Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 4 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

9 september Korenaren uit de volle oogst

Want Ik zal water gieten op de dorstige.
Jesaja 44:3

Dorst in geestelijke zin, als een gewaarwording van de ziel, is zeker een kenmerk van Goddelijk leven. Geestelijk gezien is het even onmogelijk dat een mens die dood is in de zonde naar de levende God dorst, als dat een dode op het kerkhof dorst naar een teug koud water uit de bron. Ik weet van mijzelf dat dorsten naar God in mij geen plaats had voordat het de Heere behaagde mijn ziel op te wekken tot geestelijk leven. Ik had over God gehoord met mijn oren. Ik had Hem gezien in de schepping, in de sterrenhemel, in het bruisen van de golven en in de aarde die vruchten voortbrengt. Ik had over Hem gelezen in de Bijbel. Ik had door opvoeding en overlevering gehoord dat Hij bestond, en mijn natuurlijk geweten fluisterde mij iets toe van Zijn heiligheid. Maar wat een geestelijk dorsten betreft, een ernstig verlangen om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven of Hem lief te hebben: zo’n ervaring of zo’n gevoel woonde, dat kan ik van mijzelf zeggen, niet in mijn hart.

Ik had de wereld te lief om op te zien naar Hem Die haar gemaakt had, en ik hield te warm en te innig van mijzelf om Hem te zoeken Die van mij het kruisigen en afsterven van mijzelf zou vragen. Daarom moet een mens, en daarvan ben ik volkomen overtuigd, door geestelijke wedergeboorte levend gemaakt worden voor God, voordat hij kan voelen wat hier figuurlijk „dorst” genoemd wordt. Pas dan kan hij iets kennen van wat de psalmdichter voelde toen hij riep: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God” (Psalm 42:2, 3).

Waar God deze geestelijke dorst naar Hem in de ziel heeft gewekt, zal Hij dat verlangen ook zeker vervullen: „de begeerte der rechtvaardigen zal God geven” (Spreuken 10:24). Zijn eigen uitnodiging luidt: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren” (Jesaja 55:1), en Jezus Zelf zegt met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke” (Johannes 7:37). Ja, Hij begon Zijn dienstwerk met zo’n zaligspreking: „Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.”

De Heer is God. Erkent, dat Hij
ons heeft gemaakt en geenszins wij —
tot schapen, die Hij voedt en weidt,
een volk tot Zijne dienst bereid.

Ps. 100:2

Aan de lezer…

Hoe goed is het wanneer een ziel naar God dorst! Niet naar wat kennis over Hem, die u door opvoeding en overlevering bezit, maar naar Hemzelf: om Hem te vrezen, Hem te kennen, in Hem te geloven en Hem lief te hebben. Dorst u zo? Een dode op het kerkhof dorst niet naar een teug koud water. Brandt er dan zo’n verlangen in uw ziel, ook al voelt u weinig anders dan droogte, dan is dat zelf een kenmerk van Goddelijk leven.

Vreest u dat uw dorst nooit gelest zal worden? Hoor dan de belofte: „Ik zal water gieten op de dorstige.” Waar God de dorst geeft, zal Hij het verlangen zeker vervullen. Hij nodigt Zelf: „O alle gij dorstigen, komt tot de wateren”, en Jezus roept met Zijn eigen lippen: „Zo iemand dorste, die kome tot Mij, en drinke.” Ga dan met uw lege kruik naar Hem; zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

9 september 365 dagen met Philpot

Leren wat nut is

Alzo zegt de Heere, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Heere, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg die gij gaan moet.
Jesaja 48:17

We zouden moeten nadenken over de uitwerking die onze godsdienstige metgezellen op ons hebben. Als we in hun gezelschap komen en over de dingen van God spreken, moeten we beoordelen welke uitwerking dat op onze gedachten heeft. Heeft hun gezelschap ons lichtvaardig en luchtig gemaakt? Zijn we daardoor minder aan de zonde gaan denken? Is onze vleselijkheid er losser door geworden? Heeft het hardheid, doodsheid en onvruchtbaarheid in onze geest gebracht? Heeft hun gesprek ons beroofd van de heerlijke gestalte waarin we daarvoor verkeerden? Heeft hun gezelschap ons in een strik verward, of deuren voor verleiding geopend? Dan zijn deze metgezellen ons niet tot nut, en wat ze ons meegeven is alleen maar schadelijk voor ons en niet tot ons goed.

Maar stel dat we in het gezelschap van een geoefend kind van God zijn geweest, en het gesprek is aan onze ziel gezegend. Het heeft onze gevoelens sterker naar de Heere getrokken en het gebed meer tot ons element gemaakt. Het heeft ons laten zien dat we afgedwaald zijn en ons ervan overtuigd dat we verkeerde paden zijn gegaan. Het heeft onze ziel verzacht en doen smelten. Dan kunnen we zeggen: Dit gesprek is mij ten goede geweest; door met dit kind van God te spreken heb ik iets goeds ontvangen; ik wil hem nog eens zien; moge de Heere het gesprek aan mijn ziel zegenen.

Dit geldt voor elk hoofdstuk dat we lezen, en voor elke bede die we opzenden. Daarom moeten we de hele dag, bij alles wat we doen, voortdurend de hand van God in het oog houden en tegen onszelf zeggen: Is dit tot mijn voordeel? Is dit tot mijn nut? Leer ik hierdoor ware godsdienst?

Lezen: Psalm 119:89-104

Aan de lezer…

Wanneer u met anderen over de dingen van God spreekt, wat laat dat gesprek dan in uw ziel achter? Het kan zijn dat vrome woorden u toch lichtvaardig en luchtig maken, de zonde klein doen lijken en de deur voor verleiding openzetten. Zulk gezelschap is u niet tot nut, hoe godsdienstig het ook klinkt.

Maar hebt u ook wel eens met een geoefend kind van God gesproken en gevoeld dat uw hart sterker naar de Heere getrokken werd, dat u zag hoe ver u was afgedwaald, en dat uw ziel zacht werd en smolt? Dan heeft de Heere Zelf u daarin geleerd wat nut is. Houd zo de hele dag door Zijn hand in het oog, en vraag bij elk hoofdstuk dat u leest en bij elk gebed dat u opzendt: Leer ik hierdoor ware godsdienst? Hij Die u leidt op de weg die u gaan moet, zal u dat onderwijs niet onthouden.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

9 september Door Baca’s vallei

Maar Deze, een slachtoffer voor de zonde geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods.
Hebreeën 10:12

Het is een fundamenteel artikel van ons allerheiligst geloof dat de mens Christus Jezus nu aan de rechterhand van God is; een mens, niet iets denkbeeldigs. „Er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de mens Christus Jezus.” God ziet op Hem met innig genoegen, met altijd nieuw welbehagen en liefde, en ziet Hem als de Vertegenwoordiger van allen die in Hem gerekend worden. Hij is hun Hoofd, de kerk zijn de leden; Hij is de Bruidegom, de kerk is de bruid; Hij is de grote Hogepriester, en de kerk is het huis van God. Omdat Hij voor haar leeft aan de rechterhand van de Vader, brengt Hij altijd ten behoeve van haar de waardigheid van Zijn voorspraak bij de Vader.

Het feit, de werkelijkheid, dat Hij daar is, is de blijdschap van de kerk, en ook al haar hoop en roem: „Ik leef, en gij zult leven.” Tot Hem zenden wij dan onze gebeden op; op Zijn heerlijke Persoon richten wij onze geloofsogen; op Zijn bloed vestigen wij onze hoop; onder Zijn gerechtigheid verlangen wij te schuilen. Dat doen wij om Zijn tegenwoordigheid te genieten, Zijn genade te proeven, Zijn liefde te ervaren en Zijn kracht te kennen. Daarnaar haakt en verlangt onze ziel onder het Goddelijk onderwijs.

Zie hier dan de grond van heilige vrijmoedigheid voor een arme zondaar om het heiligdom binnen te gaan. Het bloed is vergoten, en op dat bloed is de waardigheid van de Godheid gedrukt. Een nieuwe en levende weg is ingewijd, waarop een levende ziel mag wandelen. Er is een grote Hogepriester gesteld over het huis van God, Die de verdiensten van Zijn voorspraak voordraagt. Zo worden zij bemoedigd die behoefte aan Hem voelen, die niet kunnen leven en niet durven sterven zonder Hem, van wie de ogen op Hem gericht en de harten tot Hem gekeerd zijn. Zij mogen met een heilige vrijmoedigheid het heiligdom binnengaan, om gemeenschap te hebben met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Aan de lezer…

Deze woorden zijn voor u, als u niet tot God durft te naderen omdat u zich zo arm en zondig voelt. Zie dan op naar de rechterhand van God. Daar is niet iets denkbeeldigs, maar de mens Christus Jezus, Die één slachtoffer voor de zonde geofferd heeft en nu voor eeuwig gezeten is. De Vader ziet op Hem met altijd nieuw welbehagen, en Hij brengt de waardigheid van Zijn voorspraak in voor allen die in Hem gerekend worden.

Kunt u niet leven en durft u niet sterven zonder Hem? Zijn uw ogen, hoe zwak ook, op Hem gericht? Dan geldt deze vrijmoedigheid ook u. Het bloed is vergoten, de nieuwe en levende weg is ingewijd, de grote Hogepriester staat over het huis van God. Ga het heiligdom dan niet binnen op uw eigen waardigheid, maar op Zijn verdiensten; want Hij zegt: „Ik leef, en gij zult leven.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina