4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want Ik zal water gieten op de dorstige.
Jesaja 44:3
Dorst in geestelijke zin, als een gewaarwording der ziel, is voorzeker een kenteken van Goddelijk leven. Geestelijk beschouwd is het even onmogelijk dat een mens, dood in zonde, dorsten zal naar de levende God, als dat een dode op het kerkhof dorsten zal naar een teug koud water uit de bron. Ik weet het van mijzelf, dat dorsten naar God in mij geen plaats had vóórdat het de Heere behaagde mijn ziel op te wekken tot een geestelijk leven. Ik had van God gehoord door mijn gehoor; ik had Hem gezien in de schepping, in de sterrenhemel, in het loeien der baren, in de vruchten voortbrengende aarde; ik had van Hem gelezen in de Bijbel; ik had door opvoeding en overlevering gehoord dat Hij bestond, en mijn natuurlijk geweten fluisterde mij iets toe van Zijn heiligheid; maar wat aangaat een geestelijk dorsten, een ernstige begeerte om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven of Hem lief te hebben — zulk een ervaring of zulk een gevoel, kan ik voor mijzelf zeggen, woonde in mijn boezem niet.
Ik had de wereld te lief om naar Hem te zien Die ze gemaakt had, en mijzelf te warm en te innig om Hem te zoeken Die van mij zou vragen het kruisigen en afsterven van mijzelf. Een mens moet daarom — en hiervan ben ik ten volle verzekerd — tot God levend gemaakt worden door geestelijke wedergeboorte, vóórdat hij gevoelen kan wat hier figuurlijk genoemd wordt „dorst”, of iets kennen van hetgeen de Psalmdichter gevoelde, toen hij riep: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God” (Psalm 42:2, 3).
Waar God dan ook deze geestelijke dorst naar Hem in de ziel heeft doen ontstaan, zal Hij zeker aan dat verlangen voldoen; „de begeerte der rechtvaardigen zal God geven” (Spreuken 10:24). Zijn eigen nodiging is: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren” (Jesaja 55:1), en Jezus Zelf zegt met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke” (Johannes 7:37). Ja, Hij begon Zijn dienstwerk door zulk een zegenspraak: „Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.”
De Heer is God. Erkent, dat Hij
ons heeft gemaakt en geenszins wij —
tot schapen, die Hij voedt en weidt,
een volk tot Zijne dienst bereid.
Ps. 100:2
Aan de lezer…
Hoe goed is het wanneer een ziel naar God dorst! Niet naar wat kennis over Hem, die u door opvoeding en overlevering bezit, maar naar Hemzelf: om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven en Hem lief te hebben. Dorst u zo? Een dode op het kerkhof dorst niet naar een teug koud water. Brandt er dan zulk een verlangen in uw ziel, al gevoelt u weinig anders dan droogte, dan is dat zelf een kenteken van Goddelijk leven.
Vreest u dat uw dorst nooit gelest zal worden? Hoor dan de belofte: „Ik zal water gieten op de dorstige.” Waar God de dorst geeft, zal Hij zeker aan het verlangen voldoen. Hij nodigt Zelf: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren”, en Jezus roept met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke.” Ga dan met uw lege kruik tot Hem; zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Ik zal water gieten op de dorstige.
Jesaja 44:3
Dorst in geestelijke zin, als een gewaarwording van de ziel, is zeker een kenmerk van Goddelijk leven. Geestelijk gezien is het even onmogelijk dat een mens die dood is in de zonde naar de levende God dorst, als dat een dode op het kerkhof dorst naar een teug koud water uit de bron. Ik weet van mijzelf dat dorsten naar God in mij geen plaats had voordat het de Heere behaagde mijn ziel op te wekken tot geestelijk leven. Ik had over God gehoord met mijn oren. Ik had Hem gezien in de schepping, in de sterrenhemel, in het bruisen van de golven en in de aarde die vruchten voortbrengt. Ik had over Hem gelezen in de Bijbel. Ik had door opvoeding en overlevering gehoord dat Hij bestond, en mijn natuurlijk geweten fluisterde mij iets toe van Zijn heiligheid. Maar wat een geestelijk dorsten betreft, een ernstig verlangen om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven of Hem lief te hebben: zo’n ervaring of zo’n gevoel woonde, dat kan ik van mijzelf zeggen, niet in mijn hart.
Ik had de wereld te lief om op te zien naar Hem Die haar gemaakt had, en ik hield te warm en te innig van mijzelf om Hem te zoeken Die van mij het kruisigen en afsterven van mijzelf zou vragen. Daarom moet een mens, en daarvan ben ik volkomen overtuigd, door geestelijke wedergeboorte levend gemaakt worden voor God, voordat hij kan voelen wat hier figuurlijk „dorst” genoemd wordt. Pas dan kan hij iets kennen van wat de psalmdichter voelde toen hij riep: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God” (Psalm 42:2, 3).
Waar God deze geestelijke dorst naar Hem in de ziel heeft gewekt, zal Hij dat verlangen ook zeker vervullen: „de begeerte der rechtvaardigen zal God geven” (Spreuken 10:24). Zijn eigen uitnodiging luidt: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren” (Jesaja 55:1), en Jezus Zelf zegt met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke” (Johannes 7:37). Ja, Hij begon Zijn dienstwerk met zo’n zaligspreking: „Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.”
De Heer is God. Erkent, dat Hij
ons heeft gemaakt en geenszins wij —
tot schapen, die Hij voedt en weidt,
een volk tot Zijne dienst bereid.
Ps. 100:2
Aan de lezer…
Hoe goed is het wanneer een ziel naar God dorst! Niet naar wat kennis over Hem, die u door opvoeding en overlevering bezit, maar naar Hemzelf: om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven en Hem lief te hebben. Dorst u zo? Een dode op het kerkhof dorst niet naar een teug koud water. Brandt er dan zo’n verlangen in uw ziel, ook al voelt u weinig anders dan droogte, dan is dat zelf een kenmerk van Goddelijk leven.
Vreest u dat uw dorst nooit gelest zal worden? Hoor dan de belofte: „Ik zal water gieten op de dorstige.” Waar God de dorst geeft, zal Hij het verlangen zeker vervullen. Hij nodigt Zelf: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren”, en Jezus roept met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke.” Ga dan met uw lege kruik naar Hem; zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For I will pour water upon him that is thirsty.
Isaiah 44:3
Thirst, as a feeling of the soul, in a spiritual sense, is certainly indicative of divine life. It is as impossible, spiritually viewed, for a man dead in sin to thirst after a living God, as for a corpse in the graveyard to thirst after a draught of cold water from the well. I know for myself that such a feeling as thirsting after God had no place in my bosom until the Lord was pleased to quicken my soul into spiritual life. I had heard of God by the hearing of the ear.
I had seen Him in creation, in the starry sky, in the roaring sea, in the teeming earth; I had read of Him in the Bible; I had learned His existence by education and tradition; and I had some apprehensions of His holiness in my natural conscience; but as to any spiritual thirsting after Him, any earnest desire to fear Him, know Him, believe in Him, or love Him—no such experience or feeling, I can say for myself, ever dwelt in my bosom. I loved the world too dearly to look to Him Who made it, and my SELF too warmly and affectionately to seek Him Who would bid me crucify and mortify it.
A man, therefore, I am well convinced, must be made alive unto God by spiritual regeneration before he can experience any such sensation as is here conveyed by the figure “thirst,” or know anything of the Psalmist’s feelings when he cried, “As the deer pants after the water-brooks, so pants my soul after You, O God. My soul thirsts for God, for the living God” (Psalm 42:1, 2). Now wherever God has raised up in the soul this spiritual thirst after Himself, He certainly will answer that desire, “the desire of the righteous shall be granted” (Prov. 10:24).
His own invitation is, “Ho! every one that thirsts, come to the waters” (Isaiah 55:1); and Jesus Himself says with His own blessed lips, “If any man thirsts, let him come unto Me and drink” (John 7:37). No, He opened His ministry by pronouncing a blessing on such, “Blessed are they which do hunger and thirst after righteousness; for they shall be filled.”
To the reader…
How good it is when a soul thirsts after God! Not after some knowledge of Him that you have by upbringing and tradition, but after Himself: to fear Him, to know Him, to believe in Him, and to love Him. Do you thirst like that? A corpse in the graveyard does not thirst after a draught of cold water. If such a longing burns in your soul, even though you feel little else but dryness, that in itself is a mark of divine life.
Do you fear that your thirst will never be quenched? Then hear the promise: “I will pour water upon him that is thirsty.” Where God gives the thirst, He will surely fulfil the desire. He invites you Himself: “Ho, every one that thirsteth, come ye to the waters,” and Jesus cries with His own lips, “If any man thirst, let him come unto Me, and drink.” Go to Him, then, with your empty pitcher; blessed are they which do hunger and thirst after righteousness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque yo derramaré aguas sobre el secadal.
Isaías 44:3
La sed, como sentimiento del alma en sentido espiritual, es ciertamente indicio de vida divina. Es tan imposible, espiritualmente considerado, que un hombre muerto en el pecado tenga sed del Dios vivo, como que un cadáver en el cementerio tenga sed de un trago de agua fresca del pozo. Sé por mí mismo que un sentimiento como el de tener sed de Dios no tuvo lugar en mi pecho hasta que al Señor le plugo vivificar mi alma a la vida espiritual. De oídas había oído de Dios.
Le había visto en la creación, en el cielo estrellado, en el mar rugiente, en la tierra fecunda; había leído de Él en la Biblia; había aprendido Su existencia por educación y tradición; y tenía algunas nociones de Su santidad en mi conciencia natural; pero en cuanto a una sed espiritual de Él, a un deseo ferviente de temerle, conocerle, creer en Él o amarle, ninguna experiencia ni sentimiento así, puedo decir por mí mismo, habitó jamás en mi pecho. Amaba demasiado al mundo para mirar a Aquel que lo hizo, y amaba mi YO con demasiado calor y afecto para buscar a Aquel que me mandaría crucificarlo y mortificarlo.
Un hombre, por tanto, estoy bien convencido, tiene que ser vivificado para Dios por la regeneración espiritual antes de poder experimentar una sensación como la que aquí se expresa con la figura de la “sed”, o de saber algo de los sentimientos del salmista cuando clamaba: “Como el ciervo brama por las corrientes de las aguas, así clama por ti, oh Dios, el alma mía. Mi alma tiene sed de Dios, del Dios vivo” (Salmo 42:1, 2). Ahora bien, dondequiera que Dios ha levantado en el alma esta sed espiritual de Él mismo, ciertamente responderá a ese deseo: “á los justos les será dado lo que desean” (Pr. 10:24).
Su propia invitación es: “A todos los sedientos: Venid á las aguas” (Isaías 55:1); y Jesús mismo dice con Sus propios labios benditos: “Si alguno tiene sed, venga á mí y beba” (Juan 7:37). Más aún, abrió Su ministerio pronunciando una bendición sobre los tales: “Bienaventurados los que tienen hambre y sed de justicia: porque ellos serán hartos.”
Al lector…
¡Qué bueno es cuando un alma tiene sed de Dios! No de algún conocimiento de Él que usted tenga por educación y tradición, sino de Él mismo: temerle, conocerle, creer en Él y amarle. ¿Tiene usted sed así? Un cadáver en el cementerio no tiene sed de un trago de agua fresca. Si un anhelo así arde en su alma, aunque no sienta casi nada más que sequedad, eso mismo es una marca de vida divina.
¿Teme que su sed nunca será saciada? Entonces escuche la promesa: “Yo derramaré aguas sobre el secadal.” Donde Dios da la sed, ciertamente cumplirá el deseo. Él mismo le invita: “A todos los sedientos: Venid á las aguas”, y Jesús clama con Sus propios labios: “Si alguno tiene sed, venga á Mí y beba.” Vaya, pues, a Él con su cántaro vacío; bienaventurados los que tienen hambre y sed de justicia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Leren wat nut is
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
Men zou moeten nadenken over wat de uitwerking is van onze metgezellen die godsdienstig zijn. Als we ons in hun gezelschap begeven en over de dingen Gods spreken, moeten we de uitwerking die dit op onze gedachten heeft, beoordelen. Heeft hun gezelschap ons lichtvaardig en luchtig gemaakt? Zijn we erdoor minder aan de zonde gaan denken? Is onze vleselijkheid er losser door geworden? Heeft het hardheid, doodsheid en onvruchtbaarheid in onze geest gebracht? Heeft hun gesprek ons van de heerlijke geestesgesteldheid beroofd waarin we voordien verkeerden? Heeft hun gezelschap ons verstrengeld in een strik, of deuren voor verleiding geopend? Dan zijn deze metgezellen niet tot ons nut, en wat ze overbrengen is slechts schadelijk voor ons, niet ten goede van ons.
Als we daarentegen in het gezelschap van een geoefend kind van God zijn gekomen, en het gesprek is gezegend aan onze ziel; het heeft onze gevoelens sterker tot de Heere getrokken, ons gebed meer ons element gemaakt; het heeft ons getoond dat we afgedwaald zijn, ons ervan overtuigd dat we de verkeerde paden hebben bewandeld; het heeft onze ziel verzacht en doen smelten, dan kunnen we zeggen dat het gesprek ten goede van mij is geweest; door met dit kind van God te spreken heb ik iets goeds verkregen; ik wil hem nog eens zien; moge de Heere het gesprek aan mijn ziel zegenen.
Dit geldt voor elk hoofdstuk dat we lezen; dit geldt voor elk verzoek dat we opzenden. Dus moeten we de gehele dag, bij alles wat we doen, voortdurend de hand van God in het oog houden, en tot onszelf zeggen: Is dit tot mijn voordeel? Is dit tot mijn nut? Leer ik hierdoor ware godsdienst?
Lezen: Psalm 119:89-104
Aan de lezer…
Wanneer u met anderen over de dingen Gods spreekt, wat laat dat gesprek dan in uw ziel achter? Het kan zijn dat vrome woorden u toch lichtvaardig en luchtig maken, de zonde klein doen schijnen en de deur voor verleiding openzetten. Zulk gezelschap is u niet tot nut, hoe godsdienstig het ook klinkt.
Maar hebt u ook wel eens met een geoefend kind van God gesproken, en gevoeld dat uw hart sterker tot de Heere getrokken werd, dat u zag hoe ver u afgedwaald was, en dat uw ziel zacht werd en smolt? Dan heeft de Heere Zelf u daarin geleerd wat nut is. Houd zo, de gehele dag door, Zijn hand in het oog, en vraag bij elk hoofdstuk dat u leest en bij elk gebed dat u opzendt: Leer ik hierdoor ware godsdienst? Hij Die u leidt op de weg die u gaan moet, zal u dat onderwijs niet onthouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17
We zouden moeten nadenken over de uitwerking die onze godsdienstige metgezellen op ons hebben. Als we in hun gezelschap komen en over de dingen van God spreken, moeten we beoordelen welke uitwerking dat op onze gedachten heeft. Heeft hun gezelschap ons lichtvaardig en luchtig gemaakt? Zijn we daardoor minder aan de zonde gaan denken? Is onze vleselijkheid er losser door geworden? Heeft het hardheid, doodsheid en onvruchtbaarheid in onze geest gebracht? Heeft hun gesprek ons beroofd van de heerlijke gestalte waarin we daarvoor verkeerden? Heeft hun gezelschap ons in een strik verward, of deuren voor verleiding geopend? Dan zijn deze metgezellen ons niet tot nut, en wat ze ons meegeven is alleen maar schadelijk voor ons en niet tot ons goed.
Maar stel dat we in het gezelschap van een geoefend kind van God zijn geweest, en het gesprek is aan onze ziel gezegend. Het heeft onze gevoelens sterker naar de Heere getrokken en het gebed meer tot ons element gemaakt. Het heeft ons laten zien dat we afgedwaald zijn en ons ervan overtuigd dat we verkeerde paden zijn gegaan. Het heeft onze ziel verzacht en doen smelten. Dan kunnen we zeggen: Dit gesprek is mij ten goede geweest; door met dit kind van God te spreken heb ik iets goeds ontvangen; ik wil hem nog eens zien; moge de Heere het gesprek aan mijn ziel zegenen.
Dit geldt voor elk hoofdstuk dat we lezen, en voor elke bede die we opzenden. Daarom moeten we de hele dag, bij alles wat we doen, voortdurend de hand van God in het oog houden en tegen onszelf zeggen: Is dit tot mijn voordeel? Is dit tot mijn nut? Leer ik hierdoor ware godsdienst?
Lezen: Psalm 119:89-104
Aan de lezer…
Wanneer u met anderen over de dingen van God spreekt, wat laat dat gesprek dan in uw ziel achter? Het kan zijn dat vrome woorden u toch lichtvaardig en luchtig maken, de zonde klein doen lijken en de deur voor verleiding openzetten. Zulk gezelschap is u niet tot nut, hoe godsdienstig het ook klinkt.
Maar hebt u ook wel eens met een geoefend kind van God gesproken en gevoeld dat uw hart sterker naar de Heere getrokken werd, dat u zag hoe ver u was afgedwaald, en dat uw ziel zacht werd en smolt? Dan heeft de Heere Zelf u daarin geleerd wat nut is. Houd zo de hele dag door Zijn hand in het oog, en vraag bij elk hoofdstuk dat u leest en bij elk gebed dat u opzendt: Leer ik hierdoor ware godsdienst? Hij Die u leidt op de weg die u gaan moet, zal u dat onderwijs niet onthouden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the LORD, thy Redeemer, the Holy One of Israel; I am the LORD thy God which teacheth thee to profit, which leadeth thee by the way that thou shouldest go.
Isaiah 48:17
We should consider the effect that our religious companions have upon us. When we come into their company and speak of the things of God, we should judge what effect it has upon our minds. Has their company made us light and trifling? Have we come to think less of sin through it? Has our carnality been loosened by it? Has it brought hardness, deadness and barrenness into our spirit?
Has their conversation robbed us of the sweet frame in which we were before? Has their company entangled us in a snare, or opened doors to temptation? Then these companions do not profit us, and what they impart to us is only hurtful to us and not for our good.
But suppose we have been in the company of an exercised child of God, and the conversation has been blessed to our soul. It has drawn our feelings more powerfully to the Lord and made prayer more our element. It has shown us that we have wandered, and convinced us that we have gone in wrong paths. It has softened and melted our soul. Then we can say: This conversation has been for my good; by speaking with this child of God I have received some good; I would like to see him again; may the Lord bless the conversation to my soul.
This holds for every chapter that we read and for every petition that we send up. Therefore all through the day, in all that we do, we should keep our eye continually upon the hand of God and say to ourselves: Is this to my advantage? Is this to my profit? Am I learning true religion by this?
Reading: Psalm 119:89-104
To the reader…
When you speak with others about the things of God, what does that conversation leave behind in your soul? It may be that pious words still make you light and trifling, make sin seem small and open the door to temptation. Such company does not profit you, however religious it may sound.
But have you also at times spoken with an exercised child of God and felt your heart drawn more powerfully to the Lord, seen how far you had wandered, and felt your soul grow soft and melt? Then the Lord Himself has taught you to profit in it. Keep His hand in view, then, all through the day, and ask with every chapter you read and every prayer you send up: Am I learning true religion by this? He Who leads you by the way that you should go will not withhold that teaching from you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así ha dicho Jehová, Redentor tuyo, el Santo de Israel: Yo Jehová Dios tuyo, que te enseña provechosamente, que te encamina por el camino que andas.
Isaías 48:17
Deberíamos considerar el efecto que nuestros compañeros religiosos tienen sobre nosotros. Cuando estamos en su compañía y hablamos de las cosas de Dios, deberíamos juzgar qué efecto tiene en nuestra mente. ¿Nos ha hecho su compañía ligeros y frívolos? ¿Hemos llegado por ella a pensar menos del pecado? ¿Se ha soltado por ella nuestra carnalidad? ¿Ha traído dureza, muerte y esterilidad a nuestro espíritu?
¿Nos ha robado su conversación el dulce estado en que estábamos antes? ¿Nos ha enredado su compañía en un lazo, o ha abierto puertas a la tentación? Entonces estos compañeros no nos aprovechan, y lo que nos comunican solo nos hace daño y no es para nuestro bien.
Pero supongamos que hemos estado en compañía de un hijo de Dios ejercitado, y la conversación ha sido bendecida a nuestra alma. Ha atraído nuestros sentimientos con más poder hacia el Señor y ha hecho de la oración más nuestro elemento. Nos ha mostrado que nos hemos extraviado, y nos ha convencido de que hemos ido por sendas equivocadas. Ha ablandado y derretido nuestra alma. Entonces podemos decir: Esta conversación ha sido para mi bien; hablando con este hijo de Dios he recibido algún bien; me gustaría volver a verle; que el Señor bendiga la conversación a mi alma.
Esto vale para cada capítulo que leemos y para cada petición que elevamos. Por eso, durante todo el día, en todo lo que hacemos, deberíamos tener continuamente nuestros ojos puestos en la mano de Dios y decirnos: ¿Es esto para mi ventaja? ¿Es esto para mi provecho? ¿Estoy aprendiendo con esto la verdadera religión?
Lectura: Salmo 119:89-104
Al lector…
Cuando habla con otros de las cosas de Dios, ¿qué deja esa conversación en su alma? Puede que aun palabras piadosas le hagan ligero y frívolo, hagan parecer pequeño el pecado y abran la puerta a la tentación. Tal compañía no le aprovecha, por religiosa que suene.
Pero ¿ha hablado usted también alguna vez con un hijo de Dios ejercitado y ha sentido su corazón atraído con más poder hacia el Señor, ha visto cuán lejos se había extraviado, y ha sentido su alma ablandarse y derretirse? Entonces el Señor mismo le ha enseñado provechosamente en ello. Tenga, pues, Su mano a la vista durante todo el día, y pregunte con cada capítulo que lee y cada oración que eleva: ¿Estoy aprendiendo con esto la verdadera religión? Aquel que le encamina por el camino que debe andar no le negará esa enseñanza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar Deze, een slachtoffer voor de zonde geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods.
Hebreeën 10:12
Het is een fundamenteel artikel van ons allerheiligst geloof, dat de mens Christus Jezus nu is aan de rechterhand Gods; een mens, geen denkbeeldig iets. „Er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de mens Christus Jezus.” God ziet op Hem met ogen van innig vermaak, met altijd nieuw welbehagen en liefde, en aanschouwt Hem als de Vertegenwoordiger van allen die in Hem gerekend worden. Hij is hun Hoofd, de kerk de leden; Hij is de Bruidegom, de kerk de bruid; Hij is de grote Hogepriester, en de kerk het huis Gods. Daar Hij voor haar leeft aan de rechterhand des Vaders, stelt Hij altijd te haren behoeve de waardigheid van Zijn voorspraak aan de Vader voor.
Het feit, de werkelijkheid, dat Hij daar is, is de blijdschap der kerk, gelijk ook al haar hoop en roem: „Ik leef, en gij zult leven.” Tot Hem dan zenden wij onze gebeden op; op Zijn heerlijke Persoon vestigen wij onze geloofsogen; op Zijn bloed stellen wij onze hoop; onder Zijn gerechtigheid begeren wij te schuilen, en wel om Zijn tegenwoordigheid te genieten, Zijn genade te smaken, Zijn liefde te ondervinden en Zijn kracht te kennen. Dit is het waar onze ziel onder de Goddelijke onderwijzingen naar haakt en verlangt.
Zie hier dan de grond van heilige vrijmoedigheid voor een arm zondaar om in te gaan in het heiligdom. Het bloed is geplengd, welk bloed de waardigheid der Godheid op zich heeft afgedrukt. Een nieuwe en levende weg is ingewijd, waarin een levende ziel mag wandelen. Een grote Hogepriester is er gezet over het huis Gods, Die de verdiensten van Zijn voorspraak voordraagt. Zo worden degenen die de behoefte aan Hem gevoelen, die niet kunnen leven en niet durven sterven zonder Hem, wier ogen op Hem geslagen en wier harten tot Hem gekeerd zijn, bemoedigd om met een heilige vrijmoedigheid in het heiligdom in te gaan, opdat zij gemeenschap mogen hebben met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor u, als u niet tot God durft te naderen omdat u zich zo arm en zondig gevoelt. Zie dan op naar de rechterhand Gods. Daar is geen denkbeeldig iets, maar de mens Christus Jezus, Die één slachtoffer voor de zonde geofferd heeft en nu in eeuwigheid gezeten is. De Vader ziet op Hem met altijd nieuw welbehagen, en Hij stelt de waardigheid van Zijn voorspraak voor allen voor die in Hem gerekend worden.
Kunt u niet leven en durft u niet sterven zonder Hem? Zijn uw ogen, hoe zwak ook, op Hem geslagen? Dan geldt deze vrijmoedigheid ook u. Het bloed is geplengd, de nieuwe en levende weg is ingewijd, de grote Hogepriester staat over het huis Gods. Treed dan niet op eigen waardigheid, maar op Zijn verdiensten het heiligdom in; want Hij zegt: „Ik leef, en gij zult leven.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar Deze, een slachtoffer voor de zonde geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods.
Hebreeën 10:12
Het is een fundamenteel artikel van ons allerheiligst geloof dat de mens Christus Jezus nu aan de rechterhand van God is; een mens, niet iets denkbeeldigs. „Er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de mens Christus Jezus.” God ziet op Hem met innig genoegen, met altijd nieuw welbehagen en liefde, en ziet Hem als de Vertegenwoordiger van allen die in Hem gerekend worden. Hij is hun Hoofd, de kerk zijn de leden; Hij is de Bruidegom, de kerk is de bruid; Hij is de grote Hogepriester, en de kerk is het huis van God. Omdat Hij voor haar leeft aan de rechterhand van de Vader, brengt Hij altijd ten behoeve van haar de waardigheid van Zijn voorspraak bij de Vader.
Het feit, de werkelijkheid, dat Hij daar is, is de blijdschap van de kerk, en ook al haar hoop en roem: „Ik leef, en gij zult leven.” Tot Hem zenden wij dan onze gebeden op; op Zijn heerlijke Persoon richten wij onze geloofsogen; op Zijn bloed vestigen wij onze hoop; onder Zijn gerechtigheid verlangen wij te schuilen. Dat doen wij om Zijn tegenwoordigheid te genieten, Zijn genade te proeven, Zijn liefde te ervaren en Zijn kracht te kennen. Daarnaar haakt en verlangt onze ziel onder het Goddelijk onderwijs.
Zie hier dan de grond van heilige vrijmoedigheid voor een arme zondaar om het heiligdom binnen te gaan. Het bloed is vergoten, en op dat bloed is de waardigheid van de Godheid gedrukt. Een nieuwe en levende weg is ingewijd, waarop een levende ziel mag wandelen. Er is een grote Hogepriester gesteld over het huis van God, Die de verdiensten van Zijn voorspraak voordraagt. Zo worden zij bemoedigd die behoefte aan Hem voelen, die niet kunnen leven en niet durven sterven zonder Hem, van wie de ogen op Hem gericht en de harten tot Hem gekeerd zijn. Zij mogen met een heilige vrijmoedigheid het heiligdom binnengaan, om gemeenschap te hebben met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Aan de lezer…
Deze woorden zijn voor u, als u niet tot God durft te naderen omdat u zich zo arm en zondig voelt. Zie dan op naar de rechterhand van God. Daar is niet iets denkbeeldigs, maar de mens Christus Jezus, Die één slachtoffer voor de zonde geofferd heeft en nu voor eeuwig gezeten is. De Vader ziet op Hem met altijd nieuw welbehagen, en Hij brengt de waardigheid van Zijn voorspraak in voor allen die in Hem gerekend worden.
Kunt u niet leven en durft u niet sterven zonder Hem? Zijn uw ogen, hoe zwak ook, op Hem gericht? Dan geldt deze vrijmoedigheid ook u. Het bloed is vergoten, de nieuwe en levende weg is ingewijd, de grote Hogepriester staat over het huis van God. Ga het heiligdom dan niet binnen op uw eigen waardigheid, maar op Zijn verdiensten; want Hij zegt: „Ik leef, en gij zult leven.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But this Man, after He had offered one sacrifice for sins for ever, sat down on the right hand of God.
Hebrews 10:12
It is a fundamental article of our most holy faith, that the man Christ Jesus is now at God’s right hand, a very man, not a shadowy, ethereal substance. “There is one God, and one Mediator between God and men, the man Christ Jesus.” God looks at Him as such with eyes of intense delight, with ever new approbation and love; and views Him as the representative of all that are savingly interested in Him; He being the Head, the Church the members; He the Bridegroom, the Church the bride; He the great High Priest, and the Church the house of God.
As living for her at the right hand of the Father, He is ever presenting on her behalf the validity of His intercession. The fact, the reality that He is there, is the Church’s joy, as it is all her hope and all her boast. “Because I live, you shall live also.”
To Him, then, do we direct our prayers; on His glorious Person we fix our believing eyes; upon His blood we hang our hope; under His righteousness we ever desire to shelter; to feel His presence, taste His grace, experience His love, and know His power, is what our soul, under divine teaching, is ever longing for.
See, then, the grounds of holy boldness for a poor sinner to enter into the holiest. Blood has been shed, which blood has the validity of Godhead stamped upon it. A new and living way has been consecrated, in which a living soul may walk. A great High Priest is set over the house of God, Who is ever presenting the merits of His intercession. Thus, those who feel their need of Him, who cannot live, and dare not die without Him, whose eyes are upon Him and hearts towards Him, are encouraged to enter with all holy boldness into the holiest, that they may have communion with Father, Son, and Holy Spirit.
To the reader…
These words are for you, if you dare not draw near to God because you feel so poor and sinful. Look up, then, to the right hand of God. There is nothing imaginary there, but the man Christ Jesus, Who has offered one sacrifice for sin and is now seated for ever. The Father looks upon Him with ever new delight, and He presents the worth of His intercession for all who are counted in Him.
Can you not live, and dare you not die, without Him? Are your eyes, however weak, fixed upon Him? Then this boldness is for you too. The blood has been shed, the new and living way has been consecrated, the great High Priest is over the house of God. So do not enter the holiest on your own worthiness, but on His merits; for He says, “Because I live, ye shall live also.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pero Este, habiendo ofrecido por los pecados un solo sacrificio para siempre, está sentado a la diestra de Dios.
Hebreos 10:12
Es un artículo fundamental de nuestra santísima fe que el hombre Cristo Jesús está ahora a la diestra de Dios, verdadero hombre, no una sustancia sombría y etérea. “Porque hay un Dios, asimismo un Mediador entre Dios y los hombres, Jesucristo hombre.” Dios le mira como tal con ojos de intenso deleite, con aprobación y amor siempre nuevos; y le contempla como el representante de todos los que tienen un interés salvador en Él; siendo Él la Cabeza, la Iglesia los miembros; Él el Esposo, la Iglesia la esposa; Él el gran Sumo Sacerdote, y la Iglesia la casa de Dios.
Viviendo para ella a la diestra del Padre, Él presenta siempre en favor de ella la validez de Su intercesión. El hecho, la realidad de que Él está allí, es el gozo de la Iglesia, como es toda su esperanza y toda su gloria. “Porque Yo vivo, y vosotros también viviréis.”
A Él, pues, dirigimos nuestras oraciones; en Su gloriosa Persona fijamos nuestros ojos creyentes; de Su sangre colgamos nuestra esperanza; bajo Su justicia deseamos siempre refugiarnos; sentir Su presencia, gustar Su gracia, experimentar Su amor y conocer Su poder es lo que nuestra alma, bajo la enseñanza divina, anhela siempre.
Vea, pues, los fundamentos de la santa libertad con que un pobre pecador puede entrar en el santuario. Se ha derramado sangre, y esa sangre lleva estampada la validez de la Deidad. Se ha consagrado un camino nuevo y vivo, en el cual puede andar un alma viviente. Un gran Sumo Sacerdote está puesto sobre la casa de Dios, el cual presenta siempre los méritos de Su intercesión. Así, los que sienten su necesidad de Él, los que no pueden vivir ni se atreven a morir sin Él, cuyos ojos están puestos en Él y cuyos corazones se vuelven hacia Él, son animados a entrar con toda santa libertad en el santuario, para tener comunión con el Padre, el Hijo y el Espíritu Santo.
Al lector…
Estas palabras son para usted, si no se atreve a acercarse a Dios porque se siente tan pobre y pecador. Levante, pues, la vista a la diestra de Dios. Allí no hay nada imaginario, sino el hombre Cristo Jesús, que ha ofrecido un solo sacrificio por el pecado y ahora está sentado para siempre. El Padre le mira con deleite siempre nuevo, y Él presenta el valor de Su intercesión por todos los que están contados en Él.
¿No puede usted vivir, ni se atreve a morir, sin Él? ¿Están sus ojos, aunque débiles, puestos en Él? Entonces esta libertad es también para usted. La sangre ha sido derramada, el camino nuevo y vivo ha sido consagrado, el gran Sumo Sacerdote está sobre la casa de Dios. No entre, pues, en el santuario por su propia dignidad, sino por Sus méritos; porque Él dice: “Porque Yo vivo, y vosotros también viviréis”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl