6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Opdat ik mij roeme met uw erfdeel.
Psalm 106:5
De Kerk is het erfdeel van Christus. Hij kocht haar met Zijn eigen bloed. Hij ging voor haar in gevangenschap en verloste haar door Zijn kostelijk bloed voor haar te storten. Dit erfdeel nu roemt: „Dat ik mij roeme met uw erfdeel.” En waarin roemt zij? Zij roemt in haar Verbondshoofd. Zij roemt niet in zichzelf, in haar eigen vroomheid, in haar eigen rechtvaardigheid, in haar eigen kracht, in haar eigen godsdienstigheid; „laat de wijze niet roemen in zijn wijsheid, noch de machtige man in zijn kracht, noch de rijke man in zijn rijkdom; maar laat hij, die roemt, hierin roemen, dat Hij mij doorgrondt en kent.” „Dat hij, die roemt, roeme in de Heere.”
De roem der gemeente is te roemen in haar Verbondshoofd, te roemen in Christus en Christus alleen; te roemen in Zijn kracht, Zijn liefde, Zijn genade, Zijn rechtvaardigmaking; en daarin roemende, moet zij zelf zich met schaamte bedekken. Niemand kan in Christus roemen vóórdat hij geheel van eigen roem is ontdaan. Men kan de kroon der overwinning niet plaatsen op eigen hoofd en op het hoofd van de Middelaar. Men kan niet zeggen: „Dat heb ik door eigen kracht verkregen”, en dan de kroon op dat hoofd plaatsen. Men kan niet zeggen: „Dit heb ik door eigen inspanning verkregen”, en op die inspanning de kroon plaatsen.
Neen; een man die in Christus kan roemen, moet zelf bedekt zijn met schaamte en verslagenheid. Hij moet vernederd zijn in zijn gevoelens; hij moet zijn mond hebben gestoken in het stof; hij moet van zichzelf in stof en as een afkeer hebben; hij moet zien en gevoelen dat hij de ergste der zondaren is en „minder dan de minste van alle heiligen”; hij moet het weten en gevoelen dat hij inderdaad een ellendige is. En wanneer hij dan in het stof der vernedering ligt en zijn oog vangt slechts iets op van de heerlijkheid des Verlossers, en zijn hart ontbrandt, dan roemt hij in Hem, in Hem alleen. En het gehele „erfdeel” van God roemt in Hem; zij kunnen in niets anders roemen, en hun hoogste punt door hen te bereiken is al de roem der zaligheid van de eerste tot de laatste toe alleen te plaatsen op het hoofd van Hem Wie die roem toekomt.
Dan zingen zij, in God verblijd,
aan Hem gewijd, van ’s Heeren wegen.
Ps. 138:3
Aan de lezer…
Waar roemt u in, lezer? Het is een stille vraag, maar zij reikt tot in ons hart. Wij roemen zo graag een weinig in eigen vroomheid, eigen kracht of eigen inspanning, en willen de kroon dan half op ons eigen hoofd zetten. Laat ik het onomwonden zeggen: dat kan niet. Niemand kan in Christus roemen voordat hij geheel van eigen roem is ontdaan en zichzelf de ergste der zondaren ziet.
Ligt u daarom in het stof, vernederd over uzelf en zonder iets om op te wijzen? Dan bent u niet ver van de plaats waar het ware roemen begint. Want als het oog daar iets opvangt van de heerlijkheid van de Verlosser, ontbrandt het hart, en roemt het in Hem alleen: in Zijn kracht, Zijn liefde, Zijn genade. Hij kocht Zijn erfdeel met Zijn eigen bloed; Hem komt de roem toe, van de eerste tot de laatste.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat ik mij roeme met uw erfdeel.
Psalm 106:5
De Kerk is het erfdeel van Christus. Hij kocht haar met Zijn eigen bloed. Hij ging voor haar in gevangenschap en verloste haar door Zijn kostbaar bloed voor haar te vergieten. Dit erfdeel nu roemt: „Dat ik mij roeme met uw erfdeel.” En waarin roemt zij? Zij roemt in haar Verbondshoofd. Zij roemt niet in zichzelf, in haar eigen vroomheid, in haar eigen rechtvaardigheid, in haar eigen kracht, in haar eigen godsdienstigheid; „laat de wijze niet roemen in zijn wijsheid, noch de machtige man in zijn kracht, noch de rijke man in zijn rijkdom; maar laat hij, die roemt, hierin roemen, dat Hij mij doorgrondt en kent.” „Dat hij, die roemt, roeme in de Heere.”
De roem van de gemeente is te roemen in haar Verbondshoofd, te roemen in Christus en Christus alleen; te roemen in Zijn kracht, Zijn liefde, Zijn genade, Zijn rechtvaardigmaking. En terwijl zij daarin roemt, moet zij zichzelf met schaamte bedekken. Niemand kan in Christus roemen voordat hij helemaal van eigen roem ontdaan is. Men kan de kroon van de overwinning niet zowel op het eigen hoofd als op het hoofd van de Middelaar zetten. Men kan niet zeggen: „Dat heb ik door eigen kracht verkregen”, en dan de kroon op dat hoofd zetten. Men kan niet zeggen: „Dit heb ik door eigen inspanning verkregen”, en op die inspanning de kroon zetten.
Nee, een man die in Christus kan roemen, moet zelf bedekt zijn met schaamte en verslagenheid. Hij moet vernederd zijn in zijn gevoelens; hij moet zijn mond in het stof gestoken hebben; hij moet in stof en as een afkeer van zichzelf hebben. Hij moet zien en voelen dat hij de grootste van de zondaren is en „minder dan de minste van alle heiligen”; hij moet weten en voelen dat hij werkelijk een ellendige is. En wanneer hij dan in het stof van de vernedering ligt, en zijn oog vangt maar iets op van de heerlijkheid van de Verlosser, en zijn hart ontbrandt, dan roemt hij in Hem, in Hem alleen. En het hele „erfdeel” van God roemt in Hem. Zij kunnen in niets anders roemen, en het hoogste wat zij kunnen bereiken, is alle roem van de zaligheid, van het begin tot het einde, alleen op het hoofd te zetten van Hem aan Wie die roem toekomt.
Dan zingen zij, in God verblijd,
aan Hem gewijd, van ’s Heeren wegen.
Ps. 138:3
Aan de lezer…
Waar roemt u in, lezer? Het is een stille vraag, maar zij reikt tot in ons hart. Wij roemen zo graag een beetje in eigen vroomheid, eigen kracht of eigen inspanning, en willen de kroon dan half op ons eigen hoofd zetten. Laat ik het onomwonden zeggen: dat kan niet. Niemand kan in Christus roemen voordat hij helemaal van eigen roem ontdaan is en zichzelf als de grootste van de zondaren ziet.
Ligt u daarom in het stof, vernederd over uzelf en zonder iets om op te wijzen? Dan bent u niet ver van de plaats waar het ware roemen begint. Want als het oog daar iets opvangt van de heerlijkheid van de Verlosser, ontbrandt het hart en roemt het in Hem alleen: in Zijn kracht, Zijn liefde, Zijn genade. Hij kocht Zijn erfdeel met Zijn eigen bloed; Hem komt de roem toe, van het begin tot het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That I may glory with thine inheritance.
Psalm 106:5
The Church is Christ’s inheritance. He purchased it by His own blood. He went into captivity for it, and He redeemed it by pouring out His precious blood for it. Now this inheritance glories–“That I may glory with Your inheritance.”
And in whom does the church glory? It glories in its covenant Head. It does not glory in itself–in its pious self, righteous self, strong self, religious self; “let not the wise man glory in his wisdom, neither let the mighty man glory in his might, let not the rich man glory in his riches, but let him that glories, glory in this, that he understands and knows Me.” “He that glories, let him glory in the Lord.” The glory of the Church is to glory in her covenant Head–to glory in Christ and in Christ alone; to glory in His strength, love, blood, grace, and righteousness; and to glory in it, herself being covered with shame.
None can glory in Christ, until he is stripped of his own glory. There is no putting the crown of glory on the head of self AND on the head of the Mediator. There is no saying, “I have procured this by my own strength,” and putting the crown upon that head. There is no saying, “I obtained this by my own exertions,” and putting the crown upon those exertions. No; a man to glory in Christ must be covered with shame and confusion. He must be abased in his feelings; he must have his mouth in the dust; he must loathe himself in dust and ashes before God; he must see and feel himself to be the chief of sinners, and “less than the least of all saints;” he must know and feel himself to be a wretch indeed.
And then when he lies in the dust of abasement, if a sight of the dear Redeemer’s glory catches his eye and inflames his heart, he glories in Him, and in Him alone. And all the “inheritance” of God glory in Him; they can glory in nothing else, and their highest attainment is to place all the glory of salvation from first to last simply upon His head, to whom that glory belongs.
To the reader…
What do you glory in? It is a quiet question, but it reaches into our hearts. We so like to glory a little in our own piety, our own strength or our own efforts, and then to set the crown half on our own head. Let me say it plainly: that cannot be. No one can glory in Christ until he has been wholly stripped of his own glory and sees himself as the chief of sinners.
Are you lying in the dust because of this, humbled about yourself and with nothing to point to? Then you are not far from the place where true glorying begins. For when the eye catches something there of the Redeemer’s glory, the heart is set aflame and glories in Him alone: in His strength, His love, His grace. He purchased His inheritance with His own blood; to Him belongs the glory, from first to last.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y me gloríe con Tu heredad.
Salmo 106:5
La Iglesia es la heredad de Cristo. Él la compró con Su propia sangre. Fue al cautiverio por ella, y la redimió derramando por ella Su preciosa sangre. Ahora bien, esta heredad se gloría: “Y me gloríe con Tu heredad”.
¿Y en quién se gloría la iglesia? Se gloría en su Cabeza del pacto. No se gloría en sí misma, en su yo piadoso, su yo justo, su yo fuerte, su yo religioso; “No se alabe el sabio en su sabiduría, ni en su valentía se alabe el valiente, ni el rico se alabe en sus riquezas. Mas alábese en esto el que se hubiere de alabar: en entenderme y conocerme”. “El que se gloría, gloríese en el Señor”. La gloria de la Iglesia es gloriarse en su Cabeza del pacto: gloriarse en Cristo y solo en Cristo; gloriarse en Su fuerza, Su amor, Su sangre, Su gracia y Su justicia; y gloriarse en ello estando ella misma cubierta de vergüenza.
Nadie puede gloriarse en Cristo hasta que es despojado de su propia gloria. No se puede poner la corona de gloria sobre la cabeza del yo Y sobre la cabeza del Mediador. No se puede decir: “Esto lo he conseguido con mi propia fuerza”, y poner la corona sobre esa cabeza. No se puede decir: “Esto lo obtuve con mis propios esfuerzos”, y poner la corona sobre esos esfuerzos. No; un hombre, para gloriarse en Cristo, tiene que estar cubierto de vergüenza y confusión. Tiene que estar abatido en sus sentimientos; tiene que tener su boca en el polvo; tiene que aborrecerse a sí mismo en polvo y ceniza delante de Dios; tiene que verse y sentirse el primero de los pecadores, y “menos que el más pequeño de todos los santos”; tiene que saber y sentir que es verdaderamente un miserable.
Y entonces, cuando yace en el polvo de la humillación, si una visión de la gloria del amado Redentor capta su mirada e inflama su corazón, se gloría en Él, y solo en Él. Y toda la “heredad” de Dios se gloría en Él; en ninguna otra cosa pueden gloriarse, y su logro más alto es poner toda la gloria de la salvación, del principio al fin, sencillamente sobre la cabeza de Aquel a Quien esa gloria pertenece.
Al lector…
¿En qué se gloría usted? Es una pregunta sencilla, pero llega hasta nuestro corazón. Nos gusta tanto gloriarnos un poco en nuestra propia piedad, nuestra propia fuerza o nuestros propios esfuerzos, y luego poner la corona a medias sobre nuestra propia cabeza. Permítame decirlo claramente: eso no puede ser. Nadie puede gloriarse en Cristo hasta que ha sido totalmente despojado de su propia gloria y se ve como el primero de los pecadores.
¿Yace usted en el polvo por esto, humillado en cuanto a sí mismo y sin nada que mostrar? Entonces no está lejos del lugar donde comienza la verdadera gloria. Porque cuando el ojo capta allí algo de la gloria del Redentor, el corazón se inflama y se gloría solo en Él: en Su fuerza, Su amor, Su gracia. Él compró Su heredad con Su propia sangre; a Él pertenece la gloria, del principio al fin.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ zitten ter rechterhand Gods
Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.
Handelingen 5:31
Door te zijn „verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden”, door de Geest uit te storten, schenkt Christus berouw, want Zijn barmhartige werken breken, verzachten en smelten het hart. Zo vervult Hij de belofte: „Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u.” Deze „nieuwe geest” is een gebroken geest, een zachte en gevoelige geest. En hoe wordt de boodschap aan dit zachte, berouwvolle hart gegeven? „Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u” (Ez. 36:27).
Maar wat is het directe gevolg van het uitstorten van de Geest van genade en smeekbeden? Het zien op Hem Die zij hebben doorboord, rouwen om Hem zoals men om een enige zoon rouwt, en verdriet hebben om Hem als iemand die verdriet heeft om zijn eerstgeborene. Dit is evangelisch berouw, als onderscheiden van wettisch berouw: „de droefheid naar God die onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt” (2 Kor. 7:10), als onderscheiden van „de droefheid der wereld die de dood werkt”.
Kaïn, Ezau en Judas hadden allen berouw, maar hun berouw was niet de droefheid naar God van een ontroostbaar hart en een berouwvolle geest. Ze beefden voor het aangezicht van God als een boze Rechter, maar smolten niet tot berouw tegenover Hem als een vergevende Vader. Ze haatten hun zonden niet en verzaakten ze ook niet, hielden niet van heiligheid en zochten haar ook niet. Kaïn verliet de aanwezigheid van de Heere; Ezau beraamde Jakobs dood; en Judas hing zichzelf op.
Hoe verschillend van dit gedwongen en valse berouw is het berouw van een kind van God – dat ware berouw over de zonde, die droefheid naar God, die heilige rouw die voortvloeit uit de barmhartige werken van de Geest! Dit komt niet voort uit het besef van de wraak Gods bij een overtreden wet, maar uit Zijn barmhartigheid in een gezegend evangelie; uit een blik vanuit het geloof op het lijden van Christus in de hof en aan het kruis; uit een blijk van vergevende liefde; en gaat altijd vergezeld van zelfverachting met een diepgaand en onbeperkt opbiechten van zonden en verzaking ervan, met zeer hartelijke, oprechte en ernstige smeekbeden om voor alle kwaad te worden behoed, en een heilig verlangen te leven tot prijs van Gods heerlijkheid.
Lezen: Handelingen 5:17-32
Aan de lezer…
Wie berouw heeft gehad uit angst voor de straf, merkt dat het hem niet veranderde; misschien is het u zo gegaan. Zulke droefheid beeft voor God als een boze Rechter, maar smelt niet voor Hem als een vergevende Vader. Zij laat het hart hard en de zonde geliefd. Wie dat eerlijk van zichzelf moet zeggen, heeft reden om te schrikken, maar ook reden om te roepen.
Want ware bekering is geen werk dat u uit uzelf voortbrengt; het is een gave van Hem Die verhoogd is tot een Vorst en Zaligmaker. Wanneer Hij door Zijn Geest het oog opent voor Zijn lijden in de hof en aan het kruis, dan breekt en smelt het hart. Dan rouwt men om Hem Die doorboord is, en haat men de zonde die Hem dat aandeed. Vraag Hem om zo’n nieuw, zacht hart. Hij geeft bekering en vergeving der zonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.
Handelingen 5:31
Christus is „verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden”. Door de Geest uit te storten schenkt Hij berouw, want Zijn genadige werkingen breken, verzachten en smelten het hart. Zo vervult Hij de belofte: „Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u.” Deze „nieuwe geest” is een gebroken geest, een zachte en gevoelige geest. En hoe wordt dit zachte, berouwvolle hart gegeven? „Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u” (Ez. 36:27).
Maar wat is het directe gevolg van het uitstorten van de Geest der genade en der gebeden? Dat men ziet op Hem Die zij doorstoken hebben, over Hem rouwt zoals men rouwt over een enige zoon, en over Hem bedroefd is zoals men bedroefd is over een eerstgeborene. Dit is evangelisch berouw, onderscheiden van wettisch berouw: „de droefheid naar God die onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt” (2 Kor. 7:10), onderscheiden van „de droefheid der wereld die de dood werkt”.
Kaïn, Ezau en Judas hadden allen berouw, maar hun berouw was niet de droefheid naar God van een verbroken hart en een berouwvolle geest. Ze beefden voor het aangezicht van God als een vertoornde Rechter, maar smolten niet in berouw voor Hem als een vergevende Vader. Ze haatten hun zonden niet en lieten ze ook niet na; ze hadden de heiligheid niet lief en zochten haar ook niet. Kaïn ging weg van het aangezicht van de Heere; Ezau beraamde de dood van Jakob; en Judas verhing zichzelf.
Hoe anders dan dit gedwongen en valse berouw is het berouw van een kind van God: dat ware berouw over de zonde, die droefheid naar God, die heilige rouw die voortvloeit uit de genadige werkingen van de Geest! Dit komt niet voort uit het besef van Gods wraak in een overtreden wet, maar uit Zijn barmhartigheid in een gezegend Evangelie. Het komt voort uit een gelovige blik op het lijden van Christus in de hof en aan het kruis, en uit een blijk van vergevende liefde. Het gaat altijd gepaard met zelfverfoeiing, met een diep en onvoorwaardelijk belijden en laten van de zonden, met heel hartelijke, oprechte en ernstige smeekbeden om voor alle kwaad bewaard te worden, en met een heilig verlangen te leven tot prijs van Gods heerlijkheid.
Lezen: Handelingen 5:17-32
Aan de lezer…
Wie berouw heeft gehad uit angst voor de straf, merkt dat het hem niet veranderde; misschien is het u zo gegaan. Zulke droefheid beeft voor God als een vertoornde Rechter, maar smelt niet voor Hem als een vergevende Vader. Zij laat het hart hard en de zonde geliefd. Wie dat eerlijk van zichzelf moet zeggen, heeft reden om te schrikken, maar ook reden om te roepen.
Want ware bekering is geen werk dat u uit uzelf voortbrengt; het is een gave van Hem Die verhoogd is tot een Vorst en Zaligmaker. Wanneer Hij door Zijn Geest het oog opent voor Zijn lijden in de hof en aan het kruis, dan breekt en smelt het hart. Dan rouwt men over Hem Die doorstoken is, en haat men de zonde die Hem dat aandeed. Vraag Hem om zo’n nieuw, zacht hart. Hij geeft bekering en vergeving der zonden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Him hath God exalted with His right hand to be a Prince and a Saviour, for to give repentance to Israel, and forgiveness of sins.
Acts 5:31
Christ is “exalted to be a Prince and a Saviour, for to give repentance to Israel, and forgiveness of sins.” By pouring out the Spirit He gives repentance, for His gracious operations break, soften and melt the heart. So He fulfils the promise: “A new heart also will I give you, and a new spirit will I put within you.” This “new spirit” is a broken spirit, a soft and tender spirit. And how is this soft, contrite heart given? “I will put My Spirit within you” (Ezek. 36:27).
But what is the immediate effect of the pouring out of the Spirit of grace and of supplications? That they look upon Him Whom they have pierced, mourn for Him as one mourneth for his only son, and are in bitterness for Him as one that is in bitterness for his firstborn. This is evangelical repentance, as distinguished from legal repentance: “godly sorrow worketh repentance to salvation not to be repented of” (2 Cor. 7:10), as distinguished from “the sorrow of the world” which “worketh death.”
Cain, Esau and Judas all had repentance, but their repentance was not the godly sorrow of a broken heart and a contrite spirit. They trembled before the face of God as an angry Judge, but did not melt in repentance before Him as a forgiving Father. They neither hated their sins nor forsook them; they neither loved holiness nor sought it. Cain went out from the presence of the Lord; Esau plotted the death of Jacob; and Judas hanged himself.
How different from this forced and false repentance is the repentance of a child of God: that true repentance for sin, that godly sorrow, that holy mourning which flows from the gracious operations of the Spirit! This does not spring from a sense of God’s vengeance in a broken law, but from His mercy in a blessed gospel. It springs from a believing view of the sufferings of Christ in the garden and on the cross, and from a manifestation of pardoning love. It is always accompanied by self-loathing, by a deep and unreserved confession and forsaking of sin, by most hearty, sincere and earnest supplications to be kept from all evil, and by a holy desire to live to the praise of God’s glory.
Reading: Acts 5:17-32
To the reader…
Whoever has repented out of fear of punishment finds that it did not change him; perhaps that has been your experience. Such sorrow trembles before God as an angry Judge, but does not melt before Him as a forgiving Father. It leaves the heart hard and sin still loved. Whoever must honestly say that of himself has reason to be alarmed, but also reason to cry out.
For true repentance is not a work you bring forth from yourself; it is a gift from Him Who is exalted to be a Prince and a Saviour. When by His Spirit He opens the eye to His sufferings in the garden and on the cross, the heart breaks and melts. Then one mourns for Him Who was pierced, and hates the sin that did that to Him. Ask Him for such a new, soft heart. He gives repentance and forgiveness of sins.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A Este ha Dios ensalzado con Su diestra por Príncipe y Salvador, para dar a Israel arrepentimiento y remisión de pecados.
Hechos 5:31
Cristo ha sido “ensalzado por Príncipe y Salvador, para dar a Israel arrepentimiento y remisión de pecados”. Derramando el Espíritu da arrepentimiento, porque Sus operaciones llenas de gracia quebrantan, ablandan y derriten el corazón. Así cumple la promesa: “Y os daré corazón nuevo, y pondré espíritu nuevo dentro de vosotros”. Este “espíritu nuevo” es un espíritu quebrantado, un espíritu blando y tierno. ¿Y cómo se da este corazón blando y contrito? “Y pondré dentro de vosotros Mi Espíritu” (Ez. 36:27).
Pero ¿cuál es el efecto inmediato del derramamiento del espíritu de gracia y de oración? Que miran a Aquel a quien traspasaron, hacen llanto sobre Él como llanto sobre unigénito, y se afligen sobre Él como quien se aflige sobre primogénito. Este es el arrepentimiento evangélico, a diferencia del arrepentimiento legal: “el dolor que es según Dios obra arrepentimiento saludable, de que no hay que arrepentirse” (2 Cor. 7:10), a diferencia del “dolor del siglo”, que “obra muerte”.
Caín, Esaú y Judas tuvieron todos arrepentimiento, pero su arrepentimiento no fue el dolor según Dios de un corazón quebrantado y un espíritu contrito. Temblaron ante el rostro de Dios como Juez airado, pero no se derritieron en arrepentimiento delante de Él como Padre que perdona. Ni aborrecieron sus pecados ni los abandonaron; ni amaron la santidad ni la buscaron. Caín salió de delante de Jehová; Esaú tramó la muerte de Jacob; y Judas se ahorcó.
¡Qué distinto de este arrepentimiento forzado y falso es el arrepentimiento de un hijo de Dios: ese verdadero arrepentimiento por el pecado, ese dolor según Dios, ese santo llanto que fluye de las operaciones llenas de gracia del Espíritu! Este no brota de un sentido de la venganza de Dios en una ley quebrantada, sino de Su misericordia en un bendito evangelio. Brota de una visión creyente de los sufrimientos de Cristo en el huerto y en la cruz, y de una manifestación del amor que perdona. Va siempre acompañado de aborrecimiento de sí mismo, de una confesión y abandono del pecado profundos y sin reservas, de súplicas muy sentidas, sinceras y fervientes para ser guardado de todo mal, y de un santo deseo de vivir para alabanza de la gloria de Dios.
Lectura: Hechos 5:17-32
Al lector…
Quien se ha arrepentido por temor al castigo halla que eso no le cambió; quizá esa ha sido su experiencia. Tal dolor tiembla ante Dios como Juez airado, pero no se derrite delante de Él como Padre que perdona. Deja el corazón duro y el pecado todavía amado. Quien sinceramente tiene que decir eso de sí mismo tiene motivo para alarmarse, pero también motivo para clamar.
Porque el verdadero arrepentimiento no es una obra que usted produce de sí mismo; es un don de Aquel que ha sido ensalzado por Príncipe y Salvador. Cuando por Su Espíritu abre el ojo a Sus sufrimientos en el huerto y en la cruz, el corazón se quebranta y se derrite. Entonces se llora por Aquel que fue traspasado, y se aborrece el pecado que Le hizo eso. Pídale tal corazón nuevo y blando. Él da arrepentimiento y remisión de pecados.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander; alzo dat gij niet doet hetgeen gij wildet.
Galaten 5:17
De Heilige Geest is bijzonder teder met betrekking tot Zijn eigen werk in de ziel. Oorspronkelijk heeft Hij het geformeerd, het is van geestelijke oorsprong; en gelijk de moeder waakt over haar kind, zo waakt de gezegende Geest over de geest van Zijn eigen schepping. Het is zogezegd een duplicaat of gelijkenis van Hemzelf, want het is de geest die Hij door Zijn almachtige kracht in de ziel gewrocht heeft. Daarom handelt Hij dienovereenkomstig, blaast vers leven en kracht in, en deelt uit de onuitputtelijke volheid van de Zoon van God genade mede; en stelt de geest in staat om te ademen en te handelen, te worstelen en te strijden tegen het vlees, zodat dit laatste zijn zin niet krijgt, maar zich onderworpen en bedwongen ziet. Want de geest kan zowel vechten als het vlees; hij kan zowel handelen als het vlees; kan zowel verlangen goed te doen als het vlees verlangt kwaad te doen.
Wat is het een genade voor ons dat er in onze ziel deze uitademingen des geestes tegen het vlees gevonden worden; uitroepen tot God daartegen; en dat de geest in ons de arm van almacht buiten ons vastgrijpt en hulp zoekt en verwacht van de Heere, God de Almachtige, en door medegedeelde kracht en vermogen strijdt tegen het vlees, en ook bij tijden een gezegende overwinning daarover behaalt. Want wat kan het vlees doen tegen de geest, wanneer deze bezield wordt door Goddelijke kracht? Wat zijn zonde, satan en wereld, wanneer zij een drie-enig God moeten bestrijden?
Dit maakt de overwinning zeker, dat onze vrienden sterker zijn dan onze vijanden, en het werk van God in onze ziel sterker is dan wat ook de zonde, de duivel of de wereld tegen ons vermogen in te brengen. Dit deed de apostel zeggen, nadat hij de binnenste strijd had uitgebeeld: „Ik dank God door Christus Jezus, onze Heere” (Rom. 7:25). En als hij de tegenstand heeft genoemd die de christen van alle zijden te verduren heeft, roept hij als in heilige triomf uit: „Maar in alle deze zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons heeft liefgehad” (Rom. 8:37).
Aan de lezer…
Strijdende ziel, kent u die strijd van binnen, waarin het vlees begeert tegen de Geest en u niet doet wat u wilde? Misschien maakt juist die strijd u bang, en denkt u dat een kind van God zo niet zou kunnen zijn. Maar hoor hoe ik het noem: een genade. Waar alleen het vlees is, daar is geen strijd; waar de Geest Zijn eigen werk heeft gewrocht, daar zijn uitademingen naar God en een uitroepen tot Hem tegen de zonde.
De gezegende Geest waakt over dat werk zoals een moeder over haar kind. Hij blaast er vers leven in en deelt genade mede uit de volheid van de Zoon van God. Uw vijanden zijn sterk, maar uw Vrienden zijn sterker. Wat zijn zonde, satan en wereld tegenover een drie-enig God? Grijp dan die arm van almacht vast, en hef met de apostel het hoofd op: „Ik dank God door Christus Jezus, onze Heere.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander; alzo dat gij niet doet hetgeen gij wildet.
Galaten 5:17
De Heilige Geest is bijzonder teder over Zijn eigen werk in de ziel. Hij heeft het oorspronkelijk gevormd; het is van geestelijke oorsprong. En zoals een moeder over haar kind waakt, zo waakt de gezegende Geest over de geest die Hij Zelf geschapen heeft. Het is als het ware een afdruk of evenbeeld van Hemzelf, want het is de geest die Hij door Zijn almachtige kracht in de ziel gewrocht heeft. Daarom handelt Hij ook zo: Hij blaast er nieuw leven en nieuwe kracht in, en deelt genade mee uit de onuitputtelijke volheid van de Zoon van God. Hij stelt de geest in staat te ademen en te handelen, te worstelen en te strijden tegen het vlees, zodat het vlees zijn zin niet krijgt, maar onderworpen en bedwongen wordt. Want de geest kan net zo goed vechten als het vlees; hij kan net zo goed handelen als het vlees; hij kan net zo goed verlangen het goede te doen als het vlees verlangt het kwade te doen.
Wat een genade is het voor ons dat deze uitingen van de geest tegen het vlees in onze ziel gevonden worden: uitroepen tot God ertegen! Wat een genade dat de geest in ons de arm van de almacht buiten ons vastgrijpt, en hulp zoekt en verwacht van de Heere, God de Almachtige, en door meegedeelde kracht en vermogen tegen het vlees strijdt, en soms ook een gezegende overwinning erover behaalt! Want wat kan het vlees doen tegen de geest, wanneer die bezield wordt door Goddelijke kracht? Wat zijn zonde, satan en wereld, wanneer zij een drie-enig God moeten bestrijden?
Dit maakt de overwinning zeker: onze vrienden zijn sterker dan onze vijanden, en het werk van God in onze ziel is sterker dan alles wat de zonde, de duivel of de wereld tegen ons kunnen inbrengen. Dat deed de apostel zeggen, nadat hij de innerlijke strijd had beschreven: „Ik dank God door Christus Jezus, onze Heere” (Rom. 7:25). En wanneer hij de tegenstand genoemd heeft die de christen van alle kanten te verduren heeft, roept hij als in heilige triomf uit: „Maar in alle deze zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons heeft liefgehad” (Rom. 8:37).
Aan de lezer…
Strijdende ziel, kent u die strijd van binnen, waarin het vlees begeert tegen de Geest en u niet doet wat u wilde? Misschien maakt juist die strijd u bang, en denkt u dat een kind van God niet zo zou kunnen zijn. Maar hoor hoe het hier genoemd wordt: een genade. Waar alleen het vlees is, daar is geen strijd. Waar de Geest Zijn eigen werk gewrocht heeft, daar zijn verzuchtingen naar God en is er een roepen tot Hem tegen de zonde.
De gezegende Geest waakt over dat werk zoals een moeder over haar kind. Hij blaast er nieuw leven in en deelt genade mee uit de volheid van de Zoon van God. Uw vijanden zijn sterk, maar uw Vrienden zijn sterker. Wat zijn zonde, satan en wereld tegenover een drie-enig God? Grijp dan die arm van de almacht vast, en hef met de apostel het hoofd op: „Ik dank God door Christus Jezus, onze Heere.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For the flesh lusteth against the Spirit, and the Spirit against the flesh: and these are contrary the one to the other: so that ye cannot do the things that ye would.
Galatians 5:17
The Holy Spirit is especially tender of His own work upon the soul. He originally formed it—it is His own spiritual offspring; and as a mother watches over her babe, so the blessed Spirit watches over the spirit of His own creating. It is the counterpart of Himself, for it is the spirit that He has raised up in the soul by His own almighty power. He, therefore, acts upon it, breathes into it fresh life and power, and communicates grace out of the inexhaustible fullness of the Son of God, thus enabling the spirit to breathe and act, struggle and fight against the flesh, so that the latter cannot have all its own way, but must submit and yield. For the spirit can fight as well as the flesh; can act as well as the flesh; and can desire good as well as the flesh can desire evil.
What a mercy for us it is that there are those heavenly breathings in our soul, of the spirit against the flesh, cryings out to God against it; and that the spirit within us thus takes hold of the arm of Omnipotence outside us, seeks help from the Lord God Almighty, and by strength thus communicated fights against the flesh, and gains at times a most blessed victory over it. For what can the flesh do against the spirit when animated by divine power? What are sin, Satan, and the world when they have to oppose a Triune God in arms?
This makes the victory sure, that our friends are stronger than our foes, and the work of God upon our soul greater than anything sin, Satan, or the world can bring against it. This made the Apostle say, after he had been describing the inward conflict, “I thank God through Jesus Christ our Lord” (Rom. 7:25). And when he had enumerated the opposition that the Christian has to endure on every side, he cries out, as if in holy triumph, “No, in all these things we are more than conquerors through Him Who loved us” (Rom. 8:37).
To the reader…
Struggling soul, do you know that battle within, in which the flesh lusts against the Spirit and you do not do the things you would? Perhaps that very battle frightens you, and you think that a child of God could not be like this. But hear what it is called here: a mercy. Where there is only flesh, there is no battle. Where the Spirit has wrought His own work, there are sighs towards God and a crying to Him against sin.
The blessed Spirit watches over that work as a mother over her child. He breathes new life into it and imparts grace out of the fullness of the Son of God. Your enemies are strong, but your Friends are stronger. What are sin, Satan and the world against a Triune God? Take hold, then, of that arm of Omnipotence, and lift up your head with the apostle: “I thank God through Jesus Christ our Lord.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el deseo de la carne es contra el Espíritu, y el del Espíritu es contra la carne: y estas cosas se oponen la una a la otra, para que no hagáis lo que quisiereis.
Gálatas 5:17
El Espíritu Santo es especialmente tierno con Su propia obra en el alma. Él la formó en el principio; es Su propia descendencia espiritual; y como una madre vela sobre su niño, así el bendito Espíritu vela sobre el espíritu que Él mismo ha creado. Es la contrapartida de Sí mismo, porque es el espíritu que Él ha levantado en el alma por Su propio poder omnipotente. Por eso obra sobre él, le infunde nueva vida y poder, y le comunica gracia de la plenitud inagotable del Hijo de Dios, capacitando así al espíritu para respirar y obrar, luchar y pelear contra la carne, de modo que esta no puede salirse siempre con la suya, sino que tiene que someterse y ceder. Porque el espíritu puede pelear tanto como la carne; puede obrar tanto como la carne; y puede desear el bien tanto como la carne puede desear el mal.
¡Qué misericordia es para nosotros que haya en nuestra alma esos anhelos celestiales del espíritu contra la carne, esos clamores a Dios contra ella; y que el espíritu dentro de nosotros se aferre así al brazo de la Omnipotencia fuera de nosotros, busque ayuda del Señor Dios Todopoderoso y, con la fuerza así comunicada, pelee contra la carne y obtenga a veces sobre ella una victoria de lo más bendita! Porque ¿qué puede hacer la carne contra el espíritu cuando este es animado por el poder divino? ¿Qué son el pecado, Satanás y el mundo cuando tienen que oponerse a un Dios Trino en armas?
Esto hace segura la victoria: que nuestros amigos son más fuertes que nuestros enemigos, y la obra de Dios en nuestra alma es mayor que todo lo que el pecado, Satanás o el mundo puedan traer contra ella. Esto hizo decir al apóstol, después de haber descrito el conflicto interior: “Gracias doy a Dios, por Jesucristo Señor nuestro” (Romanos 7:25). Y cuando hubo enumerado la oposición que el cristiano tiene que soportar por todos lados, exclama, como en santo triunfo: “Antes, en todas estas cosas hacemos más que vencer por medio de Aquel que nos amó” (Romanos 8:37).
Al lector…
Alma que lucha, ¿conoce usted esa batalla interior en la que la carne desea contra el Espíritu y no hace lo que quisiera? Quizá esa misma batalla le asuste, y piense que un hijo de Dios no podría ser así. Pero oiga cómo se la llama aquí: una misericordia. Donde solo hay carne, no hay batalla. Donde el Espíritu ha obrado Su propia obra, hay suspiros hacia Dios y un clamar a Él contra el pecado.
El bendito Espíritu vela sobre esa obra como una madre sobre su hijo. Le infunde nueva vida y le comunica gracia de la plenitud del Hijo de Dios. Sus enemigos son fuertes, pero sus Amigos son más fuertes. ¿Qué son el pecado, Satanás y el mundo contra un Dios Trino? Aférrese, pues, a ese brazo de la Omnipotencia, y levante la cabeza con el apóstol: “Gracias doy a Dios, por Jesucristo Señor nuestro.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl