hameren. Heb acht op uzelven en op de leer, want hij voegt er meteen aan toe: volhard daarin; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen. Wanneer het volk van God komt om een dienaar van Christus te horen, of een boek leest dat belijdt de weg naar de hemel te wijzen, wil het volkomen zeker weten dat wat het hoort of leest zulke behoudende, levende waarheid is. Het wil erop kunnen rusten met zijn ziel voor tijd en eeuwigheid.
De eigen ziel van een mens is een geweldige inzet om in de weegschaal te leggen. En wie de weegschaal vasthoudt, moet er evenzeer van overtuigd zijn dat het schalen zijn zoals Christus ze in Zijn eigen handen houdt voor hemel of hel.
“Wat deze man predikt en wat dit boek leert, kan ik daarop vertrouwen als in staat mijn ziel te behouden? Is het de ware waarheid van God? Heb ik daarvan enig bewijs doordat de zaligheid mijn hart heeft bereikt door de waarheid die ik nu lees en hoor? Kan ik, als voor een hartenkennende God, met hemel en hel beide voor ogen, het hele gewicht van mijn ziel voor de eeuwigheid hangen aan wat ik van deze kansel hoor of in dit boek lees?”
Terecht mag een stervende zondaar dit punt zo nauwkeurig en bezorgd wegen en overwegen. Terecht mag hij zijn geweten hierover steeds weer ondervragen. Want heeft hij geen innerlijk bewijs uit wat hij in zijn eigen ziel van haar behoudende kracht heeft gevoeld, dat deze man preekt of schrijft wat kan en wil behouden, dan moet hij die man meteen verlaten. Dan moet hij zonder uitstel het boek wegleggen.
Een gids die de weg niet kent, een kaart die de klippen niet aanduidt, een loods die het schip niet kan sturen: wie zo iemand volgt of gezelschap houdt, zoekt dood en verderf. Toch zijn mensen bij duizenden tevreden met het lezen en horen van het ene boek na het andere en de ene predikant na de andere. Zij hebben of zoeken nooit enig geheim getuigenis in hun geweten dat er zaligheid is in wat die man predikt of dat boek verkondigt. En waarom? Omdat zij de misleiding omhelzen en de misleider liefhebben.
Maar onze beperkte ruimte zegt ons dat wij moeten afronden. Wij schrijven een nieuwjaarsboodschap, geen preek, hoewel onze bijna preekachtige toon sommigen misschien niet erg anders zal toeschijnen. Toch nog enkele woorden.
“Volhard daarin”, zegt de apostel. In wat? In de dingen die u hebt gekend en gevoeld, in de waarheden van het evangelie zoals die zijn geopenbaard in de Schrift en in uw eigen geweten. De waarheid van God in haar leven en kracht, de waarheid van God als behoudend en heiligend voor de ziel, kan niet worden opgepakt en neergelegd als een beroep of een zaak.
Een mens moet ook niet deze week helemaal voor zijn ziel zijn en de volgende week helemaal voor de wereld. Op zondag maakt hij de kinderen van God tot zijn vrienden en metgezellen en op maandag maakt hij zijn zakenpartners, zijn vleselijke familieleden of zijn mede-arbeiders tot zijn uitverkoren gezelschap.
Is de waarheid het waard om te kennen, dan is zij het waard haar een leven lang te kennen. Is zij het waard om te bezitten, dan is zij het waard haar voor eeuwig te bezitten. Want de zaligheid reikt tot in de dood, in de dood en na de dood. Maar wie volharden zal tot het einde, hij (en alleen hij) zal zalig worden.
Als redacteur van de “Gospel Standard” hebben wij geen nieuwe opvattingen aan te bieden en geen nieuwe patronen voor de komende lente. Wij hebben geen nieuwtjes van het seizoen om een menigte klanten aan te trekken. Wij hebben maar één evangelie, want er is maar Een Heere, een geloof, een doop, Een God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen. Het evangelie is onze Standaard. Wij hebben geen andere en willen er ook geen andere hebben. En bij deze standaard hopen wij altijd te blijven.
Elk jaar dat voorbijgaat bevestigt ons alleen maar sterker en wortelt ons dieper in die dierbare waarheid. Het is al vele jaren het doel van onze bladzijden die uit te dragen. Wij verlangen alleen meer van haar kracht te ervaren, meer onder haar invloed te leven en haar meer te sieren door ons leven.
Vrienden en lezers, ziet u met ons oog in oog en voelt u hart aan hart met ons in deze gewichtige zaken? Hoezeer de waarheden die wij liefhebben ook door de goddeloze en belijdende wereld worden veracht, mogen zij ons meer en meer dierbaar zijn! Velen lezen onze bladzijden die wij nooit hebben gezien en misschien nooit zullen kennen. Maar worden wij door dezelfde Geest onderwezen, dan verbindt een band van eenheid ons met elkaar en verenigt ons zo met één gemeenschappelijke Heere.
Wij hebben geen beloften te doen voor het jaar waarin wij nu zijn gekomen. Maar wij willen altijd opzien naar Hem van Wie geldt: Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven. Wij vragen Hem dat Hij ons genade en wijsheid geeft die tegen onze taak zijn opgewassen, als Hij ons nog het leven spaart en gezondheid schenkt. En dat Hij Zijn kracht in onze zwakheid wil volmaken.
Broeders, bid voor ons.
Uw liefhebbende vriend en dienaar,
de Redacteur


