5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren, in de landen der levenden.
Psalm 116:9
Er is onderscheid tussen het wandelen voor Gods aangezicht en wandelen met God. Wandelen voor Gods aangezicht is wandelen met het bewustzijn dat Gods oog steeds op ons gevestigd is; wandelen met een verlangen naar die dingen die aangenaam zijn in Gods oog; onbesmet wandelen naar Zijn bevelen; wandelen voor Zijn volk zodanig, dat onze klederen door de wereld niet zijn bevlekt; in één woord, wandelen voor Zijn aangezicht in de afzondering en in het openbaar, alleen en in gezelschap, voor de kerk en voor de wereld, bij dag en bij nacht, zoals wij behoren te wandelen, alsof wij Zijn heerlijke majesteit in de hemel hier steeds voor onze ogen hadden. Indien gij nu dagelijks een diep gevoel in u omdraagt dat God elke gedachte zag, elke beweging opmerkte, elk woord hoorde en elke daad gadesloeg, zou die gedachte uw lichtzinnige, beuzelachtige en dwaze geest in bedwang houden. Gij zoudt de wacht houden over uw gedachten, uw woorden, uw daden, als levende onder het bewustzijn dat Gods alziend oog u gadeslaat. Dat is wandelen voor Gods aangezicht.
Maar wij lezen dat Henoch wandelde met God. Dit is een hogere trap van het Goddelijk leven. Wandelen met God is in liefelijke gemeenschap, in heilig vertrouwen, in een gezegend gevoel van belangstelling in Zijn liefde en genade wandelen, en dus met Hem wandelen en spreken als een man wandelt en spreekt met zijn vriend. Er zijn er die voor Gods aangezicht wandelen, maar hoe weinigen wandelen met God! Velen leven onder een meer of min diep en dagelijks gevoel van Gods alomtegenwoordigheid en alwetendheid, die niet in Zijn liefelijke gemeenschap zijn toegelaten, noch de zegen genieten van deze hemelse omgang.
’k Zal met verstand de weg betreên der vromen.
Wanneer zult Gij, mijn Bondsgod, tot mij komen?
Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid
d’ oprechtigheid.
Psalm 101:2
Aan de lezer…
Wat een woord: wandelen voor het aangezicht des Heeren! Leeft u met het besef dat Gods oog op u gevestigd is? Niet alleen in de kerk, maar ook in de afzondering; niet alleen bij dag, maar ook bij nacht? Het zou onze lichtzinnige en beuzelachtige geest wel in bedwang houden, als wij dagelijks gevoelden dat Hij elke gedachte ziet en elk woord hoort. Wij moeten eerlijk bekennen hoe weinig wij zo wandelen, en hoe licht onze klederen door de wereld bevlekt worden.
Maar het gaat nog verder. Met God wandelen is meer: het is in liefelijke gemeenschap en heilig vertrouwen met Hem omgaan, zoals een man met zijn vriend spreekt. Kent u daar weinig van, en verlangt u er toch naar? Laat dat verlangen dan een gebed worden. Hij, Die Henoch tot Zich trok, is nog dezelfde, en Hij laat zulke behoeftigen niet zonder antwoord. Zeg dan met de psalmist: „Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren, in de landen der levenden.
Psalm 116:9
Er is verschil tussen wandelen voor Gods aangezicht en wandelen met God. Wandelen voor Gods aangezicht is wandelen met het besef dat Gods oog altijd op ons gericht is. Het is wandelen met een verlangen naar wat aangenaam is in Gods ogen, onbesmet wandelen naar Zijn geboden, en zo wandelen voor de ogen van Zijn volk dat onze kleren niet door de wereld bevlekt zijn. Kortom, het is wandelen voor Zijn aangezicht in de eenzaamheid en in het openbaar, alleen en in gezelschap, voor de kerk en voor de wereld, bij dag en bij nacht, zoals wij behoren te wandelen: alsof wij Zijn heerlijke majesteit in de hemel hier steeds voor ogen hadden.
Als u nu dagelijks een diep besef met u meedroeg dat God elke gedachte ziet, elke beweging opmerkt, elk woord hoort en elke daad gadeslaat, dan zou die gedachte uw lichtzinnige, beuzelachtige en dwaze geest in toom houden. U zou de wacht houden over uw gedachten, uw woorden en uw daden, omdat u leefde in het besef dat Gods alziend oog u gadeslaat. Dat is wandelen voor Gods aangezicht.
Maar wij lezen dat Henoch met God wandelde. Dat is een hogere trap van het goddelijk leven. Wandelen met God is wandelen in lieflijke gemeenschap, in heilig vertrouwen, in een gezegend besef dat wij deel hebben aan Zijn liefde en genade, en zo met Hem wandelen en spreken zoals een man wandelt en spreekt met zijn vriend. Er zijn er die voor Gods aangezicht wandelen, maar hoe weinigen wandelen met God! Velen leven dagelijks met een meer of minder diep besef van Gods alomtegenwoordigheid en alwetendheid, en zijn toch niet toegelaten tot Zijn lieflijke gemeenschap en genieten de zegen van deze hemelse omgang niet.
’k Zal met verstand de weg betreên der vromen.
Wanneer zult Gij, mijn Bondsgod, tot mij komen?
Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid
d’ oprechtigheid.
Psalm 101:2
Aan de lezer…
Wat een woord: wandelen voor het aangezicht van de Heere! Leeft u met het besef dat Gods oog op u gericht is? Niet alleen in de kerk, maar ook als u alleen bent; niet alleen overdag, maar ook ’s nachts? Het zou onze lichtzinnige en beuzelachtige geest wel in toom houden als wij dagelijks beseften dat Hij elke gedachte ziet en elk woord hoort. Wij moeten eerlijk erkennen hoe weinig wij zo wandelen, en hoe gemakkelijk onze kleren door de wereld bevlekt worden.
Maar het gaat nog verder. Met God wandelen is meer: het is in lieflijke gemeenschap en heilig vertrouwen met Hem omgaan, zoals een man met zijn vriend spreekt. Kent u daar weinig van, en verlangt u er toch naar? Laat dat verlangen dan een gebed worden. Hij Die Henoch tot Zich trok, is nog dezelfde, en Hij laat zulke behoeftigen niet zonder antwoord. Zeg dan met de psalmist: „Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will walk before the LORD in the land of the living.
Psalm 116:9
There is a distinction between walking before God and walking with God. To walk before God is to walk with an abiding sense of God’s eye being upon us; to walk with a desire to do those things which are pleasing in His sight; to walk in His ordinances blameless; to walk before His people with our garments unspotted by the world; in a word, to walk before Him in private as in public, alone and in company, before the Church and the world, by day and by night, as we should walk if we had a personal view of His glorious majesty in heaven before our eyes.
Now if you carried about with you a deep and daily sense that God saw every thought, marked every movement, heard every word, and observed every action, this sense of His presence would put a restraint upon your light, trifling, and foolish spirit. You would watch your thoughts, your words, your actions, as living under a sense of God’s heart-searching eye. This is to walk before God.
But we read of Enoch that he “walked with God.” This is a more advanced stage of the divine life. To walk with God is to walk with Him in sweet familiarity, in holy confidence, in a blessed sense of a saving interest in His love and grace, and thus to walk with Him and talk with Him as a man walks and talks with his friend. There are some who walk before God, but how few walk with God! Many live under a more or less deep and daily sense of God’s heart-searching presence, who are not admitted into this sweet familiarity, nor enjoy the blessedness of this heavenly communion.
To the reader…
What a word: to walk before the face of the Lord! Do you live with the awareness that God’s eye is upon you? Not only in church, but also when you are alone; not only by day, but also at night? It would surely restrain our light and trifling spirit if we realised daily that He sees every thought and hears every word. We must honestly admit how little we walk like this, and how easily our garments are stained by the world.
But it goes further still. To walk with God is more: it is to go about with Him in sweet fellowship and holy confidence, as a man speaks with his friend. Do you know little of that, and yet long for it? Then let that longing become a prayer. He Who drew Enoch to Himself is still the same, and He does not leave such needy ones without an answer. Then say with the psalmist: “I will walk before the LORD.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Andaré delante de Jehová en la tierra de los vivientes.
Salmo 116:9
Hay una distinción entre andar delante de Dios y andar con Dios. Andar delante de Dios es andar con un sentido permanente de que el ojo de Dios está sobre nosotros; andar con el deseo de hacer las cosas que son agradables delante de Él; andar en Sus ordenanzas sin reprensión; andar delante de Su pueblo con nuestras vestiduras sin mancha del mundo; en una palabra, andar delante de Él en privado como en público, a solas y en compañía, delante de la Iglesia y del mundo, de día y de noche, como andaríamos si tuviéramos ante nuestros ojos una vista personal de Su gloriosa majestad en el cielo.
Ahora bien, si llevara usted consigo un sentido profundo y diario de que Dios ve cada pensamiento, nota cada movimiento, oye cada palabra y observa cada acción, este sentido de Su presencia pondría freno a su espíritu ligero, frívolo y necio. Vigilaría sus pensamientos, sus palabras y sus acciones, como quien vive bajo el sentido del ojo de Dios que escudriña los corazones. Esto es andar delante de Dios.
Pero leemos de Enoc que “caminó con Dios”. Esta es una etapa más avanzada de la vida divina. Andar con Dios es andar con Él en dulce familiaridad, en santa confianza, en un bendito sentido de tener parte salvadora en Su amor y Su gracia, y así andar con Él y hablar con Él como un hombre anda y habla con su amigo. Hay algunos que andan delante de Dios, ¡pero cuán pocos andan con Dios! Muchos viven bajo un sentido más o menos profundo y diario de la presencia de Dios que escudriña los corazones, y sin embargo no son admitidos a esta dulce familiaridad, ni gozan de la bienaventuranza de esta comunión celestial.
Al lector…
¡Qué palabra: andar delante del rostro del Señor! ¿Vive usted con la conciencia de que el ojo de Dios está sobre usted? ¿No solo en la iglesia, sino también cuando está a solas; no solo de día, sino también de noche? Sin duda pondría freno a nuestro espíritu ligero y frívolo si nos diéramos cuenta cada día de que Él ve cada pensamiento y oye cada palabra. Tenemos que reconocer con sinceridad cuán poco andamos así, y con qué facilidad se manchan nuestras vestiduras con el mundo.
Pero va aún más lejos. Andar con Dios es más: es andar con Él en dulce comunión y santa confianza, como un hombre habla con su amigo. ¿Conoce usted poco de eso, y sin embargo lo anhela? Entonces deje que ese anhelo se convierta en oración. Aquel que atrajo a Enoc hacia Sí sigue siendo el mismo, y no deja sin respuesta a los que así están necesitados. Diga entonces con el salmista: “Andaré delante de Jehová”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De gave van Christus
Onze Heere Jezus Christus, Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Galaten 1:3-5
Er is meer dan de verdoemenis van de wereld waarvan Christus ons kwam verlossen door Zichzelf voor onze zonden te geven. Er zijn de mensen van de wereld, de mannen en vrouwen met wie we zijn omringd en met wie we in de dagelijkse handelingen van het leven zo nauw zijn verbonden. Vermenging met hen is tot op zekere hoogte onvermijdelijk, aangezien de eisen van het zakendoen het noodzakelijk maken. Maar er is een grens die we niet moeten overschrijden. We moeten de mannen en vrouwen van deze wereld niet tot onze vrienden en metgezellen maken.
Als we in de raad van de goddelozen wandelen en op de weg van de zondaren staan, zullen we met hen geoordeeld worden; als we aan de andere kant uit liefde voor de Heere en Zijn kinderen met hen omgaan, zullen we delen in hun zegeningen. Laat ons nooit vergeten dat de Heere Jezus Christus kwam om ons te bevrijden van alle omgang met Zijn vijanden, en ons te verenigen met Hemzelf en Zijn vrienden. Ik geloof zelfs dat een van de eerste tekenen van Gods genade in de ziel de scheiding is die zij voortbrengt tussen ons en degenen die tot dan toe onze voornaamste vrienden en metgezellen waren.
Het werk van God in het hart is een beslissend werk. Het staat geen halve maatregelen toe; het staat geen overeenkomsten toe. Het schept van het begin af aan een kloof tussen de wereld en ons die we nooit willen overbruggen, nooit willen opvullen, maar we wensen alleen dat de kloof elke dag breder wordt en de scheiding steeds groter. Ik hoop dat ik oprecht kan zeggen, wat mijzelf betreft, dat ik geen enkele wereldse vriend of metgezel heb noch wens te hebben. Moge ik altijd gescheiden blijven van al de zodanigen, en mag ik leven en sterven in het zoete en enige gezelschap van de heiligen Gods.
Lezen: Psalm 1
Aan de lezer…
U die de genade hebt leren kennen, mag uzelf wel afvragen met wie u omgaat. Het is geen kleine vraag. Wij kunnen de mensen van de wereld in ons dagelijks werk niet geheel ontlopen, maar wie tot onze vrienden en metgezellen worden, dat zegt veel over waar ons hart is. Misschien hebt u ervaren dat de genade een scheiding bracht tussen u en hen die vroeger uw voornaamste vrienden waren, en hebt u daar pijn van gehad.
Wees niet bevreesd om die kloof. De Heere Jezus Christus heeft Zichzelf gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit deze tegenwoordige boze wereld en ons zou verenigen met Hemzelf en Zijn vrienden. Het werk van God in het hart staat geen halve maatregelen toe. Bid dan niet om de kloof te overbruggen, maar om een hart dat haar breder wenst. En zoek, zo u kunt, het zoete gezelschap van hen die de Heere vrezen, want met hen zult u delen in Zijn zegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Onze Heere Jezus Christus, Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Galaten 1:3-5
Er is meer dan de verdoemenis van de wereld waarvan Christus ons kwam verlossen door Zichzelf voor onze zonden te geven. Er zijn ook de mensen van de wereld, de mannen en vrouwen door wie we omringd zijn en met wie we in de dagelijkse bezigheden van het leven zo nauw verbonden zijn. Omgang met hen is tot op zekere hoogte onvermijdelijk, omdat ons werk en onze zaken dat noodzakelijk maken. Maar er is een grens die we niet moeten overschrijden. We moeten de mannen en vrouwen van deze wereld niet tot onze vrienden en metgezellen maken.
Als we wandelen in de raad van de goddelozen en staan op de weg van de zondaars, zullen we met hen geoordeeld worden. Als we daarentegen uit liefde tot de Heere omgaan met Zijn kinderen, zullen we delen in hun zegeningen. Laten we nooit vergeten dat de Heere Jezus Christus kwam om ons te bevrijden van alle omgang met Zijn vijanden, en om ons te verenigen met Zichzelf en met Zijn vrienden. Ik geloof zelfs dat een van de eerste tekenen van Gods genade in de ziel de scheiding is die zij teweegbrengt tussen ons en hen die tot dan toe onze voornaamste vrienden en metgezellen waren.
Het werk van God in het hart is een beslissend werk. Het laat geen halve maatregelen toe en geen compromissen. Van het begin af aan schept het een kloof tussen de wereld en ons, een kloof die we nooit willen overbruggen en nooit willen opvullen; we wensen alleen dat zij elke dag breder wordt en de scheiding steeds groter. Ik hoop dat ik wat mijzelf betreft oprecht kan zeggen dat ik geen enkele wereldse vriend of metgezel heb en die ook niet wens te hebben. Moge ik altijd gescheiden blijven van al zulke mensen, en moge ik leven en sterven in het zoete en enige gezelschap van de heiligen van God.
Lezen: Psalm 1
Aan de lezer…
U die de genade hebt leren kennen, mag uzelf wel afvragen met wie u omgaat. Het is geen kleine vraag. Wij kunnen de mensen van de wereld in ons dagelijks werk niet helemaal ontlopen, maar wie onze vrienden en metgezellen worden, zegt veel over waar ons hart is. Misschien hebt u ervaren dat de genade een scheiding bracht tussen u en hen die vroeger uw voornaamste vrienden waren, en hebt u daar pijn van gehad.
Wees niet bang voor die kloof. De Heere Jezus Christus heeft Zichzelf gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit deze tegenwoordige boze wereld en ons zou verenigen met Zichzelf en Zijn vrienden. Het werk van God in het hart laat geen halve maatregelen toe. Bid dan niet om de kloof te overbruggen, maar om een hart dat haar breder wenst. En zoek, als u kunt, het zoete gezelschap van hen die de Heere vrezen, want met hen zult u delen in Zijn zegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Our Lord Jesus Christ, Who gave Himself for our sins, that He might deliver us from this present evil world, according to the will of God and our Father: to Whom be glory for ever and ever. Amen.
Galatians 1:3-5
There is more than the condemnation of the world from which Christ came to deliver us by giving Himself for our sins. There are also the people of the world, the men and women by whom we are surrounded and with whom we are so closely connected in the daily business of life. Intercourse with them is to a certain extent unavoidable, because our work and our business make it necessary. But there is a line which we must not cross. We must not make the men and women of this world our friends and companions.
If we walk in the counsel of the ungodly and stand in the way of sinners, we shall be judged with them. If, on the other hand, out of love to the Lord we keep company with His children, we shall share in their blessings. Let us never forget that the Lord Jesus Christ came to deliver us from all fellowship with His enemies, and to unite us to Himself and to His friends. I even believe that one of the first marks of God’s grace in the soul is the separation it brings about between us and those who until then were our chief friends and companions.
The work of God in the heart is a decisive work. It allows no half measures and no compromises. From the very beginning it makes a gulf between the world and us, a gulf we never wish to bridge and never wish to fill up; we only wish that it may grow wider every day and the separation ever greater. I hope that, as regards myself, I can honestly say that I have not a single worldly friend or companion, nor do I wish to have one. May I always remain separate from all such, and may I live and die in the sweet and only company of the saints of God.
Reading: Psalm 1
To the reader…
You who have come to know grace may well ask yourself with whom you keep company. It is no small question. We cannot altogether avoid the people of the world in our daily work, but who become our friends and companions says much about where our heart is. Perhaps you have found that grace brought a separation between you and those who used to be your chief friends, and it has caused you pain.
Do not be afraid of that gulf. The Lord Jesus Christ gave Himself for our sins, that He might deliver us from this present evil world and unite us to Himself and His friends. The work of God in the heart allows no half measures. So do not pray for the gulf to be bridged, but for a heart that wishes it wider. And seek, if you can, the sweet company of those who fear the Lord, for with them you will share in His blessing.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Nuestro Señor Jesucristo, el Cual se dio a Sí mismo por nuestros pecados para librarnos de este presente siglo malo, conforme a la voluntad de Dios y Padre nuestro; al Cual sea la gloria por siglos de siglos. Amén.
Gálatas 1:3-5
No es solo de la condenación del mundo de lo que Cristo vino a librarnos al darse a Sí mismo por nuestros pecados. Están también las personas del mundo, los hombres y mujeres que nos rodean y con quienes estamos tan estrechamente relacionados en los quehaceres diarios de la vida. El trato con ellos es hasta cierto punto inevitable, porque nuestro trabajo y nuestros negocios lo hacen necesario. Pero hay una línea que no debemos cruzar. No debemos hacer de los hombres y mujeres de este mundo nuestros amigos y compañeros.
Si andamos en consejo de malos y estamos en camino de pecadores, seremos juzgados con ellos. Si, en cambio, por amor al Señor buscamos la compañía de Sus hijos, participaremos de sus bendiciones. No olvidemos nunca que el Señor Jesucristo vino a librarnos de toda comunión con Sus enemigos, y a unirnos a Sí mismo y a Sus amigos. Creo incluso que una de las primeras señales de la gracia de Dios en el alma es la separación que produce entre nosotros y los que hasta entonces eran nuestros principales amigos y compañeros.
La obra de Dios en el corazón es una obra decisiva. No admite medias tintas ni componendas. Desde el principio abre un abismo entre el mundo y nosotros, un abismo que nunca deseamos salvar con un puente ni rellenar; solo deseamos que se ensanche cada día y que la separación sea cada vez mayor. Espero que, en lo que a mí respecta, pueda decir con sinceridad que no tengo un solo amigo o compañero mundano, ni deseo tenerlo. Quiera yo permanecer siempre separado de todos ellos, y vivir y morir en la dulce y única compañía de los santos de Dios.
Lectura: Salmo 1
Al lector…
Usted que ha llegado a conocer la gracia bien puede preguntarse con quién anda. No es una pregunta pequeña. No podemos evitar del todo a las personas del mundo en nuestro trabajo diario, pero quiénes llegan a ser nuestros amigos y compañeros dice mucho de dónde está nuestro corazón. Quizá haya descubierto que la gracia produjo una separación entre usted y los que antes eran sus principales amigos, y eso le ha causado dolor.
No tema ese abismo. El Señor Jesucristo se dio a Sí mismo por nuestros pecados para librarnos de este presente siglo malo y unirnos a Sí mismo y a Sus amigos. La obra de Dios en el corazón no admite medias tintas. No ore, pues, para que el abismo sea salvado, sino por un corazón que lo desee más ancho. Y busque, si puede, la dulce compañía de los que temen al Señor, porque con ellos participará de Su bendición.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn; opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.
Romeinen 8:29
Het herrezen lichaam van Christus is het voorbeeld waaraan de lichamen der heiligen gelijkvormig gemaakt worden. Want gelijk wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo ook zullen wij het beeld des Hemelsen dragen. Dit is het heerlijk beeld waaraan alle heiligen gelijkvormig worden gemaakt. Maar ofschoon ten volle de wezenlijke eigenschappen der mensheid behoudende — anders zou de vereniging van de menselijke natuur met de Godheid ophouden — toch is dit herrezen lichaam van de gezegende Heere onuitsprekelijk heerlijk. En aan dit heerlijk beeld zullen de heiligen gelijkvormig zijn; ja, zó heerlijk zal hun beeld zijn, dat wij in onze lage staat geen denkbeeld kunnen vormen van deze uitmuntende heerlijkheid; zelfs niet van de mindere graad van heerlijkheid die de lichamen der heiligen zullen hebben bij hun opstanding.
„Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is”, 1 Joh. 3:2. Maar hiervan kunnen wij overtuigd zijn, dat er altijd een wezenlijk en ongenaakbaar onderscheid bestaat tussen de heerlijkheid van Christus’ menselijke natuur en die der heiligen. Zijn menselijke natuur, in een eeuwige vereniging met Zijn Godheid, ontleent daaraan een heerlijkheid die onderscheiden is van alle andere. Geen benadering tot die heerlijkheid kan er zijn; er kan niets bij Hem vergeleken worden. De heerlijkheid van de maan kan nooit halen bij de heerlijkheid der zon, ofschoon zij schijnt met het licht dat van de zon uitstraalt.
Hij zal ons vernederd lichaam veranderen en aan Zijn heerlijk lichaam gelijkvormig maken. Maar ofschoon gelijk, het zal niet hetzelfde zijn. Het zal der heiligen eeuwige blijdschap zijn, Hem te zien gelijk Hij is en Hem gelijk gemaakt te worden. Maar ook zal het hun eeuwige vreugd verschaffen dat Hij een voortreffelijker heerlijkheid zal hebben; want dit is Zijn geboorterecht. En Hem te aanbidden zal hun hoogste vermaak zijn.
Een lichaam te hebben, bevrijd van alle zonden, ziekten en smart, en opgevoerd tot de hoogste graad van heiligheid en blijdschap. Bekwaam of in staat te zijn om Hem te zien gelijk Hij is, zonder op dat gezicht te sterven, en dan, verenigd met ons voorheen lijdend, maar dan evengelijk verheerlijkt lichaam, een onsterfelijke ziel te hebben, die, verwijd, de hoogste blijdschap en vreugde zal kunnen genieten. Als dit niet vergenoegen kan, wat kan God meer geven?
Aan de lezer…
Wanneer u moede wordt van een lichaam vol zwakheid, ziekte en smart, en van een hart waarin de zonde nog woont, hef dan uw ogen op naar wat God voor de Zijnen bereid heeft. Die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn. Hij zal het vernederd lichaam veranderen en gelijkvormig maken aan Zijn heerlijk lichaam. Wat dat zal zijn, kunnen wij in onze lage staat nauwelijks bevroeden; het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen.
En toch zal Hij altijd de Eerstgeborene blijven, onder vele broederen. Gelijk de maan schijnt met het licht van de zon, zo zullen de heiligen schijnen met een heerlijkheid die van Hem afstraalt. Hem te zien gelijk Hij is, Hem gelijk te zijn en Hem eeuwig te aanbidden: dat zal hun hoogste vermaak zijn. Mag u daar iets van verwachten, wees dan getroost onder de last van vandaag. Als dit niet vergenoegen kan, wat kan God meer geven?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn; opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.
Romeinen 8:29
Het opgestane lichaam van Christus is het voorbeeld waaraan de lichamen van de heiligen gelijkvormig gemaakt worden. Want zoals wij het beeld van de aardse gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen. Dit is het heerlijke beeld waaraan alle heiligen gelijkvormig gemaakt worden. Dit opgestane lichaam van de gezegende Heere behoudt ten volle de wezenlijke eigenschappen van de mensheid — anders zou de vereniging van de menselijke natuur met de Godheid ophouden — maar toch is het onuitsprekelijk heerlijk. En aan dit heerlijke beeld zullen de heiligen gelijkvormig zijn. Ja, hun beeld zal zo heerlijk zijn dat wij ons in onze lage staat geen voorstelling kunnen maken van deze uitnemende heerlijkheid, zelfs niet van de mindere graad van heerlijkheid die de lichamen van de heiligen bij hun opstanding zullen hebben.
„Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is”, 1 Joh. 3:2. Maar hiervan kunnen wij overtuigd zijn, dat er altijd een wezenlijk en onoverbrugbaar onderscheid blijft tussen de heerlijkheid van de menselijke natuur van Christus en die van de heiligen. Zijn menselijke natuur, die in eeuwige vereniging is met Zijn Godheid, ontleent daaraan een heerlijkheid die verschilt van alle andere. Niets kan die heerlijkheid benaderen; niets kan met Hem vergeleken worden. De heerlijkheid van de maan kan nooit tippen aan de heerlijkheid van de zon, hoewel zij schijnt met het licht dat van de zon uitstraalt.
Hij zal ons vernederd lichaam veranderen en gelijkvormig maken aan Zijn heerlijk lichaam. Maar hoewel het gelijk zal zijn, zal het niet hetzelfde zijn. Het zal de eeuwige blijdschap van de heiligen zijn om Hem te zien zoals Hij is en aan Hem gelijk gemaakt te worden. Maar het zal hun ook eeuwige vreugde geven dat Hij een voortreffelijker heerlijkheid zal hebben, want dat is Zijn geboorterecht. En Hem te aanbidden zal hun hoogste vreugde zijn.
Een lichaam te hebben dat bevrijd is van alle zonden, ziekten en smart, en verheven tot de hoogste graad van heiligheid en blijdschap. In staat te zijn Hem te zien zoals Hij is, zonder bij dat zien te sterven. En dan, verenigd met ons lichaam dat vroeger leed, maar dan evenzeer verheerlijkt is, een onsterfelijke ziel te hebben die, verruimd, de hoogste blijdschap en vreugde zal kunnen genieten. Als dit niet kan voldoen, wat kan God dan meer geven?
Aan de lezer…
Wanneer u moe wordt van een lichaam vol zwakheid, ziekte en smart, en van een hart waarin de zonde nog woont, sla dan uw ogen op naar wat God voor de Zijnen bereid heeft. Die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn. Hij zal het vernederd lichaam veranderen en gelijkvormig maken aan Zijn heerlijk lichaam. Wat dat zal zijn, kunnen wij in onze lage staat nauwelijks vermoeden; het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen.
En toch zal Hij altijd de Eerstgeborene blijven onder vele broeders. Zoals de maan schijnt met het licht van de zon, zo zullen de heiligen schijnen met een heerlijkheid die van Hem afstraalt. Hem te zien zoals Hij is, Hem gelijk te zijn en Hem eeuwig te aanbidden: dat zal hun hoogste vreugde zijn. Mag u daar iets van verwachten, wees dan getroost onder de last van vandaag. Als dit niet kan voldoen, wat kan God dan meer geven?
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For whom He did foreknow, He also did predestinate to be conformed to the image of His Son, that He might be the firstborn among many brethren.”
Romans 8:29
The risen body of Christ is the type to which the risen bodies of the saints are to be conformed, for “as we have borne the image of the earthy, we shall also bear the image of the heavenly.” This is that glorious image to which the saints are to be all conformed. But though fully retaining all the essential characteristics of humanity, for otherwise it would cease to be manhood in conjunction with Godhead, yet so unspeakably glorious is this risen body of the blessed Lord, to the image of which the risen saints will be conformed, that in this time-state we can not only form no conception of its surpassing glory, but not even of that inferior degree of glory which will clothe the bodies of the saints at the resurrection. “Beloved, now are we the sons of God, and it does not yet appear what we shall be—but we know that, when He shall appear, we shall be like Him, for we shall see Him as He is” (1 John 3:2).
But of this we may be sure, that there will always be an essential and unapproachable distinction between the glory of Christ’s humanity and theirs. His humanity, being in eternal union with His Deity, derives thence a glory which is distinct from all other, and to which there can be no approach, and with which there can be no comparison. The glory of the moon never can be the glory of the sun, though she shines with his reflected light. “He will change our vile body that it may be fashioned like unto His glorious body;” but though like, it will not be the same.
It will be the saints’ eternal happiness to see Him as He is, and to be made like unto Him; but it will be their everlasting joy that He should ever have that pre-eminence of glory which is His birthright, and to adore which will ever be their supreme delight. To have a body free from all sin, sickness, and sorrow, filled to its utmost capacity of holiness and happiness, able to see Him as He is without dying under the sight, and to be re-united to its once suffering but now equally glorified companion, an immortal soul, expanded to its fullest powers of joy and bliss—if this be not sufficient, what more can God give?
To the reader…
When you grow weary of a body full of weakness, sickness and sorrow, and of a heart in which sin still dwells, lift up your eyes to what God has prepared for His own. Whom He did foreknow, He also did predestinate to be conformed to the image of His Son. He will change our vile body, that it may be fashioned like unto His glorious body. What that will be, we can scarcely imagine in our low estate; it does not yet appear what we shall be.
And yet He will always remain the Firstborn among many brethren. Just as the moon shines with the light of the sun, so the saints will shine with a glory that radiates from Him. To see Him as He is, to be like Him and to adore Him for ever: that will be their highest joy. If you may look forward to something of this, then take comfort under today’s burden. If this is not enough, what more can God give?
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque a los que antes conoció, también predestinó para que fuesen hechos conformes a la imagen de Su Hijo, para que Él sea el primogénito entre muchos hermanos.”
Romanos 8:29
El cuerpo resucitado de Cristo es el modelo al cual han de ser conformados los cuerpos resucitados de los santos, porque “como trajimos la imagen del terreno, traeremos también la imagen del celestial”. Esta es aquella gloriosa imagen a la cual todos los santos han de ser conformados. Pero aunque conserva plenamente todas las características esenciales de la humanidad, pues de otro modo dejaría de ser humanidad unida a la Deidad, tan indeciblemente glorioso es este cuerpo resucitado del bendito Señor, a cuya imagen serán conformados los santos resucitados, que en este estado temporal no solo no podemos formarnos idea alguna de su gloria sin igual, sino ni siquiera de aquel grado inferior de gloria que revestirá los cuerpos de los santos en la resurrección. “Muy amados, ahora somos hijos de Dios, y aun no se ha manifestado lo que hemos de ser; pero sabemos que cuando Él apareciere, seremos semejantes a Él, porque Le veremos como Él es” (1 Juan 3:2).
Pero de esto podemos estar seguros: que siempre habrá una distinción esencial e inalcanzable entre la gloria de la humanidad de Cristo y la de ellos. Su humanidad, estando en unión eterna con Su Deidad, deriva de ella una gloria distinta de toda otra, a la cual no puede haber acercamiento y con la cual no puede haber comparación. La gloria de la luna nunca puede ser la gloria del sol, aunque ella brille con la luz reflejada de él. “Él transformará el cuerpo de nuestra bajeza, para ser semejante al cuerpo de Su gloria”; pero, aunque semejante, no será el mismo.
Será la felicidad eterna de los santos verle como Él es y ser hechos semejantes a Él; pero será su gozo eterno que Él tenga siempre aquella preeminencia de gloria que es Su derecho de primogenitura, y adorarla será siempre su supremo deleite. Tener un cuerpo libre de todo pecado, enfermedad y tristeza, lleno hasta el máximo de su capacidad de santidad y felicidad, capaz de verle como Él es sin morir ante esa vista, y ser reunido con su compañera, una vez sufriente pero ahora igualmente glorificada, el alma inmortal, ensanchada hasta sus más plenas facultades de gozo y dicha; si esto no basta, ¿qué más puede dar Dios?
Al lector…
Cuando se canse usted de un cuerpo lleno de debilidad, enfermedad y tristeza, y de un corazón en el que todavía mora el pecado, alce los ojos a lo que Dios ha preparado para los Suyos. A los que antes conoció, también predestinó para que fuesen hechos conformes a la imagen de Su Hijo. Él transformará el cuerpo de nuestra bajeza, para ser semejante al cuerpo de Su gloria. Lo que eso será, apenas podemos imaginarlo en nuestro bajo estado; aún no se ha manifestado lo que hemos de ser.
Y sin embargo, Él seguirá siendo siempre el Primogénito entre muchos hermanos. Así como la luna brilla con la luz del sol, así los santos brillarán con una gloria que irradia de Él. Verle como Él es, ser semejantes a Él y adorarle para siempre: ese será su gozo más alto. Si usted puede esperar algo de esto, consuélese bajo la carga de hoy. Si esto no basta, ¿qué más puede dar Dios?
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl