5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
2 Korinthe 5:21
Onze gezegende Heere heeft Zich voor de zonde gegeven; dat is, opdat Hij de zonde mocht tenietdoen door Zijn offerande. „Die Zelf onze zonden gedragen heeft op het hout” (1 Petrus 2:24). Het was volstrekt nodig dat de zondaar in zijn eigen persoon zou boeten, of in die van een plaatsbekleder. Jezus werd deze Plaatsbekleder; Hij stond vrijwillig in de plaats des zondaars, en droeg in Zijn heilig lichaam en heilige ziel de straf die gene verdiend had; want Hij werd „met de overtreders gerekend”. Aldus opende Hij, door het storten van Zijn kostelijk bloed, in Zijn eigen lichaam een Fontein tegen de zonde en tegen de onreinheid (Zach. 13:1).
Het kruis was de plaats waar dit Offer werd gebracht; want evenals het bloed van het lam werd gestort aan de voet van het altaar, op zijn hoornen gesprengd, en verbrand in zijn eeuwigdurend vuur, zo ook stortte onze gezegende Heere Zijn bloed op het kruis. Daar droeg Hij ten volle de toorn Gods; daar deed Hij de zonde teniet door Zijn eigen offerande; daar bood Hij Zijn heilig lichaam en Zijn heilige ziel, Zijn gans reine en gewijde mensheid, in vereniging met de eeuwige Godheid, als een verzoening voor de zonden Zijns volks. Aldus werden al hun zonden verzoend, geboet, weggedaan, uitgewist, en zullen hun nooit weder toegerekend worden.
Dit is het grote geheim van de verlossende liefde en het verzoenende bloed. Hier schittert het kruis in al zijn luister; hier ontmoeten God en de mens elkander in de offerande van de Godmens, en hier heerst te midden van lijden en smart, zuchten en tranen, het bloed en de gehoorzaamheid van Gods lieve Zoon, onze natuur aangenomen hebbende, de genade door de rechtvaardigheid ten eeuwigen leven.
Brandofferen, noch offer voor de schuld
voldeden aan Uw eis noch eer.
Toen zeid’ ik: „Zie, ik kom, o Heer,
de rol des boeks is met mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
wil U alleen behagen.
Ps. 40:4
Aan de lezer…
Drukt de last van uw zonden zwaar op uw geweten? Weet u dat de zondaar óf zelf moet boeten, óf in de persoon van een Plaatsbekleder? Hier is het grote geheim van de verlossende liefde: Hij, Die geen zonde gekend heeft, is zonde gemaakt voor de Zijnen. Vrijwillig stond Hij in de plaats van de zondaar, en droeg in Zijn heilig lichaam en Zijn heilige ziel de straf die anderen verdiend hadden.
Op het kruis droeg Hij ten volle de toorn Gods en deed Hij de zonde teniet door Zijn eigen offerande. Daar werd een Fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid. Ziet u geen uitweg uit uw schuld? Zie dan op Hem. Voor allen die in Hem zijn, zijn de zonden verzoend, weggedaan en uitgewist, en zullen zij nooit weer toegerekend worden. Daar ontmoeten God en de zondaar elkaar, en daar alleen is rust voor een schuldig hart.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
2 Korinthe 5:21
Onze gezegende Heere heeft Zich voor de zonde gegeven, dat wil zeggen: om de zonde door Zijn offerande teniet te doen. „Die Zelf onze zonden gedragen heeft op het hout” (1 Petrus 2:24). Het was volstrekt nodig dat er geboet werd, door de zondaar in eigen persoon of door een plaatsbekleder. Jezus werd die Plaatsbekleder. Hij stond vrijwillig in de plaats van de zondaar en droeg in Zijn heilig lichaam en Zijn heilige ziel de straf die de zondaar verdiend had, want Hij werd „met de overtreders gerekend”. Zo opende Hij, door het storten van Zijn kostbaar bloed, in Zijn eigen lichaam een Fontein tegen de zonde en tegen de onreinheid (Zach. 13:1).
Het kruis was de plaats waar dit Offer werd gebracht. Want zoals het bloed van het lam aan de voet van het altaar werd uitgegoten, op zijn hoornen werd gesprengd en in zijn eeuwigdurend vuur werd verbrand, zo stortte ook onze gezegende Heere Zijn bloed aan het kruis. Daar droeg Hij ten volle de toorn van God. Daar deed Hij de zonde teniet door Zijn eigen offerande. Daar bood Hij Zijn heilig lichaam en Zijn heilige ziel, Zijn volkomen reine en heilige mensheid, in vereniging met de eeuwige Godheid, aan als een verzoening voor de zonden van Zijn volk. Zo werden al hun zonden verzoend, geboet, weggedaan en uitgewist, en zullen zij hun nooit meer toegerekend worden.
Dit is het grote geheim van de verlossende liefde en het verzoenende bloed. Hier schittert het kruis in al zijn luister. Hier ontmoeten God en de mens elkaar in de offerande van de Godmens. En hier heerst, te midden van lijden en smart, zuchten en tranen, door het bloed en de gehoorzaamheid van Gods geliefde Zoon, Die onze natuur heeft aangenomen, de genade door de rechtvaardigheid tot het eeuwige leven.
Brandofferen, noch offer voor de schuld
voldeden aan Uw eis noch eer.
Toen zeid’ ik: „Zie, ik kom, o Heer,
de rol des boeks is met mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
wil U alleen behagen.
Ps. 40:4
Aan de lezer…
Drukt de last van uw zonden zwaar op uw geweten? Weet u dat de zondaar óf zelf moet boeten, óf in de persoon van een Plaatsbekleder? Hier is het grote geheim van de verlossende liefde: Hij Die geen zonde gekend heeft, is zonde gemaakt voor de Zijnen. Vrijwillig stond Hij in de plaats van de zondaar, en Hij droeg in Zijn heilig lichaam en Zijn heilige ziel de straf die anderen verdiend hadden.
Aan het kruis droeg Hij ten volle de toorn van God en deed Hij de zonde teniet door Zijn eigen offerande. Daar werd een Fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid. Ziet u geen uitweg uit uw schuld? Zie dan op Hem. Voor allen die in Hem zijn, zijn de zonden verzoend, weggedaan en uitgewist, en zullen zij nooit meer toegerekend worden. Daar ontmoeten God en de zondaar elkaar, en alleen daar is rust voor een schuldig hart.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For He hath made Him to be sin for us, Who knew no sin; that we might be made the righteousness of God in Him.
2 Corinthians 5:21
Our blessed Lord offered Himself for sin; that is, that He might put away sin by the sacrifice of Himself—“Who His own self bore our sins in His own body on the tree” (1 Pet. 2:24). It was absolutely necessary either that the sinner should suffer in his own person, or in that of a substitute. Jesus became this substitute; He stood virtually in the sinner’s place, and endured in His holy body and soul the punishment due to him; for He “was numbered with the transgressors.” He thus, by the shedding of His most precious blood, opened in His sacred body a fountain for all sin and all uncleanness (Zech. 13:1).
The cross was the place on which this sacrifice was offered; for as the blood of the slain lamb was poured out at the foot of the altar, sprinkled upon its horns, and burned in its ever-enduring fire, so our blessed Lord shed His blood upon the cross. He there endured the wrath of God to the uttermost; He there put away sin by the sacrifice of Himself; He there offered His holy soul and body, the whole of His pure and sacred humanity, in union with His eternal Deity, as an expiation for the sins of His people.
Thus all their sin was atoned for, expiated, put away, blotted out, and will never more be imputed to them. This is the grand mystery of redeeming love and atoning blood. Here the cross shines forth in all its splendor; here God and man meet at the sacrifice of the God-man; and here, amid the sufferings and sorrows, the groans and tears, the blood and obedience of God’s dear Son in our nature, grace reigns through righteousness unto eternal life.
To the reader…
Does the burden of your sins press heavily on your conscience? Do you know that the sinner must either pay the penalty himself, or in the person of a Substitute? Here is the great mystery of redeeming love: He Who knew no sin was made sin for His own. Willingly He stood in the sinner’s place, and in His holy body and holy soul He bore the punishment that others had deserved.
On the cross He bore the wrath of God to the full and put away sin by the sacrifice of Himself. There a Fountain was opened for sin and for uncleanness. Do you see no way out of your guilt? Then look to Him. For all who are in Him, sins are atoned for, put away and blotted out, and will never again be imputed to them. There God and the sinner meet, and only there is rest for a guilty heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Al que no conoció pecado, hizo pecado por nosotros, para que nosotros fuésemos hechos justicia de Dios en Él.
2 Corintios 5:21
Nuestro bendito Señor se ofreció a Sí mismo por el pecado; es decir, para quitar el pecado por el sacrificio de Sí mismo: “El cual mismo llevó nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero” (1 Pedro 2:24). Era absolutamente necesario que el pecador sufriera, o bien en su propia persona, o bien en la de un sustituto. Jesús llegó a ser este sustituto; estuvo en efecto en el lugar del pecador, y soportó en Su santo cuerpo y en Su santa alma el castigo que a este se debía; porque Él “fue contado con los perversos”. Así, por el derramamiento de Su preciosísima sangre, abrió en Su sagrado cuerpo un manantial para todo pecado y toda inmundicia (Zacarías 13:1).
La cruz fue el lugar donde se ofreció este sacrificio; porque así como la sangre del cordero inmolado se derramaba al pie del altar, se rociaba sobre sus cuernos y se quemaba en su fuego perpetuo, así nuestro bendito Señor derramó Su sangre sobre la cruz. Allí soportó la ira de Dios hasta lo sumo; allí quitó el pecado por el sacrificio de Sí mismo; allí ofreció Su santa alma y Su santo cuerpo, toda Su pura y sagrada humanidad, en unión con Su eterna Deidad, como expiación por los pecados de Su pueblo.
Así todo su pecado fue expiado, quitado, borrado, y nunca más les será imputado. Este es el gran misterio del amor redentor y de la sangre expiatoria. Aquí la cruz resplandece en todo su esplendor; aquí Dios y el hombre se encuentran en el sacrificio del Dios-hombre; y aquí, en medio de los sufrimientos y dolores, los gemidos y las lágrimas, la sangre y la obediencia del amado Hijo de Dios en nuestra naturaleza, la gracia reina por la justicia para vida eterna.
Al lector…
¿Pesa gravemente la carga de sus pecados sobre su conciencia? ¿Sabe usted que el pecador tiene que pagar la pena, o bien él mismo, o bien en la persona de un Sustituto? Aquí está el gran misterio del amor redentor: Aquel que no conoció pecado fue hecho pecado por los Suyos. Voluntariamente se puso en el lugar del pecador, y en Su santo cuerpo y Su santa alma llevó el castigo que otros habían merecido.
En la cruz llevó plenamente la ira de Dios y quitó el pecado por el sacrificio de Sí mismo. Allí fue abierto un Manantial para el pecado y la inmundicia. ¿No ve usted salida para su culpa? Mire entonces a Él. Para todos los que están en Él, los pecados son expiados, quitados y borrados, y nunca más les serán imputados. Allí se encuentran Dios y el pecador, y solo allí hay reposo para un corazón culpable.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het lijden en sterven van Christus
Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden.
Hebreeën 5:7-8
Een paar druppels van Gods toorn, neergelaten in het geweten van een kind van God, hebben menig levende ziel doen uitroepen: „Ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig. Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan” (Ps. 88:16,17). Maar wat is alles wat Job, Heman, Jeremia of Jona doorstonden, vergeleken met de vloed van pijn en verschrikking die de ziel van onze gezegende Heere overweldigde? We lezen daarom over Hem in de hof, toen de eerste hevige kwellingen opkwamen, dat Hij „begon verbaasd en zeer beangst te worden” (Mar. 14:33), en daardoor zei Hij tegen Zijn drie discipelen, die ooggetuigen van Zijn lijden zouden zijn: „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe” (Matth. 26:38).
Zo groot was die last, dat Zijn menselijke natuur onder het gewicht moest bezwijken, Zijn ziel en lichaam uit elkaar worden gescheurd, als er niet vier steunpilaren waren geweest: de kracht van Zijn Godheid, want hoewel deze opzettelijk haar kracht niet toonde, bleef zij onverbrekelijk met Zijn heilige mensheid verenigd; de hulp en steun van de Heilige Geest, Die Zijn menselijke natuur ondersteunde onder de last die erop was gelegd; de vreugde die Hem was voorgesteld, waardoor Hij het kruis kon verdragen en de schande verachten (Hebr. 12:2); en de versterking van de dienende engel die was gestuurd uit de hemel (Luk. 22:43).
Aldus gesteund en gesterkt zonk onze barmhartige Verlosser niet in de diepe wateren, maar, als onze grote Hogepriester, „gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze” (Hebr. 5:7), niet zoals sommigen ten onrechte dachten uit angst dat Zijn opdracht zou falen of dat Hij in de hel zou zinken, maar omdat Hij Zijn heilige Vader vreesde met de eerbied van een Zoon, want kinderlijke vrees, alsmede elke andere genade, bevond zich in het hart van Jezus als Zijn schat (Jes. 11:2,3).
Lezen: Hebreeën 5
Aan de lezer…
Misschien, lezer, hebt u iets geproefd van die klacht: „Uw verschrikkingen doen mij vergaan.” Een paar druppels van Gods toorn in het geweten, en de ziel weet niet meer waar zij het zoeken moet. Maar wat is dat alles bij de vloed die over de ziel van onze gezegende Heere ging, toen Hij in de hof verbaasd en zeer beangst begon te worden? Hij bezweek niet, want Hij werd gedragen: door de kracht van Zijn Godheid, door de Heilige Geest, door de vreugde die Hem was voorgesteld, en door de engel die uit de hemel kwam om Hem te versterken.
Hij heeft met sterke roeping en tranen gebeden, en Hij is verhoord. Zou Hij, Die zo de weg van het lijden heeft leren kennen, dan vreemd staan tegenover uw benauwdheid? Breng uw gebeden en smekingen, hoe zwak en gebroken ook, tot Hem. Hij weet wat tranen zijn, en Hij is de grote Hogepriester voor wie uit de diepte roept.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden.
Hebreeën 5:7-8
Een paar druppels van Gods toorn, neergelaten in het geweten van een kind van God, hebben menige levende ziel doen uitroepen: „Ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig. Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan” (Ps. 88:16,17). Maar wat is alles wat Job, Heman, Jeremia of Jona doorstonden, vergeleken met de vloed van pijn en verschrikking die de ziel van onze gezegende Heere overweldigde? Daarom lezen we over Hem in de hof, toen de eerste hevige kwellingen opkwamen, dat Hij „begon verbaasd en zeer beangst te worden” (Mar. 14:33). Daarom zei Hij tegen Zijn drie discipelen, die ooggetuigen van Zijn lijden zouden zijn: „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe” (Matth. 26:38).
Die last was zo groot dat Zijn menselijke natuur onder het gewicht zou zijn bezweken en Zijn ziel en lichaam uit elkaar zouden zijn gescheurd, als er niet vier steunpilaren waren geweest. De eerste was de kracht van Zijn Godheid; want hoewel die haar kracht opzettelijk niet toonde, bleef zij onverbrekelijk met Zijn heilige mensheid verenigd. De tweede was de hulp en steun van de Heilige Geest, Die Zijn menselijke natuur ondersteunde onder de last die erop gelegd was. De derde was de vreugde die Hem was voorgesteld, waardoor Hij het kruis kon verdragen en de schande verachten (Hebr. 12:2). De vierde was de versterking door de dienende engel die uit de hemel was gestuurd (Luk. 22:43).
Zo gesteund en gesterkt zonk onze barmhartige Verlosser niet weg in de diepe wateren. Als onze grote Hogepriester heeft Hij „gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze” (Hebr. 5:7). Dat was niet, zoals sommigen ten onrechte dachten, uit angst dat Zijn opdracht zou mislukken of dat Hij in de hel zou wegzinken. Het was omdat Hij Zijn heilige Vader vreesde met de eerbied van een Zoon; want kinderlijke vrees was, evenals elke andere genade, als Zijn schat in het hart van Jezus aanwezig (Jes. 11:2,3).
Lezen: Hebreeën 5
Aan de lezer…
Misschien, lezer, hebt u iets geproefd van die klacht: „Uw verschrikkingen doen mij vergaan.” Een paar druppels van Gods toorn in het geweten, en de ziel weet niet meer waar zij het zoeken moet. Maar wat is dat alles vergeleken met de vloed die over de ziel van onze gezegende Heere ging, toen Hij in de hof verbaasd en zeer beangst begon te worden? Hij bezweek niet, want Hij werd gedragen: door de kracht van Zijn Godheid, door de Heilige Geest, door de vreugde die Hem was voorgesteld, en door de engel die uit de hemel kwam om Hem te versterken.
Hij heeft met sterke roeping en tranen gebeden, en Hij is verhoord. Zou Hij, Die zo de weg van het lijden heeft leren kennen, dan vreemd staan tegenover uw benauwdheid? Breng uw gebeden en smekingen, hoe zwak en gebroken ook, tot Hem. Hij weet wat tranen zijn, en Hij is de grote Hogepriester voor wie uit de diepte roept.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who in the days of His flesh, when He had offered up prayers and supplications with strong crying and tears unto Him that was able to save Him from death, and was heard in that He feared; though He were a Son, yet learned He obedience by the things which He suffered.
Hebrews 5:7-8
A few drops of God’s wrath, let down into the conscience of a child of God, have made many a living soul cry out: “While I suffer Thy terrors I am distracted. Thy fierce wrath goeth over me; Thy terrors have cut me off” (Ps. 88:15, 16). But what is all that Job, Heman, Jeremiah or Jonah endured, compared with the flood of pain and terror that overwhelmed the soul of our blessed Lord? Therefore we read of Him in the garden, when the first fierce agonies came on, that He “began to be sore amazed, and to be very heavy” (Mark 14:33). Therefore He said to His three disciples, who were to be eyewitnesses of His sufferings, “My soul is exceeding sorrowful, even unto death” (Matt. 26:38).
That load was so great that His human nature would have sunk under the weight, and His soul and body would have been torn asunder, had there not been four pillars of support. The first was the power of His Godhead; for though it purposely did not display its power, it remained indissolubly united to His holy humanity. The second was the help and support of the Holy Ghost, Who upheld His human nature under the load laid upon it. The third was the joy that was set before Him, by which He could endure the cross and despise the shame (Heb. 12:2). The fourth was the strengthening by the ministering angel sent from heaven (Luke 22:43).
Thus supported and strengthened, our merciful Redeemer did not sink in the deep waters. As our great High Priest He “offered up prayers and supplications with strong crying and tears unto Him that was able to save Him from death, and was heard in that He feared” (Heb. 5:7). That was not, as some have wrongly thought, from fear that His mission would fail or that He would sink into hell. It was because He feared His holy Father with the reverence of a Son; for filial fear, like every other grace, was present as His treasure in the heart of Jesus (Isa. 11:2, 3).
Reading: Hebrews 5
To the reader…
Perhaps, reader, you have tasted something of that complaint: “Thy terrors have cut me off.” A few drops of God’s wrath in the conscience, and the soul no longer knows where to turn. But what is all that compared with the flood that went over the soul of our blessed Lord, when in the garden He began to be sore amazed and to be very heavy? He did not sink, for He was upheld: by the power of His Godhead, by the Holy Ghost, by the joy that was set before Him, and by the angel who came from heaven to strengthen Him.
He prayed with strong crying and tears, and He was heard. Would He, Who thus came to know the way of suffering, then be a stranger to your distress? Bring your prayers and supplications to Him, however weak and broken they may be. He knows what tears are, and He is the great High Priest for all who cry out of the depths.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El Cual en los días de Su carne, ofreciendo ruegos y súplicas con gran clamor y lágrimas al que le podía librar de la muerte, fue oído por Su reverencial miedo. Y aunque era Hijo, por lo que padeció aprendió la obediencia.
Hebreos 5:7-8
Unas pocas gotas de la ira de Dios, derramadas en la conciencia de un hijo de Dios, han hecho clamar a muchas almas vivientes: “He padecido Tus terrores, he estado medroso. Sobre mí han pasado Tus iras; Tus espantos me han cortado” (Sal. 88:15, 16). Pero ¿qué es todo lo que soportaron Job, Hemán, Jeremías o Jonás, comparado con la avenida de dolor y de terror que anegó el alma de nuestro bendito Señor? Por eso leemos de Él en el huerto, cuando sobrevinieron las primeras agonías terribles, que “comenzó a atemorizarse, y a angustiarse” (Mar. 14:33). Por eso dijo a Sus tres discípulos, que habían de ser testigos oculares de Sus padecimientos: “Mi alma está muy triste hasta la muerte” (Mat. 26:38).
Aquella carga era tan grande que Su naturaleza humana se habría hundido bajo el peso, y Su alma y Su cuerpo se habrían desgarrado, si no hubiera habido cuatro columnas de apoyo. La primera era el poder de Su Deidad; porque aunque a propósito no desplegaba su poder, permanecía indisolublemente unida a Su santa humanidad. La segunda era la ayuda y el sostén del Espíritu Santo, que sostenía Su naturaleza humana bajo la carga puesta sobre ella. La tercera era el gozo que le fue propuesto, por el cual pudo sufrir la cruz, menospreciando la vergüenza (Heb. 12:2). La cuarta era el fortalecimiento por el ángel ministrador enviado del cielo (Luc. 22:43).
Así sostenido y fortalecido, nuestro misericordioso Redentor no se hundió en los abismos de aguas. Como nuestro gran Sumo Sacerdote, “ofreciendo ruegos y súplicas con gran clamor y lágrimas al que le podía librar de la muerte, fue oído por Su reverencial miedo” (Heb. 5:7). Esto no fue, como algunos han pensado equivocadamente, por temor de que Su misión fracasara o de que Él se hundiera en el infierno. Fue porque temía a Su santo Padre con la reverencia de un Hijo; pues el temor filial, como toda otra gracia, estaba presente como Su tesoro en el corazón de Jesús (Isa. 11:2, 3).
Lectura: Hebreos 5
Al lector…
Quizá, lector, ha gustado usted algo de aquella queja: “Tus espantos me han cortado”. Unas pocas gotas de la ira de Dios en la conciencia, y el alma ya no sabe adónde volverse. Pero ¿qué es todo eso comparado con la avenida que pasó sobre el alma de nuestro bendito Señor, cuando en el huerto comenzó a atemorizarse y a angustiarse? Él no se hundió, porque fue sostenido: por el poder de Su Deidad, por el Espíritu Santo, por el gozo que le fue propuesto y por el ángel que vino del cielo a fortalecerle.
Oró con gran clamor y lágrimas, y fue oído. ¿Habría de ser Él, que así llegó a conocer el camino del padecimiento, un extraño a su angustia? Lleve a Él sus ruegos y súplicas, por débiles y quebrantados que sean. Él sabe lo que son las lágrimas, y Él es el gran Sumo Sacerdote para todos los que claman desde lo profundo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote.
2 Samuël 14:14
De belofte luidt: „En het weggedrevene zal Ik wederbrengen,” Ezech. 34:16. Schuld, verzoeking, satan, twijfelingen en vrezen hadden hen van de woning des tabernakels weggedreven. Toch had de Heere hen lief. Hij zegt: „Ik zal wederbrengen.” Maar hoe? Door niets anders dan door een gevoel van barmhartigheid. Het is niet door verschrikking, maar door bemoedigingen. Ik trok hen, zegt de Heere, met touwen der liefde (dat zijn de tedere gewaarwordingen die in het hart geschonken worden), met koorden der liefde.
Gij moogt donderen en weerlichten, de zweep nemen en de afwijker afrossen, gij kunt hem nooit naar huis slaan. Hij moet door genade, door de goedertierenheid Gods getrokken worden, en die leidt tot bekering. Hoe werd Petrus teruggebracht? Door het zien van Jezus op hem toen hij stond in de zaal van de hogepriester; die blik van liefde, vermengd met verwijt. Deze was het die Petrus naar buiten deed gaan en hem bitterlijk deed wenen. Een gefronst aangezicht zou hem in de wanhoop gedreven hebben en hem de weg hebben doen inslaan van Judas; maar die blik, van berisping en liefde gemengd, wondde en heelde en vervulde zijn hart met het diepste berouw en leedwezen.
En zij stortte zulk een helende balsem in zijn smartende ziel, dat toen Jezus van de dood was opgestaan en Hij door Zijn engel hem een bijzondere boodschap had doen brengen, dat hij Hem weer in Galiléa zien zou, hij in zee sprong om bij Hem te komen toen Hij stond aan de oever der zee van Tiberias. Zo werd de arme, weggedreven Petrus weergebracht. En evenzo werd de arme, afgeweken David door de stem van vergeving teruggebracht. Want de Heere vindt middelen uit, dat Hij de verstotene niet van Zich verstoot.
Aan de lezer…
Voelt u zich weggedreven, lieve lezer, door schuld, verzoeking, twijfelingen en vrezen, zo ver dat u niet meer weet hoe de weg terug te vinden? Luister dan naar wat hier staat: Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote. De Heere heeft de Zijnen lief, ook wanneer zij afgeweken zijn, en Hij zegt: „Ik zal wederbrengen.” Hij doet het niet door verschrikking, want een afwijker kan nooit naar huis geslagen worden, maar met touwen der liefde.
Denk aan de discipel die zijn Meester verloochende. Een gefronst aangezicht zou hem in de wanhoop gedreven hebben, maar die ene blik van liefde, vermengd met verwijt, wondde en heelde tegelijk. Hij ging naar buiten en weende bitterlijk, en later sprong hij in zee om maar bij zijn Heere te komen. Zo vindt de Heere nog altijd middelen uit om Zijn afgedwaalden terug te brengen. Wacht niet tot u uzelf beter gemaakt hebt; laat u trekken door Zijn goedertierenheid, want die leidt tot bekering.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote.
2 Samuël 14:14
De belofte luidt: „En het weggedrevene zal Ik wederbrengen,” Ezech. 34:16. Schuld, verzoeking, satan, twijfels en vrezen hadden hen van de woning van de tabernakel weggedreven. Toch had de Heere hen lief. Hij zegt: „Ik zal wederbrengen.” Maar hoe? Door niets anders dan door een besef van barmhartigheid. Het gebeurt niet door verschrikking, maar door bemoediging. Ik trok hen, zegt de Heere, met touwen der liefde (dat zijn de tedere gewaarwordingen die in het hart geschonken worden), met koorden der liefde.
U kunt donderen en bliksemen, de zweep nemen en de afvallige afranselen, maar u kunt hem nooit naar huis slaan. Hij moet door genade getrokken worden, door de goedertierenheid van God, en die leidt tot bekering. Hoe werd Petrus teruggebracht? Doordat Jezus hem aankeek toen hij in de zaal van de hogepriester stond: die blik van liefde, vermengd met verwijt. Die blik deed Petrus naar buiten gaan en bitter wenen. Een gefronst gezicht zou hem tot wanhoop gedreven hebben en hem de weg van Judas hebben laten inslaan; maar die blik, waarin berisping en liefde gemengd waren, verwondde en genas, en vervulde zijn hart met het diepste berouw en verdriet.
En die blik goot zo’n helende balsem in zijn smartende ziel dat hij, toen Jezus uit de dood was opgestaan en hem door Zijn engel de bijzondere boodschap had laten brengen dat hij Hem in Galilea weer zou zien, in zee sprong om bij Hem te komen toen Hij aan de oever van de zee van Tiberias stond. Zo werd de arme, weggedreven Petrus teruggebracht. En zo werd ook de arme, afgedwaalde David door de stem van vergeving teruggebracht. Want de Heere vindt middelen om de verstotene niet van Zich te verstoten.
Aan de lezer…
Voelt u zich weggedreven door schuld, verzoeking, twijfels en vrezen, zo ver dat u niet meer weet hoe u de weg terug moet vinden? Luister dan naar wat hier staat: Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote. De Heere heeft de Zijnen lief, ook wanneer zij afgedwaald zijn, en Hij zegt: „Ik zal wederbrengen.” Hij doet het niet door verschrikking, want een afvallige kan nooit naar huis geslagen worden, maar met touwen der liefde.
Denk aan de discipel die zijn Meester verloochende. Een gefronst gezicht zou hem tot wanhoop gedreven hebben, maar die ene blik van liefde, vermengd met verwijt, verwondde en genas tegelijk. Hij ging naar buiten en weende bitter, en later sprong hij in zee om maar bij zijn Heere te komen. Zo vindt de Heere nog altijd middelen om Zijn afgedwaalden terug te brengen. Wacht niet tot u uzelf beter gemaakt hebt; laat u trekken door Zijn goedertierenheid, want die leidt tot bekering.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Yet doth He devise means, that His banished be not expelled from Him.”
2 Samuel 14:14
The promise runs, “I will bring again that which was driven away” (Ezekiel 34:16). Guilt, temptation, Satan, doubts, and fears had driven them away from the shelter of the tabernacle. Yet the Lord has respect unto these also. He says, “I will bring again.” But how? By nothing but a sense of mercy. It is not by frowns, but by smiles. “I drew them,” says the Lord, “with cords of a man” (that is, the tender feelings that are bound up in the human heart), “with bands of love.” You may thunder, you may lighten, you may take the whip and flog a poor backslider—but you can never flog him home. He must be drawn by mercy, by the goodness of God, which leads to repentance.
How was Peter brought back? By that look which Jesus gave him, as he stood in the hall of the high priest; that look of mingled love and reproach. It was this that made Peter go out and weep bitterly. A frown would have driven him into despair, and made him hang himself by the side of Judas; but that look of mingled reproof and love wounded and healed, filled heart and eyes with the deepest grief and sorrow; and yet poured such a healing balm into his mourning soul that when Jesus was risen from the dead, and by His angel sent him a special message that He would see him again in Galilee, he leaped into the sea to meet Him, when He stood on the shore of the lake Tiberias.
But for that look and for that message, he would rather have leaped to the bottom with self-reproach, than leaped to the shore with love and affection. Thus was brought again poor driven-away Peter. And thus too, by the voice of pardon, was brought again poor driven-away David. For the Lord devises means that His banished be not expelled from Him.
To the reader…
Do you feel driven away by guilt, temptation, doubts and fears, so far that you no longer know how to find the way back? Then listen to what is written here: He devises means, that His banished be not expelled from Him. The Lord loves His own, even when they have strayed, and He says, “I will bring again.” He does not do it by terror, for a backslider can never be flogged home, but with bands of love.
Think of the disciple who denied his Master. A frown would have driven him to despair, but that one look of love, mingled with reproach, wounded and healed at the same time. He went out and wept bitterly, and later he leaped into the sea just to reach his Lord. So the Lord still finds means to bring back His wanderers. Do not wait until you have made yourself better; let yourself be drawn by His goodness, for it leads to repentance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas Dios arbitra medio para no echar de Sí al desterrado.
2 Samuel 14:14
La promesa dice: “Tornaré la amontada” (Ezequiel 34:16). La culpa, la tentación, Satanás, las dudas y los temores las habían alejado del amparo del tabernáculo. Sin embargo, el Señor tiene respeto también a estas. Él dice: “Tornaré.” Pero ¿cómo? Por nada sino por un sentir de misericordia. No es con ceños, sino con sonrisas. “Con cuerdas humanas los traje”, dice el Señor (es decir, con los tiernos sentimientos que están ligados al corazón humano), “con cuerdas de amor.” Usted puede tronar, puede relampaguear, puede tomar el látigo y azotar a un pobre descarriado, pero nunca podrá hacerlo volver a casa a azotes. Tiene que ser atraído por la misericordia, por la benignidad de Dios, que guía al arrepentimiento.
¿Cómo fue traído de vuelta Pedro? Por aquella mirada que Jesús le dirigió mientras estaba en el patio del sumo sacerdote; aquella mirada de amor y reproche entremezclados. Fue esto lo que hizo que Pedro saliera fuera y llorara amargamente. Un ceño lo habría arrojado a la desesperación y lo habría hecho ahorcarse al lado de Judas; pero aquella mirada de reprensión y amor entremezclados hirió y sanó, llenó el corazón y los ojos del más hondo pesar y tristeza; y, sin embargo, derramó tal bálsamo sanador en su alma afligida que, cuando Jesús hubo resucitado de los muertos y por medio de Su ángel le envió un mensaje especial de que lo vería de nuevo en Galilea, se echó al mar para ir a Su encuentro cuando Él estaba en la orilla del lago de Tiberias.
De no haber sido por aquella mirada y aquel mensaje, más bien se habría echado al fondo por el reproche contra sí mismo, que lanzarse hacia la orilla con amor y afecto. Así fue traído de vuelta el pobre Pedro alejado. Y así también, por la voz del perdón, fue traído de vuelta el pobre David alejado. Porque el Señor arbitra medios para no echar de Sí a Sus desterrados.
Al lector…
¿Se siente usted alejado por la culpa, la tentación, las dudas y los temores, tan lejos que ya no sabe cómo hallar el camino de regreso? Escuche entonces lo que aquí está escrito: Él arbitra medios para no echar de Sí a Sus desterrados. El Señor ama a los Suyos, aun cuando se han extraviado, y dice: “Tornaré.” No lo hace por el terror, pues a un descarriado nunca se le puede hacer volver a casa a azotes, sino con cuerdas de amor.
Piense en el discípulo que negó a su Maestro. Un ceño lo habría llevado a la desesperación, pero aquella sola mirada de amor, mezclada con reproche, hirió y sanó al mismo tiempo. Salió y lloró amargamente, y más tarde se echó al mar solo para llegar a su Señor. Así sigue hallando el Señor medios para traer de vuelta a Sus errantes. No espere hasta haberse mejorado a sí mismo; déjese atraer por Su bondad, porque ella guía al arrepentimiento.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl