gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.
Romeinen 8:27
Gods wil staat vast en is even onveranderlijk als God Zelf. Onze wil verandert altijd; Gods wil wordt nooit bewogen. En daar die wil altijd moet bestaan en heersen, zo zal het onze hoogste wijsheid en rijkste genade zijn ons aan die wil te onderwerpen en er ons naar te gedragen. Nu wil God dat gij Zijn naam vreest, en die wil is niet uw verderf, maar uw behoud; nu uw voordeel, hiernamaals uw geluk; uw tegenwoordige genade en eeuwige heerlijkheid. En de Geest bidt voor u naar God, dat is naar de wil van God; want is het niet uw ernstig verlangen en uw gebed behouden en gezaligd te worden, God te dienen en tot Zijn verheerlijking te leven, en als gij sterft voor eeuwig met Hem te zijn?
Legt u dan neder aan Zijn voeten. Zijt gij het leem en laat Hij uw Pottenbakker zijn. Denkt er niet aan uzelf te behouden, of uw hand naar Zijn genadig werk uit te steken. Zijt tevreden niets te zijn. Zinkt zelfs nog lager; wilt minder dan niets zijn, opdat Christus alles in alles zij. Begeert boven alles de voorbidding des Geestes; want door die te bezitten, hebt gij een zeker onderpand dat Hij u door het leven zal leiden, u zal bijstaan in de dood en u in heerlijkheid doen aanlanden.
Onder Zijn geleide kunnen wij nooit dwalen; met Zijn dragende armen kunnen wij nooit vallen; door Hem onderwezen, zien wij onbevreesd voortgaan. Zonder Zijn licht zijn wij donkerheid; zonder Zijn leven zijn wij dood; zonder Zijn onderwijs zijn wij niets dan onwetendheid en dwaasheid. Wij kunnen de weg niet vinden als Hij ons niet leidt; maar als Hij ons leidt, kunnen wij die alleen vinden. Hoe meer wij op Zijn lering en leiding vertrouwen, des te beter zal het voor ons zijn; en hoe meer wij bij Zijn onderwijs nederig aan ’s Heeren voeten kunnen liggen en naar Hem opzien, opdat Hij ons Zijn wil kenbaar make en die in ons volbrenge, des te beter zal het voor onze eeuwige vrede zijn en des te meer ter Zijner eeuwige verheerlijking.
Dat elk verdrukt’ uw bijstand eens erlang’.
Laat, laat uw volk niet schaamrood wederkeren,
maar wil van hen ellend’ en nooddruft weren,
opdat z’ uw naam verheffen in gezang.
Psalm 74:20
Aan de lezer…
Weet u soms niet meer hoe u bidden moet? Zijn uw woorden op, en voelt u alleen nog een zucht die u zelf niet kunt verklaren? Wees dan niet bevreesd. Die de harten doorzoekt, weet welke de mening des Geestes is, want de Geest bidt voor de heiligen naar de wil van God. En is het niet het diepste verlangen van uw hart om behouden te worden en God te dienen? Dat verlangen is Zijn werk.
Legt u dan neder aan Zijn voeten, als leem in de hand van de Pottenbakker. U hoeft niet groot te zijn; zinkt veeleer lager, opdat Christus alles zij. Zonder Zijn licht bent u donkerheid en zonder Zijn leiding vindt u de weg niet, maar als Hij leidt, kunt u niet dwalen. Begeert boven alles die voorbidding des Geestes. Het is een zeker onderpand dat Hij u door het leven zal leiden, in de dood zal bijstaan en eens in heerlijkheid zal doen aanlanden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.
Romeinen 8:27
Gods wil staat vast en is even onveranderlijk als God Zelf. Onze wil verandert steeds; Gods wil wankelt nooit. En omdat die wil altijd blijft bestaan en heersen, zal het onze hoogste wijsheid en rijkste genade zijn om ons aan die wil te onderwerpen en ons ernaar te gedragen. Nu wil God dat u Zijn Naam vreest, en die wil is niet uw verderf, maar uw behoud: nu uw voordeel en hiernamaals uw geluk; uw genade in deze tijd en uw eeuwige heerlijkheid. En de Geest bidt voor u naar God, dat wil zeggen: naar de wil van God. Want is het niet uw ernstig verlangen en uw gebed om behouden en zalig te worden, God te dienen en tot Zijn eer te leven, en wanneer u sterft voor eeuwig bij Hem te zijn?
Leg u dan neer aan Zijn voeten. Wees het leem en laat Hem uw Pottenbakker zijn. Denk er niet aan uzelf te behouden of uw hand uit te steken naar Zijn genadig werk. Wees tevreden niets te zijn. Zink zelfs nog lager; wil minder dan niets zijn, opdat Christus alles in allen zij. Begeer boven alles de voorbede van de Geest. Want wanneer u die bezit, hebt u een zeker onderpand dat Hij u door het leven zal leiden, u in de dood zal bijstaan en u in de heerlijkheid zal laten aankomen.
Onder Zijn leiding kunnen wij nooit verdwalen; door Zijn armen gedragen kunnen wij nooit vallen; door Hem onderwezen gaan wij onbevreesd voort. Zonder Zijn licht zijn wij duisternis; zonder Zijn leven zijn wij dood; zonder Zijn onderwijs zijn wij niets dan onwetendheid en dwaasheid. Wij kunnen de weg niet vinden als Hij ons niet leidt; maar als Hij ons leidt, kunnen wij hem alleen vinden. Hoe meer wij op Zijn onderwijs en leiding vertrouwen, hoe beter het voor ons zal zijn. En hoe meer wij onder Zijn onderwijs nederig aan de voeten van de Heere kunnen liggen en naar Hem opzien, opdat Hij ons Zijn wil bekendmaakt en die in ons volbrengt, hoe beter het zal zijn voor onze eeuwige vrede en hoe meer het zal strekken tot Zijn eeuwige verheerlijking.
Dat elk verdrukt’ uw bijstand eens erlang’.
Laat, laat uw volk niet schaamrood wederkeren,
maar wil van hen ellend’ en nooddruft weren,
opdat z’ uw naam verheffen in gezang.
Psalm 74:20
Aan de lezer…
Weet u soms niet meer hoe u moet bidden? Zijn uw woorden op, en voelt u alleen nog een zucht die u zelf niet kunt verklaren? Wees dan niet bang. Hij Die de harten doorzoekt, weet wat de gezindheid van de Geest is, want de Geest bidt voor de heiligen naar de wil van God. En is het niet het diepste verlangen van uw hart om behouden te worden en God te dienen? Dat verlangen is Zijn werk.
Leg u dan neer aan Zijn voeten, als leem in de hand van de Pottenbakker. U hoeft niet groot te zijn; zink liever lager, opdat Christus alles zij. Zonder Zijn licht bent u duisternis en zonder Zijn leiding vindt u de weg niet, maar als Hij leidt, kunt u niet verdwalen. Begeer boven alles die voorbede van de Geest. Zij is een zeker onderpand dat Hij u door het leven zal leiden, in de dood zal bijstaan en eens in de heerlijkheid zal laten aankomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And He that searcheth the hearts knoweth what is the mind of the Spirit, because He maketh intercession for the saints according to the will of God.
Romans 8:27
God’s will must ever stand—it is as unchanging and as unchangeable as God Himself. Our wills are ever fluctuating; God’s will fluctuates not. And as that will must ever live and rule, it will be our highest wisdom and richest mercy to submit to, and be conformed unto it. Now the will of God to you who desire to fear His Name is not your destruction, but your salvation; your profit now, your happiness hereafter; your present grace, and eternal glory. And the Spirit is making intercession for you according to the will of God; for is it not your earnest desire and prayer that your soul should be saved and blessed, that you should serve God and live to His glory, and when you die be with Him forever?
Lie, then, at His feet. Be the clay, and let Him be your heavenly Potter. Do not think of saving yourself, or of putting your own hand to God’s gracious work. Be content to be nothing. Sink even lower than that; be willing to be less than nothing, that Christ may be all in all. Covet above all things the Spirit’s interceding breath; for in possessing that, you will have a sure pledge that He will guide you in life, support you in death, and land you in glory. With His guidance we can never err; with His supporting arms we can never fall; taught by Him we shall see the path of life plainly; upheld by His strength we shall walk in it without fear.
Without His light we are dark; without His life we are dead; without His teaching we are but a mass of ignorance and folly. We cannot find the way except He guides; but if He does guide, we cannot but find it. The more we confide in His teaching and guidance, the better it will be for us; and the more that under this teaching we can lie submissively at the Lord’s feet, looking up to Him for His will to be made known in us and perfected in us, the more it will be for our present peace, and the more it will redound to His eternal praise.
To the reader…
Do you sometimes no longer know how to pray? Have your words run out, and do you feel only a sigh that you cannot explain yourself? Then do not be afraid. He that searches the hearts knows what is the mind of the Spirit, for the Spirit makes intercession for the saints according to the will of God. And is it not the deepest desire of your heart to be saved and to serve God? That desire is His work.
Lie down, then, at His feet, as clay in the hand of the Potter. You do not need to be great; sink lower rather, that Christ may be all. Without His light you are darkness and without His guidance you cannot find the way, but if He leads, you cannot go astray. Covet above all things that intercession of the Spirit. It is a sure pledge that He will guide you in life, support you in death and one day land you in glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas el que escudriña los corazones, sabe cuál es el intento del Espíritu, que conforme a la voluntad de Dios, demanda por los santos.
Romanos 8:27
La voluntad de Dios ha de permanecer siempre; es tan inmutable e invariable como Dios mismo. Nuestras voluntades fluctúan siempre; la voluntad de Dios no fluctúa. Y como esa voluntad ha de vivir y gobernar siempre, será nuestra más alta sabiduría y nuestra más rica misericordia someternos a ella y ser conformados a ella. Ahora bien, la voluntad de Dios para con usted, que desea temer Su Nombre, no es su destrucción, sino su salvación; su provecho ahora, su felicidad después; su gracia presente y su gloria eterna. Y el Espíritu intercede por usted conforme a la voluntad de Dios; porque ¿no es su ferviente deseo y oración que su alma sea salva y bendecida, que usted sirva a Dios y viva para Su gloria, y que cuando muera esté con Él para siempre?
Échese, pues, a Sus pies. Sea usted el barro, y deje que Él sea su Alfarero celestial. No piense en salvarse a sí mismo, ni en poner su propia mano en la obra misericordiosa de Dios. Conténtese con no ser nada. Húndase aún más bajo; esté dispuesto a ser menos que nada, para que Cristo sea el todo en todos. Codicie sobre todas las cosas el aliento intercesor del Espíritu; porque al poseerlo tendrá una prenda segura de que Él le guiará en la vida, le sostendrá en la muerte y le llevará a la gloria. Con Su guía nunca podemos errar; con Sus brazos que sostienen nunca podemos caer; enseñados por Él veremos claramente la senda de la vida; sostenidos por Su fuerza andaremos en ella sin temor.
Sin Su luz somos tinieblas; sin Su vida estamos muertos; sin Su enseñanza no somos más que una masa de ignorancia y necedad. No podemos hallar el camino si Él no guía; pero si Él guía, no podemos dejar de hallarlo. Cuanto más confiemos en Su enseñanza y Su guía, tanto mejor será para nosotros; y cuanto más, bajo esta enseñanza, podamos estar sumisos a los pies del Señor, mirando a Él para que Su voluntad se dé a conocer en nosotros y se perfeccione en nosotros, tanto más será para nuestra paz presente, y tanto más redundará en Su alabanza eterna.
Al lector…
¿A veces ya no sabe usted cómo orar? ¿Se le han acabado las palabras, y solo siente un suspiro que no puede explicarse a sí mismo? Entonces no tema. El que escudriña los corazones sabe cuál es el intento del Espíritu, porque el Espíritu intercede por los santos conforme a la voluntad de Dios. ¿Y no es el deseo más profundo de su corazón ser salvo y servir a Dios? Ese deseo es obra Suya.
Échese, pues, a Sus pies, como barro en la mano del Alfarero. No necesita ser grande; húndase más bien más bajo, para que Cristo lo sea todo. Sin Su luz usted es tinieblas y sin Su guía no puede hallar el camino, pero si Él guía, no puede extraviarse. Codicie sobre todas las cosas esa intercesión del Espíritu. Es una prenda segura de que Él le guiará en la vida, le sostendrá en la muerte y un día le llevará a la gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De menselijke natuur van Christus
Alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God.
1 Johannes 4:2
In onze overdenkingen van de heilige menselijke natuur van de aanbiddenswaardige Verlosser moeten we nooit, zelfs niet in gedachten, Zijn menselijke natuur van Zijn goddelijke natuur scheiden. Zelfs toen Zijn heilige lichaam in het graf lag, en dus voor een tijd van Zijn zuivere en heilige ziel was afgescheiden door de dood en het graf, was er geen scheiding van de twee naturen. Want, zoals eerder aangetoond, Zijn menselijke ziel werd, nadat Hij ooit was vleesgeworden in de schoot van de maagd, nooit van Zijn Godheid gescheiden, maar ging er onverbrekelijk mee verbonden naar het paradijs. Het is een fundamenteel artikel van ons allerheiligste geloof dat de menselijke natuur van de Heere Jezus Christus niet los van Zijn goddelijke natuur kan bestaan. In de schoot van de maagd, in de eenvoudige kribbe, in de eenzame woestijn, op de heilige berg der verheerlijking, in de sombere hof van Gethsemané, in Pilatus’ rechtszaal, aan het kruis en in het graf was Jezus nog steeds Immanuël, God met ons.
En zo onuitsprekelijk nauw en innig is de verbinding van de menselijke met de goddelijke natuur, dat de handelingen van elke natuur, hoewel onderscheidbaar, niet van elkaar kunnen en moeten worden gescheiden. Zo waren het de menselijke handen van Jezus die de zeven broden en vissen braken, maar het was de Godmens Die ze vermenigvuldigde om er vierduizend mannen, behalve vrouwen en kinderen, mee te voeden (Matt. 15:38). De menselijke voeten van Jezus wandelden over de zee van Galilea, maar het was de Zoon van God Die op de golven naar het schip liep (Matt. 14:33). De menselijke lippen van Jezus spraken de woorden uit die „geest zijn en leven” (Joh. 6:63), maar het was de Zoon van de levende God Die ze sprak (Joh. 6:69). De menselijke handen en voeten van Jezus werden aan het kruis genageld, maar het bloed dat eruit stroomde, was goddelijk.
Lezen: Mattheüs 22:34-46
Aan de lezer…
Kent u dat? In uw nood ziet u op tot Jezus. Maar tot Wie ziet u dan op? Niet tot een mens alleen, die met u kan meevoelen maar u niet kan redden, en niet tot een God in de verte, Die uw zwakheid niet kent. In de kribbe, in de hof, aan het kruis en in het graf was Hij Immanuël, God met ons. De handen die het brood braken, waren menselijke handen, maar Hij Die het vermenigvuldigde, was de Zoon van God.
Hier ligt de grond voor een bevende ziel. Het bloed dat aan het kruis vloeide, stroomde uit menselijke handen en voeten, en toch was het goddelijk; daarom is het machtig genoeg om de zwaarste schuld te bedekken. De woorden die van Zijn lippen kwamen, zijn geest en leven. Gaat dan met uw honger tot Hem, zoals de schare in de woestijn; Hij Die zeven broden zo vermenigvuldigde, zal een arme ziel niet hongerig wegzenden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God.
1 Johannes 4:2
Als we de heilige menselijke natuur van de aanbiddelijke Verlosser overdenken, moeten we Zijn menselijke natuur nooit, zelfs niet in gedachten, van Zijn goddelijke natuur scheiden. Zelfs toen Zijn heilig lichaam in het graf lag en dus voor een tijd door de dood en het graf van Zijn zuivere en heilige ziel gescheiden was, was er geen scheiding van de twee naturen. Want zoals eerder aangetoond, werd Zijn menselijke ziel, nadat Hij eenmaal in de schoot van de maagd vlees geworden was, nooit van Zijn Godheid gescheiden, maar ging zij, onverbrekelijk daarmee verbonden, naar het paradijs. Het is een fundamenteel artikel van ons allerheiligst geloof dat de menselijke natuur van de Heere Jezus Christus niet los van Zijn goddelijke natuur kan bestaan. In de schoot van de maagd, in de eenvoudige kribbe, in de eenzame woestijn, op de heilige berg van de verheerlijking, in de sombere hof van Gethsémané, in de rechtszaal van Pilatus, aan het kruis en in het graf was Jezus nog steeds Immanuël, God met ons.
En de vereniging van de menselijke met de goddelijke natuur is zo onuitsprekelijk nauw en innig, dat de handelingen van elke natuur, hoewel ze te onderscheiden zijn, niet van elkaar gescheiden kunnen en mogen worden. Zo waren het de menselijke handen van Jezus die de zeven broden en de vissen braken, maar het was de Godmens Die ze vermenigvuldigde om er vierduizend mannen mee te voeden, behalve vrouwen en kinderen (Matt. 15:38). De menselijke voeten van Jezus wandelden over de zee van Galilea, maar het was de Zoon van God Die op de golven naar het schip liep (Matt. 14:33). De menselijke lippen van Jezus spraken de woorden uit die „geest zijn en leven” (Joh. 6:63), maar het was de Zoon van de levende God Die ze sprak (Joh. 6:69). De menselijke handen en voeten van Jezus werden aan het kruis genageld, maar het bloed dat eruit stroomde, was goddelijk.
Lezen: Mattheüs 22:34-46
Aan de lezer…
Kent u dat? In uw nood ziet u op naar Jezus. Maar naar Wie ziet u dan op? Niet naar een mens alleen, die met u kan meevoelen maar u niet kan redden, en niet naar een God in de verte, Die uw zwakheid niet kent. In de kribbe, in de hof, aan het kruis en in het graf was Hij Immanuël, God met ons. De handen die het brood braken, waren menselijke handen, maar Hij Die het vermenigvuldigde, was de Zoon van God.
Hier ligt de grond voor een bevende ziel. Het bloed dat aan het kruis vloeide, stroomde uit menselijke handen en voeten, en toch was het goddelijk; daarom is het machtig genoeg om de zwaarste schuld te bedekken. De woorden die van Zijn lippen kwamen, zijn geest en leven. Ga dan met uw honger naar Hem toe, zoals de schare in de woestijn; Hij Die zeven broden zo vermenigvuldigde, zal een arme ziel niet hongerig wegsturen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Every spirit that confesseth that Jesus Christ is come in the flesh is of God.
1 John 4:2
When we meditate on the holy human nature of the adorable Redeemer, we must never, not even in thought, separate His human nature from His Divine nature. Even when His holy body lay in the grave, and was thus for a time separated by death and the grave from His pure and holy soul, there was no separation of the two natures. For as was shown before, His human soul, once He had become flesh in the womb of the virgin, was never separated from His Godhead, but went, indissolubly united with it, into paradise. It is a fundamental article of our most holy faith that the human nature of the Lord Jesus Christ cannot exist apart from His Divine nature. In the womb of the virgin, in the lowly manger, in the lonely wilderness, on the holy mount of transfiguration, in the gloomy garden of Gethsemane, in Pilate’s judgment hall, on the cross and in the tomb, Jesus was still Immanuel, God with us.
And the union of the human with the Divine nature is so unspeakably close and intimate that the acts of each nature, though they may be distinguished, cannot and may not be separated from each other. Thus it was the human hands of Jesus that broke the seven loaves and the fishes, but it was the God-Man Who multiplied them to feed four thousand men with them, beside women and children (Matt. 15:38). The human feet of Jesus walked upon the sea of Galilee, but it was the Son of God Who walked on the waves to the ship (Matt. 14:33). The human lips of Jesus spoke the words that “are spirit, and they are life” (John 6:63), but it was the Son of the living God Who spoke them (John 6:69). The human hands and feet of Jesus were nailed to the cross, but the blood that flowed from them was Divine.
Reading: Matthew 22:34-46
To the reader…
Do you know this? In your need you look up to Jesus. But to Whom do you then look up? Not to a man only, who can feel with you but cannot save you, and not to a God far away, Who does not know your weakness. In the manger, in the garden, on the cross and in the tomb He was Immanuel, God with us. The hands that broke the bread were human hands, but He Who multiplied it was the Son of God.
Here lies the ground for a trembling soul. The blood that flowed on the cross streamed from human hands and feet, and yet it was Divine; therefore it is mighty enough to cover the heaviest guilt. The words that came from His lips are spirit and life. Go to Him, then, with your hunger, as the multitude did in the wilderness; He Who so multiplied seven loaves will not send a poor soul away hungry.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Todo espíritu que confiesa que Jesucristo es venido en carne es de Dios.
1 Juan 4:2
Cuando meditamos en la santa naturaleza humana del adorable Redentor, nunca debemos, ni siquiera en el pensamiento, separar Su naturaleza humana de Su naturaleza divina. Aun cuando Su santo cuerpo yacía en el sepulcro, y estaba así por un tiempo separado por la muerte y el sepulcro de Su alma pura y santa, no hubo separación de las dos naturalezas. Porque, como se mostró antes, Su alma humana, una vez que se hizo carne en el seno de la virgen, nunca fue separada de Su divinidad, sino que fue al paraíso unida indisolublemente con ella. Es un artículo fundamental de nuestra santísima fe que la naturaleza humana del Señor Jesucristo no puede existir aparte de Su naturaleza divina. En el seno de la virgen, en el humilde pesebre, en el desierto solitario, en el santo monte de la transfiguración, en el sombrío huerto de Getsemaní, en el pretorio de Pilato, en la cruz y en la tumba, Jesús seguía siendo Emanuel, Dios con nosotros.
Y la unión de la naturaleza humana con la divina es tan inefablemente estrecha e íntima que los actos de cada naturaleza, aunque pueden distinguirse, no pueden ni deben separarse el uno del otro. Así, fueron las manos humanas de Jesús las que partieron los siete panes y los peces, pero fue el Dios-Hombre Quien los multiplicó para alimentar con ellos a cuatro mil hombres, sin las mujeres y los niños (Mateo 15:38). Los pies humanos de Jesús anduvieron sobre el mar de Galilea, pero fue el Hijo de Dios Quien anduvo sobre las olas hasta la barca (Mateo 14:33). Los labios humanos de Jesús hablaron las palabras que “son espíritu y son vida” (Juan 6:63), pero fue el Hijo del Dios viviente Quien las habló (Juan 6:69). Las manos y los pies humanos de Jesús fueron clavados en la cruz, pero la sangre que fluyó de ellos era divina.
Lectura: Mateo 22:34-46
Al lector…
¿Conoce usted esto? En su necesidad alza los ojos a Jesús. Pero ¿a Quién alza entonces los ojos? No a un hombre solamente, que puede compadecerse de usted pero no puede salvarle, ni a un Dios lejano, que no conoce su debilidad. En el pesebre, en el huerto, en la cruz y en la tumba Él era Emanuel, Dios con nosotros. Las manos que partieron el pan eran manos humanas, pero Aquel que lo multiplicó era el Hijo de Dios.
Aquí está el fundamento para un alma temblorosa. La sangre que fluyó en la cruz brotó de manos y pies humanos, y sin embargo era divina; por eso es lo bastante poderosa para cubrir la culpa más pesada. Las palabras que salieron de Sus labios son espíritu y vida. Vaya, pues, a Él con su hambre, como lo hizo la multitud en el desierto; Aquel que así multiplicó siete panes no despedirá con hambre a una pobre alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En de liefelijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons; ja, het werk onzer handen, bevestig dat.
Psalm 90:17
Wat is deze liefelijkheid? De liefelijkheid des Heeren onzes Gods. Het is derhalve de liefelijkheid van de Godmens: de schoonheid, de heiligheid, de volmaaktheid en heerlijkheid die te allen tijde uitblinken in de Zoon van God. Nu, de dagen der verdrukking en de jaren waarin het kwaad gezien wordt, hebben alle schoonheid van alle schepselen bevlekt. Er was mogelijk een tijd waarin wij vermaak en genoegen konden vinden in hetgeen wij waren, of in hetgeen wij ons ijdellijk inbeeldden dat wij zouden zijn. Onze eigen gerechtigheid kwam ons schoon en heerlijk voor, en onze godsdienst gaf ons genoegen en was aangenaam naar onze bevatting.
Maar hoe is het uitgelopen? Verijdeld, verijdeld, totaal verijdeld. Waardoor? Door de dagen der verdrukking en door de jaren in dewelke wij het kwaad gezien hebben. Deze hebben daadwerkelijk alle heerlijkheid der schepselen verdorven, misvormd en bezoedeld. In één woord, wij waren eens zeer met onszelf ingenomen, maar het eigen ik heeft zich aan ons als een zó vreselijk monster vertoond en zich zó vuil en verachtelijk voorgedaan, dat wij de liefde tot hem geheel en al hebben opgezegd. En wij hebben daartegenover bij tijden zulk een schoonheid, heerlijkheid, beminnelijkheid en gepastheid in de Zoon van God gezien, dat wij Hem hebben liefgekregen toen wij de liefde tot het eigen ik hadden opgezegd.
Dus naarmate onze eigen schoonheid en ons voorkomen verdorven en misvormd zijn geworden, zijn de schoonheid en dierbaarheid des Heeren gestegen, en het is de begeerte onzer ziel geworden: „Laat de liefelijkheid des Heeren onzes Gods over ons zijn.” Laat ons daarin aanschouwd worden; laat zij door God Zelf aan ons toegepast worden; laat ons daarmede openbaar voor de ogen van een hartdoorzoekend Jehova bekleed worden. Laat de liefelijkheid van Jezus’ verzoenend bloed, de schoonheid van Zijn volmaakte gerechtigheid, de schoonheid van Zijn stervende liefde, de schoonheid en heiligheid van Zijn heerlijke Persoon op ons zijn. Dat zij al onze onreinheid, schuld en schande bedekke en zich uitspreide over onze naaktheid, zonde en verdorvenheid, opdat God, wanneer Hij ons aanziet, ons niet aanschouwe zoals wij zijn, verdorven, misvormd en vol wonden en striemen en etterbuilen die niet uitgedrukt zijn, maar wij mogen staan aangenaam in de Geliefde, met de liefelijkheid des Heeren onzes Gods over ons.
O, wat een onovertreffelijk kleed is dit! Het gaat dat der engelen te boven, want het is de gerechtigheid van Gods eniggeboren Zoon! En indien wij staan met de liefelijkheid des Heeren over ons, dan kunnen wij ons stellen tegen alle beschuldigingen van de wet, tegen alle beschuldigingen van een schuldige consciëntie en tegen al de pijlen der hel.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zijn eigen schoonheid heeft zien verwelken in de dagen der verdrukking. Hebt u gezien wat u werkelijk bent, en is dat eigen ik u een monster geworden waarvoor u zich schaamt? Het is een bittere les, maar geen verloren les. Want juist waar al het schone van het schepsel verijdeld wordt, gaat de schoonheid van de Zoon van God opklimmen in het oog van een arme ziel.
Zoek dan geen kleed in uzelf. Bid met de psalmist dat de liefelijkheid des Heeren onzes Gods over u zij: de liefelijkheid van Zijn verzoenend bloed en van Zijn volmaakte gerechtigheid. Daaronder ziet God niet de wonden en striemen die u zo goed kent, maar Hij aanschouwt u aangenaam in de Geliefde. Komt de wet u beschuldigen, of spreekt uw consciëntie u schuldig, of vallen de pijlen der hel op u aan, dan mag u zich stellen achter dat onovertreffelijke kleed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de liefelijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons; ja, het werk onzer handen, bevestig dat.
Psalm 90:17
Wat is deze liefelijkheid? De liefelijkheid van de Heere onze God. Het is dus de liefelijkheid van de Godmens: de schoonheid, de heiligheid, de volmaaktheid en de heerlijkheid die altijd uitblinken in de Zoon van God. Nu hebben de dagen van verdrukking en de jaren waarin wij het kwaad gezien hebben, alle schoonheid van alle schepselen bevlekt. Er was misschien een tijd waarin wij vreugde en genoegen konden vinden in wat wij waren, of in wat wij ons ijdel inbeeldden dat wij zouden zijn. Onze eigen gerechtigheid leek ons mooi en heerlijk, en onze godsdienst gaf ons genoegen en was naar ons idee aangenaam.
Maar hoe is het afgelopen? Verijdeld, verijdeld, volkomen verijdeld. Waardoor? Door de dagen van verdrukking en door de jaren waarin wij het kwaad gezien hebben. Die hebben werkelijk alle heerlijkheid van de schepselen bedorven, misvormd en bezoedeld. In één woord: wij waren eens zeer met onszelf ingenomen, maar het eigen ik heeft zich aan ons vertoond als zo’n vreselijk monster en zich zo vuil en verachtelijk voorgedaan, dat wij onze liefde ervoor helemaal hebben opgezegd. En daartegenover hebben wij soms zo’n schoonheid, heerlijkheid, beminnelijkheid en gepastheid in de Zoon van God gezien, dat wij Hem zijn gaan liefhebben toen wij onze liefde voor het eigen ik hadden opgezegd.
Naarmate onze eigen schoonheid en ons aanzien dus bedorven en misvormd zijn geworden, zijn de schoonheid en dierbaarheid van de Heere gestegen, en is het de begeerte van onze ziel geworden: „Laat de liefelijkheid des Heeren onzes Gods over ons zijn.” Laat ons daarin gezien worden; laat zij door God Zelf op ons worden toegepast; laat ons daarmee openlijk bekleed worden voor de ogen van een hartdoorzoekende Jehova. Laat de liefelijkheid van het verzoenende bloed van Jezus, de schoonheid van Zijn volmaakte gerechtigheid, de schoonheid van Zijn stervende liefde, de schoonheid en heiligheid van Zijn heerlijke Persoon op ons zijn.
Laat zij al onze onreinheid, schuld en schande bedekken en zich uitspreiden over onze naaktheid, zonde en verdorvenheid, zodat God, wanneer Hij ons aanziet, ons niet ziet zoals wij zijn: verdorven, misvormd en vol wonden, striemen en etterende builen die niet uitgedrukt zijn. Laat ons dan aangenaam mogen staan in de Geliefde, met de liefelijkheid van de Heere onze God over ons.
O, wat een onovertroffen kleed is dit! Het overtreft dat van de engelen, want het is de gerechtigheid van Gods eniggeboren Zoon! En als wij staan met de liefelijkheid van de Heere over ons, dan kunnen wij standhouden tegen alle beschuldigingen van de wet, tegen alle beschuldigingen van een schuldig geweten en tegen alle pijlen van de hel.
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie zijn eigen schoonheid heeft zien verwelken in de dagen van verdrukking. Hebt u gezien wat u werkelijk bent, en is dat eigen ik voor u een monster geworden waarvoor u zich schaamt? Het is een bittere les, maar geen verloren les. Want juist waar al het schone van het schepsel verijdeld wordt, gaat de schoonheid van de Zoon van God stijgen in het oog van een arme ziel.
Zoek dan geen kleed in uzelf. Bid met de psalmist dat de liefelijkheid van de Heere onze God over u mag zijn: de liefelijkheid van Zijn verzoenende bloed en van Zijn volmaakte gerechtigheid. Daaronder ziet God niet de wonden en striemen die u zo goed kent, maar ziet Hij u aangenaam in de Geliefde. Komt de wet u beschuldigen, spreekt uw geweten u schuldig, of vallen de pijlen van de hel op u aan, dan mag u schuilen achter dat onovertroffen kleed.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And let the beauty of the LORD our God be upon us: and establish thou the work of our hands upon us; yea, the work of our hands establish thou it.”
Psalm 90:17
What is this beauty? “The beauty of the Lord our God.” It is, therefore, the beauty of the God-man; the loveliness, the holiness, the perfection, and glory that ever dwells in the Son of God. Now “days of affliction, and years of evil” have marred all creature loveliness. There was a time, perhaps, when we could take some pleasure and delight in what we were, or what we vainly fancied we would be. Our own righteousness had a beauty and loveliness to us; and our religion was amiable and pleasing in our own sight. But what has become of it? Marred, marred; totally marred. By what? “Days of affliction, and years of evil.” These have effectually ruined, defaced, and polluted all creature loveliness.
In a word, we were once deeply in love with self; but self has been shown to us such a hideous monster, in so vile and despicable a light, that we have fallen out of love with him altogether; and we have seen, at times, such beauty, glory, loveliness, and suitability in the Son of God, that as we have fallen out of love with self, we have fallen in love with Jesus. Thus as all our own beauty and our own loveliness have been marred and defaced, the beauty and loveliness of the Lord have risen in due proportion.
So that this has become the desire of our soul, “Let the beauty of the Lord our God be upon us. Let us stand accepted in it; let it be put upon us by the imputation of God Himself; let us be clothed with it manifestly before the eyes of a heart-searching Jehovah. Let the beauty of Jesus’ atoning blood, the beauty of His perfect righteousness, the beauty of His dying love, the beauty and holiness of His glorious Person be upon us, covering all our filth, guilt and shame, spreading itself over all our nakedness, sin and pollution, that when God looks upon us, He may not see us as we are—marred, defaced, and full of wounds and bruises and putrefying sores; but may see us standing accepted in the Beloved, with ‘the beauty of the Lord our God’ upon us.”
Oh, what a matchless robe is this! It outshines angels’—for it is the righteousness of God’s only-begotten Son! And if we stand with “the beauty of the Lord our God” upon us, we can bid defiance to all law-charges, to all the accusations of a guilty conscience, and to all the darts from hell.
To the reader…
Here is a word for whoever has seen his own beauty wither in the days of affliction. Have you seen what you really are, and has that self become a monster to you, of which you are ashamed? It is a bitter lesson, but not a wasted one. For just where all the beauty of the creature is marred, the beauty of the Son of God begins to rise in the eye of a poor soul.
So do not look for a robe in yourself. Pray with the psalmist that the beauty of the Lord our God may be upon you: the beauty of His atoning blood and of His perfect righteousness. Beneath it God does not see the wounds and bruises you know so well, but He sees you accepted in the Beloved. If the law comes to accuse you, if your conscience pronounces you guilty, or if the darts of hell assail you, then you may shelter behind that matchless robe.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y sea la hermosura de Jehová nuestro Dios sobre nosotros: y ordena en nosotros la obra de nuestras manos, la obra de nuestras manos confirma.”
Salmo 90:17
¿Qué es esta hermosura? “La hermosura de Jehová nuestro Dios.” Es, por tanto, la hermosura del Dios-hombre; la belleza, la santidad, la perfección y la gloria que siempre moran en el Hijo de Dios. Ahora bien, “los días que nos afligiste, los años que vimos mal” han estropeado toda belleza de la criatura. Hubo un tiempo, quizá, en que podíamos hallar algún gusto y deleite en lo que éramos, o en lo que vanamente imaginábamos que llegaríamos a ser. Nuestra propia justicia tenía para nosotros hermosura y belleza; y nuestra religión era amable y agradable a nuestros propios ojos. Pero ¿qué ha sido de ella? Estropeada, estropeada; totalmente estropeada. ¿Por qué? Por “los días que nos afligiste, los años que vimos mal”. Estos han arruinado, desfigurado y contaminado eficazmente toda belleza de la criatura.
En una palabra, una vez estábamos profundamente enamorados del yo; pero el yo se nos ha mostrado como un monstruo tan horrible, bajo una luz tan vil y despreciable, que hemos dejado de amarlo por completo; y hemos visto a veces tal hermosura, gloria, belleza e idoneidad en el Hijo de Dios, que al dejar de amar al yo nos hemos enamorado de Jesús. Así, a medida que toda nuestra propia hermosura y nuestra propia belleza han sido estropeadas y desfiguradas, la hermosura y la belleza del Señor se han elevado en la debida proporción.
De modo que este ha llegado a ser el deseo de nuestra alma: “Sea la hermosura de Jehová nuestro Dios sobre nosotros. Estemos aceptos en ella; sea puesta sobre nosotros por la imputación de Dios mismo; seamos revestidos de ella manifiestamente ante los ojos de un Jehová que escudriña los corazones. Sea sobre nosotros la hermosura de la sangre expiatoria de Jesús, la hermosura de Su perfecta justicia, la hermosura de Su amor moribundo, la hermosura y santidad de Su gloriosa Persona, cubriendo toda nuestra inmundicia, culpa y vergüenza, extendiéndose sobre toda nuestra desnudez, pecado y contaminación, para que cuando Dios nos mire, no nos vea como somos —estropeados, desfigurados y llenos de heridas, hinchazón y podridas llagas—, sino que nos vea aceptos en el Amado, con ‘la hermosura de Jehová nuestro Dios’ sobre nosotros.”
¡Oh, qué manto sin igual es este! Supera en brillo al de los ángeles, ¡porque es la justicia del Hijo unigénito de Dios! Y si estamos con “la hermosura de Jehová nuestro Dios” sobre nosotros, podemos desafiar todas las acusaciones de la ley, todas las acusaciones de una conciencia culpable y todos los dardos del infierno.
Al lector…
He aquí una palabra para quien ha visto marchitarse su propia hermosura en los días de aflicción. ¿Ha visto lo que realmente es, y ese yo se ha convertido para usted en un monstruo del que se avergüenza? Es una lección amarga, pero no inútil. Porque precisamente donde toda la hermosura de la criatura queda estropeada, la hermosura del Hijo de Dios comienza a elevarse a los ojos de un alma pobre.
No busque, pues, un manto en sí mismo. Pida con el salmista que la hermosura de Jehová nuestro Dios sea sobre usted: la hermosura de Su sangre expiatoria y de Su perfecta justicia. Bajo ella Dios no ve las heridas y la hinchazón que usted conoce tan bien, sino que le ve acepto en el Amado. Si la ley viene a acusarle, si su conciencia le declara culpable, o si los dardos del infierno le asaltan, entonces puede refugiarse tras ese manto sin igual.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl